BP_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan "Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde"
Bezoekadres Postadres
Rombou : Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle : Postbus 432, 8000 AK Zwolle
Datum
:
Status Projectleider Telefoon E-mail
: ontwerp : : 08 8236 8236 : info@rombou.nl
Inhoudsopgave Toelichting
Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Ligging plangebied
5
1.3
Vigerend bestemmingsplan
6
1.4
De bij het plan behorende stukken
7
1.5
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Beschrijvingvan het plan
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Beoogde situatie
11
Hoofdstuk 3
Beleid
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal beleid
17
3.3
Regionaal beleid
20
3.4
Gemeentelijk beleid
22
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
29
4.1
Milieuzonering
29
4.2
Geluid
31
4.3
Bodem
34
4.4
Luchtkwaliteit
35
4.5
Externe veiligheid
36
4.6
Water
40
4.7
Ecologie
41 3
4.8
Erfgoed
45
4.9
Verkeer en parkeren
46
4.10
Besluit milieueffectrapportage
47
Hoofdstuk 5
Juridische planopzet
50
5.1
Plansystematiek
50
5.2
Toelichting op de regels
50
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
53
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
53
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
Bijlage bijd e t o e l i c h t i n g
Bijlage 1
Landschappelijkinpassingsplan
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3
Quickscanflora & fauna
Bijlage 4
Stikstofberekening
Bijlage 5
Watertoets
Bijlage 6
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.
4
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens het agrarische perceel op de locatie Egginkstraat 12 te Silvolde te herontwikkelen naar woningbouw om verrommeling van het landschap tegen te gaan. Het erf bestaat uit een boerderijwoning, een voormalige varkensschuur, een rundveestal en bij het agrarische bedrijf behorende bijgebouwen. Het plan is om de schuren te slopen en een tweede vrijstaande woning op het erf te realiseren en het geheel landschappelijk in te passen. Het erf is op dit moment bestemd als 'Agrarisch' met de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestemmingsplan gezien het agrarisch bedrijf stopt en een woning wordt toegevoegd, waardoor het geheel naar een woonbestemming moet worden herbestemd. Voor deze ontwikkeling is geen wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan opgenomen. Derhalve moet het bestemmingsplan worden herzien. 1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de Egginkstraat 12 in het buitengebied van Silvolde, ten noorden van de dorpskern. Het plangebied, behorend bij gemeente Oude IJsselstreek, staat kadastraal bekend als kadastrale gemeente Wisch, sectie B, nummer 1401. Afbeelding 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer. Voor de exacte ligging en begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding van dit plan.
Toelichting
5
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied t.o.v. Silvolde 1.3
Vigerend bestemmingsplan
Buitengebied Oude IJsselstreek 2017 Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017”. In dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd als 'Agrarisch' met de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. Over het hele plangebied ligt een bouwvlak. In het zuidelijke gedeelte van het plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische Verwachting 1'. In de navolgende afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het onderhavige plan weergegeven.
6
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
Afbeelding 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan gezien het agrarisch bedrijf stopt, waardoor het geheel naar een woonbestemming moet worden herbestemd. Het is bij recht tevens niet toegestaan een tweede woning toe te voegen op het perceel. Tevens is er voor deze ontwikkeling geen wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan opgenomen. Dit is de reden dat het bestemmingsplan moet worden herzien. 1.4
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan "Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde" bestaat uit de volgende stukken: toelichting; verbeelding, schaal 1:1.000 (tek. no. NL.IMRO.1509.BP000234-ON01) regels. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het plan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze Toelichting
7
bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het plan. 1.5
Leeswijzer
De toelichting van dit plan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling
(wat, waarom, waar, hoe). Na dit inleidende hoofdstuk volgt in
hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande en de beoogde situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde
milieu-
en omgevingsaspecten
zoals
geluid,
externe
veiligheid,
luchtkwaliteit, ecologie en water wordt in dit hoofdstuk beschreven dat de ontwikkeling die voorliggend plan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de plansystematiek en de opzet van de regels. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan 2.1
Huidige situatie
De locatie Egginkstraat 12 in Silvolde bestaat uit een bedrijfswoning (nr. 12) met bijgebouwen, een voormalige varkensschuur, een rundveestal en diverse voeropslagen en een mestbassin. De meeste gebouwen zijn voorzien van een asbestdakbedekking.
Er is vergunning voor het houden van 28 melkkoeien.
Momenteel worden er geen dieren meer gehouden. De directe omgeving kenmerkt zich als een agrarisch gebied met relatief veel burgerwoningen. De kom van Silvolde ligt op circa 1 km afstand. Het dichtst bijgelegen agrarisch bedrijf (rundvee) ligt in noordwestelijke richting op 125 m afstand. De locatie wordt samen met de naastgelegen locaties Egginkstraat 8-10-10a ontsloten via een oprijlaan vanaf de Egginkstraat. De schuren hebben een gezamenlijke oppervlakte van 1.610 m² (1.180 m² + 430 m²). Onderstaand in afbeelding 2.1 een luchtfoto van de locatie. In afbeelding 2.2 wordt de verschillende soorten bebouwing geduid.
