Regels Bijlage 2 Inrichtingsplan.pdf
Tekst van het document
Onderbouwing landschappelijke inpassing Keurhorsterweg 4, 7065 BR Sinderen 21-03-2022
2
Inhoud: 1 1.1 1.2 1.3
Analyse Landschapstypen……………………………………………………………………. 3 Bodemtype…………………………………………………………………………….. 4 Historie…………………………………………………………………………………… 6
2 2.1 2.2
Kwaliteiten Aanwezige kwaliteiten……………………………………………………………. 9 Potentiële kwaliteiten…………………………………………………………….. 10
3 3.1 3.2 3.3
Ontwerp Ontwerpplan…………………………………………………………………………… 11 Beplantingsplan………………………………………………………………………. 13 Beheer beplanting…………………………………………………………………… 14
3
1.1 Landschapstypen Het plangebied ligt in het oude hoevelandschap. Dit landschapstype betreft de gebieden die al eeuwenlang in cultuur zijn. Opvallend in dit vaak zeer kleinschalige landschap is dat vrijwel niets recht is: bochtige wegen en onregelmatig gevormde perceelsgrenzen. Kenmerkend voor dit landschap zijn verder: - De verspreid liggende hooggelegen essen (bouwlanden) met daarlangs vaak nog steilranden. Veel van deze cultuurhistorisch en landschappelijk zeer belangrijke steile esranden zijn de afgelopen 50 jaar helaas geëgaliseerd. - Tussen de essen liggen laaggelegen weilanden. - Een dicht netwerk van houtsingels, houtwallen en loofhoutbosjes. - Verspreid liggende bebouwing in de vorm van boerderijen. De belangrijkste natuurwaarden in dit landschap zijn te vinden langs de beken. De natuurwaarden van het agrarische landschap zijn de afgelopen 50 jaar sterk afgenomen. Zo is bijvoorbeeld de ortolaan, broedvogel van de essen met traditionele landbouw in de vorm van granen en hakvruchten, verdwenen uit het gebied en daarmee ook uit Nederland. Landschappelijk gezien is het nog steeds een aantrekkelijk gebied.
(bron: gelderland.nl) Het oude hoevelandschap bestaat uit individuele akkers. De boerenbedrijven voeren vroeger een gemengde bedrijfsvoering, een combinatie van akkerbouw en veeteelt. Ieder es bestaat uit een akker op de hoger gelegen dekzandruggen. Graslanden langs de beekjes op de lagergelegen gronden. De boerderijen staan tussen de hoge en lager gelegen delen in. Omdat de grond vaak arm was, brachten de boeren mest en heideplaggen als bemesting op het land. Honderden jaren bemesting zorgden ervoor dat de akkers steeds hoger werden, met een vrij steile rand. Om de gewassen te beschermen tegen wildvraat en wind, werden ze omgeven met houtwallen en houtsingels. Wegen volgden de hogere delen in het landschap en hadden hierdoor vaak een bochtig verloop. Op de hoogtekaart zijn de oude essen zichtbaar (in het rood) en de lagergelegen nattere stukken (in het blauw).
4
(bron: gelderland.nl)
1.2 Bodemtype De bodemtype onder het plangebied is een enkeerdgrond. zEZ23 VII staat voor een voor een zanddek van 15 tot 40 cm dik, hoge zwarte enkeerdgrond met lemig fijn zand met grondwatertrap 7. De grond loopt over in een kalkloze zandgrond. Zn23 Vb, dit is een vlakvaaggrond met lemig zijn zand in grondwatertrap 5b.
5
(bron: Alterra Wageningen UR) De potentiële natuurlijke vegetatie van de enkeerdgrond bestaat op de droge stukken uit een beuken-eikenbos of wintereiken-beukenbos. De kenmerkende soorten van dit bostype zijn:
(bron:wikipedia.nl)
6
1.3 Historie Op de kaart van 1885 staat de boerderij Binnen Hoopman beschreven. De boerderij was voor die tijd een grote boerderij dit is nu ook nog goed te zien door het statige voorhuis die uit die tijd stamt. De open delen in het landschap zijn de gronden die in agrarisch gebruik zijn genomen als landbouwgebied. De kronkelige wegen lopen om de landbouwgronden heen. De arme en lager gelegen gronden zijn nog woest en nog begroeid met een houtopstand. Om de essen lagen houtsingels en houtwallen als vee- en wildkering.
