Bijlagen-Bestemmingsplan Buitengebied, zorgpark Warmse Water.pdf
Tekst van het document
BIJLAGENBOEK
Bijlage 1: Onderzoek geurhinder veehouderijen, De Roever, 13 oktober 2022
ONDERZOEK GEURHINDER VEEHOUDERIJEN OUDE IJSSELWEG 3 TERBORG
1
De Roever Omgevingsadvies Heidebloemstraat 15 Postbus 64 5480 AB Schijndel T 073 594 10 11 F 073 594 11 20 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 NL21 INGB 0001 0833 26 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01
Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg 20220584.v01 13 oktober 2022 KuiperCompagnons
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
2
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 4
1.1. 1.2.
Situatie ......................................................................................................................................... 4 Vraagstelling ................................................................................................................................ 5
2.
WETTELIJK KADER ...................................................................................................................... 6
2.1. 2.2. 2.3.
Wet geurhinder en veehouderij ................................................................................................... 6 Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten .......................................... 6 Ruimtelijke plannen en geurhinder van veehouderijen ............................................................... 6
3.
UITGANGSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN .............................................................................. 8
3.1. Uitgangspunten veehouderijen .................................................................................................... 8 3.2. Geuremissie en geurimmisie ....................................................................................................... 8 3.3. Verschillende beoordelingen ....................................................................................................... 8 3.3.1. Voorgrondbelasting.............................................................................................................. 8 3.3.2. Afstanden ............................................................................................................................. 9 3.3.3. Achtergrondbelasting ........................................................................................................... 9 3.4. 3.5. 3.6.
Geurbelasting versus geurhinder .............................................................................................. 10 Geurgevoelig object ................................................................................................................... 11 Bebouwde kom .......................................................................................................................... 12
4.
GEURBEREKENINGEN ............................................................................................................... 13
4.1. Afstanden ................................................................................................................................... 14 4.2. Voorgrondbelasting ................................................................................................................... 16 4.2.1. Oude IJsselweg 5b ............................................................................................................ 16 4.3. 4.4.
Achtergrondbelasting ................................................................................................................. 16 Beoordeling woon- en leefklimaat ............................................................................................. 19
5.
CONCLUSIE.................................................................................................................................. 20
BIJLAGE BIJLAGE BIJLAGE BIJLAGE
I. II. III. IV.
AFSTANDSCONTOUR ............................................................................................. 21 BEREKENING VOORGRONDBELASTING ............................................................. 22 KAART ACHTERGRONDBELASTING .................................................................... 23 VEEHOUDERIJGEGEVENS .................................................................................... 24
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
3
1.
INLEIDING
1.1.
Situatie
De initiatiefnemer heeft het voornemen om een zorgpark te realiseren aan de Oude Ijsselweg 3 te Terborg. Voor deze wijziging is een bestemmingsplanwijziging nodig. Onderdeel van deze wijziging is dit onderzoek geurhinder veehouderijen. Het plangebied is weergegeven op afbeelding 1.
Afbeelding 1. Beoogde situatie
In de omgeving van het plangebied liggen enkele veehouderijen. In dit rapport wordt het onderzoek naar de ligging van de geur- en afstandscontouren en naar de overige geuraspecten voor de ruimtelijke ontwikkeling beschreven.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
4
1.2.
Vraagstelling
Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen standaard de volgende vragen: 1. Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? 2. Worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad? Het onderzoek dat in dit kader is uitgevoerd beperkt zich tot geur afkomstig van veehouderijbedrijven. De meest recente milieuhygiënische inzichten liggen vast in de Wet geurhinder en veehouderij. In hoofdstuk 2 wordt het wettelijk kader toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgangspunten en achtergronden die in dit onderzoek worden gebruikt. De beoordeling van de geursituatie wordt beschreven in hoofdstuk 4. Ten slotte volgen in hoofdstuk 5 de conclusies.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
5
2.
WETTELIJK KADER
2.1.
Wet geurhinder en veehouderij
In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Enkele begrippen uit de Wgv die relevant zijn en gebruikt worden in dit rapport, zijn nader toegelicht in hoofdstuk 3.