Toelichting
9
Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied
Afbeelding 2.2: Luchtfoto huidige situatie van de bebouwing in het plangebied Legenda: 1 = bedrijfswoning 2 = bijgebouwen/opslag (90 m²) 3 = mestbassin 4 = ligboxenstal (1.180 m²) 5 = varkensstal (430 m²) 6 = voeropslagen
10
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
2.2
Beoogde situatie
Initiatiefnemer is voornemens het plangebied een kwaliteitsimpuls te geven. De voormalige agrarische bebouwing wordt gesloopt. Er wordt een totaal van 1.610 m² aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt (twee stallen). De bestaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning blijven behouden. In ruil hiervoor wordt een nieuwe woning met bijgebouw (150 m²) opgericht. Per woning is 150 m² aan bijgebouwen toegestaan. In deze situatie komt er in totaal 300 m² aan bijgebouwen te staan op het perceel. Tevens worden de voeropslagen en het mestbassin weggehaald. Hoewel dit kwaliteitswinst oplevert, telt dit niet mee in de bepaling van de sloopoppervlakte. Opgesomd vindt het volgende plaats; 1. sloop 1.610 m2 ontsierende en asbesthoudende gebouwen; 2. nieuwbouw woning; 3. nieuw te realiseren bijgebouw(en) bij de nieuwe woning; 4. uitgebreide landschappelijke inpassing. De nieuw te bouwen woning wordt een levensloopbestendige woning. Deze bestaat uit een woning van twee bouwlagen. De woning wordt gebouwd met vurenhout en op de eerste verdieping komt een kap van dakpannen. Op de begane grond kan gelijkvloers worden gewoond en de eerste verdieping dient als opslagruimte. In onderstaande afbeelding 2.3 is een situatietekening van de beoogde situatie weergegeven.
Toelichting
11
Afbeelding 2.3: Beoogde situatie plangebied Landschappelijke inpassing De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast aan de hand van het landschapsplan zoals weergegeven in Bijlage 1. Aan de noordzijde van de locatie zit al een forse groenstructuur. Deze blijft gehandhaafd als buffer tussen de naastgelegen woonlocatie. Er wordt achter de nieuwe woning een hoogstamfruitboomgaard aangelegd en tevens een struweelsingel van 250m lang rondom een groot deel van het erf. Het noordoostelijke en oostelijke deel het erf met naastgelegen grond wordt beheerd als wild- en fauna-akker wat een zeer grote meerwaarde heeft voor de biodiversiteit. Aangezien er bijenkasten aanwezig zijn op de locatie is dit eveneens een mooie combinatie. In de nieuwe situatie blijft de ontsluiting gelijk. Er wordt geen toegangsweg of inrit toegevoegd. In 4.4.3 in de regels is een voorwaardelijke verplichting met betrekking tot het landschappelijk inpassingsplan opgenomen.
12
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI), vastgesteld op 11 september 2020, biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten; ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.
In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen Toelichting
13
wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking plangebied In dit geval is er sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), vastgesteld op 1 oktober 2012, voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken. Deze regels zijn alleen opgenomen voor de gebieden of onderwerpen waar de nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: 'Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied,
Defensie,
Nederlands
uitzonderlijke
universele
waarde,
Natuurnetwerk,
Hoofdwegen
en
Erfgoederen
van
hoofdspoorwegen,
elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied'. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het
niveau
van
de
lokale
besluitvorming.
Bij
besluitvorming
over
bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied In dit geval is er sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in het Barro.
14
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een
bedrijventerrein
of
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel,
woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen
van
een
omgevingsvergunning
voor
het
afwijken
van
een
bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Doorwerking plangebied Bij voorliggend plan wordt één woning gerealiseerd. Dit is minder dan 11 woningen, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de behoefte van de ontwikkeling niet hoeft te worden aangetoond. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame ontwikkeling niet zorgt voor belemmeringen bij voorliggend plan.
