CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Memo inzake scenarios (Stichting) DRU Industriepark oktober 2026

Raadscommissie gecombineerd 14 oktober 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 3: Financiële maatregelen tot eind 2026 voor Stichting DRU Industriepark3.755 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1 De financiële problematiek rondom Stichting DRU Industriepark (hierna: de Stichting) vraagt een besluit over hoe verder te gaan. Tot op heden zijn er besluiten genomen over het treffen van incidentele maatregelen om tekorten en liquiditeitsproblemen op te vangen. Die hebben ervoor gezorgd dat er geen faillissement is aangevraagd en het dienstaanbod kon worden gecontinueerd. De incidentele maatregelen lossen echter niet de problematiek op, maar vragen om steeds meer incidentele maatregelen. Daarom is er behoefte aan een besluit richting de toekomst. Er is om een aantal uitgewerkte scenario’s gevraagd, deze treft u hieronder aan. Maar waar doen we het nu eigenlijk voor? Steeds ligt de focus op financiële en juridische gevolgen. Maar het gaat om een breder speelveld. De risico’s en de maatschappelijke gevolgen mogen in dit proces niet vergeten worden. Het DRU Industriepark is immers succesvol herbestemd industrieel erfgoed, een centrale ontmoetingsplek voor vele vormen van maatschappelijke en culturele diensten die er door verschillende organisaties en bedrijven worden aangeboden. Het is een plek, een unieke locatie, waar vele bezoekers komen die op de een of andere wijze gebruik maakt van al deze diensten.

Bijvoorbeeld voor muziekonderwijs, rondleidingen vanuit het NIJM, DRU tech-dagen in samenwerking met CIVON, de bibliotheek, theater, het poppodium, onderwijs bij CIVON, de streekomroep, exposities, de sinterklaasintocht, Huntenkunst, de Vuur & IJzerdagen, het toeristisch informatiepunt, de Talententuin, De Iesselganger, lokale koren, enzovoorts. Maar ook voor de raadsvergaderingen. Teveel om op te noemen. Een plek die ook zorgt voor een spin off in de gemeente. Het DRU Industriepark is van grote immateriële/maatschappelijke waarde voor onze gemeente. De gemeente is ook nog eigenaar van de panden. En is daarmee verantwoordelijk voor het onderhouden, in stand houden en verduurzamen van deze gebouwen met Rijks monumentale status. Het totaal van deze verantwoordelijkheden en uitgaande van het aangenomen coalitieprogramma 2026 -2030, maakt dat het college de raad voorstelt om scenario 1 en 2 verder uit te werken zoals omschreven in deze memo. Hiermee zetten we een stap naar het toekomstbestendig maken van het DRU Industriepark.

Scenario 1: Basisscenario Dit scenario gaat uit van de huidige situatie waarbij de gemeente eigenaar is van de panden, de Stichting de panden huurt en verantwoordelijk is voor de exploitatie van het DRU Industriepark en het huidige dienstenaanbod wordt gecontinueerd, de Stichting jaarlijks een subsidie van de gemeente ontvangt, de exploitatie van de horeca via de Horeca B.V. blijft lopen waardoor Horeca B.V. (naast de gemeente) de tweede financiële pijler blijft ten behoeve van de Stichting. Financieel houdt dit scenario in dat: 1. Begin 2027 een oplossing nodig is voor de schuldenpositie van de Stichting richting de gemeente. Het is niet reëel om te verwachten dat deze schuldenpositie volledig wordt terugbetaald aan de gemeente. De Memo Aan: Gemeenteraad Cc: Van: College van burgemeester en wethouders Datum 6 oktober 2026 Kenmerk: 1390147 Onderwerp: Scenario-uitwerking t.a.v. (Stichting) DRU Industriepark 2 schuldenpositie aan de gemeente bestaat per 1-1-2027 uit: huurvordering 2024, huurvordering 2025, huurachterstand 2026 (juni t/m december), langlopende lening uit 2025 en de kortlopende lening uit 2026, zijnde een totaalbedrag € 2.082.393,-. 2. De BNG de garantstelling opeist voor het openstaande krediet (€ 600.000,-). 3.

