Motivering
Tekst van het document
De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst 23 verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving. Beoordeling initiatief Voorliggend plan sluit aan de op de uitgangspunten uit de ‘Visie op landschap, natuur en groene kernen’. Uitgangspunt is dat het groene karakter behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Met voorliggend plan, waar het groene karakter van ’t Isselt in bestemmingen en bijbehorende regels is geborgd door een beeldkwaliteitplan als voorwaardelijke verplichting te koppelen aan de regels , wordt bijgedragen aan het behoud en de versterking van de groene kwaliteiten van de gemeente. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Visie op landschap, natuur en groene kernen. 3.4.6 Klimaatagenda De gemeente Oude Ijsselstreek heeft in december 2021 de Klimaatagenda 2022 – 2026 vastgesteld. Doel van deze klimaatagenda is dat de gemeente en haar inwoners zijn voorbereid op de effecten van de veranderingen van het klimaat.
Omdat het plan niet voorziet in grootschalige ruimtelijke ingrepen zijn de fysieke maatregelen die genomen worden binnen de planlocatie vooralsnog beperkt. In de Klimaatagenda is echter opgenomen dat wordt onderzocht op welke wijze in bestaande woonwijken maatregelen genomen kunnen worden om wateroverlast, hittestress en droogte te voorkomen. Beoordeling initiatief Door de manier van bestemmen wordt met voorliggend plan al ingespeeld op de veranderingen van het klimaat door de functie ‘groen’ een prominente plek te geven in de wijk. Een belangrijk deel van de planlocatie heeft een groene bestemming of een tuinbestemming waar bebouwing niet mogelijk is. Dit draagt bij aan het tegengaan van hittestress, vergroot de mogelijkheid om water binnen de planlocatie te infiltreren en het groen draagt ook bij aan de biodiversiteit. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Klimaatagenda. 3.4.7 Welstand Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld.
Beoordeling initiatief Voorliggend plan voorziet in het wijzigen van de recreatieve functie van 67 recreatiewoningen naar 67 reguliere woningen. Met dit plan worden geen grootschalige ruimtelijke ingrepen voorzien die invloed hebben op de verschijningsvorm van de bestaande bebou wing. Uitgangspunt in het plan is dat de bestaande bouwmassa en verschijningsvorm van de (recreatie)woningen behouden blijven. Dat gebeurt door het bouwvlak niet te vergroten en de bestaande goot - en nokhoogten te respecteren. Wel is een nieuwe bijgebouwen regeling van toepassing, in aansluiting bij de nieuwe functie. 24 Uitgangspunt daarbij is dat de uitstraling van het hoofdgebouw gerespecteerd blijft. Daarom is een voorgevelrooilijn opgenomen waar niet voor mag worden gebouwd en zijn (nieuwe) bijgebouwen pas op een meter achter de voorgevelrooilijn toegestaan. Hiermee is, in combinatie met het behoud van de groenstructuur en de groene erfafscheidingen binnen de planlocatie, sprake van behoud van het bestaande karakter van ’t Isselt en van een goede ruimtelijke ordening. Voorgaande is vastgelegd in een beeldkwaliteitplan (zie bijlage 1) die als voorwaardelijke verplichting is gekoppeld aan de regels van dit omgevingsplan. Bij het opstellen van dit beeldkwaliteitplan is welstand betrokken. Conclusie Het plan is in overeenstemming met welstand. 25 4.
Omgevingsaspecten 4.1 Bodemkwaliteit Wettelijk kader In de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet bodem Omgevingswet wordt beschreven dat de algemene doelstelling van het bodembeleid is, het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigens chappen van de bodem, door de maatregelen van het in onderlinge samenhang: - Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen. - Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteit van de bodem. - Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en - aantastingen. Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is de algemene doelstelling van het bodembeleid opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s. In paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over: - Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie - Nazorg - Aanwijzing bodembeheergebieden - Indeling landbodem en bodemfunctieklassen Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl). Tot het moment waarop de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5.