Toelichting
15
3.1.4
Nationale woon- en bouwagenda
In de Nationale woon- en bouwagenda, vastgesteld op 11 maart 2022, worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale woon- en bouwagenda is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland. De beschikbaarheid van woningen staat flink onder druk. De verwachting is dat er voor 2024 een tekort zal zijn van 317.000 woningen. Om dit tekort tegen te gaan is het doel van de overheid om voor het jaar 2030 900.000 woningen te realiseren. De overheid wil dit doen door de regie op de volkshuisvesting weer in eigen hand te nemen. Dit houdt in dat de overheid lijnen en normen stelt als het gaat om woningbouw. Omdat de overheid dit maatschappelijke probleem niet alleen kan oplossen, blijven ook gemeenten, corporaties en marktpartijen een rol spelen. Het initiatief tot woningbouw mag dus overal vandaan komen. De woonopgave kan niet los worden gezien van opgaven op het gebied van bereikbaarheid, klimaatadaptatie,
bedrijvigheid,
verduurzaming
landschappelijke
kwaliteit,
van
de
energievoorziening,
een
gezond
leefmilieu
en
natuurontwikkeling. Deze opgaven hebben invloed op wat er waar moet worden gerealiseerd. Vanwege het gewenste (hoge) tempo betekent dit dat waar nodig ook buitenstedelijk moet worden gebouwd. Hoewel versnelling nodig is, moet ook op de kwaliteit van het nieuwe aanbod worden gelet. Hierbij is expliciet aandacht voor de leefbaarheid. Circulair en natuurinclusief bouwen met oog voor luchtkwaliteit en veiligheid zijn hierin belangrijk. Dit om ervoor te zorgen dat Nederland voorbereid is op weersextremen in de toekomst. Doorwerking plangebied Bij voorliggend plan wordt op de locatie een extra woning gerealiseerd die meehelpt in de woningopgave die er ligt. In dit plan zal er verharding verdwijnen en groen worden toegevoegd wat maakt dat er bij dit plan aandacht is voor klimaatadaptief en kwalitatief bouwen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het plan aansluit op de Nationale woon- en bouwagenda.
16
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
3.1.5
Conclusie
Met de realisatie van voorliggend plan worden wat betreft de Nationale omgevingsvisie, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Ladder voor duurzame verstedelijking geen nationale belangen geraakt. Verder sluit het beleid aan op de Nationale woon- en bouwagenda. Er wordt namelijk een woning toegevoegd in een tijd van woningtekort. Het plan voldoet daarmee aan het Rijksbeleid. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Gelderland
Het provinciale beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De visie is vastgesteld door Provinciale Staten op 19 december 2018. Het treedt in werking op 1 maart 2019. In de omgevingsvisie wordt beschreven wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om het Gelderland van nu door te kunnen geven aan de volgende generaties. De provincie zet daarom een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Met ‘Gezond en veilig’ wordt een gezonde leefomgeving met schone en frisse lucht, een schoon milieu, voldoende schoon en veilig (drink)water en de bescherming van flora en fauna bedoeld. Daarnaast wordt ermee bedoeld dat de provincie is voorbereid
op
klimaatverandering,
zoals
hitte,
droogte,
bosbranden
en
overstromingen. ‘Schoon en welvarend’ betekent dat de provincie een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat kent, dat goed bereikbaar is en een goed functionerende arbeidsmarkt heeft met daarbij behorende goede kennisen onderwijsinstellingen. Het betekent ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen en het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Aan deze ambitie worden met behulp van de volgende zeven onderwerpen nader richting gegeven: Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie; sluiten van kringlopen. Toelichting
17
Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Economisch vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. 3.2.2
Omgevingsverordening Gelderland
De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, wordt de focus bij het uitvoeren van de taken op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland gelegd. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen. In artikel 2.65b van de regels heeft de provincie een aantal punten met betrekking tot klimaatadaptatie vastgesteld. Hierin staat dat bij een nieuwe ontwikkeling moet worden onderbouwd hoe de gevolgen van klimaatverandering worden voorkomen of beperkt. De aspecten die hierbij betrokken moeten worden, zijn: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. 3.2.3
Gelders Klimaatplan 2021-2030
Het Gelders Klimaatplan 2021-2030 schetst de ambities van de provincie Gelderland met betrekking tot klimaatadaptiviteit en duurzaamheid. Als grote ambitie stelt de provincie dat zij in 2030 55% minder broeikasgassen willen uitstoten ten opzichte van 1990. Dit is een eerste tussenstap om in 2050 volledig klimaatneutraal te zijn. Voor de aanpak maakt de provincie onderscheid in 5 domeinen; a. gebouwde omgeving; b. mobiliteit; c. industrie en bedrijven; d. landbouw en landgebruik; e. elektriciteit (duurzame energieopwekking). Wat betreft de gebouwde omgeving heeft de provincie de ambitie om voor 2030 200 toekomstig bestendige wijken en 6 aardgasvrije proeftuin wijken te realiseren. 18
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
Daarnaast moet er geïnvesteerd worden in de verduurzaming van 11.000 huurwoningen. Als ambitie met betrekking tot het opwekken van duurzame elektriciteit moeten voor 2030 grootschalige zonne- en windenergieprojecten gerealiseerd zijn. Wat betreft landbouw moet efficiënter omgegaan worden met de beschikbare ruimte en moet de uitstoot van CO2 fors omlaag. Verder wil de gemeente investeren in natuurinclusieve landbouw, koolstofopslag in de bodem en nieuw beleid met betrekking tot de vele bomen in de provincie. De provincie gaat inzetten op meer zonne- en windenergie. Daarnaast wordt meer geïnvesteerd worden in geo, aqua en rioolthermie. De provincie gaat dit doen in samenwerking met de regio's zodat er een goede verdeling wordt gemaakt voor de verdeling van de opwek van duurzame energie. Doorwerking plangebied In voorliggend plan heeft het huidige plangebied een vergunning voor het houden van 28 melkkoeien. In de beoogde situatie wordt deze agrarische functie opgeven en wordt er een duurzame woning gerealiseerd. Het Landschappelijk inpassingsplan laat zien dat op de plek van de te slopen stallen bomen aangeplant worden. Dit sluit aan op de ambities van de provincie om de CO2 uitstoot terug te dringen en efficiënter om te gaan met de beschikbare ruimte. Geconcludeerd kan worden dat dit plan aansluit op het Gelders Klimaatplan. 3.2.4
Conclusie
Voorliggend plan betreft de sloop van voormalige agrarische bebouwing en de realisatie van een woning. Daarnaast wordt de voormalig bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Beide woningen krijgen een bijgebouwen van max 150 m2. Op de visiekaarten en kaarten behorend bij de verordening heeft het plangebied geen aanduidingen die belemmerend kunnen zijn voor de uitvoering van voorliggend plan. Ook sluit het plan aan op de eisen en het beleid met betrekking tot klimaatadaptatie en duurzaamheid. Onder de Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 wordt verder ingegaan op de regionale woonagenda en de daarin gemaakte afspraken. Dit plan is in lijn met de Omgevingsvisie Gelderland en Omgevingsverordening Gaaf Gelderland.
