Motivering Meesterijweg
Tekst van het document
4.10 Mobiliteit en parkeren Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Beoordeling initiatief Verkeer Door de komst van de nieuw te bouwen woningen zal het aantal vervoersbewegingen met lichte voertuigen toenemen. Per woning wordt uitgegaan van 8 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (bron: CROWpublicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering'. Gemiddeld komt dit neer op 22 x 8 (auto)verkeersbewegingen = 176 verkeersbewegingen van lichte voertuigen per etmaal. Ontsluiting van de planlocatie vindt plaats op de Meesterijweg. Recente tellingen laten een etmaalgemiddelde van 509 voertuigen zien. De Meesterijweg heeft voldoende capaciteit om deze relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Parkeren De CROW-stedelijkheidscategorie van Oude IJsselstreek is ‘weinig stedelijk’ (kernen Ulft, Gendringen, Terborg, Silvolde en Varsseveld) en ‘niet stedelijk’ voor de overige kernen in de gemeente. In nieuwe situaties worden parkeernormen gebruikt als uitgangspunt bij de raming van de parkeerbehoefte. De parkeernormen kennen een bandbreedte (een minimum- en een maximumnorm). Hierbij kan worden uitgegaan van het gemiddelde.
In haar principe-uitspraak van 9 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek aangegeven dat in totaal 38 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Het ontwerp van het plan is echter sindsdien enigszins gewijzigd, omdat destijds nog is uitgegaan van 5 woningen in het goedkope segment, 4 woningen in het middensegment en 10 woningen in het dure segment (dus in totaal 19 woningen). De invulling is inmiddels gewijzigd. Zie hiervoor het overzicht in onderstaande tabellen.
Figuur 17 tabel conform GVVP Oude IJsselstreek
49
Aantal parkeerplaatsen 14,7
Verkeersgeneratie per woning
Verkeersgeneratie totaal
7
Parkeernorm per woning 2,1
8,2
57,4
4
2,1
8,4
7,8
31,2
5
1,9
9,5
7,4
37
6
1,6
9,6
7,4
44,4
Type woning
Aantal
Vrijstaand (woning duur) Tweekapper (woning duur) Seniorenwoning (woning midden) Starterswoningen (woning goedkoop) Totaal
42,2
170
Naar boven afgerond zijn er dus 43 parkeerplaatsen benodigd in de beoogde situatie. Volgens het ontwerp worden er feitelijk 46 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt dus voorzien in voldoende parkeercapaciteit voor dit plan. Zie bijlage 1 voor een overzicht van de parkeerplaatsen. Concluderend Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.
4.11 Kabels en leidingen Planologisch relevante kabels en leidingen hebben een beschermingszone waarbinnen in beginsel geen graaf- en bouwwerkzaamheden mogen plaatsvinden. Beoordeling initiatief Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klicmelding krijgen initiatiefnemers alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen. Concluderend Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.
4.12 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of • waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.
50
In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. Beoordeling initiatief De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven opgenomen onder categorie J11 in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bij deze categorie is geen sprake van directe m.e.r.-plicht. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een m.e.r.beoordeling uitgevoerd. De aanmeldingsnotitie voor deze m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 9. Uit de m.e.r.-beoordeling komt naar voren dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten, zodat op basis hiervan geen sprake is van m.e.r.-plicht.
Verder is zoals blijkt uit paragraaf 4.3.1 geen passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig, zodat ook op basis hiervan geen sprake is van m.e.r.-plicht. Concluderend Uit de opgestelde aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen milieueffectrapportage nodig is voor de beoogde woningbouw. Ook is er geen passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig, zodat ook dit spoor niet leidt tot de verplichting om de milieueffectrapportage te doorlopen.
4.13 Gezondheid Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen. Beoordeling initiatief De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit het artikel 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. Er is in de directe omgeving geen sprake van zodanig voor de gezondheid nadelige emissies of omstandigheden, dat hierdoor vanuit het voorzorgsbeginsel of anderszins belemmeringen optreden voor de beoogde ontwikkeling.
