CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 quickscan flora en fauna Idinkweg.pdf

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 10: TAM-omgevingsplan “Buitengebied, locaties Idinkweg ongenummerd naast 3b te Varsseveld en Twente Route 24 te Heelweg”11.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurwaardenonderzoek Idinkweg (ongenummerd) – Varsseveld

Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

1

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Idinkweg (ongenummerd) Varsseveld Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 5-7 7131 PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852

Opdrachtgever: Locis Adviseurs Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 7223 versie 1.0 Ligging plangebied: Idinkweg (ongenummerd) Varsseveld Auteur: M. Mateman

Status: definitief Rapportdatum: 21-01-2025 Veldwerk uitgevoerd door: L. Talen

De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.

2

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1

INLEIDING ............................................................................................................................... 6

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 7

2.1 Situering ................................................................................................................................................ 7 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 8 HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 9

3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 9 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ............. 9 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer .......................................................................................................... 10 HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS ................................................................................................................. 11

4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 11 4.2 Omgevingswet; Natura 2000............................................................................................................... 11 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................. 11 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 12 4.5 Regelgeving en aanzien van het Gelders Natuurnetwerk ................................................................... 14 HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING............................................................................................................ 15

5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 15 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ...................................................................... 15 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 17 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................ 19 6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 20 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 21 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 22 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 28 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ..........................................................................................

32 6.6 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 32 HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES .......................................................................................................................... 33

3

SAMENVATTING Er zijn plannen om ten zuiden van de Idinkweg 3 in Varsseveld een nieuwe woning en schuur te bouwen. Hiervoor worden een blokhut en kapschuur die in de huidige situatie op het perceel aanwezig zijn gesloopt. Daarnaast wordt de poel die aan de zuidwestkant van het perceel aanwezig is gedempt en beplanting bij de poel verwijdert. Ten noorden van de nieuwe woning wordt op meerdere plekken nieuwe beplanting gerealiseerd. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 16 januari 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen ook worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Door het uitvoeren sloopwerkzaamheden, het rooien van beplanting en het bouwen van een nieuwe woning en schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het 4

plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt tot uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van amfibieën. Amfibieën benutten het plangebied als foerageergebied en winterrustplaats. De poel aan de westzijde van het terrein dient als voortplantingsbiotoop voor amfibieën. Aangezien de poel mogelijk als voortplantingsbiotoop dient voor kamsalamanders en poelkikkers moet er nader onderzoek uitgevoerd worden om vast te kunnen stellen of kamsalamanders en poelkikkers aanwezig zijn en of er een Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd moet worden voor het dempen van de poel. Indien er tijdens dit nadere onderzoek geen kamsalamanders en/of poelkikkers worden aangetoond geldt voor de overige amfibieënsoorten dat er een vrijstelling geldt van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling.

Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de poel voor kamsalamanders en poelkikkers. Indien er kamsalamanders en poelkikkers worden aangetroffen moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden. Indien er tijdens het nadere onderzoek geen kamsalamanders worden aangetroffen moet het werkterrein natuurvrij gemaakt worden en zorgvuldig gehandeld worden bij het dempen van de poel zodat er geen beschermde amfibieën gedood worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: • Nader onderzoek kamsalamander en poelkikker; • Uitvoeren sloopwerkzaamheden, rooien beplanting en bouwen nieuwe woning en schuur buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);

5

HOOFDSTUK 1

INLEIDING Er zijn plannen om ten zuiden van de Idinkweg 3 in Varsseveld een nieuwe woning en schuur te bouwen. Hiervoor worden een blokhut en kapschuur die in de huidige situatie op het perceel aanwezig zijn gesloopt. Daarnaast wordt de poel die aan de zuidwestkant van het perceel aanwezig is gedempt en beplanting bij de poel verwijdert. Ten noorden van de nieuwe woning wordt op meerdere plekken nieuwe beplanting gerealiseerd. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk).

6

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED

2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd ten zuiden van de Idinkweg 3 in Varsseveld (Kadastrale aanduiding: VSV00-D4642) in de gemeente Oude IJsselstreek. Op de onderstaande afbeelding staat de ligging van het plangebied weergegeven.

De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).

