Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 4 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Toldijk 2 te Sinderen Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0054
Datum:
11 februari 2022 [revisie 25-2-2022]
Samensteller:
i
Collegiale toets:
ing.
Opdrachtgever:
Buro SRO Oost B.V.
Contactpersoon:
E. Stevens
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
9
2.4
Houtopstanden
10
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
20
3.3
Houtopstanden
22
4 Samenvatting
23
4.1
Soortenbescherming
23
4.2
Gebiedsbescherming
23
4.3
Houtopstanden
24
5 Conclusie
25
5.1
Conclusie
25
5.2
Uitvoerbaarheid
25
5.3
Vervolgstappen
25
5.4
Te treffen maatregelen
27
1 Inleiding Aan de Toldijk 2 te Sinderen is een woonerf met een woning, een kapschuur en twee losstaande schuren gesitueerd. Tevens zijn er agrarische percelen naast het woonerf gesitueerd, welke gebruikt worden voor maisteelt en als grasland. De initiatiefnemer is voornemens twee van de bestaande schuren te slopen en een nieuw erf met 3 woningen op de maisakker te realiseren. De planlocatie wordt tevens met groenstructuren en een poel ingericht. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. Gewijzigde ontwikkeling Op basis van de voorliggende beoordeling is besloten de ontwikkeling te wijzigen en één van de te slopen schuren (schuur B) op basis van een grote potentiële natuurwaarde te behouden. In de voorliggende beoordeling zijn beide schuren beoordeeld op basis van het originele plan (beide schuren slopen). In de conclusie wordt verder toegelicht welke vervolgstappen en maatregelen benodigd zijn bij het behouden van de schuur met de grote potentiële natuurwaarde. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden.
Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Toldijk 2 te Sinderen.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Toldijk 2 te Sinderen (figuur 1.2). Op de planlocatie is een woonerf aanwezig met een woning, kapschuur en twee losstaande schuren. De omgeving van de bebouwing heeft een hoog onderhoudsbeeld. Tevens zijn er agrarische percelen naast het woonerf gelegen, welke gebruikt worden als maïsakker en weiland. Ten noorden van het huidige woonerf is een korte kavelsloot gelegen, welke ten tijde van het veldbezoek volledig drooggevallen en volgroeid met grassen was. Binnen de beoogde ontwikkeling worden twee schuren (schuur A en schuur B) gesloopt. De woning en kapschuur blijven in de huidige staat behouden en zijn derhalve niet onderzocht. De te slopen schuren zijn als volgt opgebouwd: • Schuur A: de muren zijn opgebouwd uit stenen welke deels aan de buitenzijde met hout bekleed zijn. Het dak betreft een zadeldak belegd met stormpannen. Onder de dakpannen is dakbeschot, in de vorm van isolatieplaten, aanwezig. • Schuur B: is opgebouwd uit zowel stenen als houten muren. Het dak betreft een zadeldak met stormpannen. Er is geen dakbeschot aanwezig. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Toldijk 2 te Sinderen en omliggende agrarische percelen. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Sinderen. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen, bosschages en vrijstaande bebouwing. Op een afstand van circa 190 m ten noorden van de planlocatie is een spoorlijn gesitueerd. De dichtstbijzijnde snelweg betreft de A18 op een afstand van circa 1,7 km.
5
Figuur 1.3 De te slopen schuren op de planlocatie. Rechts: schuur A. Links: schuur B.
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van schuur A en B en de realisatie van een nieuw erf met 3 woningen. Tevens wordt de planlocatie ingericht middels onder andere het verlengen van een bestaande kavelsloot, realisatie hoogstamfruitboomgaard, kruiden- en faunarijk grasland, waterpoel en bos. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve gewijzigd te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van schuur A en B: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • verlengen bestaande kavelsloot: graafwerkzaamheden; • realisatie 3 woningen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO Oost B.V.).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 31 januari 2022 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; harde regen, 6/8 bewolkt, 5 Celsius en windkracht 5 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
8
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.
Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke 9
ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse.
Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
10
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). De planlocatie betreft een woonerf welke gelegen is naast een maïsakker en grasland. De directe omgeving van het woonerf is deels verhard en heeft een hoog onderhoudsbeeld met kort gemaaid gras. Wegens het hoge onderhoudsbeeld van het woonerf en het functioneel gebruik van de maisakker en grasland worden beschermde planten hier niet verwacht. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, Engels raaigras, maïs, Robertskruid, vogelmuur en tamme kastanje. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, grote bosmuis, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bunzing, das, rode eekhoorn, grote bosmuis en steenmarter. De grote bosmuis komt voor in biotopen met dekking zoals lage begroeiing, bosranden en parken. Het voorkeursbiotoop betreft open eiken- en beukenbossen met een uitgebreide struiklaag en weinig ondergroei. Verblijfplaatsen bekleden ze met bladeren en mos. De planlocatie bestaat hoofdzakelijk uit een maïsakker, weiland en grasveld met hoog onderhoudsbeeld.
Er is geen sprake van beschutte plaatsen en tevens ontbreken plaatsen met veel met bladmateriaal en mos. Het is wegens de afwezigheid van geschikt leefgebied uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie voor de grote bosmuis vervult (zoals functioneel leefgebied, voortplantingsplaats of migratieroute). Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de grote bosmuis zijn uitgesloten. De rode eekhoorn leeft in boomrijke gebieden. Op de planlocatie zijn slechts enkele bomen aanwezig. Nesten van de eekhoorn zijn in deze bomen niet waargenomen. Tevens blijven deze bomen behouden. Waarnemingen van de rode eekhoorn zijn afkomstig uit bosgebieden binnen eens straal van 2 km (NDFF 2012-2022). Het is uitgesloten dat de kleine hoeveelheid bomen op de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de rode eekhoorn. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de rode eekhoorn zijn uitgesloten. De das leeft in gebieden die bestaat uit een combinatie van biotopen. Belangrijke kenmerken van het dassenhabitat zijn aanwezigheid van een groot voedselaanbod, goed vergraafbare grond, voldoende dekking en weinig verstoring (BIJ12 Kennisdocument das, 2017). Op de planlocatie is geen sprake van dekkende structuren of geschikte locaties voor een burcht. 12
De das is op een afstand van circa 150 meter van de planlocatie waargenomen in een bosschage (NDFF 2012-2022). Het is onduidelijk óf, en zo ja welke, functie deze bosschage voor de das vervult. Maïsakkers kunnen gebruikt worden als foerageergebied door dassen. Op de planlocatie is een maïsakker aanwezig. Het is mogelijk dat de das hier sporadisch foerageert. Echter is het uitgesloten dat deze maïsakker een essentiële functie voor de das vervult. In de directe omgeving zijn namelijk diverse maïsakkers aanwezig, waaronder direct naast de bosschage waar de das is waargenomen. Wegens het ontbreken van een burcht, voldoende dekking en sporen van de das is het voorkomen van essentieel leefgebied van de das op de planlocatie uitgesloten. In de beoogde situatie wordt een bosschage op de planlocatie aangeplant. Hiermee wordt de planlocatie mogelijk interessanter voor de das. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de das zijn uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter hebben veelal een voorkeur voor kleinschalige (cultuur-)landschappen met voldoende dekking. De hermelijn, en in mindere mate ook de bunzing, prefereren daarnaast een waterrijke omgeving. Als jachtgebied wordt gebruikt gemaakt van landschapselementen zoals oeverhoekjes, bosjes en hagen. De kleine marterachtigen begeven zich voornamelijk in dichte vegetatie.
