CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering Weidenhoek 4 Breedenbroek.pdf

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 19: TAM omgevingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek, locatie Weidenhoek 4 te Breedenbroek”15.724 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Motivering wijziging omgevingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek, locatie Weidenhoek 4 te Breedenbroek” NL.IMRO.1509.OP000039

Locis Adviseurs B.V. Groten Bos 3 7131 NW Lichtenvoorde Info@locisadviseurs.nl 0315 820 100 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze opgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Locis Adviseurs. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend, Locis Adviseurs, verwerpt elke aansprakelijkheid voor aan ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor hij wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan veranderd worden zonder voorafgaande kennisgeving.

1

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ............................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding .................................................................................................................. 4 1.2 Ligging planlocatie ...................................................................................................... 4 1.3 Huidig planologisch kader ........................................................................................... 5 1.4 Participatie voorbereidingsfase ................................................................................... 6 1.5 Leeswijzer ................................................................................................................... 6

2.

Beschrijving van het plan....................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ........................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ................................................................................................... 8

3.

Beleid ................................................................................................................................. 10 3.1 Rijksbeleid ................................................................................................................ 10 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) .............................................................. 10 3.1.2 Omgevingswet ........................................................................................... 11 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking ........................................................ 12 3.1.4 Nationale Woon- en Bouwagenda............................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid...................................................................................................... 13 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland ................................................................. 13 3.2.2 Omgevingsverordening provincie Gelderland .............................................. 14 3.3 Regionaal beleid ....................................................................................................... 15 3.3.1 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 .................................................. 15 3.3.2 Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 ...........................................

16 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 16 3.4.1 Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 ......................................................... 16 3.4.2 Toekomstvisie Oude IJsselstreek ................................................................. 17 3.4.3 Woonvisie gemeente Oude IJsselstreek ...................................................... 18 3.4.4 Uitnodigingskader wonen buitengebied ...................................................... 19 3.4.5 Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen ............................................ 20 3.4.6 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 -2026 ................ 20 3.4.7 Welstand ................................................................................................... 21

4.

Omgevingsaspecten ............................................................................................................ 22 4.1 Bodem ...................................................................................................................... 22 4.2 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................................. 23 4.3 Natuur ...................................................................................................................... 24 2

4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 .............................................................. 25 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone ... 25 4.3.3 Soortenbescherming .................................................................................. 26 4.4 Geluid ....................................................................................................................... 27 4.5 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 30 4.6 Geur ......................................................................................................................... 32 4.7 Milieubelastende activiteiten .................................................................................... 33 4.8 Omgevingsveiligheid ................................................................................................. 33 4.9 Water ....................................................................................................................... 35 4.10 Mobiliteit en parkeren ............................................................................................ 37 4.11 Trillingen ................................................................................................................

38 4.12 Kabels en leidingen ................................................................................................. 38 4.13 Milieueffectrapportage ........................................................................................... 39 4.14 Gezondheid............................................................................................................. 40 4.15 Duurzaamheid ........................................................................................................ 40 5.

Juridische planopzet............................................................................................................ 42 5.1 Algemeen ................................................................................................................. 42 5.2 Toedelen van functies aan locaties ............................................................................ 42 5.3 Algemene regels ....................................................................................................... 43 5.4 Overgangsregels ....................................................................................................... 43

6. Uitvoerbaarheid van het plan.................................................................................................. 44 6.1. Economische uitvoerbaarheid .................................................................................. 44 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................ 44 Bijlagen 1. Participatie 2. Erfinpassingsplan 3. Bodem onderzoek 4. Quickscan flora en fauna

3

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Op de locatie Weidenhoek 4, in het buitengebied van de gemeente Oude IJsselstreek, bestaat het voornemen om agrarische bedrijfsbebouwing te slopen. De bestaande bedrijfswoning, met een aantal bijgebouwen, blijft behouden en wordt omgezet naar een burgerwoning. Onder gebruikmaking van de mogelijkheden van het Uitnodigingskader Wonen buitengebied gemeente Oude IJsselstreek is gekomen tot deze mogelijkheid. Toekomstig wordt ook beoogd om een pré-mantelzorg woning op de locatie te realiseren maar deze maakt geen onderdeel uit van de procedure. Voor de pré-mantelzorg woning wordt een omgevingsvergunning tijdelijke afwijking van het omgevingsplan aangevraagd. De wens bestaat uit het omzetten van de agrarische functie naar een woonfunctie. Daarom wordt ingestoken op een buitenplanse procedure in de vorm van een wijziging van het omgevingsplan. Binnen de gemeente Oude IJsselstreek wordt daarvoor vooralsnog gewerkt volgens de systematiek van TAMIMRO.

1.2 Ligging planlocatie De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Breedenbroek. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Gendringen, sectie R, nummer 1415 heeft een totale oppervlakte van 24.420 m2. Het betreft momenteel een agrarisch perceel met één bedrijfswoning en diverse (agrarische) bijgebouwen.