7

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een stuk agrarisch cultuurland dat is ingezaaid met Engels raaigras en twee grasvelden met poelen waar rondom bomen staan aangeplant. Aan de zuidwestkant van het plangebied staan een blokhut en kapschuur waar rondom dennenbomen staan aangeplant. Onder deze dennenbomen liggen stapels kachelhout opgeslagen. Voor een verbeelding van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage van dit rapport.

Met de gele lijn wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven (bron: topotijdreis.nl).

8

HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

3.1 Algemeen Er zijn plannen om ten zuiden van de Idinkweg 3 in Varsseveld een nieuwe woning en schuur te bouwen. Hiervoor worden een blokhut en kapschuur die in de huidige situatie op het perceel aanwezig zijn gesloopt. Daarnaast wordt de poel die aan de zuidwestkant van het perceel aanwezig is gedempt en beplanting bij de poel verwijdert. Ten noorden van de nieuwe woning wordt op meerdere plekken nieuwe beplanting gerealiseerd zoals een hoogstam fruitboomgaard, een bomengroep zomereiken, een gemengd loofhoutbosje, een bomenrij met beuk, linde en zomereik en een solitaire tamme kastanje. Op de onderstaande afbeelding staat een plattegrond van het wenselijke eindbeeld weergegeven.

Weergave perceel met bestaande en toe te voegen elementen (bron: Locis Adviseurs).

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: • Verwijderen opgeslagen spullen en materialen; • Slopen blokhut en kapschuur; • Dempen poel; • Rooien fruitbomen rondom de poel; • Bouwen nieuwe woning en schuur; • Toevoegen nieuwe beplanting; • Bewonen nieuwe woning en ingebruikneming erf;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden:

9

Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van het rooien van bomen, het dempen van een poel, sloop- en bouwwerkzaamheden en het bewonen van de nieuwe woning. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan bosschages en houtwallen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is gelijk aan het plangebied.

10

HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS

4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; 11

d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b.

het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming.

Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

12

Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.

Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.

als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, 13

of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Wet natuurbescherming een ontheffing). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats. 4.5 Regelgeving en aanzien van het Gelders Natuurnetwerk Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk (GNN/Ecologisch Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen.

De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. GNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het GNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de GNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland.

14

HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk. 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de versterking van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.

De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities.

15

Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt buiten gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone behoren. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Go

Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (Go) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid. Gronden die tot de Gelders Natuurnetwerk behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Gronden die behoren tot de Groene ontwikkelingszone worden met de lichtgroene kleur aangeduid (gelderland.maps.arcgis.com).

Beschermingsregime De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Gelders Natuurnetwerk.

16

5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op.

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

17

Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 13,81 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Korenburgerveen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Minimaal 13,81 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren.

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (13,81 kilometer) kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied tijdens de ontwikkelfase op voorhand uitgesloten worden. Daarom hoeft er voor de ontwikkelfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt door het bewonen van een nieuwe woning op het perceel mogelijk toe ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (13,81 kilometer) kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als

18

gevolg van de emissie van stikstofoxiden tijdens de gebruiksfase, op voorhand uitgesloten worden. Daarom hoeft er voor de gebruiksfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden.

5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen ook worden uitgesloten.

19

HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING

6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 16-01-2025 door een ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 15 januari 2025 is de NDFF geraadpleegd om te kijken of er beschermde planten en dieren zijn waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. In het plangebied en de directe omgeving zijn de volgende waarnemingen vastgesteld in de afgelopen vijf jaar; vogels (6), vaatplanten (11), grondgebonden zoogdieren (1) en dagvlinders (1). De volgende vogelsoorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied; blauwe reiger, boerenzwaluw, boomklever, huismus, ijsvogel, kauw, kokmeeuw, scholekster, staartmees en wilde eend. Alle waargenomen vogels zijn op redelijke afstand van het plangebied waargenomen en lijken geen specifieke binding te hebben met het plangebied. Naast vogels zijn er een mol en een koevinkje (dagvlinder) waargenomen. Alle planten die zijn waargenomen betreffen algemene en niet beschermde planten. Op de onderstaande afbeelding wordt het zoekgebied en de waarnemingen in de NDFF weergegeven.

Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven, met de groene stippen worden de waarnemingen weergegeven. Er zijn in de periode 2020-2025 – 21 waarnemingen gedaan in de directe omgeving van het plangebied (bron: NDFF).

20

6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 16 januari 2025 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Doorgaans hebben vogels geen bezet nest meer gedurende deze tijd van het jaar en zijn de meeste zomergasten nog in overwinteringsgebied. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren hebben geen zogende jongen meer in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen in deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats bezetten. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen.

Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde amfibieën. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. Amfibieën bezetten de winterrustplaats in deze tijd van het jaar en zitten dan weggekropen in de sliblaag van open water of diep weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. 21

Reptielen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen. Reptielen zijn in deze periode van het jaar in winterrust. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het normale verspreidingsgebied. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als dag- en nachtvlinders, libellen, bladmossen, sporenplanten, vissen, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuw leefgebied koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en planten. In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht zoals beschermde weekdieren (platte schijfhoren en Bataafse stroommossel) en kevers (juchtleerkever, vermiljoenkever en vliegend hert).

De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats buiten het functionele leefgebied van bovengenoemde soorten. Mogelijk komen er populaties van beschermde nachtvlinders (teunisbloempijlstaart), voor in de omgeving van het plangebied. Voor bovenstaande soort geldt dat het plangebied niet als geschikt leefgebied wordt beschouwd omdat waardplanten ontbreken. Daarnaast zijn alle beschermde planten (grotendeels) gebonden aan natuurreservaten zoals Natura 2000gebied. Alle beschermde planten stellen kritische eisen aan de standplaats (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Het plangebied sluit ook niet aan op de eisen die beschermde vissen en libellen stellen aan het habitat. Zo ontbreken grotere open wateren, (snelstromende) beken en verlandingswateren. Door het ontbreken van specifieke waardplanten zoals: wilg, sleedoorn en teunisbloem worden beschermde dag- en nachtvlinders niet behandelt in deze rapportage. 6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd.

Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in de bomen die gerooid gaan worden en in de bomen en het bos rondom de schuren staan die gesloopt gaan worden. Vogels die hier mogelijk een nestplaats bezetten zijn; merel, vink, gaai, zanglijster, zwartkop, spotvogel, grauwe vliegenvanger, grote lijster, roodborst, heggenmus, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, staartmees, boomkruiper, wilde eend, waterhoen en dodaars. Onder het dakbeschot van de houten kapschuur en onder de dakpannen van de andere houten schuur zijn geen vogelnesten aangetroffen. Daarnaast zijn bij de oevers van de poel die gedempt gaat worden ook geen vogelnesten aangetroffen. In de bomen in het plangebied zijn geen roofvogelnesten (buizerd of sperwer) of holen van spechten aangetroffen. Daarnaast zijn er in de bomen rondom het plangebied ook geen nesten van kraaiachtigen aangetroffen die als nestplaats voor ransuil of bosuil kunnen dienen.

De NDFF is geraadpleegd om te kijken of er in het plangebied en de directe omgeving steenuilwaarnemingen of nestplaatsen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde steenuilwaarneming is gedaan op ongeveer 500 meter afstand van het plangebied, zie onderstaande kaart voor de verspreiding van steenuilen in de omgeving van het plangebied. 22

Verspreiding van steenuilen in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt weergegeven met de rode cirkel, steenuilwaarnemingen worden met de groene stippen weergegen (bron: NDFF, 2025).

Het plangebied ligt in steenuilleefgebied maar een nestplaats ontbreekt. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nestplaatsen of sporen aangetroffen die wijzen op een nestplaats van steenuilen. In de houten kapschuur zijn geen braakballen, ruiveren of schijtsporen gevonden en de blokhut is van de buitenkant volledig dicht. Er zijn geen plekken aanwezig waar een steenuil via de buitengevel of het dak de binnenkant van het gebouw kan bereiken. Verder zijn er geen steenuilnestkasten aanwezig in het plangebied en zijn de bomen in het plangebied ongeschikt voor steenuilen om in te nestelen. Het plangebied betreft voor steenuilen geen essentieel foerageergebied. De waarnemingen van steenuilen in de omgeving van het plangebied zijn vooral gedaan op agrarische erven, voormalige agrarische erven en een camping op meer dan 500 meter afstand van het plangebied. Het activiteitsgebied van deze steenuilen bevindt zich meestal binnen enkele honderden meters rondom de nestplaats. Steenuilen vangen voedsel voor meer dan 95% binnen 300 meter van de nestplaats. Daarnaast neemt door de voorgenomen activiteiten de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied voor steenuilen niet af. Door het uitvoeren van sloopwerkzaamheden, rooien van de beplanting en het bouwen van de nieuwe woning en schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet nest beschadigd