Buiten de dekking van de vegetatie zijn kleine marterachtigen kwetsbaar voor predatoren zoals roofvogels, vossen of huiskatten (Bouwens, handreiking kleine marters, 2017). De steenmarter bevindt zich daarnaast ook regelmatig in bebouwing, zoals woningen en schuren. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van marterachtigen zijn beschermd. De planlocatie is gelegen in agrarisch gebied maar structuurrijke landschapselementen als bosjes, hagen, houtwallen en struweel ontbreken op de planlocatie. Daarnaast ontbreekt een waterrijke omgeving, en zijn bunzingen niet binnen een straal van 1,5 km van de planlocatie waargenomen (NDFF 2012-2022) waardoor aanwezigheid van de bunzing onwaarschijnlijk is. Schuur B is toegankelijk voor marterachtigen en hier is één uitwerpsel van een steenmater aangetroffen (figuur 3.1). Tevens is in 2020 op circa 150 meter van de planlocatie een steenmarter waargenomen (NDFF 2020). Hierdoor kan aanwezigheid van een verblijfplaats van de steenmarter in schuur B niet op voorhand worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek dient uit te wijzen of de planlocatie en functie vervult voor de steenmarter (zie Vervolgstappen). De binnenzijde van schuur A is niet toegankelijk voor steenmarters.
Figuur 3.1 In schuur B is een uitwerpsel van een steenmarter aangetroffen. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
13
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn slechts enkele bomen aanwezig. Deze bomen blijven behouden. Enkel de bomen naast schuur A en B zijn geïnspecteerd, in verband met mogelijke schade door de sloopt. Deze bomen bevatten geen geschikt holten, loshangende bastdelen, kieren of andere openingen die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen schuur A en schuur B zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Schuur A is opgebouwd uit stenen muren welke deels aan de buitenzijde met houten schroten bekleed zijn. Het dak betreft een zadeldak belegd met stormpannen. Onder de dakpannen is dakbeschot, in de vorm van isolatieplaten, aanwezig. De houten schroten sluiten strak op de stenen muur aan, waardoor er geen sprake is van een geschikte ruimte of geschikte kierende houtdelen die als verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Ook sluiten de houten daklijsten strak op de bebouwing aan. Tevens zijn er geen open stootvoegen, ventilatieroosters of andere kieren in de stenen muur aanwezig die tot een eventuele open spouwruimte leiden. De ruimte tussen het dak en het dakbeschot betreft circa 10 cm, waardoor er geen sprake is van een nauwe ruimte met geschikt microklimaat.
Tevens lekt het dak op verschillende plaatsen zowel tussen dakpannen en het isolatiemateriaal door, waardoor er eveneens sprake is van een grote invloed door weersomstandigheden. Geconcludeerd kan worden dat zowel de dak- als muurconstructie van schuur A geen functie vervullen voor vleermuizen. De binnenzijde van schuur A is niet toegankelijk voor vleermuizen en tevens zijn in deze schuur geen vlindervleugels of sporen van vleermuizen aangetroffen. Het voorkomen van een eethangplaats, foerageergebied of verblijfplaats van een gewone grootoorvleermuis is in schuur A derhalve uitgesloten. Schuur B is opgebouwd uit zowel stenen als houten muren. Het dak betreft een zadeldak met stormpannen. Er is geen dakbeschot aanwezig. De houten schroten zijn strak op elkaar aangesloten, waardoor er geen sprake is van kieren of andere geschikte verblijfsruimten. Achter de houten schoten is op sommige plaatsen een lage stenen muur aanwezig. Deze bevat een openingen of kieren naar een eventueel aanwezige spouw, waardoor een verblijfplaats in een spouwruimte uitgesloten is. Het dak is opgebouwd en stormpannen en bevat geen dakbeschot. Derhalve kan geconcludeerd worden dat zowel de dak- als muurconstructie van schuur B geen functie vervullen voor vleermuizen. Echter zijn er op de vloer van schuur B veel vlindervleugels aangetroffen van dagpauwogen, huismoeders en één grote vos (figuur 3.2).
