TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst_Toelichting_Bijlage 3 Archeologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen
Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen
Vroege-Middeleeuwen: - fragment van Badorf aardewerk Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen
3056846100 (11520)
2754408100 (11530)
2819379100 (22301)
2819313100 (22294)
Rapport 18549.001 versie 1
500 meter ten zuiden van het plangebied Engbergen te Gendringen Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 224550/432100
Neolithicum: - 2 fragmenten van vuursteen bijlen - fragment van een stenen hamerbijl
550 meter ten westen van het plangebied Engbergen te Ulft Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 223900/432820
Neolithicum: - fragment van een stenen bijl
550 meter ten zuiden van het plangebied Engbergen I te Voorst Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 224520/432030
Paleolithicum - IJzertijd: - vuursteen afval
600 meter ten noordoosten van het plangebied Aa-strang 2 te Voorst Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 224780/433070
Neolithicum: - 27 fragmenten van vuursteen werktuigen
Aangetroffen door een particulier aan het maaiveld
Aangetroffen door een particulier aan het maaiveld
IJzertijd: - handgevormd aardewerk
Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen: - fragment van gedraaid aardewerk
Pagina 13 van 27
- 2 fragmenten van keramische kogelpotten Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen 3095920100 (18666)
600 meter ten westen van het plangebied Engbergen te Gendringen Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 223850/432510
Neolithicum: - 3 fragmenten van vuursteen werktuigen
2431606100 (440023)
650 meter ten noordwesten van het plangebied Hoek Oude IJssel En AaStrang Te Engbergen te Engbergen Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 224010/433133
Paleolithicum - Neolithicum: - houtskool
2819362100 (22299)
650 meter ten noorden van het plangebied Engbergen II te Gendringen Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 224210/433230
Paleolithicum - Neolithicum: - 31 fragmenten van vuursteen werktuigen
700 meter ten noordwesten van het plangebied Oude IJssel te Ulft Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 223960/433150
Neolithicum: - fragmenten van vuursteen boren - fragmenten van vuursteen klingen - vuursteen afslagen - fragmenten van vuursteen schrabbers - fragmenten van vuursteen trapezium - fragmenten van vuursteen werktuigen
2798254100 (18667)
Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen
Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen
Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen, vondstmelding ligt binnen AMK-terrein 3755 2819265100 (22289)
700 meter ten noordwesten van het plangebied Oude IJssel te Ulft Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 223960/433150
Mesolithicum - Neolithicum: - 1098 fragmenten van vuursteen werktuigen Neolithicum - Bronstijd: - fragment van een vuursteen spits Neolithicum - Late-Middeleeuwen: - 2 fragmenten van keramische vaatwerk Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen: - 2 fragmenten van keramische kogelpotten Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen, vondstmelding ligt binnen AMK-terrein 3755
2824498100 (23102)
3101070100 (21348)
2431606100 (442811)
Rapport 18549.001 versie 1
700 meter ten noordoosten van het plangebied Voorstsestraat te Voorst Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 225000/432980
IJzertijd: - handgevormd aardewerk
700 meter ten noordwesten van het plangebied Ulft te Ulft Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 223960/433150
Mesolithicum - Neolithicum : - vuursteen afslagen - fragmenten van vuursteen werktuigen
750 meter ten noordwesten van het plangebied Hoek Oude IJssel En AaStrang Te Engbergen te Engbergen Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 223965/433201
Mesolithicum - Neolithicum: - fragment van een vuursteen mes - vuursteen afval - fragment van een vuursteen spits - fragment van een vuursteen schrabber
Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateur-archeologen
Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen, vondstmelding ligt binnen AMK-terrein 3755
