Toelichting_Bijlage 12 Aanmeldnotitie Mer-beoordeling.pdf
Tekst van het document
Aanmeldingsnotitie mer-beoordeling bestemmingsplan ‘Buitengebied, locatie Huis Landfort’
Opdrachtgever Naam
:
RAACC adviesbureau B.V.
Postadres
:
Ringlaan 9, 6961 KJ Eerbeek
Bezoekadres
:
Jufferenwal 30, 8011 LE ZWOLLE
Postadres
:
Postbus 432, 8000 AK Zwolle
Datum
:
13 december 2022
Projectnummer
:
6610797966
Status
:
definitief
Projectleider Telefoon
: :
E.W. Lamberts 088 236 82 36
:
info@rombou.nl
Rombou
Inhoudsopgave 1 INLEIDING Voornemen 3 Doel van deze notitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling
3
2 INHOUDELIJK AFWEGING 2.1 Bodem 2.2 Archeologie 2.3 Flora en fauna 2.4 Geluid 2.5 Luchtkwaliteit 2.6 Bedrijven en milieuzonering 2.7 Externe veiligheid 2.8 Water
5 5 5 6 6 7 7 7 7
3
9
CONCLUSIE
3 3
2
1 Inleiding Voornemen Stichting Erfgoed Landfort (sEL) wil voldoende parkeergelegenheid creëren voor bezoekers van de historische buitenplaats Huis Landfort. De huidige parkeermogelijkheden zijn onvoldoende. Na een grondige locatiestudie is geconcludeerd dat de beste locatie voor deze parkeervoorziening een agrarisch perceel aan de Hogestraat is. Dit perceel heeft op dit moment een agrarische bestemming. Om de parkeervoorziening mogelijk te maken is het noodzakelijk om de bestemming van het perceel te wijzigen zodat de aanleg van de voorziening juridisch-planologische mogelijk wordt. Hiertoe zal het bestemmingsplan van het perceel worden herzien. Naast het creëren van de juridisch-planologische basis voor de aanleg van de parkeervoorziening, valt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan tevens het grondgebied van de gehele historische buitenplaats. Echter is de bestemmingsplanherziening voor dit gedeelte van het plangebied conserverend van aard. De Aanmeldingsnotitie mer-beoordeling gaat alleen in op het ontwikkelingsgericht deel van de bestemmingsplanherziening omdat alleen daar milieugevolgen aan de orde kunnen zijn. Doel van deze notitie Deze m.e.r.-aanmeldnotitie is geschreven om aan te tonen dat de realisatie van de parkeervoorziening niet leidt tot aanzienlijke gevolgen voor het milieu en dat een nadere m.e.r.-beoordelingsprocedure daarmee niet aan de orde is.
Dit wordt in deze aanmeldnotitie aangetoond aan de hand van de milieuonderzoeken die reeds zijn uitgevoerd. Aan de hand van deze onderzoeken kan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ook kan worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot significant negatieve gevolgen op het milieu als gevolg van het bestemmingsplan. Deze notitie moet worden vastgesteld door het college voorafgaand aan de ter inzage legging van een ontwerp bestemmingsplan. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het thema ‘milieu effect rapportage’ kan voor bestemmingsplannen op drie manieren van belang zijn, te weten een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.beoordeling. Welke van deze drie varianten aan de orde is, is afhankelijk van de hetgeen in het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. De eerste variant is een verplichting en m.e.r. te doorlopen op grond van artikel 7.2 Wet milieubeheer gelezen in samenhang met onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Kort gezegd geldt er een m.e.r.-plicht wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt genoemd in kolom 1 van het voornoemde onderdeel C en tevens de drempelwaarde uit kolom 2 wordt overschreden. De activiteiten
3
die door het onderhavige bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt komen niet voor in kolom 1 van onderdeel C. Zodoende is er geen sprake van een m.e.r.-plicht. De tweede variant betreft de m.e.r.-beoordelingsplicht. Deze m.e.r.-beoordelingsplicht is, kort gezegd, aan de orde wanneer het bestemmingsplan activiteiten mogelijk maakt die genoemd worden in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en tevens de drempelwaarde uit kolom 2 wordt overschreden. Dit bestemmingsplan maakt activiteiten mogelijk die vallen onder categorie D11.2 van het voornoemde onderdeel D. De drempelwaarden van kolom 2 worden echter niet overschreden. Derhalve geldt er voor dit project ook geen m.e.r.-beoordelingsplicht. De derde variant is de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze variant is aan de orde wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die weliswaar genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, maar deze activiteit de drempelwaarde uit kolom 2 overschrijdt. Zoals hiervoor aangeven is dit zo voor het onderhavige bestemmingsplan. Op grond van artikel 2 lid 5 Besluit milieueffectrapportage is de vormvrije m.e.r.-beoordeling niet geheel vorm vrij.
