CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE 6. UHS OIJ 2025 - Landelijke Richtlijn Bouw- Sloopveiligheid OW.pdf

Raadscommissie Algemene zaken Financiën en Economie (AFE) 12 mei 2025, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 9: Verslag Toezicht en handhaving OIJ27.330 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het treffen van maatregelen ter voorkoming van: beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen geldt voor de drie hierboven geschetste situaties, maar artikel 7.15 onderdeel c geldt uitsluitend zoals genoemd in situatie c. Alleen schadecategorie C valt direct derhalve onder de publiekrechtelijke bescherming, zoals door het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt geboden (voorkomen van gevaar voor de veiligheid van belendingen). Schade die leidt tot dit gevaar moet dan ook door middel van te treffen maatregelen worden voorkomen. De grens tussen schadecategorie A/B en C dient in het bouwveiligheidsplan duidelijk te zijn omschreven. Schadecategorieën A en B moeten op privaatrechtelijke wijze worden afgehandeld tussen schadeveroorzaker en schadeontvanger. Deze wijze van schadeafhandeling dient, in overleg met het bevoegd gezag en met de schadeontvanger, vastgelegd te worden in het bouwveiligheidsplan. Daarbij dient de grens tussen schadecategorie A/B en C duidelijk te zijn omschreven. Met name de grens tussen categorie B en C moet in het bouwveiligheidsplan duidelijk omschreven worden, bijvoorbeeld met het vastleggen van maximale relatieve rotaties.

Dit bepaalt in belangrijke mate de scheiding tussen privaatrechtelijke en publiekrechtelijke verantwoordelijkheid. Het bereiken van een gevaarlijke situatie (categorie C) wordt in de meeste gevallen ingeleid door schade in de categorie A en B. Daarom is het opstellen van een monitoringsplan altijd noodzakelijk. Hiermee kan tijdig worden onderkend dat de hoogste schadecategorie gaat ontstaan. In het kader van een privaatrechtelijke aansprakelijkstelling wordt een initiatiefnemer in ieder geval ook geadviseerd een bouwkundige vooropname te maken voor de start van de werkzaamheden.

Blad 51 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

Bij sloop- of bouwwerkzaamheden worden de volgende schadeoorzaken en schadegevolgen omschreven: Schadeoorzaken: Bij sloopwerkzaamheden:  beschadiging door sloopmaterieel;  omvallende bouwdelen van het te slopen object;  trillingen als gevolg van het slopen met een zgn. "specht";  sloopwerk met behulp van explosieven;  slopen van ondergrondse bouwdelen;  instabiliteit bij gedeeltelijke sloop. Bij bouwwerkzaamheden:  omvallende bouwkraan of een andere bouwmachine;  omvallende of uit een kraan vallende bouwelementen;  trillingen bij het inbrengen van funderingspalen;  trillingen bij het inbrengen van damwanden;  trillingen bij het verwijderen van (tijdelijke) damwanden;  verlagen van de grondwaterstand;  ontgraving in een open bouwput;  vervorming of lekkage van bouwputwanden;  opbarsten of lekkage van de bouwputbodem.

Schadegevolgen:  scheefstand van een belending waardoor instabiliteit van het bouwwerk dreigt;  scheefstand van onderdelen van het bouwwerk, waardoor de samenhang van de bouwconstructie verloren dreigt te gaan en vloeren en/of balken van hun opleggingen dreigen te glijden;  trillingen waardoor de samenhang van de bouwconstructie verloren dreigt te gaan;  verschilzettingen (relatieve rotaties) van een zodanige omvang dat de samenhang van de bouwconstructie verloren dreigt te gaan, waarmee dit kan worden aangemerkt als bezwijken;  beschadiging of wegvallen van onderdelen van de bouwconstructie door bouwmaterieel (bijv. een omvallende bouwkraan). De maatregelen om bovengenoemde schade te voorkomen dienen te worden omschreven in het bouwveiligheidsplan. Algemeen van toepassing: Met betrekking tot het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden zijn onder meer de volgende twee voorwaarden van toepassing: - Beschadiging van belendingen en infrastructuur rondom het bouw- of sloopterrein dient voorkomen te worden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de SBR-richtlijn Trillingen, deel A "Schade aan gebouwen, meet- en beoordelingsrichtlijn" 2017. Bij toepassing van de richtlijn dient rekening te worden gehouden met de hierin gestelde grenswaarden.