De schuur is toegankelijk voor vleermuizen middels een missend houtdeel en ruimte tussen de muren en het dak. Tevens bevat de schuur veel houten balken en is deze gelegen in agrarisch gebied zonder lichtverstoring. Derhalve is het mogelijk dat de schuur gebruikt wordt, of in het verleden gebruikt is, als eethangplaats, foerageergebied of verblijfplaats. Om vast te stellen of schuur B een functie vervult als eethangplaats, foerageergebied of verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie Vervolgstappen).
14
Figuur 3.2 Er zijn houten balken aan de binnenkant van schuur B aanwezig, waar een gewone grootoorvleermuis aan zou kunnen hangen. Tevens zijn er vlindervleugels in de schuur aangetroffen. Naast de mogelijkheid dat de gewone grootoorvleermuis de planlocatie gebruikt als eethangplaats, verblijfplaats of foerageergebied, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vliegroute. De bomen langs de Koninksweg en Tolweg blijven behouden binnen de beoogde ingreep. Er is derhalve geen sprake van het onderbreken van lijnvormige structuren. Aantasting van een vliegroute als gevolg van de beoogde ingreep is derhalve niet aan de orde. Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling op mogelijke overtreding Wnb voor verschillende vleermuissoorten, essentiële vliegroute en foerageergebied.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Nee
Geen geschikte nauwe verblijfruimten in bebouwing
Ruige dwergvleermuis
Nee
Geen geschikte nauwe verblijfruimten in bebouwing
Laatvlieger
Nee
Geen geschikte nauwe verblijfruimten in bebouwing
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Mogelijke foerageerplaats of eethangplaats
Meervleermuis
Nee
Geen geschikte nauwe verblijfruimten in bebouwing en afwezigheid van groot oppervlaktewater in de omgeving.
Rosse vleermuis
Nee
Geen bomenkap
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Essentiele vliegroute
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Ja
Mogelijk van de gewone grootoorvleermuis
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander (NDFF 20122022). Voor de volgende soort geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Het landschap waar de kamsalamander wordt aangetroffen bevat vaak houtwallen, bos of struweel. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebied voor (bron: Ravon). De planlocatie betreft akkerbouwgebied en geschikt voortplantingswater ontbreekt. Op de planlocatie is een drooggevallen en met gras begroeide kavelsloot aanwezig. Deze kavelsloot vervult geen functie voor de kamsalamander. Tevens ontbreken dekkende structuren als bos, struweel en houtwallen. Het voorkomen van essentieel leefgebied van de kamsalamander is derhalve op de planlocatie uitgesloten. In de beoogde situatie wordt er een poel gerealiseerd, waardoor de planlocatie mogelijk meer geschikt voor deze soort wordt. 15
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm en levendbarende hagedis (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De hazelworm komt voor in bosrijke en beschutte gebieden. Het voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis betreft heide en hoogveen, maar de soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden. Beide soorten zijn gebonden aan beschutting en dekking, en zijn waargenomen in bosgebieden binnen een straal van 2 km (NDFF 2012-2022). Beschutting en dekking zijn niet op de planlocatie aanwezig. De planlocatie wordt gekenmerkt door een woonerf met verharding en kort gemaaid gras. Er zijn weinig tuinplanten aanwezig.
De overige delen van de planlocatie betreffen grasland en maïsakker, en worden functioneel gebruikt. Wegens het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van functioneel leefgebied van de levendbarende hagedis en hazelworm op de planlocatie uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Er is een kleine kavelsloot ten noorden van het woonerf gesitueerd. Deze was ten tijde van het veldbezoek drooggevallen en volledig begroeid met grassen. Het is uitgesloten dat deze kavelsloot een functie vervult voor beschermde vissoorten. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2012-2022). In schuur B zijn tijdens het veldbezoek vleugels van vlinders aangetroffen. Soorten waarvan deze vleugels afkomstig zijn betreffen hoofdzakelijk de dagpauwoog en huismoeder. Tevens zijn vleugels van één grote vos gevonden (figuur 3.3). De grote vos is beschermd onder de Wet natuurbescherming.
