Toelichting-Buitengebied, locatie Vogelenzangweg Ulft.pdf
Tekst van het document
Sporenonderzoek Na het uitvoeren van de quick scan op de locatie in begin oktober 2021 is een sporenonderzoek11 uitgevoerd, dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 6. In het plangebied zijn twee schuren aanwezig. De zolders van deze schuren konden ten tijden van de quick scan niet goed worden onderzocht op mogelijke aanwezige sporen en/of aanwezigheid van steenmarter, steenuil en gewone grootoorvleermuis. Daarom werd er een
11
SAB. Memo Sporenonderzoek schuur Ulft, Vogelenzangweg tussen 33a en 35a. 8 juni 2022. 30
tweede bezoek gebracht aan het plangebied, om beide zolders uitgebreid te kunnen onderzoeken. Uit het onderzoek blijkt dat een verblijfplaats van een steenmarter aanwezig is op de zolder van de oostelijke schuur. Een nest van de steenuil is niet aanwezig, alsook geen verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis. In de westelijke schuur werden helemaal geen sporen gevonden. Is er nader onderzoek nodig Met de geplande ruimtelijke ontwikkelingen zullen de schuren blijven bestaan. Ten noorden van deze schuren worden twee woningen gebouwd. De steenmarter heeft een groot territorium, tussen de 80 – 700 hectare, waarbinnen de steenmarter zo’n 10 verblijfplaatsen heeft (www.zoogdiervereniging.nl). Niet alle verblijfplaatsen zullen even intensief gebruikt worden. De steenmarter kan relatief goed tegen verstoring en schrikt niet weg van verstedelijking. Vanwege zijn grote territorium, zal het kleine gedeelte dat verdwijnt door de bouw van de woningen geen effect hebben op de steenmarter. De steenmarter kan gemakkelijk uitwijken naar andere delen van zijn territorium. Daarnaast zal de verblijfplaats niet ongeschikt worden vanwege de ontwikkelingen, omdat de steenmarter weinig last heeft van verstoring in zijn omgeving. De steenmarter heeft immers vaak zijn verblijfplaats in de buurt van menselijke activiteiten.
Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling zal de steenmarter of de functionaliteit van zijn verblijfplaats niet verloren gaan. Nader onderzoek is dan ook niet nodig en een ontheffing voor de omgang met de steenmarter is voor deze ontwikkeling niet nodig. In de schuur is geen nestplaats van de steenuil aanwezig. Daarnaast is opnieuw gekeken naar het verdwijnen van mogelijk essentieel leefgebied van de steenuil met de geplande ontwikkelingen. Hieruit blijkt dat vanwege de kleinschaligheid van het project en de afwezigheid van geschikte nestlocaties in de directe omgeving, het voorkomen van essentieel leefgebied van de steenuil op voorhand kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is dan ook niet nodig. In de schuur is geen verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis aanwezig. Daarnaast worden de schuren niet gesloopt. Nader onderzoek naar deze soort is dan ook niet nodig. Conclusie Het leefgebied en de schuur zal niet verdwijnen zodoende hoeft er voor de steenmarter geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Voor de gewone grootoorvleermuis is een verblijfplaats in de schuur uitgesloten, ook is er geen nestplaats van de steenuil aanwezig en het ontbreekt aan een essentieel leefgebied. Voor de gewone grootoorvleermuis en steenuil is ook geen nader onderzoek nodig. 4.8.3
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
31
4.9
Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.
Toetsing Voor de ontwikkeling is een stikstofonderzoek 12 uitgevoerd waarbij de aanlegfase en gebruiksfase zijn onderzocht. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Eindadvies Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
12
SAB. Onderzoek stikstofdepositie Vogelenzangweg, Ulft. 210393, 1 Maart 2023 32
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Op grond van het onderliggende bestemmingsplan is het plangebied voorzien van een archeologische dubbelbestemming, deze dubbelbestemming wordt overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. De bouwregel in de archeologische dubbelbestemming schrijft voor dat bij grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 een archeologisch rapport overlegd dient te worden waarin de archeologische waarde in voldoende mate is vastgesteld. De beoogde bebouwing met de daarbij horende grondwerkzaamheden zullen de maximale oppervlakte van 1.000 m2 niet overschrijden. Een archeologisch rapport is zodoende niet benodigd.