Figuur 1: Luchtfoto met begrenzing planlocatie (bron: kadastalekaart.nl)

4

De planlocatie wordt aan de noordzijde begrensd door de gemeentelijke weg Weidenhoek. Aan de oost-, zuid- en westzijde van de locatie bevinden zich agrarische cultuurgronden. In de directe omgeving bevinden zich overwegend burgerwoningen en enkele (agrarische) bedrijven. De meest nabijgelegen bedrijven zijn: • een machinefabriek op de locatie Lage Heurnseweg 29 en 31 op een afstand van 190 meter; • een meubelwerkplaats (bedrijf aan huis) op de locatie Lage Heurnseweg 20 op een afstand van 210 meter; • een agrarisch loonwerkbedrijf op de locatie Lage Heurnseweg 26a en 26b op een afstand van 250 meter; • een melkrundveehouderij op de locatie Lage Heurnseweg 30 en 30a op een afstand van 470 meter. De afstanden zijn gemeten tussen de grens van de planlocatie en de grenzen van de bouwvlakken of functieaanduiding. De kern van Breedenbroek bevindt zich op een afstand van circa 850 meter van de planlocatie.

1.3 Huidig planologisch kader Voor de planlocatie geldt het onherroepelijke bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’, dat is vastgesteld op 28 juni 2018. Per 1 januari 2024 (datum inwerkingtreding Omgevingswet) is dit bestemmingsplan onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Zie de figuur hieronder voor een uitsnede van de verbeelding.

Figuur 2: Uitsnede verbeelding met planlocatie rood omkaderd (bron: Regels op de kaart)

Voor de gronden op de planlocatie geldt de functie ‘Agrarisch met waarden’ en is er een bouwvlak opgenomen waarbinnen de bebouwing is gelegen. Daarnaast geldt de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. Tevens gelden de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – Houtwal’ en ‘overige zone – Reliëf’. Er is op deze locatie geen sprake van een archeologische waarde. De functie ‘Agrarisch met waarden’ is bedoeld voor agrarische doeleinden. Op deze locatie is een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Tevens is er één bedrijfswoning binnen het bouwvlak opgenomen. Op deze gronden zijn volgens het omgevingsplan geen extra woningen toegestaan.

5

Op grond van het omgevingsplan en de daarin opgenomen flexibiliteitsbepalingen is de beoogde ontwikkeling voor het bewonen van de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning niet mogelijk te maken. De agrarische functie moet omgezet worden naar een woonfunctie. Dat betekent dat een buitenplanse procedure nodig is om dit te kunnen realiseren. Daarbij is ingestoken op een wijziging van het omgevingsplan.

1.4 Participatie voorbereidingsfase Op 16 december 2021 heeft de raad ingestemd met het Participatiebeleid waarin de visie wordt beschreven van de gemeente Oude IJsselstreek op participatie. Dit heeft tot gevolg dat in de voorbereidingsfase bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen een participatieplan wordt opgesteld. Daarvan is in dit geval geen gebruik gemaakt, maar desondanks heeft er participatie plaatsgevonden. De directe omgeving is geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling door middel van een brief en een persoonlijk gesprek. Op het plan is door alle buren positief gereageerd. In bijlage 1 bij deze motivering is het participatieverslag opgenomen.

1.5 Leeswijzer Een wijziging van het omgevingsplan volgens TAM-IMRO bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de functies zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde functies zijn opgenomen. De wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld van een motivering (voorliggend document), waarin de achtergronden van de wijziging zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het omgevingsplan. In de motivering worden de keuzes die bij de wijziging van het omgevingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hoofdstuk 2 van deze toelichting bevat de beschrijving van de huidige situatie van de planlocatie en de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de geldende beleidskaders van de verschillende overheden. In hoofdstuk 4 is een overzicht gegeven van de relevante omgevingsaspecten op de planlocatie en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd. De juridische planopzet komt aan de orde in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

6

2. BESCHRIJVING VAN HET PLAN 2.1 Huidige situatie De planlocatie bestaat momenteel geheel uit een agrarisch perceel. Op het perceel staat één bedrijfswoning met diverse (agrarische)gebouwen. Op de planlocatie bevinden zich een aantal solitaire bomen, hagen, fruitbomen en bosjes die behouden blijven met dit plan. Het erf rondom de gebouwen is verhard en er zijn op dit moment twee inritten. De locatie wordt via de twee inritten direct ontsloten op de Weidenhoek. Zie figuur 1 voor de luchtfoto van de locatie. Onderstaande foto’s zijn gemaakt vanaf openbaar gebied.

Figuur 3: Zicht op eerste inrit planlocatie vanaf Weidenhoek

Figuur 4: Zicht op tweede inrit planlocatie vanaf Weidenhoek

7

Figuur 5: Zicht op planlocatie vanaf zuidoostzijde perceel

2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt de bestaande woning met een aantal bijgebouwen behouden. Grotendeels krijgt het totale perceel de functie ‘wonen’ en het overige deel blijft de agrarische functie behouden. Een groot gedeelte van de agrarische bebouwing wordt gesloopt. Toekomstig wordt ook beoogd om een pré-mantelzorg woning op de locatie te realiseren maar deze maakt geen onderdeel uit van deze procedure. In de figuur hieronder is de beoogde erfinpassing voor dit plan weergegeven. Met dit plan is vooruitlopend ook de pré-mantelzorg in meegenomen. In bijlage 2 is het volledige erfinpassingsplan opgenomen.