51
De inrichting van het plangebied met groen en een openbaar parkje nabij de seniorenwoningen draagt daarnaast bij aan positieve gezondheid. Het zorgt voor verbinding met de buurt, veiligheid en sociale contacten. Hierbij wordt voldaan aan de 3-30-300 vuistregel. Deze regel is een handleiding dat helpt bij het creëren van groenere, gezondere en veerkrachtigere gemeenschappen. Door de regel na te leven bevordert het de leefomgeving van elke bewoner. Zo moet elke bewoner drie volgroeide bomen vanuit zijn huis zien, in een buurt wonen met 30% boomkroonbedekking en binnen 300 meter toegang hebben tot een groenvoorziening. De combinatie van de drie, zorgt voor kwalitatief hoogwaardige openbare groene ruimtes welke beschikbaar zijn voor iedereen. Groen in de buurt zorgt aantoonbaar voor een gevoel van welbevinden wat bijdraagt aan de gezondheid van bewoners. 3 In het plan worden een viertal nieuwe bomen aangeplant. Hierbij wordt aan de zuid- oost kant de bestaande bomenrij meegeteld. De vier nieuwe solitaire bomen mogen bestaan uit zomereik (Qeurcus robur), tamme kastanje (Castanea sativa) of zomerlinde (Tilia platyphyllos). Deze loofbomen zijn inheems en hebben veel waarde voor het bijdragen aan biodiversiteit. De zomerlinde en de tamme kastanje zijn rijke strooisel soorten die de kwaliteit van de bodem verbeterd. Tevens is de tamme kastanje ook een klimaat bestendige boom.
De zomereik is een karakteristieke boom in het Nederlandse landschap en heeft daarom ook veel dier- en insecten soorten die gespecialiseerd zijn op de Zomereik. 30 De nieuwe woningen gebouwd aan de rand van een bestaande houtsingel met overstaanders. In de buurt staan op verschillende plekken bomenrijen en struiken. Verder worden er op diverse plekken solitaire bomen gepland, dit draagt bij aan de 30% boomkroonbedekking. Dit biedt een aantal milieuvoordelen, zoals verkoeling in de zomer, verbeterde luchtkwaliteit, zowel welzijn als fysieke gezondheid bevordert en stimuleert sociale interactie. 300 Zoals hierboven beschreven is er een mooie houtsingel met overstaanders bestaande uit platanen aanwezig. Tevens loopt er door deze houtsingel een wandelpad. Binnen een straal van 300 meter is er een parkje aanwezig. Concluderend Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.
4.14 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid is in ontwikkeling en kan op termijn worden doorvertaald naar het omgevingsplan. Beoordeling initiatief De woningen zullen worden gebouwd met duurzame bouwmaterialen. De woningen zullen aardgasvrij worden uitgevoerd. Daarbij is sprake van toepassing van zonnepanelen om grotendeels te voorzien in de 52
eigen energiebehoefte. In het kader van een veilige energietransitie wordt VNOG graag betrokken bij dit soort initiatieven. Wanneer de bouwplannen voor de woningbouwontwikkeling verder uitgewerkt zijn, dan wordt er contact gezocht met de VNOG. Verder wordt klimaatadaptief gebouwd, waarbij voldoende bergingscapaciteit wordt gerealiseerd voor afvloeiend hemelwater. Concluderend Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.
53
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen Het omgevingsplan is opgezet volgens een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), namelijk TAM-IMRO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wro tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: motivering, regels, verbeelding, waarbij de planregels en de verbeelding juridisch bindend zijn. De motivering heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, met daarnaast de interpretatie en toepassing van het omgevingsplan. De bijlagen bij de motivering en regels maken onlosmakelijk onderdeel uit van het omgevingsplan. De verbeelding bestaat uit een digitale kaart waarop functies en aanduidingen voor locaties zijn weergegeven. De regels bestaan uit de volgende onderdelen: • Hoofdstuk 1: inleidende regels, met de begrippen en wijze van meten en rekenen. • Hoofdstuk 2: specifieke regels over functies. De functies zijn op alfabetische volgorde opgenomen. De regels bevatten een omschrijving van de functie en regels voor het bouwen, gebruik en waar nodig over milieu.
• Hoofdstuk 3: algemene regels over functies. Dit zijn de regels die gelden voor alle functies, bijvoorbeeld algemene gebruiksregels, maar ook de aanvraagvereisten voor vergunningen. • Hoofdstuk 4: regels ter bescherming van waarden en objecten: hierin worden de aanwezige waarden beschermd, zoals in dit geval de archeologische waarden. • Hoofdstuk 5: overgangsrecht.
