Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek_Toelichting.pdf
Tekst van het document
24
Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een (voormalig) agrarisch bedrijf naar een zorginitiatief. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 90 per dag gesteld worden. Een uitleg van de berekening is weergegeven in paragraaf 4.11. Er zal sprake zijn van wat vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 2% gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met verwacht aantal voertuigbewegingen.
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. In de praktijk zal het aantal verkeersbewegingen lager zijn, omdat de bewoners niet of bijna niemand over een auto beschikken. De meeste verkeersbewegingen zullen afkomstig zijn van het personeel en bezoek en wat vrachtverkeer van leveranciers. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
25
hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde.
Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Uit de risicokaart blijkt (zie figuur 4.3) dat de dichtstbijzijnde risicobron ligt op minimaal 497 meter. Het betreft een leiding van de Gasunie van 40 bar. Deze afstand is ruim voldoende.
Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 497 m van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
26
4.8
Water en klimaat
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Waterschapsbeleid De planlocatie valt binnen het grondgebied van waterschap Rijn en IJssel (WRIJ).
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Waterschap Rijn en IJssel werkt hierbij vanuit het Waterbeheerplan 2016-2021 waarin het taakgebied, de doelen en de maatregelen die het waterschap t/m 2021 voor ogen heeft, staan beschreven. Een kompas voor de langere termijn biedt de Watervisie 2030. Beide documenten bieden een samenwerkingsagenda voor ieder die op het gebied van water een belang of betrokkenheid heeft. Het waterschap laat in het waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten in de samenwerking met de partners belangrijk zijn.
Vanuit die verkenning is er beleid gemaakt voor de periode 2016-2021, voor de volgende taakgebieden: Veilig water - Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid; Voldoende water - Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen; Schoon water - Zorgen voor een goede waterkwaliteit voor mens, plant en dier; Afvalwater - Verwerken van afvalwater en het daaruit benutten van energie en grondstoffen; Vaarwegbeheer - Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel. Het waterschap werkt met de gemeente samen aan een goede ruimtelijke ordening via het proces van de Watertoets. Hieronder volgt een toelichting per relevant waterhuishoudkundig thema Beheer en onderhoud De voorgenomen ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd. Wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de keurzone dienen met een watervergunning te worden uitgevoerd. Klimaatadaptatie Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater.
Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak af met 150 m².
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
27
Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in infiltratie- of waterbergende voorzieningen. Regenbuien worden opgevangen in het plangebied tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen worden zonder dat waterschade optreedt, en vertraagd worden afgevoerd. Door het vasthouden en infiltreren van het hemelwater ontstaat er minder snel droogte en kan de grond gebruik maken van het hemelwater. De voorziene landschappelijke inpassing van het erf voorziet in de aanleg van hagen, fruitbomen, struweel en andere bomen, is er voldoende groen rondom het erf die schaduw kan geven en daarmee bijdrage kan leveren aan hittestress. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Om de kwaliteit van het water te waarborgen, worden de maatregelen getroffen, bijvoorbeeld een bodempassage in een berm/ wadi/ filtering d.m.v. een helofytenfilter, chemisch filter of mechanisch filter. Riolering en Afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen.
Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen het afvalwater verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/ geborgen worden. Op dit moment is de afvoer van het afvalwater berekend op één gezin/adres. Door de toevoeging van 30 zorgstudio's zal er sprake zijn van meer afvalwater. Hiervoor zal in overleg met de gemeente een oplossing gerealiseerd worden, onder andere door aanpassing van de pompput. Tot slot worden in de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren. Grondwaterbeheer De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. De bouwwijze is aangepast aan de grondwaterstand en zettingsgevoeligheid van de bodem. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen. Watertoetsproces Op 27 augustus 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 5 Watertoets. Daaruit volgt dat de normale procedure gevolgd moet worden.
Met het waterschap is contact geweest en het waterschap heeft geadviseerd de toegestuurde waterparagraaf aan te passen en op te nemen in het plan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor de voorliggende ontwikkeling.
4.9
Ecologie
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
28
2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Korenburgerveen ligt op minimaal 17 km afstand van het plangebied. De invloedssfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedssfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Stikstofdepositie Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer drie resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura-2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningvrij waren is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden.