De jaarlijkse subsidie moet (naast een jaarlijkse index conform de Consumenten PrijsIndex) worden verhoogd met ten minste € 380.000,- 1 om de huidige culturele en maatschappelijke diensten te kunnen blijven aanbieden. 4. Als de Horeca B.V. niet voldoende kan afdragen aan de Stichting is er een extra bijdrage van de gemeente nodig. Het is niet reëel te verwachten dat de geldstroom vanuit de Horeca B.V. binnen één of twee jaar weer helemaal terug is op het oude niveau. Dat herstel heeft tijd nodig , maar er is geen garantie te geven hoe lang dat duurt. 5. Met alle financiële maatregelen is de begroting (en zijn de betalingsmogelijkheden) van de Stichting dusdanig dat zij aan haar maandelijkse verplichting voor de huur voldoet. 6. Er zijn aanvullende investeringen nodig ten behoeve van de gebouwen, installaties en techniek. Scenario 2: Basisscenario minus Horeca BV Dit scenario is gelijk aan scenario 1, met uitzondering van de horeca. In scenario 2 wordt de horeca niet meer door de Horeca BV geëxploiteerd, maar wordt de exploitatie van de horeca weggezet bij een derde partij. Die derde partij moet worden geselecteerd vanuit een aanbesteding. Dit scenario vraagt nog om verduidelijking of de verhuur rechtstreeks plaatsvindt vanuit de gemeente, of dat er sprake is van onderverhuur vanuit de Stichting.

In dit scenario moet de subsidie voor het exploiteren van het cultureel programma worden verhoogd indien en voor zover de horeca als commerciële activiteit wordt ontplooid die volledig los staat van de exploitatie van het culturele programma. Naast de financiële gevolgen levert dit scenario ook een vraagstuk op over de verdeling van hetgeen verhuurd wordt (welke ondernemer/onderdeel krijgt dan wat?). Dat vraagstuk omvat dan met name het Portiersgebouw en de SSP-Hal. Ook de samenwerking en samenhang tussen de onderdelen cultuur/maatschappelijk en horeca vragen een duidelijke afstemming en vastleggen van afspraken. Voor dit scenario is het belangrijk om uit te zoeken of de horeca-activiteiten vanuit de huidige Horeca B.V. kunnen worden beëindigd en welke gevolgen dat heeft. Bijvoorbeeld ook in het kader van “"overgang van onderneming". Scenario 3: Gecontroleerde afbouw met de Stichting, doorstart met nieuwe exploitant Een gecontroleerde afbouw van de exploitatie door de Stichting is een optie die passend is bij de langdurige subsidierelatie. Er moet dan een redelijke termijn in acht worden genomen. Deze ‘redelijke termijn’ is geen faillissementsrechtelijk begrip maar een bestuursrechtelijk/subsidierechtelijk vraagstuk waarbij zorgvuldigheid moet worden betracht, rekening houdend met gewekte verwachtingen.

Een precieze termijn staat daarmee voor nu niet 100% vast en ook de voorwaarden waaronder de afbouw plaats vindt moeten goed onderbouwd zijn. In dit scenario moet rekening worden gehouden met een aantal kanttekeningen: Als bekend wordt dat de Stichting binnen een afgesproken termijn stopt met haar dienstenaanbod is het risico groot dat: 1 Dit bedrag staat nog niet volledig vast, omdat er nog geen 100% duidelijkheid is over o.a. huurdersonderhoud. Bovendien wordt er bij dit bedrag vanuit gegaan dat de bijdrage vanuit de Horeca B.V. op het oude niveau is. Daarnaast is er de mogelijkheid om de culturele en maatschappelijke diensten te beperken waardoor het subsidiebedrag niet wordt verhoogd ten opzichte van 2026 (met uitzondering van de jaarlijkse index). Welke diensten dan komen te vervallen is afhankelijk van de wensen van de gemeente en de begroting van de Stichting, waarbij rekening moet worden gehouden met een ondergrens vanwege het feit dat een aantal kosten structureel zijn ongeacht het dienstenaanbod.