2.2.
Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten
Op 1 januari 2013 is een grote wijziging van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling in werking getreden. Met de wijziging zijn meer veehouderijen onder de regels van het Activiteitenbesluit komen te vallen. Daarbij is onder meer de beoordeling van geur conform de Wet geurhinder en veehouderij (zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van dit rapport) meegenomen. De toetsing aan middels geurverordeningen aangepaste geurnormen en afstanden geldt ook voor veehouderijen die onder de regels van het Activiteitenbesluit vallen.
2.3.
Ruimtelijke plannen en geurhinder van veehouderijen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. Voor het aspect geur van veehouderijen moet een toets op grond van de Wgv worden uitgevoerd. De geplande geurgevoelige objecten moeten zijn gelegen buiten de wettelijk geldende geur- en afstandscontouren van de aanwezige veehouderijen. Bij de toets moet worden uitgegaan van de omvang van de veestapel volgens de verleende vergunning of ingediende melding. Uit jurisprudentie1 blijkt dat voor de geurcontouren of aan te houden afstanden in principe moet worden uitgegaan van de randen van het bouwvlak. De rand van het bouwvlak wordt aangehouden omdat de veehouderij in principe het recht heeft om overal binnen het bouwvlak te bouwen. In sommige gevallen kan niet het volledige bouwvlak
1
ABRvS 201205174/1/R4, 22 januari 2014
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
6
worden benut, vanwege de ligging ten opzichte van reeds bestaande geurgevoelige objecten. In dergelijke gevallen wordt uitgegaan van het reëel te benutten bouwvlak. Alleen in het geval dat sprake is van een overbelaste situatie (in de betreffende richting), kan van deze werkwijze worden afgeweken. Van een overbelaste situatie is sprake als in de vergunde situatie niet wordt voldaan aan de geurnorm of afstand. In dat geval kan een veehouderij de ‘geurrechten’ in de betreffende richting niet anders gebruiken dan in de vergunde situatie het geval is (het gaat daarbij om stallen en emissiepunten). Voor het bepalen van de geur- en afstandscontouren kan dan worden uitgegaan van de ligging van de vergunde stallen en emissiepunten. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat een bestaande veehouderij niet onevenredig in haar belangen mag worden geschaad. Deze werkwijze staat ook beschreven in de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. Een te bestemmen geurgevoelig object moet buiten de wettelijk geldende geurcontouren van de omliggende veehouderijen liggen, om niet blootgesteld te worden aan te veel geurhinder. Bij veehouderijen met dieren waarvoor afstanden gelden moet het nieuwbouwplan buiten de wettelijk geldende minimale afstand plaatsvinden.
Binnen de geur- en afstandscontouren rondom de (bouwvlakken van de) veehouderijen, is geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit houdt in dat binnen deze contouren geen nieuwe bestemming mag worden vastgelegd, die het realiseren van geurgevoelige objecten mogelijk maakt. Op die manier wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt voorkomen dat het veehouderijbedrijf in haar mogelijke ontwikkeling belemmerd wordt. Het woon- en leefklimaat in een gebied wordt behalve door de geurbelasting per veehouderij (voorgrondbelasting) ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de geurbelasting en geurhinder in een specifiek gebied acceptabel zijn.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
7
3.
UITGANGSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN
3.1.
Uitgangspunten veehouderijen
Het onderzoek naar de geursituatie gaat uit van de aanwezige veehouderijen en de bestaande geurgevoelige objecten. In het onderzoek wordt zowel de vergunde geursituatie als de worst-case geursituatie beschouwd. De geurbelasting wordt bepaald op grond van geurberekeningen voor de voor- en achtergrondbelasting. Aan de hand hiervan kan ook het woon- en leefklimaat bepaald worden. Voor de huidige situatie worden de vergunde of gemelde bedrijfssituaties gehanteerd. In de worst-case situatie wordt aangehouden dat alle bestaande bebouwing wordt afgebroken en zodanig wordt teruggebouwd dat de geur- en afstandscontouren zo veel mogelijk richting het te bestemmen geurgevoelige object komen te liggen.
