CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 QS natuur Varsseveld Westelijke Oude aaltenseweg 5 en Hoofdstraat Varsselder.pdf

Raadscommissie Fysieke Leefomgeving (FL) 9 oktober 2024, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan "Hoofdstraat 3 Varsselder-Veldhunten en Westelijke Oude Aaltenseweg 5 Varsseveld"11.012 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quick scan natuur

Varsseveld, Westelijke Oude Aaltenseweg 5 en Varsselder-Veldhunten, Hoofdstraat 3 ERS architecten B.V.

Datum: 23 mei 2022 Projectnummer: 210417

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

9

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

9 10 10

3

Onderzoeksmethode

12

3.1 3.2

Deskundigheid Werkwijze

12 12

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten

14

4.1 4.2 4.3

Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden

14 17 26

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

27

5.1 5.2 5.3

Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden

27 28 30

6

Conclusie

32

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld (deelgebied 1) bevindt zich momenteel een bedrijfspand met een bedrijfsbestemming. Aan de Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten (deelgebied 2) bevindt zich een horecapand met horecabestemming en bijbehorende parkeergelegenheid. Op beide percelen zijn woningen voorzien. De voorziene ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ noodzakelijk. De deelgebieden zullen in deze quick scan apart beschreven worden. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Plangebied – Deelgebied 1

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Varsseveld (gemeente Oude IJsselstreek, provincie Gelderland. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van boerenwoningen en agrarische gronden. Ten noordwesten is een houtopstand aanwezig en daarachter bevindt zich het spoor, welke het buitengebied scheidt van de bebouwde kom. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Op 19 april 2022 is een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit een opslagdepot voor toiletcabines. Aan de achterzijde van het perceel is een zeer verouderde schuur aanwezig. Hiertegenaan staat nog een klein hok waarvan het dak is ingestort. Achter de schuur staan twee berken waarop veel klimop aanwezig is. Aan die zijde van het plangebied staat ook een ingestorte caravan. Verder loopt er aan de zuidwestzijde een aarden wal met daarop berken en beuken. Aan de noordzijde is een haag aanwezig. De gronden zijn deels verhard met klinkers en bestaan deels uit gras en/of kruidige vegetatie. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek. 4

Opslag van toiletcabines. Gefotografeerd vanaf de aarden wal.

De verouderde schuur.

De aarden wal.

1.2.2

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwbouw in het plangebied zijn gerealiseerd. Dit zal gaan om drie woningen. Voor de nieuwbouw wordt de bestaande bebouwing gesloopt.

5

De bomen aanwezig langs de aarden wal worden verwijderd, alsook de aarden wal zelf. De bomen aan de west- en oostzijde blijven behouden. Overige opslag op het terrein wordt ook verwijderd. Zie navolgende afbeelding voor de toekomstige situatie.

Toekomstige situatie.

1.3

Plangebied – Deelgebied 2

1.3.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het buurtschap Veldhunten bij Varsselder (gemeente Oude IJsselstreek, provincie Gelderland). De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van boerenwoningen met bijgelegen agrarische percelen. Ten westen is een zandwinput aanwezig. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

6

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

1.3.2

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal er een nieuwe woning in het plangebied zijn gerealiseerd. Deze woning komt op de locatie van het huidige parkeerterrein. De huidige bebouwing blijft behouden en is dan ook geen onderdeel van deze quick scan. Er wordt geen groen verwijderd voor de voorgenomen plannen. Zie navolgende afbeelding voor de toekomstige situatie.

7

Toekomstige situatie.

8

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal.

De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren.

9

De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep. De provincie Gelderland vindt het verder van belang dat rustgebieden voor winterganzen geschikt blijven voor ganzen. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden. Ook zijn weidevogelgebieden aangewezen. De provincie wil hier een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels. Beschermde weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden liggen voornamelijk in de GO en voor het overige deel in het GNN.

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.

Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.

2.3

Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vier-

10

kante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

11

3 3.1

Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.

3.2

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.

3.3

Werkwijze

3.3.1

Deelgebied 1 Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 18 april 2022, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 19 april 2022, bij droog, zonnig weer, een windkracht van 2 Bft en een temperatuur van ongeveer 13 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.

Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

12

Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen. 3.3.2

Deelgebied 2 Voor het onderzoek bij deelgebied 2 werd alleen een bureaustudie uitgevoerd. , omdat het plangebied uitsluitend bestaat uit een parkeerterrein waar geen groen aanwezig is en een horecaonderneming die alleen van binnen verbouwd wordt. Dit horecagebouw hoeft dan ook niet onderzocht te worden, omdat met de verbouwing hier geen beschermde soorten aangetast kunnen worden. Op het parkeerterrein is geen groen aanwezig, dus een veldstudie is niet nodig geacht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 18 april 2022, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd.

Met de gegevens uit de bureaustudie is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.

13

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van beide deelgebieden ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.

4.1

Ligging beschermde gebieden – Deelgebied 1

4.1.1

Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Korenburgerveen” bevindt zich op een aanzienlijke afstand van het plangebied, namelijk op een afstand van ongeveer 13 kilometer.

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius.

4.1.2

Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 1,4 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gedeelte van de Groene Ontwikkelingszone bevindt zich op ongeveer 1,7 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Binnen een straal van 10 kilometer rondom het plangebied is geen weidevogelfoerageergebied of ganzenfoerageergebied aanwezig.

14

Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Bron: Provincie Gelderland.

4.2

Ligging beschermde gebieden – Deelgebied 2

4.2.1

Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken” bevindt zich op een aanzienlijke afstand van het plangebied, namelijk op een afstand van ongeveer 14 kilometer.

15

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius.

4.2.2

Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 2,9 kilometer ten oosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gedeelte van de Groene Ontwikkelingszone bevindt zich ook op ongeveer 2,9 kilometer ten oosten van het plangebied. Binnen een straal van 10 kilometer rondom het plangebied is geen weidevogelfoerageergebied of ganzenfoerageergebied aanwezig.

16

Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Bron: Provincie Gelderland.

4.3

Aanwezigheid beschermde soorten

4.3.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten Deelgebied 1 In dit deelgebied zijn gebouwen aanwezig en ook is groen aanwezig. Het deelgebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren. Deelgebied 2 In dit deelgebied is alleen versteende bodem aanwezig. Echter kunnen er in beperkte mate in het wild levende planten en dieren voorkomen, zoals huismuizen.

4.3.2 4.3.2.1

Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in deelgebied 1 soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw, houtduif en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in dit deelgebied tot broeden komen. In deelgebied 2 is geen groen aanwezig. Echter aan de randen van het deelgebied kunnen wel nesten van niet-jaarrond beschermde soorten aanwezig zijn van bijvoorbeeld de merel.

4.3.2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde 17

plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Deelgebied 1 Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017a). In dit deelgebied zijn geen duidelijk geschikte nestlocaties van de huismus aangetroffen. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen huismussen of sporen van de huismus in het deelgebied waargenomen. Wel zijn in de directe omgeving huismussen vastgesteld. Deze vertoonden echter tijdens het veldbezoek geen binding met het plangebied. Mogelijk maken deze huismussen wel gebruik van de groene elementen binnen het plangebied, zoals de haag langs de noordgrens. Echter, tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat in de omgeving buiten het plangebied in voldoende mate dekkings- en foerageermogelijkheden voor de huismus aanwezig zijn.

Derhalve kan geconcludeerd worden dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van deze soort. Essentiële elementen zijn in het plangebied dan ook niet aanwezig. Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b). De opstallen zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van kieren in muren of onder dakpannen die een geschikte nestlocatie van de gierzwaluw kunnen zijn. Deze werden niet aangetroffen. Geschikte nestlocaties voor de gierzwaluw zijn dan ook niet aanwezig. Het voorkomen van gierzwaluwen in deelgebied 1 kan dan ook uitgesloten worden. Steenuil De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft.

Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe

18

ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002, BIJ12, 2017c). De opstallen in deelgebied 1 zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van geschikte nestlocaties voor de steenuil. Hierbij is ook gezocht naar sporen of zelfs nesten. De opstallen leken niet geschikt voor de steenuil en daarnaast werden er ook nergens sporen gevonden. In het deelgebied is daarnaast nauwelijks geschikt foerageergebied aanwezig voor de steenuil. Dit vanwege het grotendeels verharde terrein en de aanwezigheid van de toiletcabines. Het voorkomen van essentieel leefgebied voor de steenuil binnen deelgebied 1 is dan ook uitgesloten. Roek Het habitat van de roek bestaat uit vochtige gras- en bouwlanden met verspreid staande clusters van bomen. Ook parklandschappen en parken aan de rand van vochtige landbouwgebieden worden gebruikt. De roek is een kolonievogel. De nesten bevinden zich in clusters van hogere bomen van 15-25 hoogte. Er worden verschillende boomsoorten gebruikt, waarbij de aanwezigheid van stevige takvorken op enkele meters hoogte leidend is bij de boomkeuze. De functionele leefomgeving rond een nestplaats van een roek moet bestaan uit een combinatie van voldoende volwassen bomen van minimaal 15 meter hoog.

