CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting 08-03-2024.pdf

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: Bestemmingsplan Varsseveld, locatie Dames Jolinkweg 7812.747 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

25

Alleen als gevolg van het niet-gezoneerde deel van de Dames Jolinkweg is de geluidsbelasting hoger 48 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt met hoogstens 2 dB overschreden voor alle drie de woningen. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Dames Jolinkweg is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van geluidsreducerende maatregelen gewenst. Een geluidgevoelige bestemming die gerealiseerd wordt langs een 30 km/uur weg wordt niet beoordeeld in het kader van de Wet geluidhinder. De geluidsbelasting is echter hoger dan 48 dB als gevolg van een niet-gezoneerde weg en speelt daardoor wel een rol in de ruimtelijke afweging. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig. Voor een goed woon- en leefklimaat is derhalve een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels gewenst. Concluderend: In de regels van het bestemmingsplan is een regel opgenomen dat als de woningen niet worden voorzien van een mechanisch ventilatiesysteem, via een bouw-akoestisch onderzoek dient te worden aangetoond dat de karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner is dan het verschil tussen de in het akoestisch onderzoek berekende gecumuleerde geluidbelastingen (excl. aftrek artikel 110g Wet Geluidhinder) en 33 dB.

Het bouw-akoestisch onderzoek dient onderdeel te zijn van de aanvraag omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Luchtkwaliteit Op 15 november 2017 is de Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht gelden uitsluitend bepalingen uit deze Titel. In bijlage 5 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofdioxiden, fijnstof (PM10), lood, benzeen en koolmonoxide. Bestuursorganen moeten er bij het uitoefenen of toepassen van hun bevoegdheden, waaronder het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, voor zorgen dat deze grenswaarden niet (verder) worden overschreden. Tegelijkertijd met het in werking treden van de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is ook het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: NIBM) in werking getreden. In dit besluit is geregeld dat (nu er een plan is bekendgemaakt, zoals wordt bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, namelijk het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van 10 juli 2009) uitbreidingen zijn toegestaan wanneer aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van fijnstof ten gevolge van de uitbreiding niet de 3% grens overschrijdt. De 3% grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10).

3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie is 1,2 µg fijnstof (PM10 per m³). Met de komst van de 3 woningen nemen de verkeersbewegingen licht toe. Per woning wordt uitgegaan van (worst-case) 8 (auto)verkeersbewegingen per werkdagetmaal (norm crow.nl). Er wordt voor de “worst-case” benadering derhalve uitgegaan van 3 x 8 (auto)verkeersbewegingen = 24 per etmaal. Door middel van de NIBM-tool is berekend of het extra verkeer invloed heeft op de luchtkwaliteit. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet-in-betekende-mate bijdraagt (NIBM). In de figuur hieronder is de berekening van de NIBM-tool weergegeven. Geconcludeerd is dat de toename van het verkeer niet-in-betekende-mate bijdraagt.

26

Figuur 17: NIBM-tool (bron: infomil.nl)

Concluderend: Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is ter hoogte van het plan sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tevens draagt het plan niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Bedrijven- en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van een rustig woongebied of een rustig buitengebied. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Bij het voldoen aan de richtafstanden is in beginsel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden omliggende bedrijven niet onevenredig benadeeld in hun mogelijkheden. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden. In de nabijheid van de planlocatie Dames Jolinkweg 78 liggen locaties met de enkelbestemming “wonen’ en “bedrijf”. Vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van de omliggende bedrijfsbestemmingen is er door Econsultancy een Quickscan “Bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Deze Quickscan (rapportnummer 12599.003) is als bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd.

27

Hieronder de belangrijkste bevindingen. Gezien de functiemenging wordt het plangebied en haar omgeving gezien als gemengd gebied. Dit brengt met zich dat er met betrekking tot geur, stof, geluid of gevaar de volgende richtafstanden gelden.

Figuur 18: richtafstanden per milieucategorie

In de figuur hieronder zijn de omliggende, bestaande bedrijfsbestemmingen opgenomen rondom het plangebied.

Figuur 19 weergave omliggende bedrijven en hun afstanden tot het plangebied

In de figuur hieronder zijn deze bestaande bedrijfsbestemmingen rondom het plangebied opgenomen op de kaart.

Figuur 20: bestaande bestemmingen rondom het plangebied

Ligging woningen t.o.v. bedrijfsbestemmingen Zoals uit bovenstaande figuren blijkt zijn de direct omliggende bedrijfsbestemmingen (nummers 1, 2, 3 en 4) buiten de richtafstand zijn gelegen. Ook de wat verder weg gelegen bedrijven met milieucategorie 3.2, nummers 5 en 6, zijn op ten minste 110 meter afstand van de nieuwe woningen gelegen (richtafstand 50 meter). Een nader onderzoek, met betrekking tot de toetsing op “Bedrijven en milieuzonering’, is niet nodig.