- Trillingen veroorzaakt door bouw- en sloopwerkzaamheden bedragen in geluidsgevoelige ruimten, overeenkomstig de Wet geluidhinder, niet meer dan de trillingsterkte, genoemd in tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen” 2006. (*)

Blad 52 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

(*) Dit is alleen van toepassing in het geval van slopen en/of bouwen naast ziekenhuizen of klinieken en soms bestaande gebouwen met gevoelige apparatuur.

De belendingen Wanneer bij de uitvoering van bouwwerkzaamheden een risico bestaat dat belendingen beschadigd kunnen raken, wordt van alle binnen het risicogebied (de bouwveiligheidszone) aanwezige belendingen een opnamerapportage gemaakt. In deze rapportage zijn ten minste de volgende aspecten vastgelegd:  de bouwkundige staat van het pand;  een beschrijving van de hoofddraagstructuur van het pand;  de aanlegdiepte en -breedte van de fundering;  de soort en inheidiepte van funderingspalen;  een beschrijving van reeds aanwezige schade of vervorming;  toelichtende foto’s. Van de belendingen wordt de constructieve opbouw en de aard van de fundering onderzocht en vastgelegd aan de hand van een omschrijving, tekeningen en foto's. Op basis van dit onderzoek worden de belendingen ingedeeld in één van de gebouwcategorieën, zoals omschreven in de SBR-richtlijn A: Schade aan bouwwerken. Op basis hiervan worden de toelaatbare trillingswaarden per belending vastgelegd. In overleg met de eigenaren wordt onderzocht of er constructieve maatregelen aan de belendingen mogelijk zijn om (gevaarlijke) schade te voorkomen. Vervormingsmetingen Om eventuele vervormingen (zettingen en relatieve rotaties) bij belendingen tijdig te detecteren, worden aan de belendingen die binnen de bouwveiligheidszone liggen tijdens de uitvoering vervormingsmetingen uitgevoerd.

Vooronderzoek  Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot de diverse risicoaspecten liggen.  Op basis van de draagstructuur van de belendingen wordt bepaald wat de toelaatbare zettingen en relatieve rotaties voor de belendingen zijn. Deze vervormingsgrenzen worden in overleg met het bevoegd gezag vastgesteld “zoals het gestelde in SBR-richtlijn A: Schade aan bouwwerken.”.  Er wordt bepaald of er alleen verticale metingen (meetboutjes) of 3D-metingen (x, y, en z-vervormingen) worden uitgevoerd.  Op basis van de structuur van de belendingen worden meetpunten aangebracht.  Er wordt een meetprotocol voor vervormingsmetingen opgesteld, waarin ten minste de meetfrequenties zijn vastgelegd.  Er wordt een deskundige partij gekozen voor het uitvoeren van de metingen.  Er wordt een procedure vastgesteld bij overschrijding van de vervormingsgrenzen.

Metingen

Blad 53 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

 

1 augustus 2024 versie 2.15

Ten behoeve van uit te voeren vervormingsmetingen wordt van ieder pand een 0-meting uitgevoerd. De resultaten hiervan worden vastgelegd in een meetrapport. Vervolgmetingen worden systematisch vergeleken met de resultaten van de 0-meting. De meetresultaten worden volgens het protocol naar alle betrokkenen verzonden.