Bodemkwaliteit van het Bkl zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de artikelen 22.29 lid 1 sub c en 22.30 uit het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek. Dit zijn de regels 26 uit de bruidsschat. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden, of bij overschrijding, aannemelijk is dat sanerende of a ndere beschermende maatregelen worden getroffen. Toetsing In het kader van voorliggend plan is advies ingewonnen bij de Omgevingsdienst. De Omgevingsdienst heeft een analyse uitgevoerd ten aanzien van de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied. deze analyse is als volgt. In een ver verleden lijkt het terrein in gebruik geweest te zijn als terrein behorende bij een ijzergieterij en als schietterrein. De locatie is vanaf circa de jaren ’50 tot circa 1994 in gebruik geweest als zwembad met buitenruimte en als sportterrein. In de periode na 1996 is het terrein in gebruik genomen voor recreatiedoeleinden waarbij het terrein bebouwd is met 67 recreatiewoningen. Voor zover bekend hebben in het verleden geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden, met uitzondering van het gebruik als ijzergieterij en schietterrein (de exacte locatie is niet geheel duidelijk).
Op de locatie is, voor zover ons bekend, geen ondergrondse tank aanwezig geweest. Op de locatie is in het kader van de ontwikkelingen in 1996 bodemonderzoek verricht (Witteveen + Bos d.d. 30 januari 1996). Het onderzoeksgebied heeft betrekking op het gehele gebied dat nu ook in beschouwing is genomen. De onderzoeksresultaten wijzen op een niet tot licht verontreinigde locatie waarbij de aangetroffen gehalten niet belemmerend zijn voor het voorgenomen gebruik. Hoewel dat niet met documenten kan worden onderbouwd zijn (op basis van de samenvatting uit het BIS) waarschijnlijk de aangetroff en verontreinigingen (gerelateerd aan puinverharding) verwijderd bij de herinrichting van het terrein in 1996. Voor deze locatie is geen melding voor het toepassen of opslaan van grond bekend. Uit de beschikbare luchtfoto’s en de asbestdakenkaart blijkt dat er geen indicatie is voor de aanwezigheid van asbesthoudende dakbedekking. Ter plaatse van de locatie is in 1996 verricht. Het onderzoek is wel gedateerd, maar gezien het gebruik sinds die tijd (recreatiewoningen) kan worden aangenomen dat er geen bodembedreigende activiteiten hebben plaats gevonden en dat ondanks de ouderdom van het onderzoeksrapport dit alsnog voldoende actualiteitswaarde heeft.
Met het onderzoek zijn alle verdenkingen onderzocht en zijn in de bodem zijn geen afwijkende waarden gemeten die een belemmering kunnen zijn voor de gewenst ontwikkeling. Het uitvoeren v an aanvullend bodemonderzoek is niet nodig. D e bodemkwaliteit wordt geschikt geacht voor de toekomstige functie als wonen en vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Daarnaast is het goed te melden dat de uitvoerende firma BAM voor de aanleg van glasvezel op ‘t Isselt in 2020 eveneens over een schone grondverklaring beschikte omdat deze zonder haar werkzaamheden niet zou hebben mogen uitvoeren. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 27 4.2 Archeologie en cultuurhistorie Wettelijk kader Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving moet een afweging plaatsvinden met betrekking tot eventueel op een locatie aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de a ctiviteit rekening wordt gehouden met de aspect archeologie en cultuurhistorie. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl).
Deze gaan over: - Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; - Verplaatsing van beschermde monumenten; - Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; - Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; - Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 het beleidsdocument “Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek” vastgesteld, alsmede d e erfgoedverordening. De erfgoedverordening maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Toetsing Archeologie De gemeente Oude-IJsselstreek heeft beleid omtrent archeologie vastgelegd in het beleidsdocument ‘Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude Ijsselstreek’. Dit beleidsdocument is vastgesteld op 5 maart 2015. Op de waardenkaart worden verschillende archeologische verwachtingen onderscheiden.
Op het volgende kaartbeeld is het plangebied weergegeven binnen het rode kader. Hieruit blijkt dat een deel van het plangebied een ‘Hoge archeologische verwachting’ (categorie 4) heeft en deels in het gebied 'Specifieke archeologische waarde - geulenstelsel dal Oude IJssel' (categorie 6) ligt. 28 Afbeelding 5. Uitsnede archeologische verwachtingenkaart. Een archeologisch onderzoek in gebieden die zijn aangeduid met 'Specifieke archeologische waarde - geulenstelsel dal Oude IJssel' (categorie 6) is nodig op het moment dat de bodemingrepen groter zijn dan 5.000 m 2. Voor een ‘Hoge archeologische verwachting’ (categorie 4) geldt dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 250 m2 en de grondbewerking dieper is dan 30 cm vanaf het maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld. Voorliggend plan is overwegend conserverend van aard. Per kavel kan het oppervlak aan bijgebouwen wel toenemen, maar niet over een oppervlakte van 250 m 2 of meer. In dit omgevingsplan wordt dit niet toegestaan. Hierdoor is het plan op basis van het aspect ‘archeologie’ uitvoerbaar.