28

Concluderend: Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bovendien worden de omliggende functies niet belemmerd door de gewenste ontwikkeling

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Hoe moet worden omgegaan met risico's voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen. Hierna wordt kort ingegaan op deze regelgeving.

Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) regelen hoe de veiligheidsafstanden en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico rond inrichtingen wordt vastgesteld.

Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening staan net als bij het Bevi in een regeling (Revb).

Besluit en Regeling externe veiligheid Transportroutes Vanaf 1 juni 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi.

Besluit risico's zware ongevallen Het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo) is de vertaling in Nederlandse wetgeving van de Europese Seveso III-richtlijn. Het Brzo integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding in één juridisch kader. Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het Brzo stelt hiertoe eisen aan de meest risicovolle bedrijven in Nederland. Een Brzobedrijf is ook automatisch een Bevi-bedrijf.

Vuurwerkbesluit Het Vuurwerkbesluit is van rechtswege van toepassing op inrichtingen voor het opslaan of bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. Vanuit het Vuurwerkbesluit gelden externe veiligheidsafstanden.

Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik In deze circulaire zijn regels opgenomen voor onder andere de opslag van zwart buskruit, en ontplofbare stoffen die worden gebruikt bij slopen, seismische onderzoek. Rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen geldt een veiligheidsafstand.

Besluit ruimte Het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Besluit ruimte). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie veiligheidszones rondom die complexen, waarbinnen voor activiteiten of objecten bepaalde beperkingen gelden. 29

Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit schrijft voor bepaalde typen opslagen en installaties externe veiligheidsafstanden voor. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gasdrukmeet- en – regelinstallaties, propaantanks (met een inhoud van maximaal 13 m3) en vuurwerk (tot 10.000 kilogram consumentenvuurwerk). Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations) en vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Figuur 21: kaartuitsnede risicokaart.nl (plangebied bij blauwe pijl)

Basisnetroute weg N18 (wegvak G20; afrit 5 (Varsseveld) – afrit N319 (Groenlo)); Op circa 1.500 meter te noorden van het plangebied ligt de N18, dit is een basisnetroute die valt onder Bevt en de Regeling Basisnet. Op basis van de Regeling basisnet vindt hierover vervoer van brandbare gassen (GF3) plaats. Volgens de Beleidsregels EVbeoordelingen tracébesluiten worden ook brandbare vloeistoffen (LF1 en LF2) over de A18 vervoerd. GF3 is met een invloedsgebied van 355 meter maatgevend voor het invloedsgebied. Het invloedsgebied reikt daarmee niet over het plangebied en is dan ook niet relevant in het kader van externe veiligheid. Provinciale weg N318; op circa 480 meter ten oosten van het plangebied is de provinciale weg N318 gelegen. Deze weg is aangewezen als doorgaande route voor gevaarlijke stoffen. Gelet op de risicobronnen die in de omgeving van Varsseveld zijn gelegen worden hier met name brandbare gassen (stofcategorie GF3) en brandbare vloeistoffen (stofcategorieën LF1 en LF2) over getransporteerd. GF3 is met een invloedsgebied van 355 meter maatgevend voor het invloedsgebied. Het invloedsgebied reikt daarmee niet over het plangebied en is dan ook niet relevant in het kader van externe veiligheid. Sportcomplex van Pallandt; Op ongeveer 480 meter van het plangebied bevindt zich een opslaginstallatie voor chloorbleekloog van het Sportcomplex van Pallandt.

Deze inrichting ken geen veiligheidsafstand en is dan ook niet relevant voor externe veiligheid. 30

Gasdrukmeet- en regelstation (N-374 N.V. Nederlandse Gasunie); Op ongeveer 370 meter van het plangebied bevindt zich een gasdrukmeet- en regelstation (N-374) van de Nederlandse Gasunie, waarvan de capaciteit niet bekend is. Deze inrichting valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer en kent een veiligheidsafstand van maximaal 25 meter ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten, conform Tabel 3.12 van dit besluit. Deze afstand reikt niet tot het plangebied, waardoor deze risicobron niet relevant is in het kader van externe veiligheid. Hogedrukaardgasleiding (N-569-86); Op circa 400 meter van het plangebied bevindt zich een hogedrukaardgasleiding (N-569-86). Deze buisleiding valt onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Met een uitwendige diameter van 4 inch en een maximale werkdruk van 40 bar kent deze leidingen een invloedsgebied van 50 meter. Hiermee is deze buisleiding niet relevant in het kader van externe veiligheid. Overige risicobronnen; in de omgeving van Varsseveld zijn meerdere hogedruk aardgasleidingen en een brandstofleiding van defensie gelegen. Deze liggen op een dusdanige afstand, dat het invloedsgebied niet over het plangebied reikt. Daarmee zijn ook deze leidingen niet relevent in het kader van externe veiligheid.