Het habitat van de grote vos bestaat uit vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en plekken met grote vrijstaande bomen. Dit habitat is niet op de planlocatie aanwezig. Nabij de planlocatie zijn wel meerdere bosschages aanwezig. Het is onbekend of deze bosschages de waardplanten van de grote vos (iep en wilg) bevatten, en daarmee als geschikt leefgebied kunnen functioneren. Aangezien er veel vlindervleugels van algemene vlindersoorten in de schuur zijn aangetroffen, is het goed mogelijk dat dit een eethangplaats van een gewone grootoorvleermuis betrof (of nog betreft). Deze vleermuizen nemen hun prooi mee naar een eethangplaats, waar zij deze vervolgens opeten. Het is dus mogelijk dat de grote vos meegenomen is vanaf zijn habitat naar schuur B, waar deze vervolgens opgegeten is. De grote vos overwinterd hoofdzakelijk in holle bomen of stapels hout. Overwintering in schuren is echter ook mogelijk. De grote vos is een solitair levende en zwerflustige soort. De dichtheid op vliegplaatsen zijn laag en betreffen 6 tot 100 per km2 (bron: Vlinderstichting). Overwintering vindt niet in groepen plaats. Mocht dit individu toch in het verleden overwinterd hebben in schuur B, was dit aannemelijk solitair. Tijdens het veldbezoek (31 januari 2022) zijn er geen overwinterende individuen in de schuur aangetroffen.
Derhalve is het uitgesloten dat de schuur een functie vervult als overwinteringsplaats voor de grote vos. Negatieve effecten op de grote vos als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn derhalve ook uitgesloten.
16
Figuur 3.3 Een vleugel van een grote vos aangetroffen in schuur B. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Vogels De weersomstandigheden waren dermate slecht (harde regen en harde wind) dat er tijdens het veldbezoek geen vogelsoorten zijn waargenomen op of rondom de planlocatie. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).
Schuur B bevat geen dakbeschot waardoor een geschikte ruimte voor een nestlocatie ontbreekt. Schuur A bevat wel dakbeschot in de vorm van isolatieplaten De ruimte tussen het dakbeschot en de dakpannen betreft circa 10cm. Hierdoor is de ruimte tevens toegankelijk voor roofdieren, zoals katten. Daarnaast lekt het dak op meerdere plekken zowel tussen dakpannen als tussen isolatiemateriaal door, waardoor er geen sprake is van een goed klimaat. Doordat de ruimte zo groot is kon deze tijdens het veldbezoek visueel geïnspecteerd worden. Er is slechts één nest aangetroffen, en op basis van de grootte betreft dit aannemelijk een duivennest. Naast een geschikte en veilige nestlocatie ontbreekt tevens foerageergebied. Ter hoogte van de te slopen schuren bevat de planlocatie geen struiken, heesters of andere groenstructuren die beschutting bieden. Wegens het ontbreken van een geschikte nestlocatie en geschikt foerageergebied is het voorkomen van een nestlocatie van de huismus in de te slopen schuren uitgesloten.
17
De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Gezien de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De te slopen schuren zijn laag van hoogte, bevatten geen geschikte invliegopeningen en veilige nestplaatsen en zijn gelegen in agrarisch gebied. Hierdoor ontbreken geschikte nestmogelijkheden voor de gierzwaluw in schuur A en B, kan de aanwezigheid van gierzwaluw in de te slopen schuren uitgesloten worden. In schuur B zijn tijdens het veldbezoek meerdere braakballen en krijtsporen van een steenuil aangetroffen (figuur 3.4). De schuur is toegankelijk voor uilen middels een missend stuk hout in de muurconstructie. Aangezien de schuur geen dakbeschot bevat wordt niet verwacht dat er een nestplaats in deze schuur aanwezig is.