23

of vernield met als gevolg dat een (jonge) vogel gedood, eieren beschadigd of vernield worden en de nestplaats van verschillende soorten verloren gaan. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet - Uitvoeren sloopwerkzaamheden, rooien beplanting en bouwen nieuwe woning en schuur (tijdens de voortplantingsperiode van vogels); Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis, bosspitsmuis, rosse woelmuis, egel, bunzing, wezel, steenmarter, vos, ree en eekhoorn. Bosmuizen, veldmuizen, huisspitsmuizen, bosspitsmuizen en rosse woelmuizen benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten deze soorten er ook een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Deze soorten kunnen een voortplantingsplaats en/of rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen en materialen. De dichtstbijzijnde waarnemingen van grote bosmuizen in de omgeving van het plangebied zijn gedaan in het Idinkbos op 1,2 kilometer afstand. Aangezien er geen sporen zijn aangetroffen van deze soort en de dichtstbijzijnde populatie zich op 1,2 kilometer afstand bevindt wordt deze soort uitgesloten in het plangebied.

Aangezien er geen holen van dassen of vossen zijn aangetroffen in het plangebied en de dichtstbijzijnde dassenpopulaties zich op ruime afstand van het plangebied bevinden (NDFF, 2025) worden deze soorten ook niet in het plangebied verwacht. Mogelijk kunnen vossen wel incidenteel in het plangebied foerageren. Verder ontbreekt een geschikte plek voor een steenmarter om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten omdat de blokhut in het plangebied niet toegankelijk is. In de open kapschuur zijn daarnaast geen sporen gevonden zoals uitwerpselen, latrines en prooiresten die wijzen op een steenmarterverblijfplaats. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op holen die door steenmarter en boommarter als verblijfplaats bezet kunnen worden maar deze zijn niet aangetroffen. De bosschages in het plangebied die door de voorgenomen werkzaamheden niet beïnvloed worden mogelijk incidenteel door vos, bunzing, steenmarter, wezel en egel benut als foerageergebied maar op de plekken waar nieuwe beplanting en bebouwing gerealiseerd wordt zijn van deze soorten geen verblijfplaatsen aanwezig. Aan de randen van het perceel zijn takkenrillen aanwezig waar een egel, wezel bunzing of steenmarter een verblijfplaats kan bezetten maar deze worden door de voorgenomen werkzaamheden niet aangetast.

De houtstapels onder de coniferen in het plangebied die verwijdert worden zijn niet geschikt voor egels, bunzing en wezel om onder weg te kruipen omdat het hout te strak opgestapeld ligt en er geen holen aanwezig zijn. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van eekhoornnesten maar deze zijn niet aangetroffen. De dichtstbijzijnde hermelijnenpopulaties bevinden zich bij de Aa-strang bij Dinxperlo en de Oude IJssel bij Ulft (NDFF, 2025) deze populaties bevinden zich op ruim voldoende afstand om de aanwezigheid van hermelijn uit te sluiten in het plangebied. Door het verwijderen van opgeslagen spullen en materialen en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Verwijderen opgeslagen spullen en materialen; - Uitvoeren grondverzet; Vleermuizen • Verblijfplaatsen De bebouwing in het plangebied is ongeschikt voor vleermuizen om een voortplantingsplaats en/of rustplaats te bezetten. De kapschuur heeft niet geïsoleerde houten gevels, hier is geen mogelijkheid voor vleermuizen om een verblijfplaats te bezetten.