Cultuurhistorie De gemeente Oude -IJsselstreek heeft beleid omtrent cultuurhistorie vastgelegd in het beleidsdocument ‘Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Oude Ijsselstreek ’, vastgesteld op 5 maart 2015. Voorliggend plan voorziet niet in ruimtelijke ingrepen die eventueel aanwezige waardevolle cultuurhistorische elementen negatief beïnvloeden. Van cultuurhistorisch waardevolle elementen is op basis van onderstaande cultuurhistorische waardenkaart geen sprake.
29 Afbeelding 6. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart. Binnen het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van monumenten of van karakteristieke gebouwen die bijzondere bescherming behoeven. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van gebieden die zijn aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Evenmin wordt afbreuk gedaan aan de landschappelijke waarden in het binnen het plangebied gelegen cultuurlandschap. Wel wordt met voorliggend plan het groene karakter van het gebied geborgd. dat wordt gedaan door delen van het plangebied te bestemmen met d e bestemming ‘Groen – landschappelijke waarden’, door in de regels op te nemen dat erfafscheidingen in de vorm van groene beplanting moeten worden uitgevoerd en door niet voor de voorgevelrooilijn van de bestaande (recreatie)woningen te bouwen. Conclusie Het plan is op basis van de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ uitvoerbaar. 4.3 Natuur Wettelijk kader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
30 Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000 -gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en ha bitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: - Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; - Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en - De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000 - activiteiten. Stikstof Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier - en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel - en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland.
Dit vorm krijgen in wet - en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: - er soorten aanwezig zijn; en - welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 31 Toetsing Soortenbescherming Voorliggend plan is overwegend conserverend van aard. Het plan voorziet in de wijziging van het gebruik van bestaande gebouwen en in een verruiming van de bebouwingsmogelijkheden voor bijgebouwen, niet in (grootschalige) ruimtelijke ingrepen. De wijziging van de gebruiksfunctie en de extra bebouwingsmogelijkheden zijn dusdanig beperkt, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat dit niet leidt tot een aantasting of verstoring van het leefgebied van beschermde soorten. Onderzoek is daarom niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht ten aanzien van beschermde soorten.
Gebiedsbescherming Natura2000 Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000- gebieden beschermd. Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrari sch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies hebben hier soms een andere benaming voor. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het Natuurnetwerk denkbaar zijn, is het noodzakelijk een Natuurnetwerk-toetsing uit te voeren. Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland of in Natura2000 -gebied. Door de tussenliggende afstand, aard en schaal van het plan ten opzichte van dergelijke gebieden kunnen negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk en Natura2000- gebieden worden uitgesloten.
Voorliggend plan is vrij conserverend van aard. In de bestaande situatie is planologische gezien sprake van een recreatiepark. Deze functie wordt gewijzigd in een woonbestemming. Het voorziene gebruik leidt niet tot significant extra belasting op de omgeving waar het gaat om licht, geluid of verkeersbewegingen. Stikstof Om uit te sluiten of het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op natuurgebieden, heeft een stikstofonderzoek plaatsgevonden. Daarbij is alleen gekeken naar de gebruiksfase, omdat v an aan bouwfase vanwege het conserverende karakter geen sprake is. De resultaten van dit onderzoek zijn als bijlage 2 en 2a van deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat ten gevolge van voorliggend plan geen toename van stikstofdepositie op natuurgebieden plaatsvindt. Conclusie Vanuit het aspect ‘ecologie’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. 32 4.4 Geluid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten ( zoals wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.). Wettelijk kader Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen.
Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardba re geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Oude IJsselstreek een permanen t omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Oude IJsselstreek de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: - woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; - onderwijsfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan; - gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of - bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl).