Op de kaart van 1900 zijn de landbouwgronden met een beige kleur aangegeven. Deze structuren kun je ook weer vinden op de bodemkaart. Het lichtgroene op de kaart zijn de graslanden die begraasd werden door het vee. Het donkergroene zijn de bossen en houtsingels/ houtwallen die verspreid in het landschap liggen. De schralere zandgronden zijn te herkennen aan de rode punten in de kaart. Dit waren voornamelijk woeste gronden met heide die begraast werden door schapen.
Op de kaart van 1930 is te zien dat bijna alle woeste heidegronden in cultuur zijn gebracht. Met de komst van kunstmest (dat in 1910 is uitgevonden) konden deze schrale zandgronden worden bemest. Met het bemesten van de gronden was het mogelijkheid om er gras en graan op te gaan verbouwen. De houtsingels en houtwallen zijn nog zichtbaar die om de percelen heen liggen.
7
Op de kaart van 1950 is goed te zien dat er veel houtsingels en houtwallen zijn verdwenen. Met de uitvinding van puntdraad werden deze wild en vee kerende functie overbodig en werden de gronden bij de agrarische percelen aangetrokken.
Op de kaart van 1970 is boerderij Hoopman nog steeds de grootste in de nabije omgeving (in het rood weergegeven). Het landschap is gelijk gebleven aan die van 1950.
8
De kaart 2020 is de huidige situatie. Een heel aantal kleine wegen die van boerderij naar boerderij liepen zijn verdwenen. Met de komst van gemotoriseerd vrachtverkeer was het geen moeite voor de melkboer om een stuk te moeten om rijden om de melk bij de buren op te halen.
(bron: topotijdreis.nl)
9
2.1 Aanwezige kwaliteiten De analyse kaart is gemaakt op basis van de aanwezige kwaliteiten. Deze kwaliteiten zijn beoordeeld op landschappelijke niveau. De kwaliteiten zijn in 3 niveaus uitgedrukt. Goed = groen: De voortuin voor het oude voorhuis is erg groen ingericht en omsloten aan de noordkant met een haag. De bestaande boomgroepen bij de entree van het erf, deze bestaan o.a. uit Zomereiken, Esdoorns en Berken. Om de voormalige paardenpak (aan de oostkant van het perceel) ligt een ruige rand. Deze rand is spontaan ontwikkeld en intressant voor b.v. een Roodborsttappuit als broedplaats. Oranje = mattig: De oude paardenbak is een stukje schraal en braakliggend terrein. Door het intensieve gebruik van de bak bied dit weinig mogelijkheden voor het ontwikkelen van natuurlijke beplanting. Aan de zuidkant heeft de kuilplaat gelegen, deze ruimte is voornamelijk gebruikt voor het opslaan van kuilvoer. Rood = slecht: het centrale punt van het erf wordt gedomineerd door een grote stal. Rondom de stal ligt verharding. De stal is zo groot en ruim opgezet en door het missen van vee, deze niet geschikt zijn voor boeren- en huiszwaluwen.
10
2.2 Potentiële kwaliteiten Groen: De voortuin van de boerderij geheel omsluiten met een inheemse haag. Verbinding maken vanuit het erf het landschap in met beplanting. De beplanting zorgt ook voor de aankleding rondom het erf. De buitenranden van het perceel laten verruigen met natuurlijke vegetatie. Wel het zicht het landschap in houden vanuit het erf gezien, maar geen harde overgang van tuin naar landschap. Oranje: De bebouwing centraal op het achtererf situeren. Vanuit elke wooneenheid vrij zicht het landschap in. Onderling de wooneenheden wel genoeg geborgenheid geven.