Calamiteiten  De vastgestelde zettingsgrenzen worden overschreden.  De vastgestelde maximale relatieve rotaties worden overschreden.  Er ontstaat onvoorziene scheurvorming in belendingen.  Door maaiveldzakkingen is de veiligheid van het openbaar gebied in gevaar of het openbaar gebied is niet meer op een normale wijze toegankelijk.  De meetapparatuur faalt. Maatregelen  De vervorming-veroorzakende werkzaamheden worden gestaakt.  Er worden (in overleg met de betreffende belending-eigenaren) maatregelen aan de belendingen getroffen ten einde verdere vervorming te voorkomen.  De uitvoeringsmethoden worden aangepast, zodat geen verdere vervorming aan belendingen meer kan optreden.  Maatregelen worden voorbereid in overleg met het bevoegd gezag.  Maatregelen worden voorbereid en uitgevoerd door de vergunninghouder of melder, zijn gemachtigde of degene die de omgevingsvergunning of melding uitvoert. 7.2

Trillingen

Trillingen kunnen schade aan belendingen veroorzaken. Daarom moeten deze trillingen tijdens de uitvoering gemeten worden. Vooronderzoek  Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot trillingen liggen.  Trillingen tijdens bouwwerkzaamheden, zoals inbrengen van funderingspalen of damwanden, worden beperkt overeenkomstig het gestelde in de SBR-richtlijn A Schade aan bouwwerken.  Er wordt vastgesteld welke soort trillingen op zal treden, afhankelijk van de trillingsbron (kortdurend, herhaald kortdurend of continu).  Er wordt een protocol opgesteld voor het uitvoeren van trillingsmetingen.  Hierin wordt onder andere vastgelegd welke meetmethode zal worden toegepast (indicatief, beperkt of uitgebreid) en wat de meetfrequentie wordt.  Er worden op de belendingen meetpunten aangebracht conform de vastgestelde meetmethode.  Er wordt een procedure vastgesteld bij overschrijding van de trillingsgrenzen.  Er wordt een deskundige partij gekozen voor het uitvoeren van de metingen. Metingen tijdens de uitvoering:  Tijdens het uitvoeren van trillingveroorzakende werkzaamheden worden de trillingen continu of volgens de in het protocol vastgelegde frequenties gemeten.  Er wordt een alarmsignalering ingesteld (ca. 90% van de grenswaarde).

Blad 54 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

 

1 augustus 2024 versie 2.15

Een bemande meting met een alarmlamp heeft hierbij de voorkeur. De meetresultaten worden volgens het protocol naar alle betrokkenen verzonden.

Calamiteiten:  De grenswaarde wordt overschreden.  Er ontstaat (ernstige) schade aan belendingen.  Er treedt verdichting van de bodem op waardoor zakkingen van paden en wegen optreden. Maatregelen:  De trillingveroorzakende werkzaamheden worden gestaakt.  De meetmethode wordt aangepast (de grenswaarde van uitgebreide metingen is hoger dan indicatief of beperkt). 

7.3

De uitvoeringsmethode wordt aangepast, zodat geen verdere vervorming aan belendingen meer kan optreden, zoals bijvoorbeeld: o Het heiblok, de valhoogte, of de trilfrequentie wordt aangepast. o Er wordt een sleuf gegraven tussen de trilbron en de belendingen om oppervlakte-trillingen te verminderen. o Er wordt overgegaan op voorboren en/of fluïderen (niet in de vaste zandlaag) tot een bepaalde diepte (in overleg met geotechnisch adviseur en de hoofdconstructeur). o De uitvoeringsvolgorde wordt aangepast. o Er wordt overgaan op een andere uitvoeringstechniek (trillingvrijsysteem). Bemalingen