Een gevarieerd boomsoortenbestand en minimaal 1,5 hectare vochtig bemest gras- of bouwland binnen een straal van 1500 meter van de nestlocatie (BIJ12, 2017d, SOVON, 2012). Net buiten deelgebied 1 bij de oostzijde is een kleine houtopstand aanwezig. Hier bevinden zich minimaal 8 nesten van roeken in de bomen. In het deelgebied is geen geschikt foerageergebied aanwezig voor de roek, omdat open grasland ontbreekt. Omdat de werkzaamheden niet in de houtopstand plaatsvinden gaan er geen fysieke nesten verloren. Met de werkzaamheden kunnen de nesten echter wel verstoord worden, waardoor deze niet meer in gebruik worden genomen. Dit moet dan ook voorkomen worden om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl).

Deze elementen zijn niet in het deelgebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het deelgebied verwacht. Deelgebied 2 Deelgebied 2 is volledig versteend, groen ontbreekt. Het voorkomen van jaarrond beschermde vogelsoorten kan dan ook uitgesloten worden.

19

4.3.3

Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). In beide deelgebieden is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde planten. Deelgebied 1 heeft een voedselrijke bodem en deelgebied 2 is volledig versteend. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht.

4.3.4

Grondgebonden zoogdieren

4.3.4.1

Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij beide deelgebieden deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

4.3.4.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas komen de bunzing, eekhoorn, grote bosmuis, hermelijn, steenmarter en wezel in de omgeving van de deelgebieden voor. Deelgebied 1 Bunzing, hermelijn, wezel De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017). De hermelijn leeft

20

in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels. Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten (Bouwens, 2017). De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017). In het deelgebied is tussen de puinhopen, opstallen en toiletcabines veel ruimte aanwezig voor verblijfplaatsen voor kleine marters. De omgeving van het deelgebied is daarnaast groen en biedt hierdoor geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen. Vanwege de aanwezigheid van verschillende geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen en de groene omgeving van het deelgebied, kan het voorkomen van kleine marterachtigen in deelgebied 1 niet worden uitgesloten.

Eekhoorn De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal vijf meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl). De bomen in en in de directe omgeving van het deelgebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten van de eekhoorn. Dit kon goed onderzocht worden, omdat er nog niet veel bladerdek aan de bomen aanwezig was ten tijde van het veldbezoek. Nesten of geschikte holtes voor de eekhoorn werden niet aangetroffen. Ook werden er geen sporen, zoals afgeknaagde kegels gevonden. Het voorkomen van de eekhoorn kan dan ook uitgesloten worden. Grote bosmuis De grote bosmuis komt voor in allerlei biotopen, zolang er enige dekking is, zoals een lage begroeiing. De soort komt onder meer voor in bossen, bosranden, parken, braakliggend land en niet te nat rietland. In natte terreinen, dichte grazige vegetatie of open weilanden komt de soort niet voor. De soort heeft een voorkeur voor oude, open eiken- en beukenbossen met een dichte struiklaag. De grote bosmuis is vooral ’s nachts actief en eet vooral zaden, noten en bessen.