3.2.
Geuremissie en geurimmisie
De geuremissies worden uitgedrukt in Europese odour units (Europese geureenheden) per tijdseenheid: ouE/s. Deze geuremissies zijn bepaald op basis van metingen aan de geurconcentraties uit stallen. De emissiefactoren per dier staan weergegeven in bijlage 1 van de Rgv. De geurbelastingen (geurimissies) worden uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht: ouE/m3. Hiermee wordt het 98-percentiel van de geurconcentratie bedoeld. Dat is de geurconcentratie, berekend met een verspreidingsmodel, welke gedurende 2 procent van een jaar wordt overschreden.
3.3.
Verschillende beoordelingen
3.3.1.
Voorgrondbelasting
Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaardnormen uit de Wgv zijn in tabel 1 opgenomen. Tabel 1. Geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij Ligging geurgevoelig object2*
Binnen bebouwde kom
Concentratiegebied 3 ouE/m3 Geen concentratiegebied 2 ouE/m3 * de gemeente Oude IJsselstreek ligt in een concentratiegebied.
2
Buiten bebouwde kom 14 ouE/m3 8 ouE/m3
gebied als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
8
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. De gemeente Oude IJsselstreek heeft geen geurverordening vastgesteld. De standaardnormen uit de Wgv gelden dus voor het plangebied. Bij het beoordelen van vergunningaanvragen is voor het bepalen van de geurbelasting het gebruik van het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning voorgeschreven. Hiermee kan op vooraf ingegeven locaties de geurbelasting worden berekend. Om een goed beeld van de geurbelasting te verkrijgen is het wenselijk om geurcontouren te kunnen berekenen en tekenen. Dit is mogelijk met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied.
3.3.2.
Afstanden
Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. De gemeente Oude IJsselstreek heeft geen geurverordening vastgesteld De standaardnormen uit de Wgv gelden dus voor het plangebied. De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). De bedrijfswoning die tot dezelfde veehouderij behoort wordt overigens niet aangemerkt als geurgevoelig object.
Ten slotte geldt er een afstand van 50 meter tot een (voormalig) veehouderij als deze is gelegen buiten de bebouwde kom en een afstand van 100 meter als deze is gelegen binnen de bebouwde kom. Voor geurgevoelige objecten die deel uitmaken van een veehouderij wordt dus niet getoetst aan de normen voor de voorgrondbelasting, zoals weergegeven in paragraaf 3.3.1.
3.3.3.
Achtergrondbelasting
De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. Het verschil tussen voorgrondbelasting en achtergrondbelasting wordt toegelicht in de op afbeelding 2.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
9
Voorgrondbelasting Achtergrondbelasting 3 ouE/m3 11 ouE/m3
4 ouE/m3 6 ouE/m3
Afbeelding 2. Voorgrondbelasting versus achtergrondbelasting
De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.
3.4.
Geurbelasting versus geurhinder
In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
10
Tabel 2. Woon- en leefklimaat versus geurgehinderden versus geurbelasting Milieukwaliteit Geurgehinderden Voorgrondbelasting* Achtergrondbelasting* Zeer goed 0–5% 0 – 1,5 ouE/m3 0 - 3 ouE/m3 3 Goed 5 – 10 % 1,5 – 3,7 ouE/m 3 - 8 ouE/m3 3 Redelijk goed 10 – 15 % 3,7 - 6,5 ouE/m 8 – 13 ouE/m3 3 Matig 15 – 20 % 6,5 – 10 ouE/m 13 – 20 ouE/m3 3 Tamelijk slecht 20 – 25 % 10 – 14 ouE/m 20 – 28 ouE/m3 Slecht 25 – 30 % 14 – 19 ouE/m3 28 – 38 ouE/m3 Zeer slecht 30 – 35 % 19 – 25 ouE/m3 38 – 50 ouE/m3 Extreem slecht 35 – 40 % 25 – 32 ouE/m3 50 – 65 ouE/m3 * deze waarden gelden alleen voor concentratiegebieden, voor niet-concentratiegebieden bestaan andere waarden. De gemeente Oude IJsselstreek ligt in een concentratiegebied.
