CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

comm MO 2021-11-18 herijking verordening SD PW thema 4. Handhaving Naleving bespreekdocument.pdf

Raadscommissie Maatschappelijke Ontwikkeling (MO) 18 november 2021, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 2: Herijking verordening SD Thema 4 Handhaving-naleving6.328 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VERORDENING SOCIAAL DOMEIN Herijking onderdeel handhaving & naleving

Versie: Status:

08-11-2021 bespreking in commissie MO

Pagina 2 van 17

1 Inleiding

1.1 Aanleiding Sinds 1 januari 2021 voert de gemeente Oude IJsselstreek samen met STOER de Participatiewet uit. In dat kader heeft de gemeenteraad op 21 januari 2021 de Verordening Sociaal Domein 2021 vastgesteld. Destijds is ervoor gekozen om de bepalingen vanuit de toenmalige zeven Participatiewet verordeningen beleidsarm op te nemen. Tevens is ervoor gekozen om 2021 te gebruiken om deze bepalingen te herijken en aan te laten sluiten bij de visie “Naar het hart van de beweging”, “Transformatie in de kijk op werk” en de bestuursopdracht. De raadscommissie Maatschappelijke Ontwikkeling heeft ingestemd met het voorstel om de bepalingen die betrekking hebben op de Participatiewet themagewijs te bespreken aan de hand van het “dakpan-principe” waarbij op basis van een inhoudelijke discussie over uitgangspunten eventueel gekomen wordt tot een wijziging van de bestaande verordening. Voor de behandeling van de thema’s hanteren we de volgende aangepaste planning: Thema

Thematische bespreking

Voorstel verordening

Loopbaanbegeleiding

Commissie Juni 2021

Commissie september 2021

Inwonersparticipatie

Commissie september 2021

Commissie oktober 2021

Inkomensbegeleiding

Commissie oktober 2021

n.v.t.1

Handhaving en naleving

Commissie november 2021

Commissie december 2021

Inburgering

Commissie december 2021

Commissie januari 2021

Vaststelling verordening door gemeenteraad januari 2022 In deze notitie gaan we in op ideeën en uitgangspunten m.b.t. het thema “handhaving & naleving”. 1.2

Handhaving en naleving

Bij de vorige thema’s hebben we gesproken over wat de inwoner van onze dienstverlening mag verwachten. Vertrouwen, samenwerking, maatwerk en oprechte aandacht voor de inwoner zijn daarbij belangrijke aspecten. We vinden het belangrijk dat inwoners naar hun volle vermogen mee kunnen doen en deel kunnen nemen aan de samenleving zonder dat ze zich zorgen hoeven te maken over hun bestaanszekerheid. Wij gaan daarbij uit van wederkerigheid tussen gemeente en STOER aan de ene kant en de inwoner aan de andere kant. Het thema handhaving en naleving gaat over hoe we kunnen voorkomen dat inwoners (onbedoeld) de verkeerde dingen doen en hoe we om willen gaan met de kleine groep 1

Collegeregeling: na bespreking in commissie van januari 2022 vaststelling door college.

Pagina 3 van 17 mensen die – ondanks al onze inspanningen, want dat staat voorop - willens en wetens niet meewerken, bewust onjuiste informatie verstrekken en frauderen. Voor ons is dit het “laatste station” in onze aanpak, een station waar we liever niet komen En ook bij dit thema, misschien juist ook wel bij dit thema staat zorgvuldigheid en ruimte voor het inwonersperspectief centraal. 1.3

Leeswijzer

Dit document start met een beschrijving van de kaders waar rekening mee dient te worden gehouden bij de herijking. Vervolgens worden de hoofdlijnen rondom het thema beschreven. In bijlage 1 is de tekst in de huidige verordening terug te vinden. In het document wordt afwisselend gesproken over handhaving door de gemeente en STOER. Een eventuele handhavende bevoegdheid ligt formeel bij de gemeente, hier wordt in het werkproces in voorzien.