De dakpannen van de kapschuur sluiten nauw aan en er is aan de onderzijde een faunawerend raster geplaatst, hierdoor is het dakvlak van de kapschuur niet toegankelijk voor vleermuizen. Daarnaast zijn er in de kapschuur geen sporen gevonden zoals uitwerpselen 24

en prooiresten die wijzen op een hangplek van vleermuizen in de kapschuur. De blokhut heeft geïsoleerde buitengevels die betimmerd zijn met houten planken. Deze houten gevelbetimmering kiert niet en sluit nauw aan op het dak van de blokhut. Er is dus geen mogelijkheid voor vleermuizen om via de zijgevels een verblijfplaats te bezetten in de blokhut. De blokhut heeft een pannendak met dakpannen die nauw op elkaar aansluiten. Aan de onderzijde van het dak bevindt zich net als bij de kapschuur een faunawerend raster. Er is dus geen mogelijkheid voor vleermuizen om via het dak de binnenkant van het gebouw te bereiken om een verblijfplaats te bezetten. De bomen in en rondom het plangebied bevatten geen holtes en loshangend schors en zijn ongeschikt voor vleermuizen om een verblijfplaats te bezetten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de beplanting in het plangebied.

Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn bij de poelen in het plangebied geen amfibieën waargenomen. De poelen op het terrein vormen waarschijnlijk een functioneel leefgebied voor algemene en weinig kritische amfibieënsoorten als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander.

Deze soorten benutten het de poel als voortplantingsbiotoop en bezetten een winterrustplaats in de sliblaag in de poel en onder strooisel en in holen en gaten in de grond rondom de poel. Aan de zuidkant van Varsseveld zijn in de NDFF geen waarnemingen van poelkikkers opgenomen. Maar er bestaat een kleine kans dat de te dempen poel door poelkikkers wordt benut als voortplantingshabitat. Daarnaast valt het gebied ten zuiden van Varsseveld in het verspreidingsgebied van kamsalamander, zie onderstaande kaart.

25

Het zoekgebied in de NDFF wordt weergegeven met de zwarte omlijning. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid, de waarnemingen van kamsalamander worden weergegeven met de groene stippen (bron: NDFF).

Door het dempen van de poel aan de westzijde van het terrein, verwijderen van strooisel en bladeren en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en een voortplantingsplaats- en (winter)rustplaats van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet; - Dempen poel aan de westzijde van het terrein; - Verwijderen van strooisel en uitvoeren grondverzet; Reptielen Ten noorden van het plangebied bij de spoorbaan aan de zuidkant van Varsseveld bevindt zich een populatie zandhagedissen. Bij het ontbreken van geschikt habitat voor reptielen in de omgeving van de spoorberm beperkt het leefgebied zich meestal tot de spoorberm. In het plangebied is voor zandhagedissen geen geschikt leefgebied aanwezig zoals stuifzanden en heischrale vegetatie. Daarnaast bevindt zich in het Idinkbos op ongeveer 1,2 kilometer ten zuiden van het plangebied een populatie hazelwormen. Deze populatie beperkt zich tot het Idinkbos. Daarnaast ontbreekt in het plangebied de voorkeurshabitat voor hazelwormen zoals heischrale vegetatie en oud eiken/beukenbos (op rijkere bodems).

26

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen reptielen gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. Verschillende Rodelijstsoorten zoals grauwe vliegenvanger, grote lijster en spotvogel kunnen incidenteel in het plangebied foerageren en er mogelijk een nestplaats bezetten. Door de voorgenomen activiteiten worden er geen grauwe vliegenvangers, grote lijsters en spotvogels gedood en neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied voor deze soorten niet af. Er worden geen overige Rode-lijstsoorten in het plangebied verwacht zoals planten, paddenstoelen en korstmossen. Deze zijn namelijk (grotendeels) gebonden aan plekken met specifieke standplaatsfactoren zoals Natura 2000-gebied. Alle Rode-lijstplanten, -paddenstoelen en -korstmossen stellen kritische eisen aan de standplaats/substraat (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en eventueel bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;

27

Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het uitvoeren sloopwerkzaamheden, het rooien van beplanting en het bouwen van een nieuwe woning en schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden.

Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren sloopwerkzaamheden, rooien beplanting en bouwen nieuwe woning en schuur buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Grondgebondenzoogdieren Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd.

Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties.

Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied. Deze vangmiddelen zijn het hele jaar toepasbaar in de gehele provincie (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 20-03-2023).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5049/documents/33313