Nesten van de soort bevinden zich meestal ondergrond, onder wortelstronken of in holen. Net ten oosten van het deelgebied is een kleine houtopstand aanwezig. Deze houtopstand bestaat uit relatief jonge bomen. Daarnaast is er nauwelijks een struiklaag aanwezig. Dit biedt voor de grote bosmuis dan ook geen geschikt habitat. Het voorkomen van de grote bosmuis kan dan ook uitgesloten worden. Steenmarter

21

De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). In deelgebied 1 zijn veel verschillende locaties aanwezig waar de steenmarter een verblijfplaats kan hebben. De opstallen, puinhopen en zelfs toiletcabines kunnen gebruikt worden voor ofwel een tijdelijke verblijfplaats of zelfs een vaste verblijfplaats. De omgeving van het deelgebied is ook groen, wat dus geschikt habitat biedt voor de steenmarter. Het voorkomen van de steenmarter in het deelgebied kan dan ook niet op voorhand worden uitgesloten. Deelgebied 2 Dit deelgebied is volledig versteend. Beschermde zoogdieren kunnen hier geen schuil- of verblijfplaatsen hebben. Het voorkomen van beschermde zoogdieren in deelgebied 2 kan dan ook uitgesloten worden. 4.3.5

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis in de buurt van beide deelgebieden voor. Daarnaast kan de watervleermuis in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).

4.3.5.1

Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017e, Dietz et al. 2011). Deelgebied 1 De opstallen in deelgebied 1 zijn gecontroleerd op geschiktheid voor vleermuizen. De opstallen hebben geen spouwmuur, dakbeschot of andere nauwe ruimtes waar vleermuizen kunnen verblijven. In de schuur werden wel vlindervleugels gevonden, wat mogelijk kan wijzen op de aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis. Daarom

22

werd deze gehele opstal onderzocht op individuen van de gewone grootoorvleermuis en andere sporen zoals uitwerpselen. Dit werd niet aangetroffen. Daarnaast waren er ook geen geschikte invliegopeningen aanwezig voor de gewone grootoorvleermuis. Omdat er geen sporen, geschikte invliegopeningen en andere geschikte ruimtes werden gevonden van de opstallen, kan het voorkomen van gebouwbewonende vleermuissoorten bij deelgebied 1 uitgesloten worden. Deelgebied 2 In deelgebied 2 zijn geen gebouwen aanwezig die gesloopt zullen worden. Gebouwbewonende vleermuizen zullen dan ook niet verstoord worden met de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. 4.3.5.2

Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In deelgebied 1 staan verschillende bomen. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Deze zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in dit deelgebied te verwachten. In deelgebied 2 zijn geen bomen aanwezig, het voorkomen van boombewonende soorten kan hier dan ook uitgesloten worden.

4.3.5.3

Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Deelgebied 1 In deelgebied 1 zijn enkele bomen aanwezig, welke geschikt foerageergebied voor vleermuizen vormen. Het gaat hier echter om een relatief kleine oppervlakte. In de directe omgeving van dit deelgebied is daarnaastgenoeg geschikt foerageergebied aanwezig, waaronder de houtopstand net ten oosten van het deelgebied. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat de bomen in deelgebied 1 een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormen. Deelgebied 2 In deelgebied 2 is geen groen aanwezig. Hier is dan ook geen geschikt foerageergebied voor vleermuizen aanwezig.

23

4.3.5.4

Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. In beide deelgebieden is er geen sprake van een doorlopende groenstructuur tot buiten het deelgebied. Het voorkomen van een essentiële vliegroute in één van beide deelgebieden kan dan ook uitgesloten worden.

4.3.6

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komt alleen de zandhagedis in de buurt van beide deelgebieden voor. Deelgebied 1 De zandhagedis komt voor op droge en zandige plekken op (struik)heidevelden, duinen of bosranden. Ook op open plekken in het bos en langs weg- en spoorbermen is de soort te vinden (Creemers & van Delft, 2009). Habitat van de zandhagedis, zoals hierboven beschreven, is niet aanwezig in het deelgebied. Het plangebied is deels versteend en deels verruigd. Open plekken ontbreken. Het voorkomen van de zandhagedis in dit deelgebied kan dan ook uitgesloten worden. Deelgebied 2 Dit deelgebied is volledig versteend. Reptielen kunnen hier niet voorkomen. Dit geldt dus ook voor de zandhagedisOnderzoek naar deze soort is dan ook niet nodig.

4.3.7 4.3.7.1

Amfibieën Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij beide deelgebieden deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

24

4.3.7.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komt de kamsalamander in de buurt van beide deelgebieden voor. Deelgebied 1 In of in de directe omgeving van deelgebied 1 is geen oppervlaktewater aanwezig. De kamsalamander heeft water nodig voor zijn voortplanting. Aangezien oppervlaktewater ontbreekt, kan het voorkomen van voortplantingsplaatsen uitgesloten worden. Amfibieën hebben ook een overwinteringshabitat. Overwinteringshabitat bevindt zich altijd in de directe omgeving van het voortplantingswater. Omdat voortplantingswater ontbreekt kan het voorkomen van overwinteringshabitat ook uitgesloten worden. Het voorkomen van de kamsalamander kan dan ook uitgesloten worden. Deelgebied 2 Deelgebied 2 is volledige versteend. De kamsalamander kan hier niet voorkomen.