Toelichting
19
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012
In de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012, vastgesteld op 22-05-2012, zijn verschillende speerpunten gesteld die dienen als basis voor het ruimtelijk beleid: omgaan met krimp; externe relaties; veranderingen in het landelijk gebied; overstap naar duurzame energie. De dominante ontwikkeling in de Achterhoek voor het ruimtelijk beleid is de bevolkingsdaling. De grootste uitdaging ligt in het faciliteren van benodigde aanpassingen als gevolg van krimp. Het ruimtelijk beleid moet ingaan op de keuze tussen spreiding of concentratie. Er moet steeds gekeken worden naar de actuele behoefte. De externe relaties hebben te maken met de connectie tussen de Achterhoek en omringende gebieden. In feite ligt de Achterhoek strategisch tussen economisch beter ontwikkelde gebieden. Door in te zetten op het creëren van voldoende
werkgelegenheid
en
het
aansluiten
bij
de
economische
en
kennisontwikkeling ontstaan er kansen voor de Achterhoek als aantrekkelijk woonen werkgebied en als recreatief inloopgebied. In de Achterhoek is de landbouw een van de belangrijkste elementen uit het buitengebied. Er dient een balans gevonden te worden tussen ondersteuning van de landbouw en landschappelijke kwaliteiten. Ingrepen in het landelijk gebied moeten bevorderend zijn voor de regionale economie en de leefbaarheid. Daarnaast heeft de Achterhoek heeft als doel uiteindelijk te komen tot een 100% duurzame energieopwekking. Doorwerking plangebied Ondanks dat er in deze Regionale Structuurvisie staat dat de regio te maken krijgt met een daling van het aantal inwoners, laten cijfers van het CBS zien dat alle gemeenten in de Achterhoek in 2022 te maken hebben gehad met een bevolkingsgroei. Ook laat de Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030, vastgesteld op 4 maart 2023, zien dat er sprake is van een huizentekort. Hieruit kan opgemaakt worden dat het realiseren van een extra woning aansluit op de huidige situatie. In voorliggend plan worden landschapsontsierende stallen gesloopt en wordt een nieuwe woning op bestaand erf gebouwd. Dit komt de ruimtelijke kwaliteit van het 20
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
gebied ten goede. De beplantingselementen die worden toegevoegd versterken de landschappelijke kwaliteit binnen het plangebied. De mogelijkheden voor omliggende agrarische bedrijven worden niet aangetast door deze wijziging. Geconcludeerd kan worden dat het beleid aansluit bij de geplande ontwikkeling. 3.3.2
Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030
In de Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030, vastgesteld op 4 maart 2023, is het plan om het beleid en de ambities van de regio's te verbinden waarbij ook het lokale, regionale, provinciale en nationale beleid zijn meegenomen. Hierin is met name aandacht voor het woningtekort en de kwaliteit van wonen in de Achterhoek. De centrale boodschap van de woonagenda is: 'Goed wonen in een vitale regio'. Dit betekent een groene, ruime en gezonde woonomgeving in vitale en zorgzame gemeenschappen. Hierin zit een breed palet van hoogwaardige stedelijke, dorpse en landelijke woonmilieus. Wonen is meer dan een dak boven het hoofd. Goed wonen is onlosmakelijk verbonden met de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, leefbaarheid, klimaatadaptatie, voorzieningen en bereikbaarheid. Werken aan woonopgaven betekent werken aan de woonomgeving. Doorwerking plangebied Voor de Achterhoek is de kwaliteit van de fysieke leefomgeving onlosmakelijk verbonden met woningbouw. Dit is ook terug te zien in voorliggend plan waar naast het realiseren van een extra woning ook aandacht is voor de ruimtelijke kwaliteit van het erf. De woning wordt gerealiseerd in samenhang met een groene omgeving die de leefbaarheid ten goede komt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het plan aansluit bij de Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030. 3.3.3
Conclusie
Onderhavig plan vormt geen belemmering voor de ambities en doelstellingen uit het regionaal beleid. Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen het regionale beleid.