Pagina 4 van 17

2 Handhaving & naleving vanuit de kaders 2.1

Visie

Wij geloven in wederkerigheid, daarom zijn we er helder in dat meedoen ook een verplichting is. Wij geloven in de waarde van ieder mens, daarom vinden wij het een verspilling van kwaliteiten wanneer mensen aan de kant blijven staan. Wij geloven in inclusie, daarom doet iedereen mee en wordt niemand buitengesloten. (Bron: Bestuursopdracht Transformatie in de kijk op werk en inkomen) In de bestuursopdracht Transformatie in de kijk op werk en inkomen hebben we aangegeven dat we inwoners die een beroep doen op inkomensondersteuning op grond van de Participatiewet beschouwen als werknemers, als collega’s. We willen die parallel ook doortrekken als we spreken over handhaving en naleving. Een werkgever probeert een medewerker die niet goed functioneert of ongewenst gedrag vertoont eerst met het goede gesprek in de gewenste richting te sturen. Ook zal hij eventueel ondersteuning inzetten als dat nodig is. Wanneer dat ook na herhaling niet helpt zal een werkgever duidelijk maken dat het gedrag van de medewerker gevolgen heeft en uiteindelijk zal een medewerker eventueel ontslagen worden. Dat is ook de kern van ons handelen vanuit de visie, primair vanuit respect en vertrouwen, duidelijk over wat we verwachten en zorgvuldig in ons handelen.

Wij zijn ons er terdege van bewust dat handhaving grote (financiële) gevolgen kan hebben voor de inwoner en gevoelens van onveiligheid kan veroorzaken omdat het direct ingrijpt in de bestaanszekerheid van mensen. Dat is geen reden om niet te handelen. Maar we zijn er ons daarmee ook terdege van bewust dat er hoge eisen worden gesteld aan de zorgvuldigheid van ons handelen en dat we oog moeten houden voor de effecten van ons handelen. In het kader van inwonersparticipatie zullen wij actief feedback ophalen bij inwoners als het gaat om onze werkwijze bij handhaving en naleving en daar ook gevolg aan geven. 2.2

Strategische agenda

Het college heeft in de Strategische agenda Transformatie Werk en Inkomen 2021 de ambities voor 2021 bepaald. Deze ambities hebben vooral betrekking op loopbaanontwikkeling ook voor die mensen voor wie het niet altijd gemakkelijk is om deel te nemen aan de samenleving, bijvoorbeeld door het creëren van maatschappelijke banen. Ze hebben betrekking op inkomensondersteuning waarbij het accent ligt op financieel ontzorgen van mensen. En ze hebben betrekking op lobbyactiviteiten om ruimte te krijgen om de transformatie in de kijk op werk en inkomen daadwerkelijk vorm te geven. Op het gebied van Handhaving en naleving zijn geen specifieke ambities geformuleerd, de strategische agenda zelf kleurt natuurlijk wel, evenals de visie, de manier waarop wij kijken naar handhaving en naleving

Pagina 5 van 17 2.3

Participatiewet

Zoals al omschreven in de Bestuursopdracht Transformatie in de kijk op werk en inkomen schuurt de huidige Participatiewet stevig met de doelen die wij nastreven, de manier waarop we die doelen willen halen en vooral ook met het mensbeeld dat wij hanteren. En dit schuren doet zich het meest nadrukkelijk voor in het onderdeel handhaving en naleving. Het is goed om vooraf helder te stellen dat naast de algemene regels zoals ze verwoord zijn in de Participatiewet er ook het zogenaamde individualiseringsbeginsel is zoals verwoord in artikel 18 lid 1 van genoemde wet. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om de hoogte van de uitkering af te stemmen op de individuele omstandigheden van de betreffende inwoner. Hieraan is de voorwaarde gekoppeld dat dit altijd gemotiveerd moet gebeuren en dat het toegespitst moet zijn op individuele situaties. Hiermee ontstaat voor de gemeente ruimte om te doen wat nodig is en aan te sluiten bij de bedoeling. Zolang de Participatiewet nog niet is aangepast is dat een belangrijke route om te volgen. Menselijke maat Het opleggen van een maatregel of een boete start met het feit dat voldoende onderbouwd geconstateerd wordt dat er sprake is van een maatregel- of boetewaardige gedraging. Vervolgens dient beoordeeld te worden of er ook sprake is van verwijtbaarheid.