Concluderend: Uit bovenstaande uiteenzetting van de risicobronnen blijkt dat er geen plaatsgebonden risicocontouren en/of invloedsgebieden over het plangebied zijn gelegen. Daarmee wordt voldaan aan de norm- en richtwaarden uit de vigerende wetgeving. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8 Water Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De planlocatie ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning is vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor primaire taakgebieden van het waterschap: • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater • Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt.

De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord, is een uitbreide watertoets noodzakelijk. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. Thema Toetsvraag Relevant Intensiteit Veiligheid

Riolering en Afvalwaterketen

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (Primaire waterkering, regionale waterkering of kader) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m³/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?

Nee

2

Nee Nee Nee

2 2 1

31

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast

Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer

Volksgezondheid

Natte natuur

Verdroging Recreatie Cultuurhistorie

3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m²? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m²? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of bij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen? (Zwemmen, spelen, tuinen aan water) 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEH of SED-water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4.

Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee Nee

1 2

Nee

1

Ja

1

Nee

1

Nee Nee Nee

1 1 1

Nee Nee

1 1

Nee

1

Nee Nee

1 2

Nee

1

Nee Nee Nee Nee Nee Nee

1 2 2 1 1 1

Nee Nee

2 1

In gewenste situatie neemt het bebouwde oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie licht toe. De oppervlakte van de nieuw te bouwen rijwoningen is vergelijkbaar met de bestaande situatie. De toename aan (dak)verharding zit in het feit dat er in de beoogde situatie voor de woningen ook een drietal bergingen worden gerealiseerd. Het dakoppervlak daarvan zal circa 75 m2 bedragen. Er wordt naar gestreefd het niet verontreinigde hemelwater afkomstig van het eigen dakoppervlakte (en evt. straatverharding) te infiltreren in de bodem op eigen terrein. Het huishoudelijk afvalwater wordt uiteraard wel geloosd op het gemeentelijk riool. Op het terrein worden tevens parkeerplaatsen aangelegd. Dit zal een waterdoorlatende bestrating betreffen. Het achter terrein van de kavel ligt een stukje lager en is gevoeliger voor plasvorming. Door gebruik te maken van waterdoorlatende bestrating wordt plasvorming zoveel mogelijk voorkomen. Daarnaast is het acceptabel dat de parkeerplaatsen op het achter terrein tijdelijk onder water staan. Concluderend: Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Verkeer en parkeren Verkeer Door het verdwijnen van een vrijstaande woning en de komst van de 3 nieuwe woningen zal het aantal vervoersbewegingen met lichte voertuigen toenemen. Per woning wordt uitgegaan van 8 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (norm crow.nl). Gemiddeld komt dit neer op totaal (8 x 2) 16 32

verkeersbewegingen van lichte voertuigen per etmaal. De Dames Jolinkweg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen te verwerken.

Parkeren Gemeentelijk beleid gaat uit van parkeren op eigen terrein. Volgens het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan geldt voor een rijwoning binnen de bebouwde kom: 1,9 parkeerplaatsen per woning. Het aantal parkeerplaatsen moet om die reden 6 stuks zijn. Deze worden op eigen terrein gerealiseerd. Concluderend: Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Kabels en leidingen Binnen het projectgebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klicmelding krijgt initiatiefnemers alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen. Concluderend: Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Milieueffectrapportage Het bestemmingsplan, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

• Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Ad.a: Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten tot gevolg heeft, dan kan een vergunning alleen worden verleend als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de passende beoordeling vormt de ADC-toets. De ADC-toets houdt een onderzoek in naar Alternatieven, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op ruime afstand van het projectplan. De woonactiviteiten op dit perceel hebben geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied ook mede gezien de grote afstand. Een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

33

Ad.b en c.: Woonactiviteiten worden alleen genoemd in relatie tot een stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij meer dan 2000 woningen worden gebouwd (onderdeel D. 11.2 van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage). In dit geval is, gelet op jurisprudentie, geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject

Concluderend: Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet nodig nu de gewenste activiteiten op perceelsniveau in het Besluit m.e.r. niet worden genoemd. Daarnaast is een passende beoordeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet noodzakelijk.