3 - (Goede, ervaren) medewerkers eerder vertrekken naar een baan met meer zekerheid; - Deze vertrekken de dagelijkse bedrijfsvoering in gevaar brengen; - Er mogelijk een reorganisatie nodig is tegen het einde van de afbouwperiode (voor het personeel dat dan nog in dienst is), met de bijbehorende verplichtingen richting UWV en eventuele transitievergoedingen ; - Er geen zekerheid is voor boekingen vanuit impresariaten en dergelijke, waarmee er de kans bestaat dat het cultureel en maatschappelijk programma terugloopt. Om dit risico te beperken moet er in de afbouwperiode aandacht en budget zijn voor het behoud van sleutelpersoneel. Zonder zo'n maatregel bestaat het risico dat het "nette" afbouwscenario alsnog omslaat in een ongecontroleerd leegloop en/of faillissement, maar dan op een moment waarop de gemeente zich richting de Stichting en de buitenwereld al had gecommitteerd aan een geleidelijk traject. Dat verzwakt op dat moment de onderhandelingspositie van de gemeente. Daarnaast moet de gemeente (bij gewenste doorgang van de huidige activiteiten) op zoek naar een nieuwe exploitant, die ten aanzien van het culturele en maatschappelijke programma ook een subsidie zal vragen die niet lager zal zijn dan het huidige subsidiebedrag, tenzij aan ‘de knoppen voor het aanbod’ wordt gedraaid.

Een nieuwe exploitant zal eveneens om investeringen vragen om de techniek weer op orde te krijgen ten behoeve van de exploitatie. Naar verwachting wordt het kostenplaatje voor de exploitatie niet anders ten opzichte van het plaatje nu bij de Stichting. Bij dit scenario is er het risico van een zogeheten "overgang van onderneming" wanneer de afbouw gepaard gaat met het zoeken van een nieuwe exploitant voor (een deel van) de activiteiten. De wet bepaalt dat wanneer een onderneming - of een zelfstandig deel daarvan, zoals de horeca-exploitatie - overgaat naar een nieuwe exploitant, het personeel van rechtswege meegaat naar die nieuwe exploitant, mét behoud van alle bestaande arbeidsvoorwaard en (salaris, opgebouwde rechten, etc.). Dit geldt zodra de nieuwe exploitant in feite dezelfde bedrijfsactiviteit voortzet, bijvoorbeeld door gebruik te maken van dezelfde panden, inventaris en klantenkring - ook als de nieuwe exploitant zelf helemaal geen personeel zou willen overnemen. Immers, zodra de gemeente zelf, buiten een faillissement om, actief een nieuwe exploitant zoekt om de activiteiten voort te zetten, is er geen sprake van een faillissementsprocedure gericht op liquidatie, maar juist van een traject gericht op continuïteit - en dan geldt de hoofdregel onverkort. Financieel gezien betekent dit scenario dat: 1.

Begin 2027 een oplossing nodig is voor de schuldenpositie van de Stichting richting de gemeente. Het is niet reëel om te verwachten dat deze schuldenpositie volledig wordt terugbetaald aan de gemeente. De schuldenpositie aan de gemeente bestaat op dit moment uit: huurvordering 2024 excl. btw, huurvordering 2025 excl. btw, huurachterstand 2026 (juni t/m december) excl. btw, langlopende lening uit 2025 en de kortlopende lening uit 2026, zijnde een totaalbedrag € 2.082.393, -. 2. De BNG de garantstelling opeist voor het openstaande krediet (€ 600.000,-). 3. De jaarlijkse subsidie verschuldigd is aan de Stichting gedurende de termijn van de afbouw. Bij het behoud van het huidige dienstenaanbod is daarvoor een extra bedrag nodig (naast een jaarlijkse index conform de Consumenten PrijsIndex) van ten minste € 380.0002,-. 4. Als de Horeca B.V. niet voldoende kan afdragen aan de Stichting is er een extra bijdrage van de gemeente nodig. Het is niet reëel te verwachten dat de geldstroom vanuit de Horeca B.V. binnen één of twee jaar weer 2 Dit bedrag staat nog niet volledig vast, omdat er nog geen 100% duidelijkheid is over o.a. huurdersonderhoud. Bovendien wordt er bij dit bedrag vanuit gegaan dat de bijdrage vanuit de Horeca B.V. op het oude niveau is.

Daarnaast is er de mogelijkheid om de culturele en maatschappelijke diensten te beperken waardoor het subsidiebedrag niet wordt verhoogd ten opzichte van 2026 (met uitzondering van de jaarlijkse index). Welke diensten dan komen te vervallen is afhankelijk van de wensen van de gemeente en de begroting van de Stichting, waarbij rekening moet worden gehouden met een ondergrens vanwege het feit dat een aantal kosten structureel zijn ongeacht het dienstenaanbod. 4 helemaal terug is op het oude niveau. Dat herstel heeft tijd nodig, maar er is geen garantie te geven hoe lang dat duurt. 5. Extra budget nodig is voor het behoud van sleutelpersoneel om te voorkomen dat de afbouw alsnog omslaat in een faillissement. 6. de Stichting in de basis de huur voldoet gedurende de afbouwtermijn. 7. Er zijn aanvullende investeringen nodig ten behoeve van de gebouwen, installaties en techniek. 8. Een nieuwe exploitant de gemeente ook om subsidie verzoekt voor het culturele en maatschappelijke programma. Scenario 4: Faillissement Bij een faillissement gaat niet alleen de Stichting failliet, maar ook de aan haar gelieerde vennootschappen. In het geval van een faillissement is het goed om in ogenschouw te nemen dat er nog sprake is van een preferente schuldeiser (de Belastingdienst). Deze preferente schuldeiser worden als eerste voldaan, voordat naar de overige schuldeisers wordt gekeken.