Toelichting
21
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025
De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente en laat in grote lijnen zien hoe de gemeente Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Naast het motto “de juiste woning op de juiste plaats”, spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling versterkt het lokale woningaanbod, daarbinnen specifiek voor senioren waar de behoefte voor nieuwe woningen het grootst is. De bestaande woning wordt verkocht als levensloopbestendige woning. Het betreft een toevoeging van één enkele woning. Dit betekent dat er een kleine verandering ten opzichte van de bestaande woningvoorraad plaatsvindt, waardoor de kleine schaal van de dorpen en de kwaliteit van het Achterhoekse landschap bewaard blijven. 3.4.2
Toekomstvisie Oude IJsselstreek
De Toekomstvisie Oude IJsselstreek is in werking vanaf 12 november 2020. De visie is een stuk waarin antwoorden worden gegeven op maatschappelijke uitdagingen voor de toekomst. De gemeente heeft de uitdagingen samengevat in zeven termen; benut de stroom van de Oude IJssel; florerende Smart Industry; vitaal platteland; de allernieuwste energie; groene Parels; gezond oud worden én gezond jong zijn; het Witte Vel. De Oude IJssel en de omgeving kan worden ingezet ten behoeve van het geven van een impuls aan meerdere thema's: recreatie, bedrijvigheid, klimaatadaptatie en wonen. De Smart Industry heeft voornamelijk betrekking op de industriële gebieden 22
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
rond Varsseveld, De Rieze en het DRU Industriepark. Het doel is hier een bereikbaar en bruisend vestigingsklimaat te creëren en werkgelegenheid te vergroten. Omdat gemeente Oude IJsselstreek een plattelandsgemeente is, wordt de landbouwsector bestempeld als cruciaal. Daarnaast moet in de toekomst worden ingezet op versterking en herstel van landschapswaarden en cultuurhistorische waarden. Uiteraard dient er een balans te worden gevonden tussen deze twee doelen voor het buitengebied. Een ander doel voor de toekomst is het inzetten op duurzame en groene energie om uiteindelijk in 2030 energieneutraal te zijn als gemeente. De term Groene Parels staat voor het beschermen van de bijzondere natuurgebieden in de gemeente. Dit varieert tussen landgoederen, oude bossen en andere natuurgebieden. Ook de mens is een belangrijk punt voor de toekomst. Naoberschap en participatie zijn belangrijke thema's in de gemeente zodat een prettige samenleving wordt ontwikkeld. Het Witte Vel staat symbool voor de onvoorziene toekomst. Er moet ruimte blijven om te anticiperen op de veranderende wereld. Doorwerking plangebied Landschapswaarden worden hersteld door het landschappelijk inpassen van het erf. Daarnaast wordt in de Toekomstvisie aangegeven dat gezond oud worden een belangrijk thema is. De nieuwe woning wordt een levensloopbestendige woning die geschikt is voor ouderen.
Dit maakt dat het plan bijdraagt aan het nastreven van de in de Toekomstvisie genoemde doelen. 3.4.3
Oude IJsselstreek Klimaatbestendig - Klimaatagenda 2022-2026
Met betrekking tot klimaatverandering wenst de gemeente Oude IJsselstreek veilig, leefbaar en aantrekkelijk te houden voor toekomstige generaties. Daarom heeft de gemeente op 23 december 2021 de Klimaatagenda 2022-2026 vastgesteld. Aan de hand van vijf pijlers wordt de visie op klimaatadaptatie geformuleerd: Adaptief landelijk gebied Woonkernen gezond en groen Calamiteitenorganisatie Klimaatbestendig ontwikkelen Betrokken en actieve mensen Doorwerking plangebied De term klimaatbestendig ontwikkelen is van toepassing op onderhavig plan, omdat er voorafgaand aan de realisatie rekening is gehouden met zaken die van invloed zijn Toelichting
23
op klimaatadaptatie zoals afwatering en het niet te veel toevoegen van verharding. Daarnaast is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld om te zorgen dat landschappelijke waarden worden versterkt. Het behouden en aanleggen van groenstructuren zorgt voor een klimaatbestendige inrichting van het plangebied. 3.4.4
Woonvisie Gemeente Oude IJsselstreek
De Woonvisie 2018 is vastgesteld in de gemeenteraad van 14 december 2017. Met de Woonvisie wordt een lokale uitwerking van de Regionale Woonagenda geformuleerd, waar mogelijk gebruik makend van de nieuwste inzichten uit het in 2017 uitgevoerde AWLO (Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheids-Onderzoek). De belangrijkste onderwerpen van deze Woonvisie zijn: De sociale huurvoorraad Woonzorg Verduurzaming Woningvoorraad en waarde behoud Doorwerking plangebied In de woonvisie wordt een tekort geconstateerd aan woningen voor (kleine) huishoudens, met name voor starters en senioren. Om aan de toekomstige vraag in de gemeente te voldoen wil de gemeente ruimte bieden aan nieuwe initiatieven die aansluiten bij deze doelgroepen. De beoogde ontwikkeling maakt het mogelijk dat senioren langer kunnen blijven wonen in het buitengebied. In onderhavig plan wordt
daaraan
voldaan,
omdat
de
nieuw
te
bouwen
woning
een
levensloopbestendige woning gaat worden. Een levensloopbestendige woning is geschikt om zelfstandig in te blijven wonen met benodigde hulpmiddelen bij het ouder worden.