Aangetroffen tijdens de uitvoering van een geo-archeologisch booronderzoek en een veldkartering/oppervlaktekartering (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2431606100 (60054))
Pagina 14 van 27
3067335100 (1233)
3181707100 (22288)
750 meter ten zuidwesten van het plangebied Donderberg te Engbergen Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 224000/432000
Bronstijd - IJzertijd: - grondsporen
750 meter ten noorden van het plangebied Aa-strang 1 te Voorst Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 224720/433270
Mesolithicum - Neolithicum: - vuursteen afval - fragmenten van vuursteen werktuigen
Aangetroffen tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden
Neolithicum: - fragment van klokbeker-aardewerk Neolithicum - Romeinse tijd: - handgevormd aardewerk - fragment van een keramische beker Neolithicum - Nieuwe tijd: - fragmenten van keramische vaatwerk Bronstijd: - fragment van wikkeldraad-aardewerk - fragment van een maalsteen IJzertijd: - handgevormd aardewerk IJzertijd - Romeinse tijd: - handgevormd aardewerk Romeinse tijd: - 5 fragmenten van gedraaid aardewerk Aangetroffen tijdens een veldkartering door amateurarcheologen
2462954100 (444420)
750 meter ten noordwesten van het plangebied Deelgebied Monding AaStrang Te Gendringen te Gendringen Gemeente Oude IJsselstreek Coördinaat: 223989/433292
Mesolithicum: - vuursteen afval Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologische begeleiding (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2462954100 (64070))
Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd en heeft geen archiefonderzoek plaatsgevonden, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Archeologische plaatselijke Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17, Zuid-Veluwe en Oost Gelderland (contactpersoon de heer B. Clabbers). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend die niet in ARCHIS worden weergegeven. Oudheidkundige Vereniging Gemeente Gendringen Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Oudheidkundige Vereniging Gemeente Gendringen. Dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 15 van 27
2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel VI.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal22
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Hottingerkaart
1773-1794
-
-
Niet gekarteerd.
Niet gekarteerd.
Kadastrale kaart (Minuutplan)
1828
Gemeente Gendringen, Sectie C, Blad 02
1:2.500
In agrarisch gebruik, grasland.
Omgeving agrarisch buitengebied. Voorloper van de Engberseweg als onverharde zandweg reeds aanwezig langs de zuidzijde van het plangebied. Tevens een onverharde zandweg aanwezig langs de oostzijde van het plangebied. Verder ten oosten lag het (omgrachte) boerenerf/hoeve Engbergen, waarvan de boerderij gebouwd is rond 1800.
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1895
537
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
Enkele nabij het plangebied gelegen percelen betroffen (productie)bos. Langs de voorloper van de Engbergseweg enkele woon-/boerenerven ontstaan.
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1921
537
1:50.000
Meest westelijke deel van het plangebied gelegen binnen een akkerperceel of boomgaard.
Wat meer percelen akkerland en ook een aantal boomgaarden aangelegd.
Topografische kaart
1955
41 C
1:25.000
Plangebied geheel in gebruik als akkerland.
Erf ontstaan aan de Engberseweg 1a, woning ten westen van het plangebied. Bebouwing binnen enkele boerenerven uitgebreid.
Topografische kaart
1987
41 C
1:25.000
Huidige situatie.
Bebouwing binnen het erf aan de Engbergseweg 1a uitgebreid met bestaande veestal en open kapschuur. Merendeels huidige situatie.
Op basis van het beschikbare historische kaartmateriaal uit het begin van de 19 e eeuw (kadastrale minuutplan) was het plangebied destijds al in agrarisch gebruik (grasland, zie figuur 11). Ook de omgeving betrof agrarisch buitengebied. De voorloper van de Engberseweg, als onverharde zandweg, was wel reeds aanwezig langs de zuidzijde van het plangebied. Ook liep er een onverharde zandweg langs de oostzijde van het plangebied, welke waarschijnlijk gebruikt werd als ontsluitingsweg van agrarische percelen. Verder ten oosten lag het (omgrachte) boerenerf/hoeve Engbergen, waarvan de boerderij gebouwd is rond 1800.