Mocht bij een vergunningsaanvraag toch blijken dat er een regel overschreden wordt binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische Verwachting 2’ zal alsnog een archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. In de omgeving van Ulft zijn meerdere archeologische vindplaatsen aangetroffen. Daardoor dient in de omgevingsvergunning de verplichting tot het melden van archeologische toevalsvondsten (die bij de werkzaamheden aangetroffen kunnen worden) op genomen te worden volgens de Erfgoedwet, art. 5.10. Dit artikel luidt als volgt. Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het gaat dan bijvoorbeeld om archeologische vondsten, oud muurwerk, een beerput of een waterput. Ook wordt geadviseerd om de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oude IJsselstreek hierover direct te informeren. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
33
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Voorliggend plan gaat uit van een landschappelijke inpassing zodat de twee toekomstige woningen op een zorgvuldige wijze ingepast worden. De woningen worden eveneens ingepast in de aanwezige stedenbouwkundige structuren. Verder bevinden zich in of direct rondom het plangebied geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten. De ontwikkeling van het onderhavige plangebied leidt dan ook niet tot (in)directe schade aan cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in de omgeving. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.12
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 13 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Onderhavige ontwikkeling richt zich op het bouwen van twee vrijstaande koopwoningen. Gelet op het feit dat het plangebied aan de rand van de bebouwde kom van Ulft ligt wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden kunnen worden. De gemeente Oude IJsselstreek wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘weinig stedelijk’. Voor de ontwikkeling van één vrijstaande koopwoning volgt uit de kencijfers dat er maximaal 8,6 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan. Voor de twee woningen komt het neer op maximaal 18 (naar boven afgerond) extra verkeersbewegingen pet etmaal. Dit extra verkeer kan worden opgenomen in het huidige verkeersbeeld. Parkeren Voor het berekenen van de parkeerbehoefte zijn de normen uit het gemeentelijk verkeer- en vervoerplan (GVVP) gehanteerd. Dit betekent dat een norm geldt van 2,2 per woning.
Aangezien de parkeereis op hele aantallen naar boven toe afgerond dient te worden zijn 3 parkeerplaatsen per woning noodzakelijk voor onderhavige ontwikkeling. Op het eigen terrein is voldoende ruimte om te voldoen aan deze parkeerbehoefte.
13
CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen. 34
Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering in de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.13
Klimaatadaptatie Algemeen Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Deze normen zijn vastgelegd in de provinciale waterverordeningen voor de waterschappen (Waterverordening Waterschap Rivierenland, Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe en Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel). Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3.
De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Toetsing Binnen het plangebied worden twee woningen gerealiseerd. Zoals eerder in paragraaf 4.7 naar voren is gekomen is er sprake van een toename van 650 m2 aan verhard oppervlak. Wanneer 650 m2 aan verharding wordt gerealiseerd dient het volgende volume aan infiltratievoorziening te worden gerealiseerd. 650 m2 x 0,08 m = 52 m3 Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in infiltratie- of waterbergende voorzieningen, hiermee wordt wateroverlast tegengegaan in natte periode en door het water vast te houden eveneens droogte tegengegaan in een droge periode. Door het verhard oppervlak te beperken en veel groen aan te leggen en te behouden wordt ingespeeld om hitte tegen te gaan.
35
Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect klimaatadaptatie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
36
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
37
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
38
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Wonen De nieuwe woonpercelen worden met dit plan voorzien van de bestemming ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-gebonden beroepen, een bed en breakfast en hobbymatige agrarisch gebruik. De woningen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht. Er geldt een maximale inhoud per woning van 750 m3 en een maximale bouwhoogte van 8 m en een maximale goothoogte van 3,5 m. Bijbehorende bouwwerken mogen een maximale oppervlakte hebben van 150 m2 met een maximale bouwhoogte van 6 m en een maximale goothoogte van 3 m. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 2 meter (erf- en terreinafscheidingen), dan wel 1 meter (erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn) of 3 meter (overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde). Waarde - Archeologische Verwachting 2 De dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologische Verwachting 2’ zijn opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden binnen het plangebied. Op grond van deze dubbelbestemmingen geldt bij bepaalde bodemingrepen een vergunningenstelsel voor het bouwen en voor uitvoeren van een werk, geen gebouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
39
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. De kosten- en opbrengstenbegroting als onderdeel van de ontwikkelingen van de beoogde bestemmingswijzigingen en ten behoeve van de uitplaatsing van bewoners kent een te verwaarlozen resultaat en is daarmee financieel sluitend waardoor tevens aan het vereiste van het grondbeleid wordt voldaan. Omdat het kostenverhaal verzekerd is hoeft bij vaststelling van het bestemmingsplan door de raad geen ‘exploitatieplan’, tot verhaal van kosten op derden anders dan door uitgifte, te worden vastgesteld.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties.
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. Er zijn een tweetal zienswijzen binnengekomen. De binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien in een Nota van Zienswijzen.
40