Op het moment dat de verwijtbaarheid ontbreekt kan afgezien worden van het opleggen van een maatregel of boete. Daarnaast dient bij het opleggen van de maatregel en de boete, rekening te worden gehouden met de omstandigheden van de inwoner wanneer daar bijzondere en dringende (psychische) redenen voor zijn. Hieronder volgt een omschrijving van de plichten van inwoner en gemeente zoals die nu in de Participatiewet staan beschreven. Deze zijn dus stellig geformuleerd en hierop kan altijd het individualiseringsprincipe worden toegepast. Hoewel de wet dus in eerste instantie heel rigide overkomt, biedt de wet ook ruimte om – mits voldoende onderbouw - de menselijke maat toe te passen en rekening te houden met de omstandigheden van de inwoner.

Plichten inwoner In grote lijn heeft de inwoner volgens de Participatiewet de volgende verplichtingen: 1. voorkomen dat hij afhankelijk wordt van een gemeentelijke inkomensvoorziening; 2. meewerken aan het loopbaanplan gericht op werk of een andere dagbesteding; 3. verrichten van een tegenprestatie; 4. informatie verstrekken die mogelijk van belang kan zijn; 5. inspannen om de Nederlandse taal voldoende te beheersen. Daarnaast is de inwoner volgens de Participatiewet verplicht om desgevraagd mee te werken aan een noodzakelijke behandeling van medische aard en – als hij onverstandig met zijn geld om gaat – mee te werken aan betaling van vaste lasten vanuit zijn inkomensvoorziening.

Pagina 6 van 17

Plichten gemeente De gemeente kent volgens de Participatiewet op haar beurt de verplichting om te handhaven op het moment dat de inwoner de bovenstaande verplichtingen niet nakomt. Daarnaast heeft de wetgever zelf ook nog een aantal hele specifieke (geüniformeerde) verplichtingen in de wet opgenomen die de gemeente moet handhaven. Zo dient de inwoner bijvoorbeeld ingeschreven te staan bij uitzendbureaus, moet hij werk accepteren met maximaal 3 uur reistijd per dag en moet hij bereidheid zijn om te verhuizen als hij ergens anders wel werk kan krijgen. Maatregel of boete De soort sanctie is afhankelijk van de verplichting die niet nagekomen is. Zo zegt de Participatiewet dat de uitkering wordt verlaagd als iemand onvoldoende meewerkt aan de verplichtingen op basis van de wet (maatregel). Op het moment dat de inwoner onvolledige of onjuiste informatie verstrekt is de gemeente verplicht om de te veel verstrekte inkomensvoorziening terug te vorderen en te overwegen om een boete op te leggen (boete). Hoogte maatregel Gemeenten zijn voor een deel vrij om zelf te bepalen met welk percentage zij de uitkering verlagen. Op dit moment zijn de percentages vastgelegd in de verordening (zie bijlage 1). De hoogte van de verlaging is voor de uniforme verplichtingen volgens de Participatiewet bepaald op 100% per maand waarbij de gemeenteraad aan moet geven voor hoeveel maanden (1-3 maanden).

In geval van recidive is de gemeente verplicht om 100% te verlagen gedurende steeds 3 maanden. De hoogte van de verlaging als de inwoner zich onvoldoende inspant om de Nederlandse taal te beheersen stijgt volgens de Participatiewet bij volharding met 20% gedurende de eerste zes maanden, naar 40% en uiteindelijk na 12 maanden op 100% voor onbepaalde tijd.