Figuur 6: Weergave beoogde situatie

8

Het erf behoudt een compacte en agrarische opzet. De bestaande woning is en blijft de hoofdwoning op het erf. De nieuwe pré-mantelzorgwoning is qua uitstraling en situering ondergeschikt aan de hoofdwoning en vormen één ensemble met de hoofdwoning en de landschappelijke inpassing. Daarnaast is de pré-mantelzorgwoning tijdelijk en wordt in de toekomst weer verwijderd. Tevens verdwijnt de eerste inrit. Hierbij is invulling gegeven aan het één-erfprincipe. Op het erf worden een aantal scheerhagen gerealiseerd. Tevens wordt langs de Weidenhoek een robuuste struweelhaag gerealiseerd. Dit dient als afscheiding van de weg en het erf. Deze hagen dienen ook als voedsel- en schuilplek voor diverse diersoorten. Ten noordwesten van de planlocatie wordt een hoogstamfruitboomgaard gerealiseerd. De fruitboomgaard bestaat in totaal uit zes fruitbomen. De zes bomen komen minimaal vijf meter uit elkaar te staan. De boomgaard wordt gecombineerd met een extensief beheerd bloem- en faunarijk grasland. De bomen worden voorzien van twee boompalen en boomband. Er worden in totaal minimaal vijf loofbomen geplant. De vijf solitaire bomen bestaan uit één walnoten boom en vier zomereiken. De bomen worden voorzien van twee boompalen en boomband. Er wordt gebruik gemaakt van autochtoon plantmateriaal. Dat houdt in dat het plantmateriaal een Nederlandse herkomst heeft.

De te realiseren beplanting zijn kenmerkende beplanting wat voorkomt in het Kampenlandschap.

9

3. BELEID 3.1 Rijksbeleid 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als structuurvisie. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft de landelijke overheid richting aan de grote opgaven, zoals het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050: Een klimaatbestendige delta, waarbij Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waterveiligheid (ook voor de laaggelegen gebieden in het westen) gegarandeerd is en voldoende zoetwater beschikbaar is van goede kwaliteit; Duurzaam, concurrerend en circulair: een toekomstbestendige en volledig circulaire economie zonder vervuilende manieren van produceren en consumeren, met een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge quality of life, met een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving en slimme combinaties van functies zonder de risico's en milieunadelen te vergroten.

Een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie en nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden; Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan. Nabijheid en betrouwbare verbindingen: een uitstekende bereikbaarheid wordt met een goede en betrouwbare infrastructuur gegarandeerd, waarbij wordt ingespeeld op locatiekeuzes voor wonen en werken (nabijheid). De infrastructuur is onderdeel van een mobiliteitssysteem dat een meer divers patroon van mobiliteit veilig, robuust en duurzaam afhandelt. Luchthavens blijven belangrijk voor een sterk internationaal netwerk voor de lange afstanden. De uitdaging is om het vliegverkeer net als het goederenvervoer op een zo veilige, efficiënte en duurzame manier vorm te geven. Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk: een veilig en gezond leven voor iedereen staat voorop. De leefomgeving nodigt uit om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen.

Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen. Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: 1. Naar een ruimte voor klimaat adaptatie en energietransitie. 2. Naar een duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Naar sterke en gezonde steden en regio's. 4. Naar een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

10

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer er aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Beoordeling initiatief De NOVI gaat niet concreet in op relatief kleinschalige lokale ontwikkelingen als in dit plan. In het NOVI zijn geen belemmeringen benoemd ten aanzien van de planontwikkeling. In algemene zin draagt het plan bij aan de kwaliteit van het leven in stad en land, doordat een bestaand agrarisch erf wordt omgezet naar een woonerf, maar met behoudt van het agrarische karakter. Voor de woning geldt een prettig woonmilieu, met rust en ruimte. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Omgevingswet De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): 1. het Omgevingsbesluit (Ob); 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Bkl instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan: • De dienstenrichtlijn (art. 5.1a Bkl). • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl).

• Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl). • Beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, slagschaduw, geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl). • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl). • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies zoals autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen en buisleidingen van nationaal belang (§ 5.1.6 Bkl). • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl). • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen (denk bijvoorbeeld aan een beperkingengebied). In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Beoordeling initiatief Dit initiatief is voor wat betreft de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 getoetst aan de Rijksinstructieregels, Die Rijksinstructieregels zijn daar waar nodig vertaald in het omgevingsplan. Voor 11

het overige wordt voldaan aan de Rijksinstructieregels zonder dat het nodig is om daarvoor iets te regelen in het omgevingsplan. Uit hoofdstuk 4 komt naar voren dat toepassing van de Rijksinstructieregels niet leidt tot belemmeringen voor dit initiatief. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van het Rijk voor de fysieke leefomgeving. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de op grond van de Omgevingswet geldende regels voor de fysieke leefomgeving. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.

Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Beoordeling initiatief In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS201501297/1/R4). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. In beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor wonen is dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij dit initiatief is er geen sprake van het realiseren van nieuwe een woning in het buitengebied, daarom is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Conclusie Het plan leidt niet tot strijdigheid met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.4 Nationale Woon- en Bouwagenda In de Nationale Woon- en Bouwagenda worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de programmatische aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale Woon- en Bouwagenda is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland. De agenda kent drie kerndoelen: • Beschikbaarheid: voldoende woningen voor iedereen. De bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, met als streven twee derde betaalbaar. • Betaalbaarheid: woonlasten sluiten beter aan bij het inkomen. Het aantal huishoudens dat te hoge woonlasten draagt ten opzichte van het inkomen neemt af.

12

•

Kwaliteit: voldoende woningen voor aandachtsgroepen en ouderen, perspectief voor kwetsbare wijken en duurzame huisvesting bereikbaar voor iedereen. Met de zes onderliggende programma’s van de Nationale Woon- en Bouwagenda wordt invulling gegeven aan het realiseren van de doelstellingen. Beoordeling initiatief Het initiatief heeft geen betrekking op de realisatie van een nieuwe woning. Hierdoor wordt er ook niet bijgedragen aan de Nationale Woon- en Bouwagenda. Conclusie Het plan leidt niet tot strijdigheid met de Nationale Woon- en Bouwagenda.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland. De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven: 1. Energietransitie. 2. Klimaatadaptatie 3. Circulaire economie. 4. Biodiversiteit. 5. Bereikbaarheid. 6. Vestigingsklimaat. 7. Woon- en leefklimaat. Themakaarten Bij de visie is een aantal themakaarten aanwezig. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen: • ruimtelijk beleid; • waterbeleid; • milieubeleid; • natuur- en landschapsbeleid. Daarmee is voor een aantal onderwerpen specifiek beleid vastgelegd. Uitvoering beleid In het kader van de uitvoering van de visie, zijn ook drie beleidsdocumenten vastgesteld: • Regionaal waterprogramma. • Handreiking plussenbeleid. • Beleidslijn windenergie.

Het initiatief om op de planlocatie door de voormalige agrarische bebouwing te slopen en hierdoor de bestaande bebouwing te behouden en de functie ‘Agrarisch met waarden’ om te zetten naar ‘Wonen’, past binnen de provinciale omgevingsvisie. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen 13

om voldoende passend en duurzaam woningaanbod in de provincie te garanderen, dat aansluit bij de wensen van de inwoners. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat en de landschappelijke inpassing draagt bij aan het vergroten van de biodiversiteit op deze locatie. Voor wat betreft de relevante themakaarten kan het volgende worden opgemerkt: • ruimtelijk beleid: geen specifieke aandachtspunten; • milieubeleid: de planlocatie is niet gelegen in een stiltegebied of ander gebied waar beperkingen gelden vanuit het oogpunt van milieu; • waterbeleid: de planlocatie is niet gelegen binnen provinciale beschermingszones ter bescherming van grondwater, oppervlaktewater of natte landnatuur; • natuur- en landschapsbeleid: de planlocatie is niet gelegen binnen een ecologische verbindingszone, Gelders Natuur Netwerk, Groene ontwikkelingszone, Natura 2000-gebied, rustgebied voor ganzen, weidevogelgebied of zoekgebied voor nieuwe natuur. De drie in het kader van de uitvoering van de omgevingsvisie vastgestelde beleidsdocumenten zijn niet van directe betekenis voor dit initiatief. Het onderwerp water komt aan de orde in paragraaf 4.9. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

3.2.2 Omgevingsverordening provincie Gelderland De Omgevingsverordening is op 21 december 2022 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en is in werking getreden na invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook de verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd. Voor de volgende onderwerpen gelden er provinciale instructieregels: • Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening); • Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening); • Landschap (afd. 5.3 Omgevingsverordening); • Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening); • Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening); • Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening); • Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd.

5.7 Omgevingsverordening). Beoordeling initiatief De provinciale instructieregels voor natuur, erfgoed, milieu en provinciale wegen zijn niet relevant voor deze ontwikkeling. In de omgevingsverordening wordt aangegeven dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts zijn toegestaan wanneer dit past in de vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Zie de volgende paragrafen voor meer informatie over deze regionale woonagenda en de gemeentelijke uitwerking. Daarin wordt onderbouwd dat de ontwikkeling binnen de betreffende kaders past. Verder geldt vanwege de ligging van de planlocatie in de Achterhoek 14

een specifieke instructieregel voor landschap. Bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling moet namelijk rekening worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Dat is meegenomen in de voor deze locatie opgestelde landschappelijke inpassing. De planlocatie ligt niet in een gebied met specifiek beschermde waarden waarvoor op grond van de omgevingsverordening regels zijn gesteld, zoals Gelders Natuur Netwerk, Groene ontwikkelingszone, molenbiotoop, waterwingebied of drinkwaterreserveringsgebied. In de Omgevingsverordening is een instructieregel ten aanzien van klimaatadaptie opgenomen. Voor zover een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de motivering bij de wijziging van het omgevingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast moet een beschrijving worden opgesteld waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Voor die beschrijving kan gebruik worden gemaakt van de opgestelde klimaatatlas.