Echter zou de schuur wel een functie als vaste rustplaats kunnen vervullen. Om vast te stellen of de schuur daadwerkelijk een functie voor de steenuil vervult, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie Vervolgstappen).
Figuur 3.4 Een verpulverde braakbal van een steenuil. In de braakbal zijn glimmende keverschildjes aanwezig. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie kan gebruikt worden voor foerageeractiviteiten van roofvogels en uilen. In de beoogde situatie zal de planlocatie grotendeels open blijven, waardoor de planlocatie deze functie blijft behouden. Delen welke nu gebruikt worden als maisakker worden in de beoogde situatie ingericht als kruidenrijk grasland, waardoor dit geschikter wordt als foerageergebied voor uilen en roofvogels. Tevens zijn er voldoende alternatieve graspercelen in de directe omgeving aanwezig welke als foerageergebied gebruikt kunnen worden. Van aantasting van essentieel foerageergebied is derhalve geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek is een nest aangetroffen in schuur A welke aannemelijk behoort tot een duif. 18
Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
19
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 16,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ (figuur 3.5).
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 16,3 km tot het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ (bron: geocontent.rvo.nl). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van twee schuren en de realisatie van een erf met 3 woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art.
2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering):
20
a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (16,3 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt deel uit van een beschermd gebied betreffende de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.6). Aangrenzend aan de planlocatie, op een afstand van 3 meter, is tevens het Gelders Natuurnetwerk gelegen (figuur 3.6). Een bestemmingplan in de Groene Ontwikkelingszone laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling toe als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Dit dient onderzocht te worden middels een GO-toets (zie Vervolgstappen).
Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en de Beschermingszone natte landnatuur zijn op een afstand van respectievelijk 23 km, 22 km en 6,5 km gelegen. Gezien de grote afstand tussen de planlocatie en deze beschermde gebieden is hiervan geen kaartmateriaal vervaardigd. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.6 De planlocatie is gelegen in de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 3 meter ligt het Gelders Natuurnetwerk (bron: gldanders.planoview.nl)
21
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.
22
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar aanwezigheid van essentieel leefgebied en/of foerageergebied en eethangplaatsen van de steenuil, steenmarter en gewone grootoorvleermuis in schuur B. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek voor de sloop van schuur A is niet benodigd. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek Schuur A
Soortspecifiek onderzoek Schuur B
Mogelijke functie planlocatie
art. 3.10
Nee
Ja
Verblijfplaats
art. 3.5
Nee
Ja
Foerageergebied en eethangplaats
art. 3.1
Nee
Ja
Vaste rustplaats
Planten Grondgebonden zoogdieren Steenmarter Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Steenuil Vogels (Algemeen en cat. 5)
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. De planlocatie is wel gelegen in de Groene Ontwikkelingszone. Een GO-toets is derhalve noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
16,3 km
Geen
N.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
3m
Geen
N.v.t.
Groene Ontwikkelingszone
0m
Mogelijk
GO-toets
Weidevogelgebied
23 km
Geen
N.v.t.
Ganzenrustgebied
22 km
Geen
N.v.t.
Beschermingszone natte landnatuur
6,5 km
Geen
N.v.t.
23
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
24
5 Conclusie 5.1
Conclusie Het slopen van schuur A en B, de realisatie van een nieuw erf met 3 woningen en de groene inrichting van de planlocatie aan de Toldijk 2 te Sinderen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Gewijzigde ontwikkeling Het slopen van schuur A, de realisatie van een nieuw erf met 3 woningen en de groene inrichting van de planlocatie aan de Toldijk 2 te Sinderen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Schuur B zal behouden blijven. H
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen schuur B een relevante functie heeft voor de steenuil, steenmarter en de gewone grootoorvleermuis (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, steenuil: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Ontheffingen kunnen verkregen worden als een geldig wettelijk belang aangedragen kan worden. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een GO-toets uitgevoerd te worden.