Hoogte bestuurlijke boete Als de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie verstrekt, is de gemeente verplicht om – naast terugvordering van de te veel verstrekte bijstand - een bestuurlijke boete op te leggen (art 18a Pw). Aangifte Op het moment dat er sprake is van zware fraude (boven de 50.000 euro) kan aangifte worden gedaan bij het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie bepaalt vervolgens of zij wel of niet over gaat strafvervolging.

2.4

Ontwikkelingen

In de inleiding bij paragraaf 2.3 over de Participatiewet is al iets geschreven over het feit dat de huidige wet schuurt met de Transformatie in de kijk op werk en inkomen zoals wij die voorstaan. Het is goed om te constateren dat het onbehagen over de werking van de wet de laatste tijd steeds breder gedeeld wordt. Zo heeft bijvoorbeeld de gemeente Enschede

Pagina 7 van 17 een onderzoek uit laten voeren naar de manier waarop de Participatiewet wordt uitgevoerd. De gemeente heeft op basis van de resultaten besloten om afscheid te nemen van het harde en strenge beleid en meer uit te gaan van de menselijke maat. De Toeslagenaffaire waarbij mensen op voorhand gecriminaliseerd werden en in hun bestaan en rechtszekerheid werden aangetast heeft het onbehagen over de bestaande uitvoeringspraktijk en de inhoud van de Participatiewet bij veel gemeenten zeker aangewakkerd. We noemen een aantal van de huidige ontwikkelingen. Aanpak hardheid Participatiewet In een brief aan de Tweede Kamer van 18 januari 2021 heeft de voormalige staatssecretaris, B. van ’t Wout aangegeven dat het binnen het sociaal Domein belangrijk is om een goede balans te vinden tussen “streng zijn waar nodig en zacht waar het kan”. Hij heeft daarbij aangegeven te willen kijken naar: a) b) c)

een definitie van uitkeringsfraude om daarmee expliciet te erkennen dat er verschil bestaat tussen bewuste regelovertreding en vergissingen of fouten; het instellen van een Aanjaagteam preventie met te kijken hoe het handelen binnen het sociaal domein verbetert kan worden waardoor sancties voorkomen kunnen worden; de effectiviteit van de beschikbare handhavingsinstrumenten en de mogelijkheid tot bieden van maatwerk.

Verder heeft hij in zijn brief aangekondigd om gesprekken te voeren met gemeenten, inwoners en belangengroepen rondom de thema’s terugvordering, giften en ruimte voor maatwerk. Doel van de gesprekken is om onevenredige hardheden in de Participatiewet op te sporen en zo weg te nemen. De vraag is hoe de huidige demissionaire staatssecretaris en het nieuwe kabinet met deze voornemen om wil gaan. Initiatiefwet ChristenUnie Met de huidige regels zijn gemeenten verplicht om bij schending van de zogeheten inlichtingenplicht de uitkering terug te vorderen, een boete op te leggen en de uitkering te herzien. Door de initiatiefwet worden deze verplichtingen omgezet in een "kan"-bepaling, waardoor gemeenten zelf de ruimte krijgen om een afweging te maken, met oog voor de specifieke situatie. De initiatiefwet van ChristenUnie wordt ondersteund door een Kamermeerderheid van GroenLinks, D66, CDA, SP en PvdA. De vraag is hoe het nieuwe kabinet met deze initiatiefwet om wil gaan. De gedeelde noemer in de ontwikkelingen is de roep om een andere manier van kijken naar mensen die een beroep doen op inkomensondersteuning en meer ruimte voor gemeenten om te doen wat nodig is.