In het omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek zijn nog geen geluidaandachtsgebieden opgenomen waardoor het overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen van toepassing is (artikel 17.5 Omgevingsregeling), met bijbehorende afstanden: - voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; - voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en - voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl. 33 Toetsing Voorliggend plan voorziet in het herbestemmen van recreatiewoningen naar reguliere woningen. Woningen zijn geluidgevoelige objecten. Daarom is onderzocht of de woningen binnen de invloedssfeer van omgevingsgeluid liggen. Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van industrielawaai, railverkeerslawaai, en luchtverkeerslawaai. Ten aanzien van wegverkeerslawaai geldt het volgende.
Een overschrijding van de voorkeurswaarden voor geluid is niet te verwachten. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Ulft waar een 30-km regime geldt. Gezien het karakter van de Voorstsestraat (met name bedoeld voor bestemmingsverkeer en uitgevoerd in asfalt) is een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde niet te verwachten. Het aa ntal verkeersbewegingen is beperkt en asfalt zorgt niet voor extra lawaai. Onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Omdat voorliggend plan een bestaand gebruik dat al sinds 1996 aanwezig is planologisch mogelijk maakt, is er feitelijk geen sprake van een nieuwe situatie. In deze periode heeft het feitelijke gebruik niet geleid tot negatieve impact van geluidsaspecten op het woon- en leefklimaat van bewoners. Conclusie Vanuit het aspect ‘Akoestiek’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. 4.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens dez e regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 34 2.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3% -grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtveron treiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, worden volgens artikel 5.54 Bkl de volgende activiteiten bedoeld: - Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruik functies: ten hoogste 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of ten hoogste 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. - Gebouwen met een kantoorfunctie: ten hoogste 100.000 m 2 bruto-vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg, ten hoogste 200.000 m2 bruto-vloeroppervlak bij twee ontsluitingswegen. - Zowel gebouwen voor een kantoorfunctie als een woonfunctie: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 die samen opgeteld kleiner of gelijk zijn aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en evenredig grote bruto - vloeroppervlakte van kantoorfuncties; - Het telen van gewassen in open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt.
- Het telen van gewassen in niet-verwarmde kassen of verwarmde kassen niet groter dan 2ha. - Het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, voor zover het gaat om witlofrek of teelt van eetbare paddenstoelen. Toetsing De gemeente Oude IJsselstreek ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit in beginsel slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. D at betekent dat alleen een afweging moet plaatsvinden of ter plaatse van de locatie sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit. In dit geval is dat zo, omdat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van rijksomgevingswaarden. Dit bl ijkt uit de beschikbare informatie op het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. Op toetspunten langs wegen wordt ruimschoots voldaan aan de rijksomgevingswaarden en in de directe omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig met een PM10 -emissie van 8 00 kg per jaar of meer. Verder draagt de ontwikkeling niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het plan, dat conserverend van aard is, valt niet binnen de getalsmatige grenzen van de standaardgevallen (1.500 woningen) Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.6 Geur Wettelijk kader In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen (paragraaf 5.1.4.6 Bkl), op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plang ebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor 35 waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn. Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, welke gelden voor de volgende activiteiten: - geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf; - geur door het houden van fokteven van nertsen; - geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; - geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken.
Toetsing Voorliggend plan voorziet in de transformatie van recreatiewoningen naar reguliere woningen. Beide zijn milieugevoelige functies. Omdat de recreatieve functie reeds was toegestaan en hier een andere milieugevoelige functie voor terug komt, is er geen sprake van een nieuwe situatie. Feitelijk ook niet, omdat er al tientallen jaren gewoond wordt. De wijziging van het omgevingsplan heeft daarom geen negatief effect op de omgeving. Andersom ervaren de bewoners geen effecten uit de omgeving. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich wel een veehouderij. In de volgende paragraaf is het effect van dit bedrijf vanuit het aspect ‘geur’ beschouwd. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van hinder. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.7 Milieubelastende activiteiten Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”.
Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet -plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl -regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld. 36 Toetsing In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich aan de noord -, west - en oostzijde voornamelijk woningen. Omliggende woningen hebben geen milieukundige impact op het plan. Andersom geldt dat de voorziene woningen ook geen milieukundige impact op omliggende woningen hebben. Aan de oostzijde van het plangebied ligt op ruim 100 meter een perceel met een maatschappelijke bestemming.