Hiermee wordt de invloed van de beoogde ontwikkeling op de kernkwaliteiten, ontwikkelingsdoelen en versterking hiervan onderzocht.
5.3 Vervolgstappen Slopenwerkzaamheden schuur A en B: • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar steenuil uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar de steenuil wordt uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode 1 februari t/m 30 april (NGB). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar de gewone grootoorvleermuis uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal 5 gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 1 oktober, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentiële vliegroute. • Voor de beoogde ruimtelijk ingreep dient aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van de steenmarter uitgevoerd te worden. Onderzoek naar de steenmarter wordt uitgevoerd middels cameravallen. De camera’s dienen 6 weken in de actieve periode of 12 weken buiten de actieve periode uitgezet te worden.
25
Realisatie erf met 3 woningen: • Er dient een GO-toets opgesteld te worden om de invloed van de beoogde ontwikkeling op de kernkwaliteiten, ontwikkelingsdoelen en versterking hiervan te onderzoeken. Gewijzigde ontwikkeling Op basis van de grote potentiële natuurwaarde van schuur B zal deze schuur behouden blijven. Voor de sloop van schuur A is geen vervolgonderzoek benodigd. Wel dienen maatregelen in acht te worden genomen zodat de sloopwerkzaamheden van schuur A niet leiden tot negatieve effecten op de potentieel aanwezige beschermde soorten in schuur B. Deze maatregelen staan omschreven in 5.4 Te treffen maatregelen. Voor de realisatie van een erf met 3 woningen blijft de vervolgstap om een GO-toets uit te voeren van toepassing.
26
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Gewijzigde ontwikkeling Op basis van de gewijzigde ontwikkeling dienen extra te treffen maatregelen in acht te worden genomen om nadelige gevolgen voor potentieel aanwezige beschermde soorten in schuur B te voorkomen. Deze betreffen: • De sloopwerkzaamheden van schuur A dienen uitgevoerd te worden buiten de voorplantingsperiode van de steenmarter. De periode waarin de jongen geboren worden tot de jongen zelfstandig zijn betreft de periode maart t/m juni (bron: Zoogdiervereniging). • De sloopwerkzaamheden van schuur A dienen uitgevoerd te worden buiten de kwetsbare voortplantingsperiode van de steenuil. De voorplantingsperiode betreft februari t/m juli (BIJ12 Kennisdocument steenuil, 2017). • De sloopwerkzaamheden van schuur A mogen niet in een periode van vorst uitgevoerd worden. Indien een steenmarter gebruik maakt van schuur B is er in een periode van vorst minder mogelijkheid tot uitwijken.
• De sloopwerkzaamheden van schuur A mogen niet worden uitgevoerd tussen de avondschemer en zonsopkomst. Het gebruik van verlichting dient voorkomen te worden. Geconcludeerd kan worden dat de sloopwerkzaamheden van schuur A uitgevoerd kunnen worden in de periode augustus t/m januari, met uitzondering van een vorstperiode, tussen zonsopkomst en de avondschemer.
27
Bronvermelding Bouwens, S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Kerkuil (Tyto alba) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Steenuil (Athene noctua) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.geocontent.rvo.nl www.gldanders.planoview.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
28
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
Schuur A op de planlocatie wordt gesloopt.
Figuur 2
Schuur B wordt eveneens gesloopt.
29
Figuur 3
Het nieuwe erf met 3 woningen zal gerealiseerd worden op de maïsakker.
Figuur 4
Ten noorden van schuur B (links op deze afbeelding) loopt de korte, drooggevallen en met grassen begroeide kavelsloot. Deze wordt verlengt in de beoogde ingreep.
30
Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
31
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).
De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
32
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het
daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,
industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter
plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.