Pagina 8 van 17

3 Herijking onderdeel handhaving en naleving 3.1

Waarom is een zorgvuldige werkwijze bij handhaven en naleving belangrijk

Handhaving is het sluitstuk van onze aanpak en is niet gericht op straf maar gericht op gedragsverandering in die situaties waarin verandering wel mogelijk is maar de inwoner de stap niet zet. Dat kan betekenen het bieden van de noodzakelijke “stok achter de deur” maar in sommige gevallen kan het ook betekenen dat iemand eerst geconfronteerd moet worden met de effecten van zijn handelen. Maar steeds gericht op verandering van geconstateerd gedrag en niet op het vooraf voorkomen van mogelijk niet gewenst gedrag We willen onze manier van werken niet laten leiden door het kleine percentage mensen dat mogelijk misbruik maakt van voorzieningen. Zoals we ook ons hebben omschreven in ons visiedocument ‘Naar het hart van de beweging’; we gaan uit van het goede in anderen. Dat wil niet zeggen dat iedereen altijd de goede dingen doet of dat er geen fouten worden gemaakt. Maar we gaan uit van vertrouwen. We nodigen de ander uit om te laten zien dat dit terecht is. Als we dan toch over gaan tot handhaving en naleving doen we dat uiterst zorgvuldig richting inwoner. Als we besluiten niet over te gaan tot handhaving en naleving doen we dat ook zorgvuldig door dit op de juiste manier te documenteren en beargumenteren zodat er geen nalatigheid ontstaat in relatie tot de Participatiewet en er daarmee geen risico’s ontstaan ten aanzien van het rijksbudget.

3.2

Aanpak handhaving en naleving

In onze aanpak focussen we ons op drie aspecten: 1. Preventie: voorkomen dat iemand (onbedoeld) de fout in gaat; 2. Menselijke maat: inwoner centraal en doen wat nodig is op het moment van handhaven; 3. Rechtszekerheid: bewaking op ons handelen omdat we betrouwbaar willen zijn. Preventie Het zoveel mogelijk voorkomen dat inwoners (onbedoeld) iets doen of nalaten waardoor er mogelijk een maatregel wordt opgelegd is de basis van ons handelen. Dat begint bij de gesprekken met onze medewerkers. Daarbij is goede en begrijpelijke voorlichting en informatie cruciaal. Als dat in het begin nodig is doen we dat in de eigen taal of gebruikmakend van een tolk. Deze informatie herhalen we regelmatig en op het moment dat dit van belang is. Denk bijvoorbeeld aan informatie over het aanvragen van een vakantie in het voorjaar. Daarnaast richten we onze processen zo in dat ze aansluiten bij de logica van de inwoners zodat er minder risico bestaat op misverstanden en problemen. We proberen zoveel mogelijk te voorkomen dat informatie die van belang is voor het bepalen van het recht op inkomensondersteuning ons te laat bereikt. We maken hiervoor

Pagina 9 van 17 gebruik van de ICT-systemen waardoor we sneller inzicht hebben in de situatie van de inwoner. Hierdoor voorkomen we het risico dat mensen te veel ontvangen inkomensondersteuning terug moeten betalen. We bieden inwoners ook de mogelijkheid tot automatische verrekening van parttime inkomsten (Surplus) waardoor er een helder betalingssysteem voor inwoners ontstaat, er tijdig kan worden betaald en er later niet hoeft te worden verrekend. Menselijke maat en doen wat nodig is in de aanpak: We gaan in alle gevallen uit van vertrouwen in de inwoner tot het tegendeel bewezen wordt. Op het moment dat we iets constateren gaan we open het gesprek aan met de inwoner om te kijken wat er aan de hand is. Hierbij houden wij nadrukkelijk rekening met de individuele omstandigheden van een inwoner. We sluiten hierbij aan bij het uitgangsprincipe van situationele gelijkheid waarbij mensen gemotiveerd niet zonder maar juist met zoveel mogelijk aanziens des persoons worden behandeld om zo écht te doen wat nodig is. Dit betekent dat we ook kijken naar het effect van de eventuele sanctie op de situatie van de inwoner en zijn gezin. Daarbij maken we de afweging of het effect van de sanctie in verhouding staat tot de gedraging (proportionaliteitsbeginsel). Indien dit niet het geval is passen we de sanctie aan. Uitgangspunt is gedragsverandering.