Overeenkomstig Bbl artikel 7.16 mag de grondwaterstand buiten de bouwput niet zover worden verlaagd, dat gevaar kan ontstaan voor de veiligheid van belendingen. Eventuele toestemming/vergunning voor grondwaterverlaging en/of wateronttrekking vooraf bij bevoegd gezag ( Hoogheemraadschap en/of Gemeente) nagaan. Vooronderzoek  Er wordt een bemalingsplan opgesteld.  Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot grondwaterstandsverlaging liggen.  De actuele en historische grondwaterstanden van het freatische oppervlaktewater en ook van de diepere watervoerende lagen worden gemeten en/of verzameld.  Er wordt bepaald wat de te bemalen hoeveelheid water per tijdseenheid wordt en wat de totale bemalingsduur gaat worden.  Op basis hiervan worden de bijbehorende meldingen gedaan of vergunningen aangevraagd.  Het invloedsgebied van de bemaling wordt vastgesteld volgens het bemalingsadvies.  Er wordt een inschatting gemaakt van de te verwachten neerslag.  Er wordt een inschatting gemaakt van te verwachten lekkage door de keerwanden en bouwputbodem.  Er worden peilbuizen geplaatst volgens het bemalingsplan.  De mogelijkheid van retourbemaling wordt onderzocht.

Blad 55 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

Er wordt een maximaal toelaatbare grondwaterstandverlaging buiten de bouwput vastgesteld (grenswaarde).

Metingen tijdens de uitvoering  Peilbuizen worden zodanig geplaatst en beschermd dat er geen regenwater (oppervlaktewater) in de peilbuis gaat stromen.  Er wordt een bemalingsproef uitgevoerd.  De afgelezen metingen per peilbuis worden vergeleken met de grenswaarde. Het vaststellen van een alarmwaarde (90% van de grenswaarde) is hier erg belangrijk, gezien het feit dat grondwater enige tijd nodig heeft om te stromen en op een bepaald peil te komen.  Afgelezen waterstanden in de peilbuizen worden door een deskundige geanalyseerd en vergeleken met de te verwachten waarden.  Metingen en analyse van grondwaterstanden worden met betrokkenen gecommuniceerd. Calamiteiten  De grenswaarde voor verlaging wordt overschreden.  De bemaling of retourbemaling faalt.  Er treden lekkages in de bouwputwand en/of –bodem op.  Er moet langer worden bemalen dan de vooraf ingeschatte periode. Maatregelen  De bemalingscapaciteit wordt aangepast.  Lekkages worden gedicht.  Er worden aanpassingen aan de bouwputwanden en/of –bodem uitgevoerd.  De bemalingsinstallatie wordt hersteld.  Er wordt toch retourbemaling toegepast.  Er worden reservepompen ingezet.  Er worden (in overleg met de eigenaren) aanpassingen aan de grondwatergevoelige belendingen uitgevoerd. 7.4

Ontgravingen naast belendingen

Open bouwputten worden meestal niet naast belendingen gegraven. Daarom blijft deze bouwputmethode hier verder buiten beschouwing. Bij de verdere beschouwing zal worden uitgegaan van een bouwput met kunstmatig aangebrachte bouwputwanden en een eventueel kunstmatig aangebrachte bouwputbodem. Vooronderzoek  Er wordt een zodanig bouwputontwerp gemaakt, dat er tijdens uitvoering geen gevaar voor de veiligheid van belendingen ontstaat.  Uitgangspunt hierbij is, dat verticale bouwputbegrenzingen niet zodanig vervormen, dat de veiligheid van belendende bouwwerken of in de weg gelegen kabels en leidingen geschaad wordt of dat hieraan ontoelaatbare vervormingen optreden.  Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot vervorming van bouwputwanden liggen.  Er wordt bij het ontwerp van de bouwput rekening gehouden met uitval van stempels, gordingen of ankers, zoals omschreven in CUR-rapport 166.  Er wordt een berekening gemaakt van de te verwachten vervormingen van de bouwput en de daarmee samenhangende vervormingen van belendingen.

Blad 56 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

Er wordt een zodanige uitvoeringsfasering gekozen, dat er zo min mogelijk vervormingen buiten de bouwput optreden.