Binnen deze bestemming zijn geen activiteiten mogelijk die vanuit milieukundig oogpunt effect hebben op de woningen binnen het plangebied of anderso m. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich aan de Voorstsestraat 52 een agrarisch rundveebedrijf . In artikel 5.92 Bkl is opgenomen dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.97 van het Bkl is opgenomen dat een omgevingsplan dat regels bevat op grond van subparagraaf 5.1.4.6.2 (zuiveringstechnische werken), 5.1.4.6.3 (houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf) of 5.1.4.6.4 (geur door agrarische activiteiten), één of meer ‘bebouwingscontouren geur’ aanwijst. De aan te houden afstand van 100 meter wordt op grond van artikel 5. 112 Bkl (afstand bij het houden van landbouwhuisdieren) en van artikel 5. 120 Bkl en artikel 5. 123 Bkl (afstand bij o. a. het opslaan van vaste mest en drijfmest) bepaald , mede aan de hand van de ligging van het geurgevoelig gebouw binnen of buiten de hiervoor genoemde 'bebouwingscontour geur'. In voorliggend plan is sprake van een woonfunctie binnen 100 meter van het agrarisch bouwvlak ten zuiden van het plangebied. Op de volgende afbeelding is aangegeven dat de aanwezige woningen buiten de contour van 100 meter van het bouwvlak liggen, maar dat zich binnen het bouwvlak wel gebouwen kunnen bevinden. Afbeelding 7.
Afstand tussen woning en agrarisch bouwvlak.
37 Om te voorkomen dat de agrariër wordt belemmerd in de bedrijfsactiviteiten is op de verbeelding van het omgevingsplan een contour opgenomen. Binnen de begrenzing van de contour zijn geen geurgevoelige functies toegestaan. Dit is in de regels van het omgevingsplan geborgd. Conclusie Vanuit het aspect ‘milieubelastende activiteiten’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. 4.8 Omgevingsveiligheid Wettelijk kader De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten: - Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; - Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); - Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; - Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zee r kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bo uwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: - Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); - Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); - Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); - Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Toetsing In het kader van het initiatief is de risicokaart geraadpleegd. Op de volgende afbeelding is die weergegeven. Hieruit blijkt dat zich in de buurt van het plangebied geen risicobronnen bevinden. 38 Afbeelding 8. Plangebied t.o.v. risicobronnen in de omgeving. Conclusie Vanuit het aspect ‘Omgevingsveiligheid’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
4.9 Water Wettelijk kader Waterschap Rijn en IJssel: Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022 -2027 zijn de doelen van het Waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: - Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar z ijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. - Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op
39 ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. - Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. - Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voo r de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Waterschap Rijn en IJssel: Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen. Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond er langs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening.
Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen. Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een waterschap. Waterschap Rijn en IJssel: weging waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bi j het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onders cheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap.
De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 40 3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding Gemeente: Water- en Rioleringsprogramma 2024-2028 In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gemeenten verplicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 1 januari 2024, vervalt de verplichting voor het opstellen van een GRP. Wel blijven gemeenten verplicht invulling te geven aan hun gemeentelijke watertaken en het onderbouwen van de benodigde rioolheffing. Om aan deze verplichting te voldoen, heeft de gemeente Oude IJsselstreek ervoor gekozen om een Water - en Rioleringsprogramma (WRP) op te stellen. Dit programma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast bevat dit programma: 1.
een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn; 2. een overzicht van de aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder 1; 3. een overzicht van de financiële gevolgen van het programma; 4. een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen worden of zullen worden beheerd; de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan aangekondigde activiteiten. Toetsing Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de loca tie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. In het kader van voorliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Uit deze watertoets, die als bijlage 3 is opgenomen, blijkt dat het plan waterschapsbelangen raakt maar dat de korte procedure doorlopen moet worden. Uitgangspunten voor het plan Watersysteem Het plan voorziet in het herbestemmen van bestaande bebouwing van een recreatiewoning naar een reguliere woning. Dit heeft geen impact op de afvoer vuil water.