De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten. Als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ of ‘goed’ dan zijn er vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen’ geen belemmeringen om mee te werken aan een ruimtelijke initiatief.
3.5.
Geurgevoelig object
Een geurgevoelig object is in de Wgv gedefinieerd als: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Alleen een gebouw kan een geurgevoelig object zijn. Duidelijk is dat een woning een geurgevoelig object is, mits deze een positieve planologische bestemming heeft en feitelijk geschikt is en gebruikt wordt om in te wonen. Of een ander gebouw (niet zijnde een woning), bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw een geurgevoelig object is moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die in de definitie verder zijn opgenomen. Het gebouw is bestemd voor menselijk verblijf. Gezien de toelichting op de Wgv betekent dit dat de locatie volgens een geschikte planologische bestemming een functie moet hebben voor menselijk verblijf. In een kantoorgebouw, werkruimte of expeditieruimte kunnen zich mensen ophouden. Het gebouw is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf. Het gebouw moet zodanig zijn (aard, indeling en inrichting) dat het feitelijk gezien ook mogelijk is om in het gebouw te verblijven. Als aan het voorgaande wordt voldaan zal dit in de praktijk normaliter ook het geval zijn.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
11
Het gebouw wordt daarvoor (menselijk verblijf) permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, gebruikt. Onduidelijk is wat onder permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt verstaan. Waar de grens ligt in de mate van gebruik zal uit de jurisprudentie moeten blijken. Gelet op de definitie wordt er van uitgegaan dat gebouwen, waarin zich gedurende langere tijd, vrijwel dagelijks (meerdere) mensen verblijven (in dit geval werken) aangemerkt worden als geurgevoelig object. Dit wordt bevestigd in jurisprudentie (onder andere ABRvS 200709155/1 van 24 december 2008, ABRvS 200801961/1 van 11 maart 2009, ABRvS 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009 en ABRvS 201202274/1/A1 van 10 oktober 2012). Het plan voorziet in de realisatie van geurgevoelige objecten.
3.6.
Bebouwde kom
Het begrip bebouwde kom is in de Wgv niet gedefinieerd, evenmin als in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro). In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wgv is aangegeven dat de grens van de bebouwde kom ‘niet wordt bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving’. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Als bebouwde kom wordt beschouwd: ‘het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft’ en waarin (dus) veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. InfoMil concludeert in haar handleiding behorend bij de Wgv dat het voor de hand ligt om voor de grenzen van de bebouwde kom aan te sluiten bij wat in de ruimtelijke ordening (het plaatselijke bestemmingsplan) daaronder wordt verstaan. Of een bepaalde omgeving een bebouwde kom is zal per geval moeten worden bepaald. Zoals gezegd is dit niet eenduidig gedefinieerd. De volgende zaken spelen in deze afweging en rol: - dichtheid bebouwing; - aard en structuur van de omgeving en bebouwing; - planologische karakter. Mogelijk dat ook de historische situatie een rol speelt.
Voor woningen gaan wij uit van een bebouwde kom, als deze in een woonwijk of woongebied zijn gelegen, waarbij de erven aan meerdere zijden aan elkaar aansluiten. Woningen die geconcentreerd zijn gelegen in een op zichzelf staande lintbebouwing beschouwen wij niet als bebouwde kom. Deze opvatting sluit aan bij de jurisprudentie over het begrip bebouwde kom zoals dat werd gehanteerd in de brochure veehouderij en Hinderwet (één van de 'stankrichtlijnen') en in de Stankwet. De te realiseren geurgevoelige objecten maken geen onderdeel uit van een bebouwde kom.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
12
4.
GEURBEREKENINGEN
In de omgeving van het plangebied liggen veehouderijen. Deze veehouderijen en de totale geuremissies zijn aangegeven op afbeelding 3.