Metingen  Tijdens het uitvoeren van de bouwput worden de metingen verricht, zoals omschreven in paragraaf 7.1 van deze richtlijn.  Wanneer de bouwput dicht langs begrenzingen ligt, worden in de bouwputwanden inclino-metingen uitgevoerd.  De resultaten van deze metingen worden continu vergeleken met de vervormingsmetingen aan de aangrenzende belendingen. Calamiteiten  Er treden tijdens de ontgraving van de bouwput te grote vervormingen op bij belendingen.  Er treedt een onvoorziene uitval van stempels, gordingen of ankers op.  Er ontstaan onvoorziene lekkages in de bouwputwand en/of –bodem. o Lekkages kunnen ontstaan door problemen met de grondkerende elementen (damwanden, boorpalen), maar ook door discontinuïteit in de horizontale afsluitende laag van de bouwput. Lekkages kunnen ook ontstaan door slechte uitvoering van onderwaterbeton of opbarsten van een bouwput. Dit laatste kan optreden door het onvoorzien falen van spanningsbemaling.  Er treedt opbarsten van de bouwputbodem op. o Bij een gesloten bouwput (verticaal door grondkerende elementen tot onder de afsluitende laag en horizontaal door de aanwezigheid van een slecht of niet doorlatende laag op grotere diepte) kan zich dat voordoen door verlies van verticaal evenwicht van de bouwputbodem.

Door het stijgen van overdruk van grondwater onder de afsluitende laag en/of een kleine dikte van de aanwezige grond boven deze laag, kan de putbodem openbarsten. Het optreden van opbarsten kan tijdens de uitvoering worden gecontroleerd door het plaatsen en voortdurend meten van diepe peilbuizen. Door het meten van peilbuizen (waterdruk) in combinatie met grondonderzoek kan worden berekend of de afsluitende laag, samen met de erboven gelegen grondlagen, voldoende gewicht geeft om weerstand te bieden aan de opwaarts gerichte druk van het grondwater. Dit is een onderdeel van het ontwerp van de bouwput. Wijkt de werkelijke situatie af van de ontwerpuitgangspunten, dan moeten tijdens de uitvoering maatregelen worden getroffen, zoals een diep-bemaling, om de waterdruk in de diepere lagen te verlagen waardoor evenwicht van de bouwputbodem wordt bereikt. Een andere maatregel is het toepassen van verticale verankering van de bouwputbodem. De uitvoering van de diepbemaling is nodig totdat er een bepaalde bouwfase bereikt wordt waarbij het verticale evenwicht zonder bemaling is gegarandeerd.

Maatregelen  De bouwput wordt aangevuld om contragewicht op de bouwputwanden en/of – bodem te creëren.  De ontgravingsfasering wordt verder verfijnd.

Blad 57 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

 

7.5

1 augustus 2024 versie 2.15

De bouwputconstructie wordt aangepast (zie onder opbarsten van de bouwputbodem); Er worden (in overleg met de eigenaren) aanpassingen aan de belendingen uitgevoerd. Instabiliteit als gevolg van (gedeeltelijk) slopen

Bij sloopwerkzaamheden kan het te slopen pand en mogelijk de belending instabiel worden, doordat stabiliserende elementen worden verwijderd of de samenhang van het bouwwerk verloren gaat. Vooronderzoek  Er wordt onderzoek gedaan naar de constructieopbouw van het (gedeeltelijk) te slopen object.  Er wordt onderzoek gedaan naar de staat van niet te slopen andere constructieve elementen en ook van de belendingen, indien deze nadelig worden beïnvloed door de sloop.  Archieftekeningen worden vergeleken met de werkelijke constructie.  Er wordt een asbestinventarisatierapport opgesteld.  Er wordt onderzocht of er een (tijdelijke) hulpconstructie nodig is, ter voorkoming van instabiliteit van nog niet gesloopte gedeelten of belendingen.  De slooptechnieken en sloopvolgorde worden op basis van bovengenoemde onderzoeken vastgesteld.  Er wordt een methode vastgesteld om sloopafval af te voeren. Meten en uitvoeren van sloopwerkzaamheden  Er wordt gecontroleerd op naleving van de sloopvolgorde.  Er wordt een visuele controle uitgevoerd van niet te slopen bestaande elementen (wanden, vloeren, balken).  Er worden (eventueel) benodigde metingen uitgevoerd in geval van het genereren van trillingen. Calamiteit  Er treedt instabiliteit op van dragende wanden.  Er ontstaat schade aan belendingen of gedeelten die nog in gebruik zijn.