22
www.topotijdreis.nl / beeldbank.cultureelerfgoed.nl / Versvelt, 2003
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 16 van 27
Gedurende het verloop van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw vonden weinig veranderingen plaats in en rondom het plangebied. Enkele nabij het plangebied gelegen percelen betroffen (productie)bos. Langs de voorloper van de Engbergseweg waren enkele woon-/boerenerven ontstaan. In de eerste helft van de 20e eeuw was er sprake van wat meer percelen akkerland en er waren ook een aantal boomgaarden aangelegd. Het meest westelijke deel van het plangebied kwam te liggen binnen een klein akkerperceel of een boomgaard (zie figuren 12 en 13). Aan het begin van de tweede helft van de 20e eeuw was het plangebied in gebruik als akkerland. Het erf aan de Engberseweg 1a was ontstaan, met een kleine woning of woonboerderij ten westen van het plangebied. De bebouwing binnen enkele andere nabijgelegen boerenerven werd uitgebreid (zie figuur 14). Het plangebied is tot op heden geheel in agrarisch gebruik gebleven. Wel is in de jaren ’80 van de 20 e eeuw de bebouwing binnen het erf aan de Engbergseweg 1a uitgebreid met de bestaande veestal en de open kapschuur (zie figuur 15). De huidige vrijstaande woning direct ten westen van het plangebied is van nog recente datum.
Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Oude IJsselstreek is niet geraadpleegd omdat binnen de begrenzing van het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar geen bebouwing heeft gestaan. Tweede Wereldoorlog23 Na de Slag om Arnhem in september 1944 kwam de frontlijn in het rivierengebied te liggen, niet ver ten zuiden van Doetinchem. De Westwall, de verdedigingslinie langs de Duitse westgrens, liep tot de Rijn bij Kleve. Het gebied ten noorden hiervan was onbeschermd. Vanaf september 1944 werd daarom een aantal verdedigingslinies aangelegd om deze onbeschermde noordflank te beveiligen. Een van die linies liep vanaf Emmerich via Elten naar Beek en Doetinchem, de zogeheten Beekriegel. Van Doetinchem liep een andere linie naar de IJssel bij Doesburg, de zogeheten Oude-Rijnstellung. Mannen tussen de 16 en 60 jaar werden opgeroepen voor het graven van tankgrachten, loopgraven en stellingen. Het opwerpen van versterkingen ging door in de winter van 1944/1945. Eind maart trokken de Geallieerden de Rijn over (Operatie Plunder) en boog een deel van de Canadese en Britse legereenheden af voor de bevrijding van Nederland. Op 28 maart bevrijden de Britten en Canadezen Megchelen, als eerste Nederlandse plaats boven de grote rivieren.
In Megchelen wordt de verdere route uitgestippeld voor Operatie Plunder en splitsen de Canadese en Engelse legeronderdelen zich. Volgens planning moeten de Canadezen van 2nd Infantry Division op hun route Bontebrug (buurtschap circa 1,6 kilometer ten noorden van het plangebied) en Silvolde bevrijden, maar hun opmars stagneert in Ulft voor de door de Duitsers vernielde Oude IJsselbrug. De Britten van de 43rd Wessex Infantry Division moeten Dinxperlo, Varsseveld, Aalten, Winterswijk en de oostelijke Achterhoek zuiveren. Een deel bereikt op 30 maart Bontebrug. De bevrijders van Bontebrug trekken 's middags verder richting Silvolde. In de ochtend van paaszaterdag hebben de Canadezen in Ulft een baileybrug over de Oude IJssel aangelegd en kunnen ze met zwaar materieel naar de overkant. In de middag trekken de infanteristen van het Ie Bataljon Royal Highlanders of Canada, ook genaamd The Black Watch, onder leiding van majoor Eric Motzfeldt, met indrukwekkend zware tanks richting Bontebrug en Silvolde. De volgende dag dringen de Canadezen door naar Terborg en verder richting Doetinchem. De Engelsen gaan naar Varsseveld, zoals de bedoeling was.