Afbeelding 3. Veehouderijen en geuremissies
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
13
4.1.
Afstanden
In paragraaf 3.3.2 is toegelicht dat voor dieren waarvoor in de Rgv geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld een afstand van 50 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object binnen het plangebied in acht moet worden genomen. Op afbeelding 5a en op de kaart in bijlage I is de afstandscontour van 50 meter rondom het plangebied weergegeven.
Afbeelding 5a. Afstanden
Bouwvlakken van veehouderijen liggen buiten de afstandscontour van 50 meter rondom het plangebied. Bij de veehouderijen aan Oude Sluisweg 11 Terborg en Warmseweg 4 Etten worden dieren gehouden waarvoor de afstandseis van 50 meter geldt. Omdat bouwvlakken van veehouderijen op grotere afstand liggen is ten aanzien van afstanden sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden de belangen van de veehouderijen niet geschaad. Hierbij is rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden van de veehouderijen. Dit geldt ook voor het geval een van de veehouderijen een mestbassin zou willen oprichten. In artikel 3.51 lid 1 van het Activiteitenbesluit is vastgelegd dat voor een mestbassin een vaste afstand geldt van 100 meter ten opzichte van een geurgevoelig object. De
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
14
bouwvlakken van de veehouderijen liggen op meer dan 100 meter van het plangebied. Voor Oude IJsselweg 5B is de afstand in detail weergegeven op afbeelding 5b.
Afbeelding 5b. Afstanden
Het gedeelte van het bouwvlak waarbinnen de woning aan Oude IJsselweg 5a ligt is gelegen binnen 100 meter van het plangebied. Echter gaat dat om een gedeelte met de functieaanduiding ‘plattelandswoning’. Binnen dit gedeelte is het niet reëel om te spreken van een belemmering om een mestbassin op te richten. De veehouderij wordt niet in haar belangen geschaad.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
15
4.2.
Voorgrondbelasting
Gelet op de totale geuremissie en de afstand tot het plangebied is de veehouderij aan de Oude IJsselweg 5b maatgevend voor de voorgrondbelasting.
4.2.1.
Oude IJsselweg 5b
Voor deze veehouderij in 2016 een melding Activiteitenbesluit geaccepteerd voor 112 zoogkoeien, 72 stuks vrouwelijk jongvee, 20 vleeskalveren en 2 fokstieren. Voor vleeskalveren zijn in de Rgv geuremissiefactoren vastgesteld. Daarom is een geurberekening uitgevoerd. De geurberekening is uitgevoerd op basis van de omgekeerde werking van de Wgv, uitgaande van de rand van het bouwvlak zo dicht mogelijk bij het plangebied. De geurbelasting is berekend met het rekenprogramma V-Stacks vergunning 2020 (meest recente milieuhygiënische inzichten). De geurberekening is opgenomen in bijlage II. De geurbelasting bedraagt op zijn hoogst 1,1 ouE/m3. Er wordt voldaan aan de geurnorm van 14,0 ouE/m3. De veehouderij wordt niet in haar belangen geschaad. Het woon- en leefklimaat wordt afgewogen in paragraaf 4.4
4.3.
Achtergrondbelasting
De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen samen (zie paragraaf 3.3.3). De geuremissie is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken. Op basis van I-GO Veehouderijen zijn de relevante veehouderijen geselecteerd en zijn de totale geuremissie en de overige (algemene) parameters voor de geurberekeningen bepaald. De veehouderijgegevens zijn opgenomen in bijlage IV. De achtergrondbelasting is berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. De rekeninstellingen zijn als volgt:
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
16
De achtergrondbelasting is weergegeven op afbeelding 6 en op de kaart in bijlage II. De achtergrondbelasting is weergegeven in verschillende klassen van het woon- en leefklimaat (zie tabel 2 paragraaf 3.4).
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
17
Afbeelding 6. Achtergrondbelasting
De exact berekende achtergrondbelasting bedraagt: Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 120 218560 438576 8.00 0.42 121 218729 439013 8.00 0.13 123 217985 438801 8.00 0.21 124 218102 439073 8.00 0.14
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
18
4.4.