Vuil water wordt, net zoals dat in de bestaande situatie het geval is, via de bestaande riolering afgevoerd. In het kader van voorliggend plan is onderzocht of de riolering kwalitatief nog functioneert. Hieruit is gebleken dat dit het geval is. Het omzetten van recreatief gebruik naar woongebruik is derhalve zonder aanpassingen aan het bestaande riool mogelijk. Het riool wordt overgedragen aan de gemeente. Ten gevolge van voorliggend plan neemt de mogelijkheid tot het bouwen van bijgebouwen en vergunningsvrije bouwwerken toe. Dat kan leiden tot extra verhard oppervlakte. De kavels waarop de bebouwing staat zijn ruim opgezet en voorzien van tuinen. Uitgangspu nt van dit plan is dan ook dat hemelwater op eigen terrein wordt geïnfiltreerd in de bodem. 41 Waterkwaliteit Het plan is grotendeels conserverend van aard. Het gebruik van bestaande recreatiewoningen verandert en de mogelijkheid ontstaat om meer bijgebouwen te realiseren. Er worden bij de uitvoering van het plan geen uitloogbare materialen gebruikt die tot een ve rontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘water’ uitvoerbaar. 4.10 Mobiliteit en parkeren Wettelijk kader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plangebied goed bereikbaar is en dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren.
Om de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte te bepalen wordt door de gemeente gebruik gemaakt van de het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (GVVP) 2012-2020’ van de gemeente Oude Ijsselstreek die is gebaseerd op kengetallen van het CROW. Het CROW hanteert op basis van functie en ligging de te verwachten verkeersgeneratie en parkeerbehoefte waar een initiatief aan dient te voldoen. Toetsing In het kader van voorliggend plan is beoordeeld of het wijzigen van het omgevingsplan van een recreatieve functie naar een woonfunctie leidt tot verkeerskundige problemen of parkeerproblemen. Verkeer In de bestaande situatie is sprake van een recreatiepark met 67 recreatiewoningen. Het park kan worden gezien als een bungalowpark met huisjes. Om te bepalen welke verkeersgeneratie het huidige plan heeft, wordt aangesloten bij de systematiek van de CROW. Op basis van de CROW -normering geldt voor een bungalowpark (huisjescomplex) een verkeersgeneratie van 2,2 per bungalow per dag. Op basis van 67 recreatiewoningen is dat afgerond 148 verkeersbewegingen. In de nieuwe situatie is sprake van 67 vrijstaande woningen. De verkeersgeneratie van vrijstaande woningen in de rest van de bebouwde kom bedraagt 8,2 per woning per etmaal. Dat komt neer op een totaal van (afgerond) 550 verkeersbewegingen. Per saldo is er sprake van een toename van 402 verkeersbewegingen.
De bestaande ontsluiting van het plangebied aan de Voorstsestraat kan deze extra verkeerbewegingen eenvoudig verwerken. Daarbij wordt opgemerkt dat deze toename feitelijk een theoretische toename is. in de praktijk wordt er al jarenlang gewoond op ’t Isselt en heeft dat nog nooit tot problemen ten aanzien van de verkeersgeneratie geleid. Parkeren Bij het wijzigingen van het omgevingsplan wijzigt formeel de functie van de gebouwen op het terrein van recreatie naar woningen. Om die reden moet het plan getoetst worden aan de parkeernormennota. In het kader van de parkeeropgave is een parkeeradvies uitgebracht. Zie bijlage 4. Het advies en de hieruit opgevolgde maatregelen zijn hierna weergegeven. In de bestaande situatie is sprake van een recreatiepark met 67 vakantiehuisjes. Parkeren wordt op eigen terrein en in de openbare ruimte opgelost. De praktijk is dat er niet wordt gerecreëerd maar al tientallen jaren wordt gewoond. Met dit plan wordt het feitelijke wonen planologisch mogelijk gemaakt. Daarom i s gekeken naar de wijze waarop de parkeeropgave van de ‘nieuwe’ woonfunctie opgelost kan worden. 42 Voor het park geldt dat er enkel vrijstaande koopwoningen aanwezig zijn, hiervoor geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplek per woning (2 voor gebruikers/bewoners, 0,3 voor bezoekers). Zie onderstaande uitsnede uit de Nota Parkeernormen. Het park bevat in totaal 67 woningen.
Dit houdt in dat er op basis van de parkeernormen nota 154 (67 * 2,3) parkeerplekken aanwezig moeten zijn. Voor het berekenen van het aantal parkeerplekken in de bestaande situatie, wordt onderstaande tabel (tabel 1, uit de parkeernormennota) gehanteerd t.a.v. aanwezige parkeerplekken op eigen terrein. Parkeerplekken in de openbare ruimte worden pe r stuk meegerekend.