5.2 Toedelen van functies aan locaties Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de in dit omgevingsplan opgenomen functies. Bedrijf – nutsvoorziening (artikel 4) De bestaande trafo heeft de functie bedrijf – nutsvoorziening gekregen Groen (artikel 5) De functie ‘Groen’ is overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege als basisfunctie voor de omliggende openbare gronden buiten de woon- en verkeersbestemming. Binnen de bestemming ‘groen’ zijn gebouwen in beginsel niet toegestaan. Wel bestaat er de mogelijkheid om binnen deze bestemming onder voorwaarden bouwwerken, geen gebouw zijnde, te realiseren. Tuin (artikel 6) Ook de functie ‘Tuin’ is overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege als basisfunctie voor de omliggende gronden buiten de woon- en verkeersbestemming. Binnen de bestemming ‘tuin’ zijn gebouwen, met uitzondering van erkers, in beginsel niet toegestaan. Wel bestaat er de mogelijkheid om binnen deze bestemming onder voorwaarden bouwwerken, geen gebouw zijnde, te realiseren. Verkeer en verblijfsgebied (artikel 7)
54
Alle wegen en verblijfsgebieden hebben de functie 'Verkeer en verblijfsgebied' gekregen. Binnen deze functie zijn de gronden onder te gebruiken voor voorzieningen ten behoeve van verkeer, vervoer en verblijf. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn zeer beperkt. Wonen (artikel 8) De nieuwe woningen hebben de functie 'Wonen' gekregen. Voor de bebouwingsmogelijkheden wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Binnen de functie ‘Wonen’ is door middel van aanduidingen onderscheid gemaakt in het type woning. Het hoofdgebouw van de woning mag uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gerealiseerd worden. De toegestane goot- en bouwhoogten van de woningen zijn op de verbeelding weergegeven. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen zijn regels opgenomen over de ligging ten opzichte van de voorgevellijn, met maximum oppervlak en de goot- en bouwhoogte. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, is een maximale maatvoering opgenomen. Hierbij is bepaald dat erfafscheidingen in het achtererfgebied tot een hoogte van 2 meter mogen worden opgericht. Voor de voorgevel mogen erfafscheidingen tot maximaal 1 meter hoogte worden opgericht.
Ook is in het kader van de beeldkwaliteit voorgeschreven dat op bepaalde delen van de erfgrens alleen hagen zijn toegestaan. Op die plekken mag geen sprake zijn van gebouwde erf- en terreinafscheidingen.
5.3 Algemene regels In artikel 9 is het toepassingsbereik aangegeven. In artikel 10 zijn de aanvraagvereisten opgenomen, die van toepassing zijn op een aanvraag om omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan. Als toelichting daarop nog het volgende: • Voor een bouwactiviteit op grond van dit TAM-omgevingsplan moet het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [Bouwactiviteit (omgevingsplan)] worden gebruikt. • Voor een andere vergunningplicht in dit TAM-omgevingsplan moet het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [afwijken van regels in het omgevingsplan] worden gebruikt. De aanvraagformulieren zijn te vinden op de website omgevingswet.overheid.nl (door daar te kiezen voor het tabblad [Aanvragen]). Anti-dubbeltelregel(artikel 11) Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Bestaande maatvoering (artikel 12) Deze bepaling bevat een algemene regel omtrent de bestaande situatie. Algemene gebruiksregels (artikel 13) In dit artikel is een regeling voor parkeren opgenomen, conform de standaard van de gemeente Oude IJsselstreek.
Tevens is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschappelijke inpassing van het plan. 55
5.4 Regels ter bescherming van waarden en objecten In artikel 14 en 15 zijn regels opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden in de bodem.
5.5 Overgangsregels Overgangsrecht (artikel 16) Het gebruik van de grond, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag worden voortgezet.
56
6. UITVOERBAARHEID VAN HET PLAN 6.1. Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van de wijziging van een omgevingsplan dient onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat hierbij om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Voor de door de gemeente Oude IJsselstreek gemaakte plankosten vindt kostenverhaal plaats richting de initiatiefnemer. Hiervoor is een plankostenscan gedaan, waarover gemeente en initiatiefnemer overeenstemming hebben bereikt. De initiatiefnemer heeft zich hierbij vergewist van de economische uitvoerbaarheid. Het voorliggende omgevingsplan heeft voor de gemeente Oude IJsselstreek geen financiële consequenties. De plannen komen volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Tevens wordt er met de initiatiefnemer een nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Over voorliggend plan heeft vooroverleg plaatsgevonden met het Waterschap Rijn en IJssel. De resultaten daarvan zijn verwerkt in paragraaf 4.8 van deze motivering. Vooroverleg met de provincie Gelderland is niet noodzakelijk geacht, nu er geen sprake is van directe provinciale belangen bij dit plan. Het ontwerpomgevingsplan wordt toegezonden aan zowel het waterschap als aan de provincie. Er is contact geweest met de direct omwonenden inzake de beoogde ontwikkeling. Meer informatie over het onderdeel participatie is te vinden in paragraaf 1.4. Het ontwerp-omgevingsplan wordt conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Hierbij heeft eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op het ontwerpplan. Eventuele zienswijzen zullen worden voorzien van een reactie en bij de (al dan niet gewijzigde) vaststelling van het omgevingsplan worden betrokken. Het ontwerp-omgevingsplan heeft van 9 oktober 2025 tot en met 19 november 2025 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Uiteindelijk is het aan de gemeenteraad om het omgevingsplan vast te stellen. Na vaststelling wordt het raadsbesluit bekend gemaakt en ligt het omgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage.
Gedurende deze termijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een omgevingsplan treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald (Afdeling 16.7. van de Omgevingswet).
57