Beoordeling woon- en leefklimaat
Uit voorgaande paragrafen blijkt dat: - wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter; - de voorgrondbelasting op zijn hoogst ca. 1,1 ouE/m3 bedraagt; - de achtergrondbelasting op zijn hoogst ca. 0,42 ouE/m3 bedraagt. Omdat veehouderijen op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (meer dan 50 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting binnen het plangebied bedraagt 1,1 ouE/m3. Deze waarde voor de voorgrondbelasting komt volgens tabel 2 in paragraaf 3.4 overeen met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting binnen het plangebied bedraagt maximaal 0,42 ouE/m3. Deze waarde voor de achtergrondbelasting komt volgens tabel 2 in paragraaf 3.4 overeen met een ‘ zeer goed’ woon- en leefklimaat.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
19
5.
CONCLUSIE
In dit onderzoek is de geur van veehouderijen ten aanzien van het plan aan Oude IJsselweg 3 te Terborg onderzocht. In deze conclusie wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen, zoals gesteld in paragraaf 1.2. In hoofdstuk 4 van dit rapport is toegelicht dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de belangen van veehouderijen niet worden geschaad. Geurhinder van veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
20
BIJLAGE
I. AFSTANDSCONTOUR
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
21
Bijlage I: Afstanden
bron: PDOK
schaal 1 : 5.000 datum: 7 juni 2022
De Roever Omgevingsadvies • www.deroever.nl • 073 - 594 10 11
BIJLAGE
II. BEREKENING VOORGRONDBELASTING
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
22
Gegenereerd op: 7-06-2022
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 1
Naam van de berekening: Nog niet bekend Gemaakt op: 2022-06-07 10:37:34 Rekentijd: 0:00:13 Naam van het bedrijf: Oude IJsselweg 5b Berekende ruwheid: 0,113 m
Brongegevens: Volgnr. BronID 1
Rand bouwvlak
X-coord. 218 681
Y-coord. 438 582
EP Hoogte 1,5
EP Diam. 0,5
Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
Geurnorm
Geurbelasting
2
TP01
218 565
438 572
14,0
0,8
3
TP02
218 602
438 664
14,0
1,1
EP Uittr. snelh. E-Aanvraag 0,40
712
Geb. Hoogte 1,5
BIJLAGE
III. KAART ACHTERGRONDBELASTING
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
23
BIJLAGE
IV. VEEHOUDERIJGEGEVENS
Onderzoek geurhinder veehouderijen Oude IJsselweg 3 Terborg Datum: 13 oktober 2022 ; Referentie: 20220584.v02
24
Bijlage IV - Veehouderijgegevens IDNR
X 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116
Y 217111 216518 208363 216683 216825 217262 217544 217315 218253 218004 218667 219514 219813 219920 219645 219799
EPH 439687 5.0 439455 5.0 439223 5.0 438080 5.0 437370 5.0 437743 5.0 437680 5.0 437095 5.0 437622 5.0 438668 5.0 438506 5.0 438118 5.0 438621 5.0 438227 5.0 437844 5.0 437676 5.0
GEBH 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0 6.0
DIAM 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5
UITTR 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0 4.0
EVERG 0 952 0 6597 6102 418 1848 2426 0 0 858 0 15,6 0 4993 12
EMAX
Adres 0 Kruisallee 3 952 Kruisallee 4a 0 Oude Sluisweg 11 6597 Langeboomsestraat 20 6102 Langeboomsestraat 7 418 Hommekensweg 2 1848 Rondweg 3 2426 Langeboomsestraat 14 0 Warmseweg 13 0 Warmseweg 4 858 Oude Ijsselweg 5b 0 Gaanderenseweg 375 15,6 Rijksweg 6 0 Toekomstweg 39 4993 Meestereijweg 10a 12 Meesterijweg 6
Loc Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid Mid
Gemeente Dossier Montferland 7048AX3 Montferland 7048AC4A Oude Ijsselstreek 7061GP11 Montferland 7048AG20 Montferland 7046AA7 Oude Ijsselstreek 7075EN2 Oude Ijsselstreek 7075EM3 Montferland 7046AA14 Oude Ijsselstreek 7075EL13 Oude Ijsselstreek 7075EP4 Oude Ijsselstreek 7061GK5 Doetinchem 7004GJ374 Doetinchem 7011EA6 Doetinchem 7011ET39 Oude Ijsselstreek 7075EG10 Oude Ijsselstreek 7075EG6
Bedrijfstype Rundvee Vleesvarkens Rundvee Zeugen Geiten Rundvee en schapen Vleesvarkens Zeugen Paarden Rundvee Rundvee Melkrundvee Rundvee en schapen Rundvee Zeugen Paarden en schapen
Bijlage 2: Quickscan Wet natuurbescherming, Econsultancy, 25 april 2022
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING OUDE IJSSELWEG (ONG.) TE TERBORG
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Oude IJsselweg (ong.) te Terborg Opdrachtgever