43 Uit de telling blijkt dat er in de bestaande situatie 132 parkeerplekken aanwezig zijn. Zie voorgaande kaart. Er moeten 154 plekken aanwezig zijn, wat maakt dat er een theoretisch tekort is van 22 plekken. Kijkend naar het toetsingskader uit de Nota Parkeernormen, komen we in het stappenplan terecht op de trede ‘Kan aan de parkeereis voldaan worden door het aanleggen van openbare parkeerplaatsen’. Deze vraag zal met ’Ja’ moeten worden beantwoord om een positief advies vanuit verkeer te kunnen geven. Zo niet, resteert de mogelijkheid om een integrale afweging te maken en op basis daarvan de omgevingsvergunning wel of niet te verlenen. In het kader van voorliggend plan is gekeken of het mogelijk en noodzakelijk is om de 22 plekken die theoretisch teko rt komen te realiseren. Hieruit blijkt dat het realiseren van de plekken niet noodzakelijk en niet wenselijk is. In de eerste plaats is er sprake van een planologische wijziging van de bestemming. Het feitelijk gebruik van het plangebied verandert niet. Om dat in de bestaande situatie geen sprake is van parkeeroverlast ten gevolge van te weinig parkeerplaatsen, is er geen behoefte aan extra parkeerplaatsen. Een parkeerdrukmeting heeft dit ook aangetoond. Uit de meting blijkt dat er voldoende overschot in openbaar gebied is om de parkeervraag op te vangen.
Er is op verschillende maatgevende momenten een hele lage bezettingsgraad van de parkeerplaatsen. De parkeerdrukmeting is als bijlage 5 van deze motivering opgenomen. Verder is het uitgangspunt van het plan dat er sprake is van een groen karakter. Het (onnodig) realiseren van extra parkeerplaatsen gaat ten koste van het groene karakter van ’t Isselt. Dat is niet wenselijk. Als laatste is het onnodig realiseren van extra parkeerplaatsen kostbaar en is er sprake van kapitaalvernietiging als er parkeerplaatsen worden gerealiseerd die niet nodig zijn. Om voorgaande redenen wordt met dit plan op basis van voldoende valide argumenten afgeweken van het parkeerbeleid dat alle parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Conclusie Vanuit het aspect ‘verkeer en parkeren’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. 4.11 Kabels en leidingen In het kader van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante kabels en leidingen (bijv. hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Omdat sprake is van een conserverende situatie en ten behoeve van het plan geen bodemkundige ingrepen gedaan hoeve te worden, spelen kabels en leidingen geen rol. 4.12 Milieueffectrapportage Wettelijk kader De m.e.r.
beoordeling gebeurt op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit (Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: 44 - dat een kader vormt voor een te nemen project -m.e.r.-plichtig of project -m.e.r.- beoordelingsplichtig besluit of - waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daar naast is er de figuur van de plan -m.e.r- beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r. -(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. Toetsing De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven onder categorie J11 in bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
Verder is zoals blijkt uit paragraaf 4.3 geen passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig, zodat ook op basis hiervan geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten en er is geen passende beoordeling nodig, zodat geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht. 4.13 Gezondheid Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. door vertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. De ze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen. Toetsing De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidssc hade optreden.
Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te v rezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Er spelen in deze omgeving daarnaast geen specifieke gezondheidsrisico’s ten aanzien van elektromagnetische straling, laagfreque nt geluid of blootstelling aan toxische stoffen. Door voorliggend initiatief worden tevens geen significante gezondheidseffecten veroorzaakt. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 45 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.14 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk bele id op dit thema.