23
Willemse et al., 2019 / Silvolds Belang, 2020
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 17 van 27
Op basis van bovenstaande zijn er vooralsnog geen aanwijzingen dat er binnen de begrenzing van het plangebied militaire structuren aanwezig zijn geweest (bijvoorbeeld verdedigingselementen in de vorm van een schuttersputje of een loopgraaf). 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VII.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars)
Hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen, dan wel de top van de Laag van Wijchen/vlechtende rivierterrasafzettingen. Rivierduinafzettingen kunnen zijn afgedekt met een (dun) pakket van (jonge rivier)klei en door agrarisch gebruik zijn vermengd met de top van het rivierduinzand
Laat-Neolithicum (Landbouwers)
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen, welke kunnen zijn afgedekt met een (dun) pakket van (jonge rivier)klei en door agrarisch gebruik zijn vermengd met de top van het rivierduinzand
Bronstijd t/m Romeinse tijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen, welke kunnen zijn afgedekt met een (dun) pakket van (jonge rivier)klei en door agrarisch gebruik zijn vermengd met de top van het rivierduinzand
Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen, welke kunnen zijn afgedekt met een (dun) pakket van (jonge rivier)klei en door agrarisch gebruik zijn vermengd met de top van het rivierduinzand
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen, welke kunnen zijn afgedekt met een (dun) pakket van (jonge rivier)klei en door agrarisch gebruik zijn vermengd met de top van het rivierduinzand
Op basis van de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens wordt verwacht dat het plangebied, of een groot deel hiervan, nog binnen een rivierduin ligt (specifiek aan de luwtezijde (oostzijde) van het rivierduincomplex van Engbergen). De rivierduinen zijn binnen het rivierduinlandschap de hooggelegen gebieden met een sterk glooiend reliëf en plaatselijk steile hellingen. In de tijd van de Jagers-Verzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zal het rivierduinengebied een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Binnen de lager gelegen dalvlaktes (restgeulen binnen het Jonge Dryas terras) konden watervoerende beken lopen en betroffen veelal zeer natte/moerasachtige gebieden. Dit zal een grote aantrekkingskracht hebben gehad voor wild en vis, waarop kon worden gejaagd. Daarnaast vormde de hoge diversiteit aan plantaardig materiaal een goede aanvulling op het dieet.
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 18 van 27
Vanaf het Neolithicum vormde vooral de overgangsposities gunstige locaties voor bewoning. De hoger gelegen rivierduinen werden gebruikt als landbouwgronden, hoewel de vaak droge tot zeer droge bodem op de rivierduinen (zonder plaggendek) een beperkende factor vormde. De rivierduinen, waarop in de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd vaak ook nog plaggendekken werden opgeworpen waren wel beter geschikt voor landbouwactiviteiten. Een plaggendek wordt echter binnen het plangebied niet verwacht. De zware kleigronden binnen de dalvlaktes, met daarin (verlande) geulen (die wel periodiek overstroomde), zullen vooral zijn gebruikt als graasgebieden voor vee. Binnen het onderzoeksgebied zijn diverse vondsten gedaan tijdens oppervlaktekarteringen, uitgevoerd door amateurarcheologen. Hierbij zijn vooral fragmenten bewerkt vuursteen aangetroffen (voornamelijk afslagen, maar ook een aantal werktuigen), naast fragmenten laatprehistorisch als middeleeuws aardewerk. Deze vondsten zijn gedaan op/langs randen van rivierduinen, op de overgang naar de dalvlakte. Het laat zien dat in ieder geval gedurende de Steentijd binnen deze landschappelijke overgangsposities menselijke (bewonings)activiteiten hebben plaatsgevonden.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal daterend vanaf het begin van de 19e eeuw laat verder zien dat het plangebied destijds in agrarisch gebruik was en tot op heden in agrarisch gebruik is gebleven. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat het plangebied binnen dan wel in de directe nabijheid van een terrein ligt van een historisch (boeren)erf. Op basis van bovenstaande uitgangspunten kunnen er in het hele plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars) wordt de verwachting hoog geacht en voor de perioden Laat-Neolithicum t/m Middeleeuwen (Landbouwers) middelhoog (zie tabel VII), gebaseerd op zowel landschappelijk ligging als reeds aangetroffen archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, aangezien uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de 19 e eeuw tot op heden onbebouwd is gebleven, dan wel dat het plangebied binnen dan wel in de directe nabijheid van een terrein ligt van een historisch (boeren)erf heeft gelegen.
Uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars) kunnen in de archeologische laag vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, mogelijke bewoningssporen van jachtkampementen en haardkuilen gevonden worden. Uit de perioden Laat-Neolithicum t/m Middeleeuwen (Landbouwers) kunnen in de archeologische laag nederzettingssporen, grafvelden en/of rituele plaatsen gevonden worden. De archeologische resten worden verwacht in en direct onder de bouwvoor/in de top van de rivierduinafzettingen. Deze zijn mogelijk verstoord/geroerd, indien er sprake is geweest van een afdekkende laag Holocene klei en deze vermengd is met het onderliggende rivierduinzand (ten behoeve van grondverbetering voor agrarisch gebruik). De archeologische resten zullen hoofdzakelijk bestaan uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en bot zullen door de huidige relatief droge bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. (Moderne) bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven.
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 19 van 27
Het plangebied heeft in ieder geval de laatste 200 jaar een agrarisch gebruik gekend, waaronder als akkerland en mogelijk deels als boomgaard. Door ploegen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. Daarnaast dient er rekening worden gehouden dat er grondverbeteringswerkzaamheden hebben plaatsgevonden, wanneer er oorspronkelijk een dunne afdekkende, Holocene kleilaag heeft gelegen. Vanwege het ondiep voorkomen van het onderliggende rivierduinzand werd deze vermengd met de afdekkende kleilaag, om zo de draagkracht en waterhuishouding van de grond te verbeteren. Dergelijke gronden worden ook wel aangeduid als gebroken gronden. 2.9
Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek
Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Vooralsnog is het uitgangspunt dat recente bodemverstorende ingrepen (enigszins) beperkt zijn geweest/er sprake is van een (deels) intacte bodemopbouw, aangezien er binnen het plangebied de afgelopen 200 jaar geen bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Met de verwachting voor de aanwezigheid van een archeologische laag of vondststrooiing met een hoge vondstdichtheid en de vrij beperkte oppervlakte van het plangebied, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek. Daarnaast zal voor de karterende fase van het booronderzoek, met een minimum aantal van negen boringen binnen een plangebied met een vrij beperkte oppervlakte, sprake zijn van een verdicht boorgrid. Het opgeboorde materiaal dient in het veld bodemkundig te worden beschreven en de archeologisch relevante bodemlagen dienen te worden gezeefd, om daarmee te kunnen beoordelen of er archeologische indicatoren voorkomen. Door middel van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied verder archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, of er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat dan de gevolgen zijn voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 28 februari 2022 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk.
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 20 van 27
In het plangebied zijn gelijkmatig verspreid negen boringen gezet (zie figuur 16). De boringen zijn gezet met behulp van een edelmanboor (diameter 15 cm) tot maximaal 170 cm -mv. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.24 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In bijlage 6 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen (verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek). Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel is de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht versneden en verbrokkeld en vervolgens geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. (karterende fase van het inventariserend veldonderzoek). 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De hoofdlijn van de opbouw van de bodem kan als volgt worden weergegeven: Tabel VIII.