Dat betekent ook dat we logischerwijs de inwoner belonen op het moment dat hij zijn gedrag aanpast. We maken dan ook maximaal gebruik van de mogelijkheden die de zogeheten inkeerregelingen van de Participatiewet bieden. Om te kunnen doen wat nodig is willen we zo weinig mogelijk werken met afvinklijsten en protocollen. We vinden het belangrijk dat onze professionals, die de inwoner het beste kennen, ruimte krijgen om gedegen en onderbouwd te kunnen vaststellen of er aanleiding is tot het treffen van een maatregel en wat deze dan moet zijn. Dit betekent dat we in de verordening een aantal vormvoorschriften willen opnemen die aansluiten bij de uitgangspunten van preventie, menselijke maat en doen wat nodig is en rechtsbescherming. De vormvoorschriften in de huidige verordening staan verwoord in artikelen 9.4.1 tot en met 9.4.6. Er wordt in de huidige verordening gesproken over geüniformeerde en nietgeüniformeerde verplichtingen. De geüniformeerde verplichtingen zijn limitatief opgesomd in de Participatiewet in artikel 18 lid 4. Bijvoorbeeld het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, bereid zijn om te verhuizen, bereid zijn om te reizen over een afstand met een maximale reisduur van drie uur per dag, Deze verplichtingen worden door de wetgever als belangrijk beschouwd, wanneer daartoe aanleiding bestaat zullen wij dus onderzoeken wat er aan de hand is.

Hierbij nemen we vanzelfsprekend de vormvoorschriften in acht en kijken we wat nodig en passend is. Daarnaast bestaat de mogelijkheid tot het opleggen van niet-geüniformeerde verplichtingen, deze staan nu bijvoorbeeld vermeld in artikel 9.4.7 van de op dit moment geldende verordening. Het is een gemeentelijke bevoegdheid om niet-geüniformeerde verplichtingen op te leggen en daar een maatregel aan te verbinden. Aansluitend bij het uitgangspunt van ruimte voor de professional om te doen wat nodig is en het voorkomen

Pagina 10 van 17 van afvinklijsten en protocollen willen wij bij voorkeur geen of zo weinig mogelijk nietgeüniformeerde verplichten in de verordening opnemen. Een belangrijk punt bij het werken vanuit de menselijke maat en de bedoeling is de rechtszekerheid van inwoners. Zie daarvoor verder hieronder. Daarnaast is het onze overtuiging een goed gesprek veel in het overgrote deel van de gevallen effectiever is dan een verplichting met bijbehorende maatregel wanneer wij gedragsverandering bij die groep mensen teweeg willen brengen die nu nog niet willen participeren of waarvan wij denken dat dit het geval is. Wij leggen daar dan ook bij voorkeur de nadruk op in plaats van het beschrijven van een serie verplichtingen. Rechtszekerheid We zijn ons terdege bewust van het feit dat sanctioneren een forse ingreep is in het leven van de inwoner omdat we ingrijpen in het inkomen van mensen die al op het minimumbestaansniveau moeten leven en in een ongelijkwaardige afhankelijkheidspositie verkeren. Dat betekent dat we vooraf zeer zorgvuldig zijn bij het maken van een afweging of wel of niet een sanctie opgelegd wordt. We werken dan ook standaard via het “vier-ogenprincipe” waarbij altijd twee professionals betrokken zijn. In het kader van de transformatie zijn we momenteel bezig om een gezamenlijk afwegingskader te bepalen voor ons handelen.

Een dergelijk afwegingskader dient ook in het kader van handhaving te worden ontwikkeld. Vandaar dat we – aansluitend op het “vier-ogen-principe” – voorlopig alleen een boete of maatregel opleggen na bespreking in het casuïstiekoverleg. Aan het casuïstiekoverleg nemen, naast directe collega’s, ook de kwaliteitsmedewerkers en het management deel. Daarnaast wordt het opleggen van maatregelen en boetes meegenomen in het intern kwaliteitsprotocol als ook in het opleidingsprogramma. In het opleidingsprogramma wordt expliciet ingezet op methodieken van gespreksvoering die zoveel mogelijk moeten voorkomen dat er een situatie kan ontstaan waarbij overwogen moet worden om een maatregel of boete op te leggen. Naast rechtszekerheid is ook rechtsbescherming een belangrijk onderwerp. Tijdens het thema Inwonersparticipatie2 is aangegeven dat STOER en de gemeente onderzoeken hoe de rechtsbescherming van inwoner – mogelijk samen met sociaal raadslieden – verbeterd. Dit sluit aan bij ons uitgangspunt om aanspreekbaar te zijn op ons handelen. Zeker als het gaat om het opleggen van een maatregel of sanctie.