34

5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de landelijke standaard (SVBP2012). Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.2 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten (artikel 2) Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3 Bestemmingsregels 5.3.1 Opbouw bestemmingen

Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals agrarisch met waarden en wonen.

Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.

35

Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.3.2 Bestemmingen Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de gebruikte bestemmingen.

Tuin (artikel 3) De met tuin aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor tuinen, wegen, paden, erkers en erfafscheidingen.

Wonen (artikel 4) Het hoofdgebouw van de woning mag uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gerealiseerd worden. De toegestane goot- en bouwhoogten van de woningen is op de verbeelding weergegeven. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen zijn regels opgenomen over de ligging ten opzichte van de voorgevelrooilijn, met maximum oppervlak en de goot- en bouwhoogte. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, is een maximale maatvoering opgenomen. Hierbij is bepaald dat erfafscheidingen in het achtererfgebied tot een hoogte van 2 meter mogen worden opgericht. Voor de voorgevel mogen erfafscheidingen tot maximaal 1 meter hoogte worden opgericht.

5.4 Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling (artikel 5) Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels (artikel 6) Deze bepaling bevat algemene regels omtrent de bestaande situatie.

Algemene gebruiksregels (artikel 7) Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. In dit artikel is tevens een regeling voor parkeren opgenomen. Indien op grond van dit bestemmingsplan wordt gebouwd dan wel het gebruik wordt gewijzigd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

36

Algemene afwijkingsregels (artikel 8) In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Algemene wijzigingsregels (artikel 9) Deze bepaling omvat de wijzigingsregels voor het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen.

5.5 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 10) Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel (artikel 11) Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

37

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1. Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, op grond van artikel 3.1 Wro en artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om het verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Het voorliggende bestemmingsplan heeft voor de gemeente Oude IJsselstreek geen financiële consequenties. De plannen komen voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Tevens zal er met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst en anterieure overeenkomst worden afgesloten.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er is contact geweest met de direct omwonenden inzake de beoogde ontwikkeling. Informatie ten aanzien van de ontwikkeling is gedeeld en eventuele wensen van de direct aangrenzende percelen zijn besproken en verwerkt.

38

7 PROCEDURE 7.1 Algemeen Voor het opstellen van een planherziening, op grond van artikel 3.1 Wro en artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geldt de uniforme voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Net als in een reguliere bestemmingsplanprocedure geldt bij de voorbereiding van een herziening dat overleg moet worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het gaat dan tenminste om de waterschappen en diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen wordt soms, in overleg, afgezien van dit overleg. Het ontwerpbestemmingsplan zal, overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening en artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, voor eenieder ter inzage worden gelegd. Het ontwerp is in te zien op het gemeentehuis en kan ook digitaal worden ingezien via de gemeentelijke website en via de landelijke voorziening voor ruimtelijke plannen.

7.2 Overleg Het ontwerp bestemmingsplan wordt toegezonden aan de provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel.

7.3 Ontwerpbestemmingsplan Conform afdeling 3.4 Awb heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van zes weken, van 7 december 2023 tot en met 18 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er een drietal zienswijzen ingediend. Ingediende zienswijzen Er zijn een drietal zienswijzen ingediend. Een samenvatting van deze zienswijzen, en de reacties van de gemeente hierop, zijn weergegeven in de zienswijzennota. Deze is toegevoegd als bijlage 7 bij deze toelichting. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is het ontwerpbestemmingsplan aangepast. Het betreft de opname van een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van bescherming van de boom tijdens sloop- en bouwwerkzaamheden.

7.4 Vastgesteld bestemmingsplan Het bestemmingsplan ‘Varsseveld, locatie Dames Jolinkweg 78’ is gewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van de gemeente Oude IJsselstreek (zie ook bijbehorend vaststellingsbesluit). Tegen een raadsbesluit over de vaststelling van een bestemmingsplan kan beroep worden ingesteld. De beroepstermijn bedraagt zes weken. Beroep kan worden ingesteld door belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij deze niet tijdig konden indienen. Een beroep dienen belanghebbenden in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Indien er geen beroep is ingesteld, treedt het plan in werking daags na afloop van de tervisielegging. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

39

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Schetsplan beoogde situatie Bodemonderzoek Quickscan natuurwaardenonderzoek a. Vervolgonderzoek natuurwaarden Geluid/ wegverkeerslawaai Quickscan bedrijven en milieuzonering Stikstofberekening Zienswijzennota

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4738/documents/29287