Op basis van de klimaatatlas gemeente Oude IJsselstreek is in paragraaf 3.4.6 in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. Daaruit volgt dat bij het voorliggende initiatief voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Er hoeven op deze locatie geen specifieke maatregelen in het kader van klimaatadaptatie te worden getroffen. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening provincie Gelderland.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 De regionale structuurvisie is een actualisatie van de regionale structuurvisie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat er zich een aantal relevante en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen heeft voorgedaan, zoals: • energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen; • bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening en • de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied. De visie gaat ervan uit dat deze ontwikkelingen gevolgen kunnen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de regio Achterhoek. Ze hebben invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie wil richting geven aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven op juiste wijze te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel hiervan is om ook in de toekomst te kunnen spreken van een vitale, regionale economie en een zeer prettige omgeving om in te wonen en te recreëren. De visie gaat uit van waardeontwikkeling door het toevoegen van kwaliteit als motor achter ruimtelijke ontwikkelingen.

Flexibiliteit is nodig om het kwalitatieve aanbod en vraag goed op elkaar af te kunnen stemmen. De ruimtelijke visie richt zich niet op een ruimtelijk eindbeeld, maar streeft juist flexibiliteit na. Het leidende principe is een omslag 'van sturen naar begeleiden'. Dit om kansen te pakken en

15

tegelijkertijd te werken aan behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit. Met de visie wordt regionale afstemming beoogd in de keuzes in de ruimtelijke ontwikkeling op lokaal niveau. Dit door het benoemen van ruimtelijke speerpunten. Als regionale speerpunten worden genoemd: bevolkingsdaling, transitie van het platteland en duurzaamheid/energietransitie. Beoordeling initiatief Het plan betreft enkel de omzetting van de functie ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’ en het slopen van de bestaande agrarische bebouwing. Voorliggend initiatief voegt ruimtelijke kwaliteit toe aan een bestaand agrarisch erf omdat er extra groen wordt toegevoegd, zie bijlage 2 het erfinpassingsplan. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012. 3.3.2 Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 De regionale woonagenda 2023-2030 is geldend vanaf 4 maart 2023 en tot stand gekomen op basis van brede bevraging van stakeholders en is door het bureau Ruimtevolk opgesteld in een nauw overleg met een ruime vertegenwoordiging uit de Thematafel Wonen en Vastgoed(accounthouders) en uit het Ambtelijke overleg wonen regio Achterhoek. Daarnaast is de voortgang en de vaststelling van de woonagenda voortdurend en integraal besproken aan de Thematafel Wonen en Vastgoed.

Na vaststelling door de zeven gemeenteraden vormt dit document het kader voor de uitvoering en dient het tevens als uitgangspunt voor de vraag aan de samenleving om ideeën en plannen. In de woonagenda is de woningbehoefte in beeld gebracht op basis van drie belangrijke factoren. Dat zijn de grotere en gewijzigde woonbehoeftes uit de regio zelf, de behoefte aan aanvullende arbeidskrachten en de toenemende trek naar de Achterhoek vanuit andere delen van het land. De woonagenda is gericht op de huisvesting van alle doelgroepen. Daartoe behoren starters op de woningmarkt, ouderen en inwoners behorend tot de bijzondere aandachtsgroepen. Dit vraagt om een passend aanbod aan woningen, waarvan een aanzienlijk deel betaalbaar moet zijn zowel in de koop als in de huur. Naast kwaliteitsaspecten als duurzaam en toekomstbestendig bouwen, geeft de agenda aandacht aan de belangrijke aspecten die spelen in de fysieke leefomgeving zoals een goede leefbare woonomgeving, bereikbaarheid en voorzieningen maar ook klimaatadaptie en een goede ruimtelijke inpassing. De Regionale Woonagenda 2023-2030 anticipeert op de groeiende behoefte aan woningen en het versnellen van de woningbouw en biedt een nieuw kader voor woningbouwplannen. Beoordeling initiatief Het plan betreft enkel de omzetting van de functie ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’ en het slopen van de bestaande agrarische bebouwing.

Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd. Het initiatief richt zich op een goed leefbare woonomgeving met voldoende groen. Er is sprake van een goede ruimtelijke inpassing met aandacht voor klimaatadaptatie. Zie hiervoor ook de beoordeling van de verschillende omgevingsaspecten in hoofdstuk 4. Het initiatief sluit hiermee aan bij de Regionale Woonagenda 20232030. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 De gemeenteraad heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. Deze structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de 16

gemeente. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Dit blijft een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Naast het motto "de juiste woning op de juiste plaats", spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Beoordeling initiatief Het plan betreft enkel de omzetting van de functie ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’ en het slopen van de bestaande agrarische bebouwing. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd. Het initiatief zich op een goed leefbare woonomgeving met voldoende groen. Er is sprake van een goede ruimtelijke inpassing met aandacht voor klimaatadaptatie. Zie hiervoor ook de beoordeling van de verschillende omgevingsaspecten in hoofdstuk 4. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025. 3.4.2 Toekomstvisie Oude IJsselstreek De toekomstvisie is tot stand gekomen door vele ontmoetingen en bijeenkomsten met inwoners, ondernemers, organisaties en verenigingen. De termen 'leven' en 'het maken' lopen als een rode draad door de toekomstvisie. Oude IJsselstreek heeft zichzelf zeven opgaven gesteld waarmee ze een antwoord kan bieden op maatschappelijke uitdagingen en waarmee de gemeente en de gemeenschap verder kunnen groeien. •

Benut de stroom van de Oude IJssel De gemeente zet de komende jaren in op het benutten van alle kansen die de Oude IJssel als zone biedt. Het gebied op en rondom de rivier kan een vliegwiel zijn voor toerisme en recreatie, bedrijvigheid, klimaatvraagstukken en wonen.