24
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
3.4.5
Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek
Op 26 september 2019 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw' vastgesteld. Deze Kwalitatieve toetsingscriteria zijn ook door de overige Achterhoekse gemeenteraden vastgesteld en zijn aanvullend op de eerder in de Regionale Woonagenda 2015-2025 gemaakte afspraken. Binnen de kwalitatieve toetsingscriteria is het voor de individuele gemeenten mogelijk om als verdere uitwerking daarvan lokale kwaliteitscriteria vast te stellen en zo te sturen op gewenste ontwikkelingen op de woningmarkt. Op 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek deze vastgesteld in de notitie 'lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek'. Samen vormen de Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw en de Lokale kwaliteitscriteria het nieuwe kader voor het toetsen van woningbouwplannen. Locaties met leegstaand vastgoed bieden onvoldoende potentieel om in de volledige woningbehoefte voor de komende jaren te voorzien. Het is daarom noodzakelijk om ook te kijken naar onbenutte inbreidingslocaties.
Hiermee wordt gedoeld op niet bebouwde locaties binnen de bestaande bebouwde omgeving (Kombestemmingsplannen), te weten; verdichting op een bestaande kavel met de bestemming 'wonen', het inpassen van woning(en) naast reeds bestaande woning(en); woningbouw in 'gat' in de bestaande stedenbouwkundige structuur op een locatie met een 'rode' bestemming, d.w.z. een bestemming die bebouwing toestaat; verdichting op geschikte groenstructuren met de bestemming 'agrarisch', 'groen' of 'tuin'. De lokale kwaliteitscriteria voor functieverandering van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) in het buitengebied zijn: alleen als de locatie in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek’ (of een opvolger daarvan) ligt; alleen bij een volledige beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteit; er dient minimaal 50% van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt te worden; voor het toevoegen van één woning dient minimaal 750 m² bebouwing te worden gesloopt; voor het toevoegen van een tweede, resp. derde woning dient 1.000 m² Toelichting
25
bebouwing per toe te voegen woning extra te worden gesloopt; het maximaal aantal toe te voegen per locatie bedraagt drie; per woning is maximaal 150 m² aan bijgebouwen toegestaan; er dient sprake te zijn van een zorgvuldige stedenbouwkundige (erfprincipe) en landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een erf- en landschapsinrichtingsplan te overleggen. Uitgangspunt hierbij is de 'één erf-gedachte'. Het erf- en landschapsinrichtingsplan moet binnen 1 jaar na oplevering van de nieuwe woning(en) gerealiseerd te zijn. Doorwerking plangebied Het voorliggend plan valt onder het woningbouwplan 2.4: Functieverandering en hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing (VAB's). Het plangebied ligt in het bestemmingsplan
'Buitengebied
Oude
IJsselstreek
2017'.
De
agrarische
bedrijfsactiviteiten zijn volledig beëindigd en er wordt meer dan 50% van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. In totaal staat er 1.700 m² bebouwing, exclusief de bedrijfswoning. Er wordt 1.610 m² wordt gesloopt. Er wordt ruimschoots voldaan aan de voorwaarde van 50% sloop. Er wordt één woning met bijgebouw toegevoegd waarvoor 1.610 m² wordt gesloopt. Er wordt circa 860 m² meer gesloopt dan nodig is voor het toevoegen van één woning. Deze 860 m² 'rest-meters' worden elders ingezet (680 m2 gaat naar de locatie Geurinkstraat 1b, de rest 'vervalt'). De nieuwe woning zal een bijgebouw krijgen met een maximaal oppervlak van 150 m². De bestaande woning mag ook een bijgebouw van maximaal 150 m² krijgen. Samen is dit een totaal van 300 m² aan bijgebouwen. Dit is in de regels geborgd. De voorgenomen ontwikkeling beschikt over een landschappelijk inpassingsplan waarbij rekening is gehouden met de 'één erf-gedachte', zie Bijlage 1. Hiermee voldoet het voorliggend plan aan de lokale kwaliteitscriteria. 3.4.6
Visie op landschap, natuur en groene kernen
Met de Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen geeft de gemeente richting aan
de
gewenste
en
noodzakelijke
ontwikkeling
van
de
groene
(landschaps)structuren in zowel het buitengebied als in de kernen. Het behouden van de bestaande basiskwaliteit aan landschap en groen in de kernen staat daarbij voorop. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen binnen de gemeente voor de toekomst weer verder versterkt kunnen worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren op dit landschap afkomen. Eveneens 26
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
gaat de visie in op de gewenste vergroening in de kernen en de wijze waarop groen een rol kan spelen in het vergroten van de leefbaarheid. In de visie wordt onder andere ingegaan op perceelsverruiming van agrarische bedrijven. Voor perceelsverruiming zijn spelregels opgezet ter bescherming van bestaande landschappelijke basiskwaliteiten en elementen. Doorwerking plangebied Naast verstedelijking op in- en uitbreidingslocaties zijn woonvormen in het buitengebied mogelijk, vaak na beëindiging van het agrarisch bedrijf, dan wel in combinatie
met
investeringen
in
het
landschap
en
de
natuur.