De bedragen die de Stichting aan de gemeente verschuldigd is zijn niet één ongedeelde vordering, maar bestaat uit verschillende soorten aanspraken die in een faillissement anders worden behandeld: • De bestaande huurachterstanden en de twee leningen zijn wat in faillissementsrecht "concurrente vorderingen" heet: gewone schulden zonder voorrang. Deze worden pas (gedeeltelijk) uitbetaald nadat de kosten van de curator zelf en de zogeheten preferente schulden (denk aan de Belastingdienst en het UWV) zijn voldaan. • De BNG-garantstelling van € 600.000 is geen vordering van de gemeente op de Stichting, maar een eigen, aparte verplichting van de gemeente aan de BNG. Onder deze garantie dient de gemeente zelf aan de bank te betalen, los van wat er in de boedel van de Stichting nog zit. Voor alle drie de onderdelen moet de gemeente er rekening mee houden dat zij deze niet terugkrijgt, g elet op het feit dat er geen vermogen of vastgoed is dat te gelde kan worden gemaakt . Ook moet er rekening mee worden gehouden dat een vordering op de Stichting nog kan oplopen bijvoorbeeld door de huurtermijnen die in faillissement over de opzeggingsperiode verschuldigd worden.

Als de Stichting bijvoorbeeld in januari 2027 in staat van faillissement komt te verkeren, dan betekent dat dat de huur tot de faillissementsdatum een concurrente pre -faillissementsvordering vormt en de huur vanaf de faillissementsdatum over de opzegtermijn (van maximaal d rie maanden) een boedelvordering vormt die met een voorrang daaruit dient te worden voldaan. De vordering van de gemeente moet dan met deze huurtermijnen te worden vermeerderd. Een geslaagd beroep op zogeheten Paulianeus handelen ten aanzien van het verwerven van het O uhrlokaal wordt als zeer beperkt aangemerkt. Dit vanwege het feit dat er een marktconforme prijs is betaald voor de verwerving van het onroerend goed, waardoor er geen sprake is van een transactie die andere schuldeisers heeft benadeeld. In geval van een faillissement belanden we als gemeente in een procedure waarin een curator wordt aangesteld. De wijze van afhandeling is op dat moment (mede) afhankelijk van de insteek van de curator. Feit is dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en de Vastgoed B.V. (dan wel de Stichting) wordt opgezegd met in achtneming van een opzegtermijn van maximaal 3 maanden. Binnen die termijn kan de gemeente (nog) geen nieuwe overeenkomsten sluiten.

Gelet op de aard van de onderneming van de Stichting en de aan haar gelieerde vennootschappen (evenementen en horeca, waarbij tickets vaak vooruit worden betaald maar artiesten pas achteraf), is het goed mogelijk dat de curator er financieel geen belang bij heeft om de activiteiten door te laten lopen. Dat betekent dat de curator in dat geval de deuren al sluit vóórdat er tijd is geweest om met de gemeente te overleggen over voortzetting. Dit levert een risico op waarbij wachten op een besluit van de gemeente voor een curator geen vanzelfsprekendheid is. Een curator behartigt de belangen van alle schuldeisers gezamenlijk, en laat zich daarbij niet 5 leiden door maatschappelijke overwegingen en belangen zoals bijvoorbeeld het voortbestaan van een cultureel programma of het behouden van onderwijs op het terrein. Een risico binnen een faillissement is het meerjarig subsidiebesluit dat door de raad (30 oktober 2025) is genomen. Voor zover dat volgende seizoenen bestrijkt, zonder dat daarin een voorbehoud is gemaakt voor het geval de Stichting failliet gaat, is de kans groot de curator namens de gezamenlijke schuldeisers nog aanspraak maakt op (een deel van) de toegezegde subsidie. Dat is dan een vordering van de boedel op basis van een eerder eigen besluit van de gemeente — geen nieuwe verplichting die "door" het faillissement ontstaat.