De wet maakt een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. Dat betekent bijvoorbeeld dat nog steeds een natuurvergunning nodig kan zijn voor de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door het verkeer op een aan te leggen weg. AERIUS Calculator 2022 Hieronder worden de resultaten van de AERIUS-berekening weergegeven. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2022. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2024, omdat uitgegaan wordt dat de woningen uiterlijk dan pas bewoond kunnen worden. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlage bij deze rapportage behoort het AERIUS analysebestand (pdf) met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de gebruiksfase van de beoogde situatie. Voor de rekenresultaten en invoergegevens wordt verwezen naar Bijlage 3 AERIUS berekening. Aanlegfase De totale NOx-emissie in de aanlegfase bedraagt 63,7 kg/j.
De totale NH3-emissie bedraagt 2,4 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie in de gebruiksfase bedraagt 5,2 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,6 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aan de Tulenstraat 1 te Breedenbroek komt er NOx en NH3 vrij. Door de uitvoering van de voorliggende AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx en NH3 plaats in Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Geacht wordt dat een nader onderzoek niet noodzakelijk is. De AERIUS Calculator 2022 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen.
De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling Soortenbescherming Voor het plangebied wordt een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeken op de aanwezigheid van huismussen en vleermuizen is opgestart met het najaarsonderzoek voor de vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen moet volgens protocol gebeuren in het voorjaar en in het najaar.
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
29
Uit de quickscan komt naar voren dat er in het plangebied uitsluitend algemene soorten vaatplanten zijn aangetroffen. Beschermde muurflora is niet aangetroffen. De conclusie is dat de Wet natuurbescherming voor de soortgroep flora niet wordt overtreden. Er is geen nader onderzoek nodig. Voor wat betreft de fauna blijkt uit de quickscan dat wat betreft de soortgroep broedvogels de Wet Natuurbescherming mogelijk overtreden. Het gaat om de volgende soorten: huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw en kerkuil. Indien de woning en het achterhuis/grupstal worden gesloopt dan is nader onderzoek nodig. Worden deze beide niet gesloopt, dan is alleen onderzoek noodzakelijk naar de kerkuil en eventueel de boerenzwaluw, indien er geen alternatieve verblijven kunnen worden gerealiseerd. Voor wat betreft de vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen wordt de Wet natuurbescherming mogelijk overtreden. Daarvoor is nader onderzoek noodzakelijk. Nader onderzoek In 2021 en 2022 is er nader onderzoek gedaan naar vleermuizen, de huismus, huis- en boerenzwaluw en de kerkuil. Dit onderzoek is uitgevoerd door Foreest Groen Consult BV (d.d. september 2022). Het onderzoek is als bijlage bij de toelichting toegevoegd Bijlage 7 Nader onderzoek huismus, kerkuil, zwaluw en vleermuizen.
Uit dit onderzoek komt naar voren dat voor de vleermuizen het slopen van de gebouwen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor wat betreft vaste rusten verblijfplaatsen. Voor wat betreft het foerageergebied, het massawinterblijf en de vliegroutes van de vleermuizen, leiden de herontwikkeling en sloop niet tot een overtreding van de Wnb. Voor wat betreft de huismus leiden het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling tot een overtreding van de Wnb. Voor de huiszwaluw en de boerenzwaluw is een omgevingscheck noodzakelijk, omdat het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling mogelijk leiden tot een overtreding van de Wnb. De sloop van de gebouwen en de herontwikkeling leiden niet tot een overtreding van de Wnb met betrekking tot de kerkuil en evenmin voor de steenuil. Geadviseerd wordt om direct voorafgaande aan de werkzaamheden het plangebied en directe omgeving te controleren op aanwezigheid van dieren. Als deze er zijn, dan deze dieren de kans geven om zich in veiligheid te brengen. Ook tijdens de werkzaamheden dient er rekening met de dieren te worden gehouden. Eén of twee nestkasten voor de steenuil zou een waardevolle aanvulling zijn Verder wordt geadviseerd om voor de gewone dwergvleermuis en de huismus een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen.