•

Florerende Smart Industrie Een bloeiende en concurrerende lokale economie heeft een aanzuigende werking op mensen en kapitaal waarmee demografische ontwikkelingen kunnen worden gekeerd en wonen een boost krijgt. Drie duidelijke clusters dragen bij aan een robuust economisch systeem. Werken op De Rieze, innoveren op het DRU Industriepark en innovatieve en hightech maakindustrie rond Varsseveld. Gemeente Oude IJsselstreek zet zich daarmee de komende jaren nog beter op de kaart en zet in op het ontwikkelen van het nieuwe Varsseveld Industriepark (het VIP).

•

Vitaal platteland Het agrarisch buitengebied is een belangrijke en karakteristieke pijler in de gemeente. De landbouwsector is voor de gemeente als plattelandsgemeente een cruciale sector, zowel qua economische omvang als qua ruimtebeslag in het buitengebied. Het platteland zal zich het komende decennium ontwikkelen tot een multifunctioneel buitengebied.

•

De allernieuwste energie In de gemeente vinden ontwikkeling plaats op vele fronten, van woningbouw tot het ontwikkelen van industrie en bereikbaarheid. Bij al die ontwikkelingen wordt er optimaal gebruik gemaakt van de meest duurzame en nieuwste vormen van energie. De gemeente wil energieneutraal zijn in 2030.

•

Groene parels

17

Van de Slangenburg tot de Vennebulten en van het Zwarte Veen tot de Anholtse bossen vormen landgoederen, oude bossen en natuurgebieden een groene parelketting door Oude IJsselstreek. De opgave ‘Groene Parels’ zet in op het verder versterken van dit karakteristieke landschap. •

Gezond oud worden én gezond jong zijn Oude IJsselstreek is de plek waar mensen zich kunnen ontplooien, gezond kunnen leven en regie op hun eigen leven hebben. In de basis benutten de gemeente vooral de kracht van de maatschappij om een plek te maken waar mensen hun leven lang fijn en gezond kunnen wonen. Om de kracht uit de samenleving optimaal te benutten worden er voldoende aanleidingen voor ontmoeting, duurzaam gedrag, leren, spel en bewegen geboden.

•

Het witte vel Vanaf de eerste gesprekken is duidelijk geweest dat de Toekomstvisie een levend document moet zijn. Er zullen zich tal van zaken voordoen die de gemeente dwingen deze Toekomstvisie bij te stellen. Hobbels en beren op de weg, maar juist ook kansen, versnellingen en innovaties. Om in de Toekomstvisie ook letterlijk de ruimte te geven om in te springen op nieuwe ontwikkelingen heeft de gemeente ‘Het Witte Vel’ vanaf het begin eraan toegevoegd. Een nog blanco hoofdstuk dat symbool staat voor de prachtige onzekerheid van de toekomst en al het moois dat daaruit voort gaat komen.

Beoordeling initiatief Het plan betreft enkel de omzetting van de functie ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’ en het slopen van de bestaande agrarische bebouwing. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd. Hierbij wordt ingezet op een groene woonomgeving en de sociale cohesie wordt behouden door het huidige één-erfprincipe aan te houden. Door versterking en uitbreiding van het aanwezig groen wordt bovendien een bijdrage geleverd aan de vergroting van de biodiversiteit. De huidige samenhang wordt behouden doordat enkel de agrarische bedrijfsbebouwing verdwijnt. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Toekomstvisie Oude IJsselstreek. 3.4.3 Woonvisie gemeente Oude IJsselstreek De Woonvisie 2018 is vastgesteld in de gemeenteraad van 14 december 2017. Met de Woonvisie wordt een lokale uitwerking van de Regionale Woonagenda geformuleerd, waar mogelijk gebruik makend van de nieuwste inzichten uit het in 2017 uitgevoerde AWLO (Achterhoeks Woonwensen en LeefbaarheidsOnderzoek). De belangrijkste onderwerpen van deze Woonvisie zijn: • De sociale huurvoorraad • Woonzorg • Verduurzaming • Woningvoorraad en waarde behoud Beoordeling initiatief Het plan betreft enkel de omzetting van de functie ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’ en het slopen van de bestaande agrarische bebouwing. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd.

Door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing kunnen de huidige bijgebouwen bij recht worden toegestaan. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Woonvisie gemeente Oude IJsselstreek.