Harm Post Advies Bakenbergseweg 1-4 6814 MA Arnhem
Rapportnummer Versienummer
18719.002 D1
Status
Eindrapportage
Datum
25 april 2022
Vestiging
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
De heer V.R. Jeronimus
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer E.A. Tiemersma, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Planten ............................................................................................................................ 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 18 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 19
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 20 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 20 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 21
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 22
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 23
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 18719.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Harm Post Advies opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Oude IJsselweg (ong.) te Terborg. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 1 van 25
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 19,6 ha) ligt aan de Oude IJsselweg te Terborg. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie bestaat uit een boerenerf en landbouwgrond. De locatie is bebouwd met een vrijstaande woning met zadeldak en overhangend dak met kantpannen. Daarnaast zijn er op het terrein drie schuren met een zadeldak met golfplaten. De middelste schuur heeft een beschadigd dak. De grootste schuur is verbonden aan het tweede woonhuis op het terrein. Het tweede woonhuis is opgebouwd met een zadeldak en aan de zijkant afgewerkt met een boord. Op het erf staan bomen, hagen en diverse struiken. Door het westelijke deel loopt een watergang. Een deel van het erf bestaat daarnaast uit een gemaaid gazon. Op het terrein zijn elementen te vinden als hooibalen, zandbulten en stenen- en houtstapels. Ten noorden van de onderzoekslocatie loopt de oude IJssel waarlangs een oever loopt met riet en sportvisplekken. Aan de overige zijden liggen boerenerven met landbouwpercelen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 2 van 25
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Vrijstaande woning.
Figuur 4. Woning met uitbouw naar een van de schuren.
Figuur 5. Schuren en woning op het terrein.
Figuur 6. Omgeploegd landbouwperceel met zicht op de zandbult en schuren.
Figuur 7. Watergang door het perceel aan de westzijde.
Figuur 8. Zandbult en stenenstapel.
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 3 van 25
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens om een zorgcomplex te realiseren. In totaal worden er 112 zorgwoningen gerealiseerd en 2 grondgebonden woningen. Op de locatie worden groen elementen gerealiseerd zoals bomenrijen en hagen. De huidige bebouwing wordt gesloopt en de grond zal bouwrijp worden gemaakt. Bij het bouwrijp maken zal begroeiing worden verwijderd en bomen worden gekapt. In figuur 9 is het inrichtingsplan te zien zoals deze in presentatie is opgenomen.
Figuur 9. Inrichtingsplan zorgpark (Zozijn, 2021).
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 4 van 25
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 5 april 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 5 van 25
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 6 van 25
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 7 van 25
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 8 van 25
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: huismus, kerkuil, ransuil, buizerd, roek en steenuil. Huismus Huismussen nestelen onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen. Op de onderzoekslocaties zijn meerdere geschikte broedgelegenheden aangetroffen voor de huismus. Beide woningen op de onderzoekslocatie bieden geschikte plekken onder de dakpannen. Een voorbeeld van aangetroffen geschikte plek is weergegeven in figuur 10. Gedurende het veldbezoek zijn er meerdere huismussen op het terrein waargenomen. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is het niet uit te sluiten dat nesten van huismussen worden beschadigd/vernield (zie hoofdstuk 6).