4.3.8

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In beide deelgebieden zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen in de deelgebieden is daarmee uitgesloten.

4.3.9

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl).

25

In beide deelgebieden is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in de deelgebieden.

4.4

Aanwezigheid houtopstanden

4.4.1

Deelgebied 1 In het deelgebied is een houtopstand aanwezig. De bomen en struiken die aanwezig zijn, zijn namelijk onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter.

4.4.2

Deelgebied 2 Binnen het deelgebied is geen houtopstand aanwezig. In het deelgebied zijn namelijk geen bomen en struiken aanwezig.

26

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

5.1

Mogelijke effecten op beschermde gebieden

5.1.1

Deelgebied 1

5.1.1.1

Natura 2000 Het deelgebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 13 kilometer afstand. Met het plan wordt een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Ook is van de ontwikkeling geen sterke toename van stikstofemissie te verwachten. Vanwege de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de aanzienlijke afstand tot Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebied door de ontwikkeling uitgesloten. Nader onderzoek in de vorm van een voortoets is dan ook niet nodig.

5.1.1.2

Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 1,4 kilometer ten noordoosten van het deelgebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het deelgebied niet in de GNN of GO ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.1.2

Deelgebied 2

5.1.2.1

Natura 2000 Het deelgebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 14 kilometer afstand. Met het plan wordt een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Ook is van de ontwikkeling geen sterke toename van stikstofemissie te verwachten. Vanwege de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de aanzienlijke afstand tot Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebied door de ontwikkeling uitgesloten. Nader onderzoek in de vorm van een voortoets is dan ook niet nodig.

5.1.2.2

Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 2,9 meter ten oosten van het deelgebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het deelgebied niet in de GNN of GO ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 27

5.2

Mogelijke effecten op beschermde soorten

5.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom beide deelgebieden kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.

Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.

5.2.2

Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond beide deelgebieden vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen.

5.2.2.1

Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond beide deelgebieden geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is.

5.2.2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten In deelgebied 1 werd een soort waargenomen waarvan het nest jaarrond is beschermd. Dit betreft de soort roek. De nesten waren niet aanwezig in het deelgebied zelf, maar zaten hier direct ten oosten van. Als er met de geplande werkzaamheden 28

geen rekening wordt gehouden met deze soort, gaan de nesten mogelijk verloren vanwege verstoring. Om ervoor te zorgen dat de werkzaamheden de nesten niet zullen verstoren, kunnen de ruimtelijke ontwikkelingen enkel buiten de broedperiode van de roek uitgevoerd worden. De broedperiode van de roek loopt van 1 februari tot 31 juli. Indien dit niet werkbaar is, zal in overleg met u bekeken moeten worden of andere oplossingen mogelijk zijn. In dat geval zullen mitigerende maatregelen getroffen moeten worden en zal waarschijnlijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd moeten worden. Er moet dan bekeken worden of de kans op het verkrijgen van de ontheffing reëel is. Overige vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd zijn niet in deelgebied 1 of de omgeving aanwezig. In deelgebied 2 zijn geen vogelsoorten aanwezig waarvan het nest jaarrond is beschermd. 5.2.3

Overige beschermde soorten

5.2.3.1

Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij beide deelgebieden kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht.

5.2.3.2

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in deelgebied 1. Het betreft essentieel leefgebied van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. De steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’, waarvoor de verboden van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. Met de geplande werkzaamheden gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Andere soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet geldt, zijn niet in of nabij deelgebied 1 aanwezig.

Negatieve effecten op die soorten zijn dan ook niet te verwachten en nader onderzoek naar die soorten is dan ook niet nodig. In deelgebied 2 zijn geen essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, aanwezig. Doordat deze elementen niet aanwezig zijn, zijn negatieve effecten op deze categorie beschermde soorten niet te verwachten in deelgebied 2. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling in deelgebied 2 niet in de weg.