2

Herijking thema 2. Inwonersparticipatie 3.2. onderdeel h. rechtsbescherming

Pagina 11 van 17

Bijlage 1. Handhaving en naleving binnen de huidige verordening

9.4 Het verlagen van een uitkering 9.4.1 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. hoe de inwoner een volgende keer een dergelijke verlaging kan voorkomen c. de duur van de verlaging; d. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en e. de reden om wel of niet af te wijken van de standaardverlaging. 9.4.3 Horen van inwoner 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een inwoner in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. a. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven de inwoner aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. 9.4.4 Afzien van verlaging 1. De gemeente ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan 12 maanden voor constatering daarvan door de gemeente heeft plaatsgevonden. 2. De gemeente kan afzien van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.

Als de gemeente afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een inwoner hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 4. De gemeente kan volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing , uitgezonderd de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan inwoner een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 5. Met een besluit waarbij een verlaging is opgelegd, wordt gelijkgesteld: a. het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen; b. het besluit tot het geven van een schriftelijke waarschuwing. 9.4.5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een inwoner is

Pagina 12 van 17 bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die inwoner geldende bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering, opgelegd als: a. de bijstand nog niet betaalbaar is gesteld; b. de inwoner geen bijstand meer ontvangt. 3. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als inwoner binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt. 4. Een verlaging die voor een periode van meer dan 3 maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na 3 maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen. 9.4.6 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan inwoner bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of b. de verwijtbare gedraging van inwoner in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3.

Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in 9.4.7 tot en met 9.4.11 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in 9.4.7 tot en met 9.4.11 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 9.4.7 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling 1. Gedragingen van een inwoner waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2°.

het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een inwoner jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet;

Pagina 13 van 17 4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; c. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. 2. Gedragingen van een inwoner waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2°.

het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4°.

het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; c. derde categorie: 1°. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste

Pagina 14 van 17 lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. 3. De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 1 en 2 wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 9.4.8 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling 1. Als een inwoner een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende: a. één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet; b. twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet. 2.

Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 1, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 3. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, kan de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. 4. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld. 5. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het tweede lid plaats. 9.4.9 Te weinig besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 10 procent van de bijstandsnorm gedurende bijvoorbeeld één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000; b. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000; c.

40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000; d. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4000 of hoger.

Pagina 15 van 17

9.4.10 Zeer ernstige misdragingen 1. Als een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2. Als een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover de gemeente of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. 9.4.11 Niet nakomen van overige verplichtingen 1. Als een inwoner een door de gemeente opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20 %van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c.

40% van de bijstandsnorm gedurende , bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 9.4.12 Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is. 3.

Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke

Pagina 16 van 17 verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is. 9.4.13 Recidive 1. Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in 9.4.7 lid 1 b of c, 9.4.9 lid 1 of 9.4.11 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2. Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als in 9.4.7 lid 1 a of lid 2 b, of 9.4.10 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3. Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden.

9.4.14 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als de gemeente de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. 9.4.15 Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive 1. Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent de gemeente de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet. 2. De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. 3. Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent de gemeente de recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. 4.

Aansluitend op verrekening als bedoeld in het derde lid, verrekent de gemeente de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. 5. Tot het inkomen, bedoeld in het vierde lid, worden ook middelen gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de Participatiewet. 6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid kan de gemeente de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien: a. aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin; of b. anderszins sprake is van dringende redenen.

Pagina 17 van 17 7. Het eerste tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet. 8. Het zevende lid is niet van toepassing indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4320/documents/22427