Als daar aanspraak op wordt gemaakt is de gemeente dat geld kwijt en krijgt zij daar niets voor terug. Binnen het scenario van faillissement kunnen nog een aantal subscenario’s worden onderscheiden waarbij (naast hetgeen hiervoor geschetst) in ieder van de gevallen er voor- en nadelen zijn waar rekening mee gehouden moet worden. Scenario 4a: faillissement wordt aangevraagd, diensten worden voortgezet Bij dit scenario komt het er kortweg op neer dat de gemeente zorgt voor toegang voor de maatschappelijke partners, zorgt voor schoonmaak, verwarming en een huismeester. De horeca komt bij een commerciële huurder/ondernemer. En voor het culturele deel zoeken we verbinding met een locatie in de nabije omgeving/buurgemeenten. In het geval dat laatste niet lukt zal dat het einde betekenen voor het culturele deel. Visiedocumenten en beleidsstukken behoeven aanpassing. Daarnaast is het van belang een aantal zaken in ogenschouw te nemen: Als de gemeente (deels) de activiteiten wil voortzetten, namelijk de verhuur aan de gebruikers op het park , is het voorstelbaar dat een curator dat niet los wil zien (of knippen) van het voortzetten van de overige exploitatie.

Als de gemeente het cultureel programma willen laten continueren, dan is de kans groot dat de curator dat enkel doet indien en voor zover (i) de reeds vastgelegde programma’s al zijn betaald of door de gemeente in staat voor de betaling van de kosten van het programma en (ii) de gemeente een vrijwaring aan de curator verleent voor alle eventuele aansprakelijkheden die gepaard gaan met deze voortzetting. Een dergelijke vrijwaring lijkt vooralsnog onwenselijk, omdat die aansprakelijkheden dan voor rekening van de gemeente komen. Als de gemeente zelf tijdelijk de exploitatie overneemt om de periode tot een nieuwe exploitant te overbruggen, loopt zij het risico dat het huidige personeel van de Stichting van rechtswege bij haar in dienst treedt, met behoud van hun bestaande arbeidsvoorwaarden. Dat brengt aanzienlijke, nu nog niet meegenomen loonkosten en werkgeversverplichtingen met zich mee. Nog los van de andere kosten die gepaard gaan met het exploiteren van het dienstenaanbod. Het uitvoeren van een cultureel programma is geen taak van de gemeente. De gemeente zal daarvoor dan op zoek moeten naar een nieuwe exploitant. Er is geen garantie te geven op de termijn die daarvoor nodig is. Naast het culturele programma speelt de horeca. Gelet op het type activiteit is (en kan het) niet de taak zijn van de gemeente om de horeca (evenementen en schaftlokaal) voort te zetten.

Daarvoor moet gezocht worden naar een ondernemer die dit wil exploiteren. Dit heeft als effect dat de subsidie voor het exploiteren van het cultureel programma omhoog moet als de horeca als commerciële activiteit wordt ontplooid die volledig los staat van de exploitatie van het culturele programma. In de praktijk moeten dan duidelijke afspraken worden gemaakt over hetgeen verhuurd wordt (welke onderdeel huurt wat?) en hoe de beide onderdelen samenwerken/elkaar aanvullen . Dat vraagstuk omvat dan met name het Portiersgebouw en de SSP-Hal. Financieel betekent dit scenario (naast hetgeen dat in zijn algemeenheid is geschetst in het scenario van een faillissement) dat de gemeente voor een tijd aan de lat komt te staan als exploitant , inclusief het personeel zoals 6 hiervoor geschetst. Het vereist meer ambtelijke inzet en het beheer en onderhoud blijft bij de gemeente als eigenaar van de panden (eigenaar-/verhuurdersdeel). De gemeente staat ook aan de lat voor ten minste de noodzakelijke investeringen in gebouwen en installaties en techniek. Wel staan daar, na de opzeggingstermijn van de curator, huurinkomsten tegenover. Scenario 4b: faillissement wordt aangevraagd, diensten stoppen In dit scenario is het faillissement gericht op liquidatie (ook wel een regulier faillissement). D eze bescherming van personeel (zoals geschetst onder scenario 4a) geldt in dat geval niet.