29

5.2.4

Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten: onderzoekseisen en -periodes (alleen deelgebied 1) Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen. Alleen in deelgebied 1 hoeft nader onderzoek uitgevoerd te worden naar beschermde soorten. In deelgebied 2 hoeft geen nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden.

5.2.4.1

Steenmarter Voor de steenmarter is geen kennisdocument beschikbaar. Om aan- of afwezigheid vast te stellen wordt tijdens andere veldbezoeken in de periode van februari tot en met oktober gelet op sporen en individuen van deze soort. Ook wordt extra navraag gedaan bij gebruikers van het deelgebied of omwonenden. Tenslotte kunnen op verdachte plekken nog cameravallen geplaatst worden.

5.2.4.2

Kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) De aanwezigheid van kleine marters kan worden vastgesteld door het gebruik van de ‘struikrover’; een buis met wildcamera waarmee kleine marters kunnen worden waargenomen (zoogdiervereniging.nl). Ook kan voor het waarnemen van kleine marterachtigen een combinatie van verschillende methoden worden gebruikt. Dit zijn het gebruik van cameravallen, marterboxen, sporenbuizen en nestkasten. Wanneer onderzoek in de actieve periode (maart tot en met augustus) van de dieren wordt gedaan, dan dienen de onderzoeksinstrumenten minimaal 6 weken op de onderzoekslocatie te worden geplaatst. Buiten de actieve periode van de dieren is er minder trefkans. Daarom is dan een dubbele hoeveelheid instrumenten nodig en dient er minimaal 12 weken onderzoek te worden gedaan (Bouwens 2017). Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer. Soortgroep

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Steenmarter Kleine marterachtigen

5.3

Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden

5.3.1

Deelgebied 1 In het deelgebied is een houtopstand aanwezig en als onderdeel van het plan worden bomen of struiken van deze houtopstand geveld. Op deze velling is het beschermingsregime voor houtopstanden van de Wet natuurbescherming echter niet van toepassing, want de houtopstand die wordt geveld ligt binnen de grenzen van de bebouwde kom met betrekking tot de bescherming van houtopstanden van de gemeente.

30

5.3.2

Deelgebied 2 In het deelgebied is geen houtopstand aanwezig. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

31

6

Conclusie Aan de Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld (deelgebied 1) bevindt zich momenteel een bedrijfspand met een bedrijfsbestemming. Aan de Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten (deelgebied 2) bevindt zich een horecapand met horecabestemming en bijbehorende parkeergelegenheid. Op beide percelen zijn woningen voorzien. De voorziene ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ noodzakelijk. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in beide deelgebieden. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten beide deelgebieden.

6.1

Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat bij deelgebied 1 Natura 2000-gebied Korenburgerveen op 13 kilometer afstand van het deelgebied ligt. Ook blijkt bij deelgebied 2 dat Natura 2000-gebied Rijntakken op 14 kilometer afstand van het deelgebied ligt. Door de afstand van beide deelgebieden tot de Natura 2000-gebieden en de kleinschaligheid van beide ontwikkelingen zijn verstoringen op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkelingen niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van beide deelgebieden geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.

6.2

Soortenbescherming In en rondom beide deelgebieden kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij beide deelgebieden kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom beide deelgebieden vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de

32

geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. In de directe omgeving van deelgebied 1 zijn daarnaast minimaal acht roekennesten aanwezig. Om verstoring van deze nesten te voorkomen, mogen de ontwikkelingen alleen buiten de broedperiode van de roek worden uitgevoerd. De broedperiode van de roek loopt van 1 februari tot 31 juli. Indien dit niet werkbaar is, moet in overleg bekeken worden of andere oplossingen mogelijk zijn. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen of leefgebied van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel aanwezig in deelgebied 1. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of leefgebied aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In deelgebied 2 zijn essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling in deelgebied 2 niet in de weg.

6.3

Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt bij beide deelgebieden geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze deelgebieden.

6.4

Vervolgstappen − Houd in beide deelgebieden rekening met de zorgplicht; − Houd in beide deelgebieden rekening met broedende vogels; − Werk in deelgebied 1 alleen buiten de broedperiode van de roek (broedperiode loopt van 1 februari tot en met 31 juli); − Laat in deelgebied 1 nader onderzoek uitvoeren naar steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4766/documents/29982