18

3.4.4 Uitnodigingskader wonen buitengebied Op 26 oktober 2023 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek het zogenoemde Uitnodigingskader wonen buitengebied vastgesteld. In dit uitnodigingskader zijn nieuwe en ruimere mogelijkheden opgenomen voor ontwikkeling van woningbouw in het buitengebied, in ruil voor sloop van gebouwen die vrijkomen in combinatie met inpassing van de plannen in het landschap. Ook biedt het uitnodigingskader ruimere en flexibelere mogelijkheden voor splitsing van woningen en de ontwikkeling van een landgoed. Kwaliteitsverbetering van het buitengebied is het belangrijkste doel van het uitnodigingskader. Door een alternatief te bieden voor vrijkomende en al vrijgekomen bebouwing in het buitengebied worden leegstand, verloedering en ongewenste activiteiten voorkomen. Ieder initiatief tot herontwikkeling dient te leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Hoe dat gebeurt moet inzichtelijke worden gemaakt in een erfinrichtingsplan. Het beleid is gebaseerd op het idee dat ontwikkelruimte gecreëerd wordt en deze vervolgens weer wordt ingezet. Ontwikkelruimte creëren kan door sloop van gebouwen en/of door de aanleg van landschapselementen. Dit kunnen één of meer maatregelen zijn. Een combinatie van maatregelen is mogelijk. Met die maatregelen – waaraan afhankelijk van de omvang – punten worden toegekend, wordt ontwikkelruimte gecreëerd.

De gecreëerde ontwikkelruimte kan vervolgens voor diverse ontwikkelingen ten behoeve van wonen worden ingezet. Dit kan op de locatie waar gesloopt is, maar ook op een ander erf of door de ontwikkeling van een nieuw erf. Ook kan ontwikkelruimte worden ingezet voor de vergroting van de op grond van het omgevingsplan toegestane maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. Ontwikkelruimte kan worden ingezet door het omvormen van (agrarische) bedrijven in het buitengebied naar wonen, maar ook op bestaande woonerven door de toevoeging van één of meerdere woningen. Beoordeling initiatief Voor het bouwen van de vrijstaande woning wordt uitgegaan van een maximale inhoudsmaat van 750 m3. Voor bijgebouwen/bijbehorende bouwwerken geldt dat standaard sprake mag zijn van een oppervlak van maximaal 150 m2 per woning. In de beoogde opzet is sprake van de volgende woningen en bijgebouwen: • De bestaande woning blijft bestaan; •

Er wordt ingezet om 335 m2 aan bijgebouwen te mogen bouwen. 288 m2 aan bestaande bijgebouwen blijven behouden en 47 m2 wordt toekomstig nieuw gebouwd. o

Doordat er één woning op het erf staat is een totale oppervlakte van 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan.

o

De overschrijding van de maximaal toegestane bebouwing bedraagt 185 m2. Hiervoor zijn op grond van het Uitnodigingskader extra ontwikkelpunten vereist.

Uit bovenstaande volgt dat in beginsel 74 punten zijn benodigd voor de ontwikkeling. Op de locatie wordt vanwege de sloop van de gebouwen en bouwwerken 227 punten gegenereerd. Dit betekent dat er 227 74 = 153 punten overblijven. Deze 153 punten blijven 10 jaar in depot staan en kunnen (elders) ingezet worden voor ontwikkelingen binnen het landelijk gebied van de gemeente Oude IJsselstreek. Bij dit initiatief is geen sprake van aanleg van landschapselementen buiten het erf, dus dit levert geen extra ontwikkelpunten op. Conclusie Het plan is in overeenstemming met het Uitnodigingskader wonen buitengebied. 19

3.4.5 Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving. Beoordeling initiatief Met de ontwikkeling wordt op de planlocatie voorzien in een adequate landschappelijke inpassing. Hiermee wordt in de beoogde opzet zorggedragen voor een groene en gezonde leefomgeving, die past binnen het voor dit gebied kenmerkende landschap. Het bestaande groen blijft behouden en wordt versterkt. Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met de 'Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen'. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de ‘Visie op Landschap, Natuur en Groene kernen’.

3.4.6 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 -2026 Op 18 januari 2022 is de Klimaatagenda 2022-2026 vastgesteld. Met deze Klimaatagenda wordt de visie en ambitie voor een klimaatbestendige toekomst vastgelegd. Daarnaast is een uitvoeringsagenda voor 2022 tot en met 2026 beschreven. Steeds duidelijker wordt welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering, waaronder droogte, wateroverlast, overstromingen en hittestress aan te pakken De effecten van klimaatverandering worden opgedeeld in vier hoofdthema’s: • Meer regen: wateroverlast. Neerslagpatronen veranderen door klimaatverandering. We krijgen te maken met grotere piekbuien en langere natte winterperiodes. Dit kan leiden tot meer hemelwateroverlast en grondwateroverlast. • Hoger water: overstromingen. Door het veranderende weer krijgen we in Oude IJsselstreek vaker te maken met stormen en een sterker fluctuerende rivierafvoer. Deze factoren betekenen een extra belasting op de dijken. • Meer hitte: hittestress. Klimaatverandering wordt ook wel ‘global warming’ genoemd. We moeten er rekening mee houden dat we in de zomer vaker met extreme hitte te maken krijgen. • Drogere zomers: droogte. Het wordt warmer en neerslagpatronen worden grilliger. Vooral in de zomers zullen we steeds meer te maken krijgen met langdurige periodes van droogte en de effecten van (zoet) watertekorten.