Algemene bodemopbouw plangebied
Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot gemiddeld 35
Bruingrijs tot donkerbruin gekleurde, zwak humeuze, sterk zandige klei tot sterk kleiig zand, kalkloos
Ap-horizont, huidige bouwvoor, bewerkte top van Vroeg- tot Midden-Holocene overstromingsklei
Tussen gemiddeld 35 en 90
Variërend van lichtgrijsoranje, bruinoranje tot oranjegrijs gekleurde, sterk zandige klei tot sterk kleiig zand, kalkloos en veel roestvlekken/gleyvlekken
Cg-horizont, Vroeg- tot Midden-Holocene overstromingsklei (Formatie van Echteld)
Tussen gemiddeld 90 en 120
Grijsoranje gekleurde, sterk zandige klei, vrij stug, kalkloos en veel roestvlekken/gleyvlekken
Cg-horizont, Vroeg-Holocene overstromingsklei, Laag van Wijchen (Formatie van Kreftenheye)
Vanaf gemiddeld 120 tot 170 (einddiepte boringen)
Lichtbruingrijs en naar onderen toe lichtgrijsbruin gekleurd, zwak tot matig grindig, zwak siltig, matig fijn tot zeer grof zand, slecht gesorteerd
Cg/Cr-horizont, vlechtende rivierterrasafzettingen van het Jonge Dryas-terras (Terras X, Formatie van Kreftenheye)
De aangetroffen bodemopbouw laat een bewerkte bouwvoor zien ten gevolge van agrarisch gebruik. Deze bestaat vanaf het maaiveld tot gemiddeld 35 cm -mv uit bruingrijs tot donkerbruin gekleurde, zwak humeuze, kalkloze, sterk zandige klei tot sterk kleiig zand. Er zijn geen aanwijzingen dat er diepploegwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Het gaat om de bewerkte top van een dik pakket Vroeg- tot Midden-Holocene overstromingsklei (Formatie van Echteld), welke onder de huidige bouwvoor tot gemiddeld 90 cm -mv bestaat uit variërend van lichtgrijsoranje, bruinoranje tot oranjegrijs gekleurde, kalkloze, sterk zandige klei tot sterk kleiig zand en veel roestvlekken/gleyvlekken laat zien. Tussen gemiddeld 90 en 120 cm -mv, maar variërend in dikte van niet meer dan 10 cm tot wel 30 cm, komt een laag grijsoranje gekleurde, kalkloze, sterk zandige klei. Deze kleilaag voelt vrij stug aan, wat kenmerkend is voor een zogenaamde Wijchen Laag die hier tijdens het Vroeg-Holoceen zijn gesedimenteerd en al gerekend worden tot de Formatie van Kreftenheye).
24
Bosch, 2005
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 21 van 27
De variatie in dikte is het gevolg van het microreliëf van de onderliggende top van het pakket vlechtende rivierterrasafzettingen, bestaande uit lichtbruingrijs en naar onderen toe lichtgrijsbruin gekleurd, zwak tot matig grindig, zwak siltig, matig fijn tot zeer grof zand. Op basis van verzamelde aardwetenschappelijke gegevens tijdens het bureauonderzoek zal het gaan om vlechtende rivierterrasafzettingen die gerekend kunnen worden van het Jonge Dryas-terras (Terras X, Formatie van Kreftenheye). Op basis van het bureauonderzoek was er nog de verwachting om rivierduinafzettingen aan te treffen binnen het plangebied. Uit de gezette boringen blijkt dat dit echter niet het geval is. Het plangebied valt dus buiten het rivierduinenlandschap en moet dus tot het rivierterrassenlandschap worden gerekend met een specifieke ligging binnen een restgeul, zoals weergegeven is voor het terrein direct grenzend ten oosten van het plangebied (zie figuur 6). Er is sprake van een kalkloze poldervaaggrond en gezien het voorkomen van roestvlekken/gleyvlekken direct onder de bouwvoor zal sprake zijn geweest van natte tot zeer natte gronden. Archeologie (geen archeologische vindplaats aangetroffen) Van elke boring het opgeboorde materiaal per afzonderlijke laag versneden/verbrokkeld (pakket sterk zandige klei tot sterk kleiig zand). Hierbij zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.
Tevens ontbreekt het aan aanwijzingen voor de aanwezigheid van door de mens gevormde cultuurlagen/antropogene lagen. Op basis van de resultaten van de karterende fase van het booronderzoek is er geen duidelijke aanleiding meer om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied nog te vermoeden.