Figuur 10. Ruimte onder de dakpannen in de meest oostelijke bebouwing die leiden naar geschikte plekken voor de huismus.
Kerkuil De kerkuil broedt in 90 procent van de gevallen in een nestkast. De locaties variëren van boerenschuren, kerken, kasten en toren. De nestgelegenheid dient hoog, donker en tochtvrij te zijn. Kerkuilen kunnen het nest het hele jaar rond gebruiken. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte plekken aangetroffen die kunnen dienen als nestlocatie van de kerkuil. Op de onderzoekslocatie zijn geen braakballen of krijtstrepen aangetroffen die wijzen op een nestlocatie van de kerkuil. Ransuil De ransuil bewoond gevarieerde gebieden waaronder het agrarisch landschap. De ransuil broedt bij voorkeur in naaldbomen waarbij voornamelijk oude kraaien- en eksternesten gebruikt worden. Op de onderzoekslocatie zijn dergelijke nesten niet aangetroffen. Redelijkerwijs kan uitgesloten worden dat de onderzoekslocatie een functie als broedlocatie betreft voor de ransuil.
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 9 van 25
Buizerd De buizerd is de algemeenste roofvogel van Nederland en broedt het liefst in de kroon van hoge bomen. Het nest, ook wel horst genoemd, wordt gemaakt van takken en twijgen. Een horst heeft een diameter van een meter en is zo’n 60 centimeter diep. Op de onderzoekslocatie zijn de bomen onderzocht op horsten. Gedurende het veldbezoek zijn geen horsten aangetroffen. De aanwezigheid van een broedlocatie voor de buizerd kan redelijkerwijs uitgesloten worden. Roek Roeken zijn koloniebroeders waarvan de nesten zich veelal in vrijstaande groepen bomen bevinden. Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten in de bomen aangetroffen. De aanwezigheid van nestlocaties van de roek kan redelijkerwijs uitgesloten worden. Steenuil De steenuil is een soort die zich vooral bevindt in agrarische cultuurlandschappen zoals boerenerven. De bebouwing op het terrein biedt mogelijkheid tot nestgelegenheid voor de steenuil. Ook worden tegen de dakrand opgestapelde hooibalen gebruikt als broedplek. Een dergelijke plek bevindt zich op het terrein bij een overkapte hooi opslagplek (figuur 11). Het erf is geschikt als leefgebied voor de steenuil door aanwezigheid van bomenrijen, weilanden en afrasteringspaaltjes. Gedurende het veldbezoek zijn geen braakballen of krijtsporen aangetroffen. Alhoewel er geen sporen zijn aangetroffen, is de onderzoeks- Figuur 11. Overdekte opslagplek voor hooibalen.
locatie gezien recente waarnemingen en geschiktheid van het erf en aanwezige opstallen, mogelijk gelegen in het leefgebied van de steenuil. Steenuilen hebben een klein territorium en zijn honkvast. Permanente aantasting van een belangrijk deel van het leefgebied kan leiden tot aantasting van een broedgevoel. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is het niet uit te sluiten dat een nest- of roestplaats of functioneel leefgebied van steenuilen worden beschadigd/vernield (hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Dergelijke nestgelegenheden zijn niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.2
Overige broedvogels
De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals roodborst, winterkoning en merel. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
Rapport 18719.002 versie D1
Pagina 10 van 25
5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren. De ruimte langs de dakranden, figuur 12 en 13, geeft toegang tot ruimte onder de dakpannen. Verder zijn er op verscheidene plekken ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf en als baltsverblijf (zie hoofdstuk 6).
Figuur 12. Boord met kieren die toegang bieden tot geschikte ruimtes.
Figuur 13. Overdekt dakdeel met kantpannen.
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en mogelijk meervleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de Oude IJssel en het Waalse water gebied.