 Er treedt gedeeltelijke instorting op van dragende elementen door verlies van evenwicht. Maatregelen  De slooptechnieken worden aangepast om schade te voorkomen.  Er wordt een hulpconstructie toegepast ter voorkoming van instabiliteit en/of instorting door verlies van evenwicht.  Omwonenden worden gewaarschuwd en, indien nodig, geëvacueerd. 7.6

Beschadigingen van objecten in de ondergrond

Tijdens het werken aan ondergrondse kabels en leidingen dient onder meer te worden voorkomen: het valgevaar voor publiek, elektrocutie en het niet-beschikbaar zijn van nutsvoorzieningen. De betreffende instanties dienen te zijn benaderd en de betreffende procedures inclusief een Klic-melding dienen daarbij te worden opgevolgd.

Blad 58 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

Mocht dit aannemelijk zijn, dan dient tijdens de ontwerpfase een inventarisatie uitgevoerd te worden naar bijzondere ondergrondse objecten. Dit kan betrekking hebben op een ondergrondse (olie-) tank, ondergrondse infrastructuur, nietgeëxplodeerde explosieven e.d. In het bouwveiligheidsplan dienen de veiligheidsmaatregelen te worden omschreven die betrekking hebben om het publiek en de omgeving. 7.7

Bijzondere gevaren

Instabiliteit van een nog niet gereed bouwobject  Bouwwerken moeten tijdens de bouwfase ook stabiel zijn en dus voorzien zijn van de nodige stabiliteitselementen.  Dit geldt voor de globale stabiliteit (tegen windbelasting en initiële scheefstand) maar ook voor de lokale stabiliteit zoals kip- of knik.  Daarom worden soms extra berekeningen uitgevoerd om de stabiliteit tijdens de bouwfase te garanderen en worden er (indien nodig) tijdelijke hulpconstructies toegepast. Tijdelijke hulpconstructies en bouwmaterieel  Ten behoeve van de uitvoering worden vaak tijdelijke (hulp)constructies aangebracht, zoals steigers, hangsteiger e.d. Ook worden er bouwliften en bouwkranen toegepast.  Deze constructies moeten ook zodanig worden ontworpen, dat zij geen gevaar opleveren voor publiek en belendingen buiten de bouwput.  Met name kraanfundaties en kraanbanen moeten zijn ontworpen op uiterste omstandigheden (lasten bij in gebruik zijnde toestand en wind bij buiten gebruik zijnde toestand). Ook kranen op drijvende pontons moeten voldoende stabiel zijn ontworpen. 7.8

Risico’s door aanwezig asbest

In het Bbl artikel 7.10 is aangegeven in welke gevallen een sloopmelding moet worden gedaan bij het Bevoegd Gezag (meestal gemeente). Indien asbest aanwezig is, valt de verwijdering van het asbest ook onder de sloopmelding. In wet- en regelgeving is vastgelegd dat uit een bouwwerk eerst het aanwezige asbest moet worden verwijderd, alvorens tot sloop kan worden overgegaan. Bij bouwwerken, gebouwd voor 1 januari 1994, zal middels een asbestinventarisatie volgens artikel 7.9 Bbl moeten worden bepaald waar het asbest zich bevindt en onder welke risicoklasse dit dient te worden verwijderd. Asbestverwijdering is aan strenge regels gebonden en zal, indien deze regels op juiste wijze worden toegepast, zelden tot onaanvaardbare risico’s voor de omgeving leiden. Ondanks de uitgevoerde asbestinventarisatie en het voorafgaand aan de sloop saneren van asbest uit het bouwwerk, bestaat er een kans dat toch nog asbest in het bouwwerk aanwezig is. Dit wordt niet gerapporteerd asbest genoemd. Tijdens de sloop van het bouwwerk kan dit asbest aan het licht komen, beschadigd raken en daarmee risico’s veroorzaken binnen het sloopproject, maar ook in de directe omgeving van de slooplocatie. Een sloper is bij het aantreffen van asbestverdacht materiaal verplicht de werkzaamheden geheel of gedeeltelijk te staken en de vondst van niet gerapporteerd asbest direct te melden bij het Bevoegd Gezag.