4 4.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Op basis van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek had het plangebied een hoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars) en een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum t/m Middeleeuwen (Landbouwers). Er werd namelijk verwachting dat het plangebied nog binnen een rivierduin zou liggen (specifiek aan de luwtezijde (oostzijde) van het rivierduincomplex van Engbergen), welke voor zowel Jagers-Verzamelaars als voor Landbouwers geschikte bewoningslocaties vormden. Binnen het onderzoeksgebied zijn diverse vondsten gedaan tijdens oppervlaktekarteringen, uitgevoerd door amateur-archeologen. Hierbij zijn vooral fragmenten bewerkt vuursteen aangetroffen (voornamelijk afslagen, maar ook een aantal werktuigen), naast fragmenten laatprehistorisch als middeleeuws aardewerk. Deze vondsten zijn gedaan op/langs randen van rivierduinen, op de overgang naar de dalvlakte. Het laat zien dat in ieder geval gedurende de Steentijd binnen deze landschappelijke overgangsposities menselijke (bewonings)activiteiten hebben plaatsgevonden.
Voor de periode Nieuwe tijd was de verwachting al laag, aangezien uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de 19e eeuw tot op heden onbebouwd is gebleven en het niet binnen dan wel in de directe nabijheid van een terrein ligt van een historisch (boeren)erf.
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 22 van 27
De resultaten van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek laten juist zien dat het plangebied buiten het rivierduinenlandschap ligt. Er is sprake van een kalkloze poldervaaggrond en de bodemopbouw bestaat verder uit een pakket overstromingsklei tot gemiddeld 120 cm -mv, dat gesedimenteerd zal zijn tijdens het Vroeg- tot Midden-Holoceen. Het onderste deel stugge klei betreft waarschijnlijk een Wijchen Laag. Deze liggen op vlechtende rivierterrasafzettingen van het die gerekend kunnen worden van het Jonge Dryas-terras en specifiek binnen een landschapsvorm van een restgeul. Roestvlekken/gleyvlekken komen voor direct onder de bouwvoor, duidend op nog steeds periodiek natte/drassige condities. Zeker in het verleden, voordat grootschalige ontginning ten behoeve van agrarisch gebruik heeft plaatsgevonden, zal er sprake zijn geweest van natte tot zeer natte gronden. Recente diepgaande bodemverstoringen hebben niet plaatsgevonden binnen het plangebied, maar de aangetroffen bodemopbouw laat zien dat er sprake is geweest van minder gunstige, zo niet ongunstige condities voor menselijke (bewonings)activiteiten. Vanuit de verkennende fase van het booronderzoek kan al gesteld worden dat voor het plangebied een lage archeologische verwachting geldt, in plaats van de middelhoge tot hoge verwachting gesteld vanuit bureauonderzoek (gespecificeerde archeologische verwachting).
In het opgeboorde materiaal zijn verder geen archeologische indicatoren aangetroffen en tevens ontbreekt het aan aanwijzingen voor de aanwezigheid van door de mens gevormde cultuurlagen/antropogene lagen. Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge verwachting gold voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum, een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum t/m Middeleeuwen (Landbouwers) en een lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd, kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting. 4.2
Advies
Op grond van de aangetroffen bodemopbouw, duidend op ongunstige condities voor het ontplooien van menselijke (bewonings)activiteiten als het verder ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden (geen archeologische resten aangetroffen in het versneden en verbrokkelde pakket sterk zandige klei tot kleiig zand), adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oude IJsselstreek). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed25).
25
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 23 van 27
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A. 2005: Fysische Geografie van Nederland, deel 4: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Brugman, B.A., E. Eimermann, R.M. van Heeringen, J.J.W. de Moor, R. Schrijvers en B. Quadflieg, 2014: Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen- en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek. Vestigia rapport V653. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Pierik, H.J. & Geurts, A.H., 2012: Digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maas delta. Universiteit Utrecht. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsen†, H.J.A. & Kempen, H.F.J., 2009: Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en OverIJssel. Provincie Gelderland. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B.
Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Maas, G., Delft, P. van & Heidema, H., 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. (Wageningen Environmental Research). Miedema, F.R.P.M., 2009: De dynamiek van het landschap van het Oude IJsseldal nabij Drempt. Afstudeerscriptie Wageningen Universiteit. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. & Wong, T.E., 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Silvolds Belang, 2020: Daor he’j ze an! Silvolde 75 jaar geleden bevrijd. Stichting voor Bodemkartering, 1980: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 41 West/Aalten. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000.