11
3.1 ontwerp Bebouwing 1 Bestaand woonhuis Keurhorsterweg 4. 2 Bestaand woonhuis Keurhorsterweg 4a. 3 Bestaande schuur met inpandig parkeren voor woning 4a. 4 Te slopen stalen hooiberg. 5 Te slopen loopstal. 6 Nieuw woonhuis Keurhorsterweg 4b, 150 m2, met inpandig parkeren. 7 Nieuw (dubbel)woonhuis Keurhorsterweg 4c, 125 m2, met inpandig parkeren. 8 Nieuw (dubbel)woonhuis Keurhorsterweg 4d, 125 m2, met inpandig parkeren. Verharding 9 Het gezamenlijke erf uitgevoerd van een elementenverharding, b.v. een oude betonklinker. De verharding loopt door tot en met de inpandige parkeerplaatsen. 10 Bestaande verharding en parkeerplaats voor woonhuis Keurhorsterweg 4. Beplanting 12 Alle bestaande bomen handhaven. 13 Bestaande Ligusterhaag handhaven. 14 75 m. haag van Liguster, 100 cm hoog. 15 20 m. haag van Liguster, 100 cm hoog. 16 48 m. haag van meidoorn, 100 cm hoog. 17 44 m. haag van Liguster, 180 cm hoog. 18 Aanplanten van een brinkje, de bestaande bomen verder aanvullen met minimaal 5 st. Zomereiken. Met een inheemse ruige kruidachtige onder begroeiing. 19 Aanplanten van een brinkje, de bestaande bomen verder aanvullen met minimaal 5 st. Zomereiken. Met een inheemse ruige kruidachtige onder begroeiing. 20 Hoogstamboomgaard van 14 st fruitbomen, met o.a. Pruim, Appel, Peer en Kers. 21 3 st. Zomereiken op het erf met een ruige onder begroeiing.
22 Ruige hoekjes op de randen van het erf. Bestaand uit een inheemse kruidachtige begroeiing met enkel een kleinere inheemse heester zoals de Krent en Vuilboom. 23 Houtsingel bestaand uit bomen en struiken met o.a. Winterlinde, Vladderiep, Haagbeuk, Gelderse roos, Hazelaar en Boswilg. 24 Houtsingel op de historische locatie (zie historische kaart), bestaand uit bomen en struiken met o.a. Winterlinde, Vladderiep, Haagbeuk, Gelderse roos, Hazelaar en Boswilg. 25 4 meter brede struweelrand op de erfgrens, bestaand uit een ruige inheemse onder begroeiing met enkel een struik, o.a. de Meidoorn, Braam en Sleedoorn. Overige 26 Siertuin. 27 Kadastrale grens.
12
13
3.2 beplanting
14
3.3 beheer 12 De bestaande bomen eens in de 5 jaar begeleiding snoei. Het verwijderen van dode en schurende takken. 13-14-15-16-17 De hagen 1x per jaar knippen. Met een uiteindelijke hoogte tussen de 100 en 150 cm vanaf maaiveld. 18-19 De bomen eens in de 5 jaar begeleiding snoei. Het verwijderen van dode en schurende takken. De ruige onder begroeiing eens in de 3 tot 5 jaar maaien en afvoeren. Het liefst gefaseerd maaien zodat er jaarrond een lange vegetatie blijft staan. 20 De fruitbomen eens in de 1, 2 jaar snoeien. De onder begroeiing 1 tot 2x per jaar maaien en afvoeren. 21 De bomen eens in de 5 jaar begeleiding snoei. Het verwijderen van dode en schurende takken. 22 De heesters eens in de 5 tot 7 jaar snoeien. De ruige onder begroeiing eens in de 1 tot 3 jaar maaien en afvoeren. Het liefst gefaseerd maaien zodat er jaarrond een lange vegetatie blijft staan. 23-24 De houtsingel beheren als hakhout. Eens in de 15 jaar afzetten met behoud van de boomvormers als overstaanders. 25 Het struweel eens in de 5 jaar maaien en afvoeren. De heestergroepen eens in de 10 jaar snoeien. Het liefst gefaseerd maaien zodat er jaarrond een lange vegetatie blijft staan.