Met de vaststelling van deze aanmeldnotitie door het college van burgemeester en wethouders, voorafgaand aan de ter inzage legging van een ontwerp bestemmingsplan, zal worden voldaan aan de gestelde vormvereisten. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een plan-MER. In het kader van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de relevante (milieu)aspecten. In deze notitie worden de conclusies hiervan kort benoemd. In het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de volgende aspecten. • Bodem; • Archeologie en cultuurhistorie; • Flora en fauna; • Geluid; • Luchtkwaliteit; • Bedrijven en milieuzonering; • Externe veiligheid; • Water. In hoofdstuk 2 van deze notitie worden nader ingegaan op deze aspecten
4
2 Inhoudelijk afweging In het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor de ontwikkeling van het De parkeervoorzeining, zijn alle relevante (milieu-)aspecten onderzocht. De onderzoeken die zijn uitgevoerd beschrijven de effecten van het plan op de omgeving of omgekeerd. Op basis van deze onderzoeken kan worden bepaald welke effecten als gevolg van de ontwikkeling optreden en of daarbij sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Door te bepalen of er nadelige milieugevolgen zijn, kan ook bepaald worden of een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Hieronder volgt per aspect een afweging. 2.1 Bodem Het terrein waar de parkeervoorziening gerealiseerd zal worden heeft een agrarische bestemming en is sinds 1960 als zodanig in gebruik. Daarvoor was het een bosperceel. De parkeeractiviteiten, die uitgevoerd gaan worden, vormen geen bijzonder risico voor de bodemkwaliteit. Het is de verwachting dat de bodemkwaliteit geen significante verandering ondergaat door dit beoogde gebruik. In het geval van calamiteiten, bijvoorbeeld door uitlekken van vloeistoffen door voertuigen, dan zal de terreinbeheerder hier maatregelen moeten treffen om enige vorm van milieubelasting tegen te gaan. Het terrein is niet gelegen in een beschermingszone (waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone).
2.2 Archeologie Archeologie In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen ter bescherming de archeologische waarden. De grondwerkzaamheden ten behoeve van het aanleggen van de parkeervoorziening zijn overwegend relatief oppervlakkig. Deze werkzaamheden zullen niet dieper gaan dan de vrijstellingsgrens van 30 centimeter beneden het maaiveld. Op enkele punten (aanleg hekwerken en beplanting) zullen wel grondbewerkingen op meer dan 30 centimeter diepte nodig zijn, maar dit zal de vrijstellingsondergrens qua oppervlakte niet overschrijden. Aangezien de werkzaamheden voor de aanleg van de parkeerplaats de ondergrenzen niet overschrijden, is verder geen archeologisch onderzoek vereist. Er worden geen archeologische waarden aangetast met de realisatie van dit plan. Cultuurhistorie Het terrein, waar de parkeervoorziening wordt gerealiseerd, is cultuurhistorisch niet waardevol. De parkeervoorziening wordt namelijk aangelegd buiten de gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. Het terrein is in de huidige situatie in gebruik als wei- annex bouwland.
5
Door de parkeervoorziening landschappelijk zorgvuldig in te passen en een groene uitstraling te geven, voegt deze zich op een natuurlijke wijze in het landschap. De cultuurhistorische waarde van nabij gelegen buitenplaats wordt daardoor niet aangetast. 2.3 Flora en fauna Voor het aspect flora en fauna zijn op grond van de Wet natuurbescherming twee deelaspecten van belang, te weten de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. Als het gaat om de bescherming van gebieden is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd van zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Uit de berekeningen blijkt dat zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen nadelig gevolgen heeft voor de Nederlandse Natura 2000gebieden. De beoordeling van stikstofdepositie op Duitse Natura 2000-gebieden vindt plaats volgens de Duitse beoordelingsmethode. Volgens die methode beperkt het onderzoek zich tot het gebied waar de stikstofdepositie meer dan 7,14 mol/ha/jaar bedraagt. De ondergrens voor een van belang zijnde depositietoename ligt op 3% van de kritische depositiewaarde van het beoordeelde habitattype. Duitsland stelt dat een extra stikstofdepositie van 3% van de kritische depositiewaarde is te verwaarlozen. Berekend is dat de stikstofdepositie in zowel de aanleg- als gebruiksfase lager is dan 7,14 mol per hectare per jaar.
De stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling voldoet hiermee aan het Duitse beleid. Overige effecten, zoals trillingen, geluid, lichthinder e.d., zijn vanwege de aanzienlijke afstand tot de Nederlandse Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Het enige andere mogelijke effect op grotere afstand van een Natura 2000-gebied hangt samen met (grootschalige) grondwateronttrekking of andere hydrologische maatregelen. Daarvan is in dit geval geen sprake. In dit geval is op voorhand aangetoond dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten zodat van een vergunningplicht geen sprake is. Als het gaat om het aspect gebiedsbescherming staat de Wet natuurbescherming, op grond van de voornoemde conclusies, niet in de weg aan dit plan. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd naar beschermde soorten. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat beschermde soorten door de aanleg van de parkeervoorziening niet in het gebied zijn. Nader onderzoek of het aanvragen van ontheffing of mitigerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. 2.4 Geluid Geluidhinder vanwege activiteiten op het parkeerterrein zullen niet optreden omdat geluidgevoelige objecten op voldoende afstand liggen (ruim 200 meter). Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten is deze afstand meer dan voldoende om een instandhouding van het woon- en leefklimaat te garanderen.
De aan- en afrijroutes die worden gebruikt zijn de Landfortseweg en Hogestraat. Er valt een kleine toename te verwachten van verkeer. Dit valt binnen de grenzen van wat redelijkerwijs te verachten verwachten valt van op dit type weg. De verwachte geluidsbelasting van deze wegen ligt tussen de 51 en 60 dB (bron: atlasleefomgeving.nl), de voorgenomen ontwikkeling zal hier geen wijziging in aanbrengen.
6
2.5 Luchtkwaliteit De ontwikkeling zal een toename van het aantal verkeersbewegingen met zich meebrengen. Verkeer zorgt voor uitstoot van stikstofdioxide en fijn stof. Uit wordt gegaan van gemiddeld 140 voertuigbewegingen heen en 140 terug zonder vrachtverkeer. Met behulp van de NIBM rekentool is bepaald dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het effect van het plan op de luchtkwaliteit is derhalve verwaarloosbaar. 2.6 Bedrijven en milieuzonering Om de ruimtelijke inpasbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling te beoordelen, is aangesloten bij de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Gezien het gebruik dat mogelijk wordt gemaakt op het parkeerterrein, is het aspect geluid de bepalende factor voor de ruimtelijke relatie tussen die functies. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter voor autoparkeerterreinen. De meest nabijgelegen woning ligt op ten minste 160 meter afstand van de te realiseren parkeervoorziening. Er wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Ter plaatse van de nabijgelegen woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat de parkeervoorziening geen gevoelige functie betreft, is het uitgesloten dat bedrijven in de omgeving door deze nieuwe functie worden belemmerd in de bedrijfsvoering.
2.7 Externe veiligheid Bepaalde maatschappelijke activiteiten brengen risico’s op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van de risico’s bij de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid of het nieuw vestigen van dergelijke activiteiten kan beperkingen opleggen aan de omgeving, doordat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen nodig zijn. Aan hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van meer dan 3 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. 2.8 Water Mede in overleg met het Waterschap Rijn & IJssel is een watertoets uitgevoerd. Het Waterschap heeft aangegeven dat de volgende aspecten van belang zijn bij de uitwerking / uitvoering van het plan: 1. De bestaande watergang moet bereikbaar blijven voor beheer- en onderhoud en daarmee voor het materiaal om langs de watergang te rijden. Hier moet rekening mee gehouden worden binnen het plan; 2.
Bij de aanleg van de parkeerplaats dient de toename verharding gecompenseerd te worden met waterberging. Dit om problemen met wateroverlast te voorkomen; 3. Afstroming van regenwater direct naar de naastgelegen watergang moet worden voorkomen.
7
Uit de watertoets en het overleg met het waterschap komt naar voren dat de voorgenomen ontwikkeling op geen van deze aspecten tot knelpunten zal leiden.
8
3 Conclusie Op grond van de deelconclusies in hoofdstuk 2 van deze notitie voor de relevante (milieu-) aspecten kan de volgende eindconclusie worden getrokken. De aanleg van de nieuwe parkeervoorziening heeft geen belangrijke nadelige negatieve gevolgen voor het milieu. Een aanvullende m.e.r.-beoordeling is hierdoor dan ook niet noodzakelijk.
9