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid is nog in ontwikkeling, zodat is getoetst aan algemene uitgangspunten. Toetsing Voorliggend plan voorziet in het gebruik van oorspronkelijke recreatiewoningen ten behoeve van regulier wonen. Bestaande bebouwing wordt duurzaam gebruikt. Omdat sprake is van een overwegend conserverend karakter (omdat het gebruik zich al jaren voordoet) kent het plan geen grootschalige duurzaamheidsmaatregelen. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan 4.15 Spuitzonering Er geldt geen wettelijke verplichting om afstand te houden tussen milieugevoelige functies (zoals wonen) en agrarische gronden waar gebruik kan worden gemaakt van gewasbescherming. Op basis van jurisprudentie van de Raad van State wordt bij het realiseren van nieuwe milieugevoelige functies een richtlijn van 50 meter aangehouden tussen agrarische percelen en de nieuwe milieu gevoelige objecten vanwege mogelijke gevolgen voor de gezondheid door het gebruik van bestrijdings - en/of gewasbeschermingsmiddelen. Bij een bestaande situatie geldt deze richtafstand niet. In het kader van voorliggend plan wordt geen spuitzonering opgenomen. De afweging daarvoor is als volgt. De aangrenzende agrarische bedrijven hebben het recht op voortzetting van het bestaande, legale gebruik van hun gronden.
Dit belang wordt onderkend en betrokken bij de besluitvorming. Hoewel planologisch sprake is van een functiewijziging naar wonen, leidt deze wijziging feitelijk niet tot de toevoeging van nieuwe milieugevoelige objecten. Recreatiewoningen worden in het kader van milieuzonering en blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in beginsel als vergelijkbaar gevoelig beschouwd als reguliere woningen. De feitelijke blootstellingssituatie wijzigt daarmee niet. Binnen het plangebied is gedurende een periode van meer dan 17 jaar sprake van feitelijk gebruik voor bewoning, zij het op recreatieve basis. Deze situatie is door het bevoegd gezag actief gedoogd. Tegelijkertijd zijn al de omliggende agrarische percelen (voornamelijk grasland/weilanden) gedurende deze periode onafgebroken en legaal in gebruik geweest. Van een nieuwe ruimtelijke confrontatie tussen functies is derhalve geen sprake. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het opnemen van een spuitzone in dit specifieke geval niet noodzakelijk is voor het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, noch voor 46 de bescherming van de omliggende agrarische bedrijfsvoering. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat: - geen sprake is van een verslechtering van de bestaande situatie; - de feitelijke blootstelling niet toeneemt; - en de agrarische gebruiksmogelijkheden niet verder worden beperkt.
Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘spuitzonering’ uitvoerbaar. 47 5. Juridische planopzet 5.1 Algemeen Het omgevingsplan is opgezet volgens een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), namelijk TAM - IMRO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wro tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: motivering, regels, verbeelding, waarbij de planregels en de verbeelding juridis ch bindend zijn. De motivering heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, met daarnaast de interpretatie en toepassing van het omgevingsplan. De bijlagen bij de motivering en regels maken onlosmakelijk onderdeel uit van het omgevingsplan. De verbeelding bestaat uit een digitale kaart waarop functies en aanduidingen voor locaties zijn weergegeven. De regels bestaan uit de volgende onderdelen: - Hoofdstuk 1: inleidende regels, met de begrippen en wijze van meten en rekenen; - Hoofdstuk 2: specifieke regels over functies. De functies zijn op alfabetische volgorde opgenomen.
De regels bevatten een omschrijving van de functie en regels voor het bouwen, gebruik en waar nodig over milieu; - Hoofdstuk 3: algemene regels over functies. Dit zijn de regels die gelden voor alle functies, bijvoorbeeld algemene gebruiksregels, maar ook de aanvraagvereisten voor vergunningen; - Hoofdstuk 4: regels ter bescherming van waarden en objecten. Hierin zijn regels opgenomen ter bescherming en veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden in de bodem. - Hoofdstuk 5: overgangsrecht. 5.2 Toedelen van functies aan locaties In voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de volgende functies van toepassing. Groen Een locatie die is aangewezen als 'Groen' heeft onder andere de functies groenvoorzieningen en plantsoenen, wegen, voet- en fietspaden. Het openbaar groen dat centraal in het plangebied ligt en waar ook parakeerplaatsen aanwezig zijn heeft deze functie. Groen – Landschappelijke waarde Een locatie die is aangewezen als 'Groen – Landschappelijke waarde' heeft onder andere de functies groenvoorzieningen, wegen, voet- en fietspaden en instandhouding van de landschappelijke waarden, bestaande uit een karakteristiek beplantingsbeeld en een karakteristiek reliëf. Deze functie ligt op de gronden rondom de woningen en hebben als doel het behoud van het groene karakter.