Beoordeling initiatief Op basis van de klimaatatlas gemeente Oude IJsselstreek is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. • Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat op de planlocatie geen sprake is van plasvorming. Op de omliggende agrarische percelen is sprake van plasvorming. Dit komt omdat de planlocatie hoger ligt ten opzichte van omliggend gebied. Er is geen sprake van nieuwbouw en de huidige bebouwing blijft bestaan. Door het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing ontstaat er meer ruimte voor water. Wateroverlast wordt daarbij tot een minimum beperkt (zie ook paragraaf 4.9).

20

•

•

•

Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie nu warm is ten opzichte van naastgelegen gronden. Na sloop van de bebouwing zal de temperatuur logischerwijs op een min of meer vergelijkbaar niveau komen te liggen. Het hier voorziene groen zal echter die hittestress enigszins tegengaan. Verder is hier geen sprake van een stedelijk-hitte-eiland-effect, zoals zich dat voordoet in de bebouwde kom. Op en in de directe omgeving van de planlocatie is geen sprake van oppervlaktewater dat door opwarming risico’s voor de volksgezondheid kan opleveren. Droogte Op de planlocatie is in een gemiddelde zomer sprake van lage grondwaterstanden die zich momenteel in de range tussen 1,2 en 1,8 m – mv bevinden en voor een groot deel ook op een diepte van 1,8 m – 2,5. In 2050 zal het grootste deel van het perceel in een gemiddelde zomer te maken hebben met een grondwaterstand van tussen de 1,8 m en 2,5 m - mv. De gronden zijn volgens de kaartbeelden nu aan te merken als niet droogtegevoelig en in 2050 aan te merken als beperkt droogtegevoelig. Door het voornemen om het hemelwater binnen de planlocatie te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater langer in het gebied zelf aanwezig. Op en direct rondom de planlocatie is geen sprake van droogvallende beken en waterpartijen.

De planlocatie ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er in geval van een overstroming de planlocatie niet wordt getroffen. Rivieren en dijken liggen op een dusdanige afstand zodat geen maatregelingen hoeven te worden getroffen.

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Ter voorkoming van wateroverlast, tegengaan van droogte en vermindering van hittestress kunnen specifieke maatregelen worden getroffen in de vorm van ophoging van een deel van het terrein en het realiseren van voldoende waterberging. Een andere maatregel tegen hittestress is het toevoegen van nieuw groen en met name hoog groen (bomen). Conclusie Het plan is in overeenstemming met Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 - 2026. 3.4.7 Welstand Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld. Beoordeling initiatief Op de planlocatie wordt alleen gesloopt en een vergunningsvrij bijgebouw opgericht dus een welstandtoets aan het welstandsbeleid is niet benodigd. Conclusie Een welstandtoets aan het welstandsbeleid is niet benodigd.

21

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Wettelijk kader In de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet bodem Omgevingswet wordt beschreven dat de algemene doelstelling van het bodembeleid is, het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door de maatregelen van het in onderlinge samenhang: • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen. • Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteit van de bodem. • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is de algemene doelstelling van het bodembeleid opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s.

In paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over: • Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie • Nazorg • Aanwijzing bodembeheergebieden • Indeling landbodem en bodemfunctieklassen Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl).

22

Tot het moment waarop de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5. Bodemkwaliteit van het Bkl zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de artikelen 22.29 lid 1 sub c en 22.30 uit het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek. Dit zijn de regels uit de bruidsschat. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden, of bij overschrijding, aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Toetsing In verband met de functieverandering naar de functie wonen is door Montferland Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde bodemonderzoeksrapport met nummer MM25183 d.d. 30-10-2025 (zie bijlage 3) kan het volgende worden opgemaakt: •

Tijdens de inspectieboringen en het overige veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden;

•

Op de locatie van de voormalige bovengrondse dieseltanks zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie die de klasse ‘Landbouw/natuur’ van de betreffende stof overschrijdt;

•

Het grondwater ter plaatse van de bovengrondse dieseltanks is niet verontreinigd.

•

De tevoren gestelde hypothese ‘De voormalige bovengrondse dieseltanks kunnen op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dienen te worden verworpen;

•

Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de grove als fijne fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen;

• •

De tevoren gestelde hypothese ‘De vml. druppelzone kan op basis van het vooronderzoek als verdacht op asbest worden beschouwd’ dient te worden verworpen; Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische procedure. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

Conclusie Ten aanzien van het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving moet een afweging plaatsvinden met betrekking tot eventueel op een locatie aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspect archeologie en cultuurhistorie. Wettelijk kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 23

De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 het beleidsdocument “Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek” vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening. De erfgoedverordening maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/of monumenten binnen de planlocatie. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen de planlocatie. Toetsing Uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) volgt dat de planlocatie ligt in een gebied met een lage archeologische verwachting. Hiervoor geldt geen verplichting tot onderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5049/documents/33425