Voor
functieverandering geldt dat stoppende agrarische bedrijven de agrarische opstallen kunnen slopen om vervolgens maximaal drie woningen op het eigen erf te realiseren. Bij de voorgenomen verandering wordt rekening gehouden met de spelregels omtrent de inpassing van de ontwikkeling. Het voorliggend plan voorziet in de herontwikkeling van een voormalig agrarisch bedrijf binnen de perceelsgrenzen. Er is derhalve geen sprake van perceelsverruiming. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet hierin, zoals in Bijlage 1 is weergegeven. 3.4.7
Welstandsnota
Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota die op 16 september 2011 in werking is getreden. In deze nota is opgenomen met welke aspecten rekening gehouden moet worden bij bouwplannen. Bouwplannen moeten qua
uiterlijke
verschijningsvorm
en
situering
getoetst
worden
aan
het
welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld. Het plangebied is ingedeeld in welstandsniveau 2: 'Overige erven'. Dit bebouwingsthema is van toepassing indien: Op het bouwperceel (zoals bepaald in het bestemmingsplan) meerdere gebouwen zijn gegroepeerd op een erf, dat rondom in het landschap ligt. Geen sprake is van één van de thema’s uit deze nota. Het kan gaan om agrarische bedrijven, maar ook om timmerbedrijven, bouwbedrijven en autobedrijven. Het landschap overheerst het beeld van het buitengebied van de gemeente Oude IJsselstreek. Bebouwing in het buitengebied heeft een historische en/of actuele relatie met de functie van het landschap. Bebouwing in het buitengebied is Toelichting
27
geclusterd op kleinere en grotere bouwpercelen, die verspreid in het landschap voorkomen. Per bouwperceel zijn meerdere gebouwen gegroepeerd op een erf. Bebouwing en erfinrichting vormen met elkaar een samenhangend beeld. Doorwerking plangebied Er is nagedacht over de situering van de woning in relatie tot het erf waardoor een samenhangend beeld wordt gevormd. Er wordt niet direct tot de perceelsgrens gebouwd waardoor er nog ruimte tussen de woning en omliggende percelen is. Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast. Deze inpassing is toegelicht in het Landschappelijk inpassingsplan. De woning past in het al bestaande ensemble en is passend in het buitengebied. Hiermee wordt voldaan aan de genoemde aspecten in de Welstandsnota. 3.4.8
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan voldoet aan het gemeentelijk beleid.
28
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is opgenomen waaraan een toelichting bij een bestemmingsplan moet voldoen. Hierin is onder andere opgenomen dat een toetsing moet plaatsvinden aan de diverse milieuaspecten. In deze paragraaf wordt het plan aan de betreffende milieuaspecten getoetst. 4.1
Milieuzonering
4.1.1
Algemeen
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering” Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woonen leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.
Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering (waaronder een onderzoek naar de feitelijke milieubelastende activiteiten) kan hiervan worden Toelichting
29
afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Tabel 4.1: Richtafstanden en omgevingstype
4.1.2
Beoordeling
Type gebied: buitengebied Kijkend naar deze definitie omschrijving uit de VNG brochure kan de omgeving van de Egginkstraat 12 getypeerd worden als een 'rustig buitengebied'. Nabij het plangebied, bevinden zich hoofdzakelijk agrarische bedrijven en enkele woningen. De omgeving wordt derhalve beschouwd als 'rustig buitengebied'. Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie De te realiseren ontwikkeling betreft geen milieubelastende activiteit. Er hoeft derhalve niet getoetst te worden of omliggende milieugevoelige functies last ondervinden van de woningen als milieubelastende activiteit. Wel dient beoordeeld te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat 30
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
ter plaatse van de woningen in de beoogde situatie. Het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf (rundveehouderij) ligt op 125 m afstand. De richtafstand voor een rundveehouderij is 100 meter in verband met geur. De richtafstand wordt niet overschreden. Dit betekent dat er met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Ook beperkt
de
ontwikkeling
de
omliggende
bedrijven
niet
in
hun
uitbreidingsmogelijkheden. 4.1.3
Conclusie
Richtafstanden worden niet overschreden. Het aspect milieuzonering zorgt niet voor een belemmering voor de realisatie van voorliggend plan. 4.2
Geluid
4.2.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.
Het
akoestisch
onderzoek
moet
uitwijzen
of
de
wettelijke
voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken. Toelichting
31
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art.