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 24 van 27
Willemse, N.W., Keunen, L.J., Kok, R.S., Wijnen, J.A.T. & Veen, S. van der, 2019: Archeologie in de gemeente Doetinchem: actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart. RAAP-rapport 2877. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Willemse, N.W. & Kocken, M.H.J.M., 2013: Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP-rapport 2501. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Vries, F. de, Groot, W. de, Hoogland, T. & Denneboom, J., 2003: De Bodemkaart van Nederland digitaal; Toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Wageningen: Alterra. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 25 van 27
BRONNEN Aalst, J.W. van (2021) ‘OpenTopo.nl’. Available at: https://www.imergis.nl/asp/opentopo400.htm AHN; internetsite, februari 2022. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, februari 2022. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, februari 2022. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemverontreinigingen provincie Gelderland: internetsite, februari 2022. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Def ault Digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maas delta; 2012. http://persistent-identifier.nl/?indentifier=urn:nbn:nl:ui:13-ngjn-zl https://easy.dans.knaw.nl/ui/datasets/id/easy-dataset:52125 Dinoloket; internetsite, februari 2022. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, februari 2022. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (2014) ‘BAG WFS’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/1c0dcc64-91aa4d44-a9e3-54355556f5e7 Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK) (2013) ‘Kadastrale Kaart v4 WFS’.
Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a4d01-9245-5cf058314ebf. Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-c6cf-4a94-85137370867ad32e. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021) ‘Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK RGB 25cm en 7,5cm WMTS’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a584761-a809-b4c5d90dcd35. NGR/Wageningen Environmental Research (2018) ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’. Available at: https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6 AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f.
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 26 van 27
NGR/Wageningen Environmental Research (2019) ‘BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000’. Available at: https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26a444-7616e1d888f0 Old Sillevold Heemkundige Vereniging; internetsite, februari 2022. http://www.oldsillevold.nl/ Omgevingsdienst Achterhoek (ODA); internetsite, februari 2022. https://www.odachterhoek.nl/onderwerp/cultureel-erfgoed-en-archeologie/cultureel-erfgoed-enarcheologie/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, maart 2022. https://pdokviewer.pdok.nl Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, februari 2022. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Ruimingskaart; internetsite, februari 2022. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, februari 2022. https://www.sikb.nl Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten; internetsite, februari 2022. https://www.topotijdreis.nl VEO Bommenkaart; internetsite, februari 2022. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/ Wageningen University & Research – Geoportal: internetsite, februari 2022. https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf Zandbanenkaart provincie Gelderland: internetsite, februari 2022. http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=471707400d6f44d5a743100c65 e3ce9b
Rapport 18549.001 versie 1
Pagina 27 van 27
Figuur 1.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen Nederland
Figuur 2.
Rapport 18549.001 versie 1
Detailkaart van het plangebied
Figuur 3.
Rapport 18549.001 versie 1
Luchtfoto van het plangebied
Figuur 4.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek
Rapport 18549.001 versie 1
Figuur 5.
Rapport 18549.001 versie 1
Holocene stroomgordels en afgedekt Pleistoceen
Rapport 18549.001 versie 1
Figuur 6.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (zanddiepte + deklaag) + 2010 van de provincie Gelderland
Rapport 18549.001 versie 1
Figuur 7.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland
Figuur 8.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Figuur 9.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland
Figuur 10.
Rapport 18549.001 versie 1
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN
Rapport 18549.001 versie 1
Figuur 11.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1828 (Minuutplan)
Figuur 12.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1895 (Bonneblad)
Figuur 13.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1921 (Bonneblad)
Figuur 14.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1955
Figuur 15.
Rapport 18549.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1987
Figuur 16.
Rapport 18549.001 versie 1
Boorpuntenkaart plangebied met als achtergrond de luchtfoto
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 18549.001 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
1950
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 18549.001 versie 1
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
Rapport 18549.001 versie 1
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
Rapport 18549.001 versie 1
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de 3e eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de 5e eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e - 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.
Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 18549.001 versie 1
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 18549.001 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.