Dan is er een wettelijke uitzondering. Als de diensten niet worden voortgezet loopt de gemeente een groot risico op het vertrek van de gebruikers op het terrein. In dit scenario moet daarom rekening worden gehouden met leegstand, met alle gevolgen van dien: - Verpaupering van de panden; - Financieel effect (er komt geen huur binnen, maar de reguliere exploitatiekosten en kapitaallasten lopen door, alsmede eventuele onderhoudskosten vanuit het MJOP); - Cultureel aanbod (poppodium, theaterzaal et cetera) komt te vervallen en bezoekers gaan hiervoor naar buurgemeenten/andere faciliteiten; - Ook de raadszaal komt daarmee te vervallen. - Een groot maatschappelijk effect. De gemeente heeft namelijk geen herhuisvestingsplicht voor het gros van de gebruikers, maar wel enorme maatschappelijke belangen bij de activiteiten waarvoor zij zorgen op het terrein. Het is niet te zeggen of alle gebruikers een nieuwe plek willen of zullen vinden binnen in de gemeente Oude IJsselstreek. Dat risico ten aanzien van (verlies van) de maatschappelijke belangen is niet cijfermatig aan te geven. Als de gemeente overgaat tot herhuisvesten waartoe zij niet verplicht is schept dit een precedent in andere situaties waar maatschappelijke partijen hun plek kwijt raken.

- Het culturele/maatschappelijke programma komt daarmee op het DRU Industriepark te vervallen en visiedocumenten en beleidsstukken behoeven daardoor aanpassing. Scenario 4c: faillissement wordt aangevraagd, onroerend goed wordt verkocht Ook in dit scenario is er sprake van een regulier faillissement waarvoor in de basis de uitzondering geldt ten aanzien van de bescherming van personeel. In de procedure van verkoop moet de gemeente rekening houden met het Didam -arrest, waarbij het onroerend goed wordt gezien als schaars goed dat in de openbaarheid te koop moet worden aangeboden. Bij verkoop van het onroerend goed raakt de gemeente de eigendom van de panden kwijt. Daar staat tegenover dat zij een koopsom ontvangt per pand en ook de onderhoudsverplichting overgaat op een nieuwe eigenaar. Wat de koopsom per pand zal zijn is afhankelijk van de markt, en is dus op dit moment niet aan te geven. H et is goed om in het achterhoofd te houden dat op alle panden een boekwaarde rust voor de gemeente. Na verkoop vragen de panden of de exploitatie ervan geen ambtelijke inzet meer. Ook moet bij de verkoop rekening worden gehouden met de bestemming en de status van Rijksmonument. Bij de verkoop van het onroerend goed is de kans aanwezig dat maatschappelijke partners die zich op dit moment op het terrein bevinden zullen vertrekken met maatschappelijke effecten als gevolg.

Het culturele/maatschappelijke programma komt daarmee op het DRU Industriepark te vervallen en visiedocumenten en beleidsstukken behoeven daardoor aanpassing. Scenario 5: alternatieve invulling van het DRU Industriepark Aan de panden van het DRU Industriepark kan een alternatieve invulling worden gegeven. Afhankelijk van de gewenste invulling kan dat een planologische procedure eisen met ook de mogelijkheid van juridische procedures. Het geven van een alternatieve invulling aan de panden op het DRU Industriepark kan op voorhand een keus zijn, maar kan ook 7 een optie zijn in geval van scenario 4c op verzoek van een nieuwe eigenaar, of als verkoop niet tot stand komt. Welke effecten dit precies heeft en welke financiële consequenties dit met zich meebrengt is op voorhand niet aan te geven, omdat dit afhankelijk is van vele factoren en keuzes. Tot slot Bij alle scenario’s zoals die hiervoor zijn uitgeschreven geldt dat het een uitwerking is waaraan geen garanties of rechten kunnen worden ontleend. Het zijn scenario’s die afhankelijk zijn van factoren die wel of geen waarheid worden en die in de praktijk genuanceerder kunnen liggen (bijvoorbeeld door de afhankelijkheid van een curator). Ook zijn niet alle factoren in euro’s uit te drukken. Het zijn geen uitgewerkte businessplannen. Niet ondenkbaar is het combineren van scenario’s.

Die combinaties zijn in deze memo niet verder uitgewerkt. De in deze memo aangegeven scenario’s zijn in een matrix gezet als hulpmiddel om een overzicht te bieden. Ook voor deze matrix geldt bovenstaande.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5164/documents/34799