41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu 32
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 4.2.2
Beoordeling
Figuur 4.1 Geluid in de omgeving van het plangebied. In het onderhavige plan wordt een gevoelige functie toegevoegd. Figuur 4.1 laat zien dat het plangebied niet in de nabijheid van zogenaamde lawaaimakers is gelegen. Het plangebied is hierin blauw omcirkeld. Ten aanzien van het aspect geluid is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.2.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voorliggend plan.
Toelichting
33
4.3
Bodem
4.3.1
Algemeen
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.3.2
Beoordeling
De voorgenomen ontwikkeling betreft de verandering van een woonsituatie. Op locatie gaat gesloopt en gebouwd worden. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door adviesbureau De Klinker op 1 augustus 2023. Het volledige onderzoek is te vinden in Bijlage 2. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat: de bodem overwegend uit zandlagen bestaat. Het zand is variërend van matig fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig en zwak tot matig humeus; in de ondergrond is de bodem zwak tot matig roesthoudend; op het maaiveld en in de bodem is op zintuiglijke wijze geen bijmenging met asbestverdacht materiaal aangetroffen; plaatselijk is in de bodem een bijmenging van sporen baksteen tot zwak baksteenhoudend aangetroffen. Ter plaatse van de varkensstal kan de hypothese ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ verworpen worden. Ter plaatse van de ligboxenstal dient de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ aangenomen te worden. Echter, overschrijdt de aangetroffen concentratie de interventiewaarde voor asbest niet, derhalve is er geen sanering noodzakelijk. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank kan de hypothese ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van minerale olie’ verworpen worden. Ter plaatse van de bouwlocatie dient de hypothese ‘de bouwlocatie is onverdacht op de aanwezigheid van 34
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
verontreinigingen’ formeel verworpen te worden, de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. 4.3.3
Conclusie
In het verkennend bodemonderzoek zijn geen significante verontreinigingen aangetroffen. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan. 4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Algemeen
In de wet- en regelgeving omtrent de luchtkwaliteit zijn de Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit uitgewerkt. Dit is uitgewerkt in de volgende stukken: 1. Wet milieubeheer 2. Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 3. NIBM (Niet In Betekenende Mate) 4. Besluit gevoelige bestemmingen 5. NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) is bepaald dat luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: de ontwikkeling niet leidt tot het overschrijden of het waarschijnlijk overschrijden van de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wm, en de ontwikkeling per saldo niet zorgt voor een verslechtering van de luchtkwaliteit, en; de ontwikkeling alleen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een toename van de luchtverontreiniging, en; de ontwikkeling niet in strijd is met een vastgesteld programma (het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen). NIBM In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Hierin worden de volgende categorieën genoemd: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; Toelichting
35
woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. 4.4.2
Beoordeling
Het voorliggende plan voorziet in de in de verandering van het type woningen, zonder dat er een toename is van het aantal woningen. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Ter plaatse van het plangebied is bovendien geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.4.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations
en
opslagen
van
bestrijdingsmiddelen.
Daarnaast
zijn
(hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een 36
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.5.2
Beoordeling
Met behulp van de risicokaart is beoordeeld of er risicobronnen in en rond het plangebied aanwezig zijn. In figuur 4.2 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Het plangebied ligt ter plaatse van het blauwe cirkeltje in het midden van onderstaand figuur 4.2.
Toelichting
37
Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart In de nabijheid van het plangebied is geen risicobron gelegen. De meest nabij gelegen risicobron betreft een buisleiding (paarse lijn), gelegen op circa 2,3 km ten zuiden van het plangebied. Deze afstand is dermate groot dat er geen belemmering wordt gevormd. Ten noorden van het plangebied ligt de A18 op circa 2,5 km afstand (oranje lijn) waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Voor toxisch gas is het invloedsgebied 4.000 meter. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied toxisch van de spoorlijn. Omdat de woningen kwetsbare objecten zijn, moet het groepsrisico verantwoord worden. In verband met de ligging buiten de 200-meter-zone volstaat
hiervoor
een
beperkte
verantwoording van het
groepsrisico. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de snelweg geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Daarnaast is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. 38
Buitengebied, locatie Egginkstraat 12, Silvolde
Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Ook het bestrijdbaarheidsvraagstuk speelt op deze afstand van de risicobron niet. Bestrijding vindt plaats bij de bron. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen
het
binnendringen
van
het
toxisch
gas.
Belangrijk
is
wel
dat
luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in deze ruimtelijke procedure. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Opgemerkt is dat de WAS-palen niet het gehele plangebied van De Driehoek dekken. De accounthouder is hierover geïnformeerd. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen,
deuren
en
ventilatie
gesloten
kunnen
worden.
Bij
een
wolkbrandexplosie-scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af. Tijdige alarmering is van groot belang. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden gewaarschuwd en worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings-en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL- alert. Het is tevens verstandig om deel te nemen aan Stan burgerhulpverlening, waarbij ook vrijwillige hulpverleners kunnen worden ingeschakeld bij calamiteit. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.