Door tijdig ontheffing te vragen, kunnen er tijdig met de mitigerende maatregelen worden begonnen. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die bepaalt dat er niet gesloopt mag worden voordat de ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend. Conclusie Het aspect 'flora en fauna' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
30
het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 de archeologische, cultuurhistorische waardenkaart en erfgoedverordening vastgesteld. Voor de gehele gemeente is een archeologische en cultuurhistorische inventarisatie laten uitvoeren, dat is vertaald naar een archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Daarop is de archeologische maatregelenkaart gebaseerd. Toets Hieronder zijn uitsnedes van de verwachtingenkaart en de maatregelenkaart weergegeven met daarop aangegeven het plangebied.
Figuur 4.4: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Oude IJsselstreek)
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
31
Figuur 4.5: Maatregelenkaart (bron: gemeente Oude IJsselstreek) De planlocatie Tulenstraat 1 in Breedenbroek ligt in een gebied met een 'lage archeologisch verwachtings'-waarde. Op de maatregelenkaart is de locatie aangegeven als categorie 7 met een lage archeologische verwachting. Dit betekent dat er geen onderzoek verricht hoeft te worden, er geldt geen vergunningplicht. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Hieronder zijn fragmenten weergegeven van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek.
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
32
Figuur 4.6: Waardevaste bovengrondse cultuurhistorische objecten
Figuur 4.7: Waardevolle bovengrondse cultuurhistorische objecten
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek kan worden
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
33
afgeleid dat er zich geen waardevaste noch waardevolle bovengrondse cultuurhistorische objecten bevinden in de directe omgeving van het plangebied. Het voorhuis van de boerderij/woning met karakteristieke elementen blijft behouden. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer / parkeren
Verkeer De CROW publicatie "Toekomstbestendig parkeren' (CROW 381, 2018) is veelal een basis voor de verkeer- en parkeercijfers. Het nieuwe plan komt met betrekking tot verkeer en parkeren het dichtst bij een verpleeghuis, vanwege het feit dat het om zorg gaat en de bewoners zelf niet over een auto beschikken. In deze publicatie zijn voor verpleeg-/verzorgingstehuizen geen kengetallen opgenomen voor verkeersaantallen waarmee gerekend kan worden. Het meest vergelijkbaar is een serviceflat waar voor de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van maximaal 3,0 verkeersbeweging per dag. Voor 30 zorgstudio's zou dat in totaal maximaal 90 verkeersbewegingen zijn. Dan is uitgegaan van het worst-case scenario. Zoals aangegeven hebben de bewoners geen auto, of misschien een enkeling, en zal het aantal bewegingen in de praktijk minder zijn. Conclusie De locatie aan de Tulenstraat 1 wordt ontsloten via de Tulenstraat, die na 200 meter uit komt op de Terborgseweg (provinciale weg). Een toename van 90 verkeersbewegingen kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren De genoemde CROW publicatie kan eveneens gehanteerd worden voor parkeercijfers. Deze publicatie kent geen kencijfers voor parkeren bij 'verpleeghuizen' in het buitengebied, daar wordt "n.v.t." aangegeven.
De CROW-stedelijkheidscategorie van Oude IJsselstreek is voor het buitengebied 'niet stedelijk' In het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (GVVP) 2012-2020 zijn parkeernormen opgenomen voor de gemeente. Er zijn geen specifieke normen opgenomen voor het buitengebied. Daarom is uitgegaan van de normen voor 'rest bebouwde kom'. Voor een verpleeghuis geldt een norm van minimaal 0,5 en maximaal 0,7 parkeerplaats per wooneenheid. Met 30 zorgstudio's komt de berekening uit op minimaal 17 parkeerplaatsen De bewoners verblijven in een niet-zelfstandige studio en zullen vanwege hun begeleiding zelf niet over een auto beschikken, maar het personeel wel. Conclusie Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om 17 parkeerplaatsen te realiseren. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
34
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
Opbouw van de regels In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin aan de orde komen: de inleidende regels; de bestemmingsregels; de algemene regels; de overgangs- en slotregels. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmigsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt kan worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
35
specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven.
Een voorbeeld is regels ter bescherming van de Groene Ontwikkelingszone; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.
Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. Bestemmingen Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Agrarisch De bestemming 'agrarisch' is opgenomen voor het gedeelte van het plangebied dat agrarisch blijft. Het gaat om een agrarische bestemming zonder bouwvlak.
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
36
Maatschappelijk De bestemming 'maatschappelijk' kan voor meer voorzieningen worden opgenomen zoals een school, kerk of zorgfunctie. Dit zijn functies die zijn bedoeld voor de samenleving. De wijze van bestemmen is specifieker en geeft aan de voorziening een specifieke aanduiding. Hier is de aandudiing voor een zorgboerderij opgenomen. In de regels is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van het landschappelijke inpassingsplan.
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
37
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
38
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Gelderland De provincie Gelderland heeft gereageerd op deze herontwikkeling in haar advies van 19 april 2023. Vanuit de belangen Natuur en Klimaatadaptatie heeft de provincie advies uitgebracht, om deze belangen voldoende mee te wegen. Vanuit het belang Wonen geeft de provincie aan dat ze positief zijn over dit plan. Het landschapsplan is uitgebreid met een beeld van de historie van het ontstane landschap waarin de planlocatie ligt, daarbij aangegeven de kenmerken van het landschap. De bestaande situatie is weergegeven met daarbij de bestaande beplanting.
De landschappelijke inpassing van de nieuwe situatie is weergegeven en waarom deze keuzes zijn gemaakt. Tevens is opgenomen welke maatregelen, dus soorten beplanting, aantallen en maatvoering zulen worden uitgevoerd. Deze zijn via een voorwaardelijke verplichting verbonden aan de regels van dit bestemmingsplan. Voor wat betreft klimaatadaptatie kan worden aangegeven dat de voorziene landschappelijke inpassing een bijdrage kan leveren aan het tegengaan van hittestress. Tevens draagt de opvang van hemelwater op eigen terrein bij aan tegengaan van droogte, het hemelwater blijft namelijk langer op eigen terrein ten gunste van de aanwezige beplanting. Waterschap Rijn en IJssel Op 27 augustus 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Rijn en IJssel. Daaruit blijkt dat er wel een waterbelang is en de normale procedure kan worden doorlopen. Daarin wordt het advies gegeven contact op te nemen met het waterschap. Naar aanleiding van contact is de waterparagraaf van het waterschap opgenomen. Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG) Deze ontwikkeling is voorgelegd aan de VNOG waarbij de Brandweer ook de GHOR haar advies uitgebracht. Het advies van de VNOG is als bijlage Advies VNOG bijgevoegd. Daarbij zit een verschrijving in de paragraaf over bereikbaarheid m.b.t. de toegangsweg.
Hieronder de correcte tekst: De weg moet geschikt zijn voor de voertuigen van de brandweer. In het Bouwbesluit zijn eisen gesteld aan de toegangsweg. Artikel 6.37 lid 3 van het Bouwbesluit geeft de volgende eisen aan voor de toegangsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 meter; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter, en d. een doeltreffende afwatering. Directe omgeving en buurt Er heeft een aantal keren overleg plaatsgevonden in de vorm van informatiebijeenkomsten, overleggen tussen de gemeente en het buurtcomité (vertegenwoordigers van de buurt) en Woonzorgnet. Op 19 augustus 2022 heeft was er een informatieavond voor de buurtbewoners, het verslag van deze avond is gedeeld met hen. De overleggen hebben geleid tot afspraken die zijn vastgelegd in het sociale veiligheidsplan/ buurtbeheersplan. Voorafgaan aan de opening zullen er drie overleggen plaatsvinden tussen
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
39
buurt, de gemeente en Woonzorgnet. Ook zal nadere afstemming plaatsvinden over frequent overleg wanneer locatie in gebruik is. (zie Bijlage 8 Sociaal veiligheidsplan. De locatie wordt specifiek bestemd als zorgboerderij, geen brede maatschappelijke bestemming.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 15 juni 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn 7 zienswijzen binnengekomen. In de bijgevoegde Bijlage 10 Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen zijn deze zienswijzen beoordeeld.
bestemmingsplan Buitengebied locatie Tulenstraat 1 Breedenbroek NL.IMRO.1509.BP000192-VA01
40