Blad 59 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

Het gaat in deze Richtlijn te ver om het gehele proces na het aantreffen van niet gerapporteerd asbest te beschrijven. Hiervoor willen wij verwijzen naar de Handreiking Slopen van de VBWTN, welke op basis van aanpassingen in wet- en regelgeving indien nodig wordt geactualiseerd. In relatie tot asbest dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten: ‐ asbest kan ook worden aangetroffen bij het zgn. strippen van een bouwwerk (denk ook aan anti-kraak-maatregelen); ‐ voor het verwijderen van asbest en het slopen kunnen hulpconstructies, stempels en stutten noodzakelijk zijn; ‐ zorg voor de aanwezigheid van het rapport van eindbeoordeling na asbestsanering op de slooplocatie (de zgn. vrijgave); ‐ wees bedacht op bewust niet gesaneerd asbest bij gedeeltelijke sloop; ‐ voor het maken van hulpconstructies in of aan belendingen, kan het noodzakelijk zijn dat voor deze belendingen een asbestinventarisatie wordt uitgevoerd; ‐ bij een instabiel belendend pand zal, als de situatie dat vereist, een asbestinventarisatie uitgevoerd moeten worden.

Instabiel kan inhouden dat het pand er zo slecht voor staat dat het of gesloopt moet worden of dat het spontaan in zou kunnen storten; ‐ het sloopplan van de sloopaannemer moet onderdeel zijn van het (sloop)veiligheidsplan, zodat beoordeeld kan worden of de omgevingsveiligheid tijdens sloop is gewaarborgd; ‐ decontaminatievoertuigen mogen in het openbaar gebied geen belemmering opleveren voor de openbare orde en veiligheid; ‐ een steigerconstructie, ten behoeve van de uitvoering van de asbestverwijdering, mag geen belemmering opleveren voor de openbare orde en veiligheid. 7.9

Ruimte voor de werkzaamheden

Voor het realiseren is een bouwterrein nodig voor onder meer machines, werktuigen, materieel, hulpmaterialen, keten, opslag, depots, parkeren etc. Dit bouwterrein dient op schaal te worden weergegeven op tekening als onderdeel van het bouwveiligheidsplan. In een vroeg stadium van de ontwerpfase volstaat een globale inschatting van het benodigde terrein. Bijzondere aandacht vraagt de veelal omvangrijke ruimte voor materieel, parkeren en depots. Gedurende de ontwerpfase dient deze inschatting steeds nauwkeuriger te worden en uiteindelijk uit te monden in een bouwplaatstekening waarop de benodigde ruimte ten behoeve van alle uit te voeren werkzaamheden inzichtelijk is. De toegang tot de bouwplaats dient zodanig te worden gekozen dat aanrijdgevaar dient te worden voorkomen. De omvang van de terreinen is zodanig dat vluchtwegen, verzamelplaatsen, brandkranen, blusleidingen, routes en opstelplaatsen van hulpdiensten etc. toegankelijk blijven. De laad-, los- en hijszones zijn zodanig geprojecteerd dat risico’s van vallende voorwerpen wordt voorkomen. In het geval dergelijke zones zich bevinden dichtbij publiek, dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen. Indien nodig dient in een parkeerplan de carpooling, de locatie van de voertuigen, de eventuele pendeldiensten, de locatie van bezoekers etc. te zijn uitgewerkt. Kennis van

Blad 60 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

uitvoeringstechniek dient te worden ingebracht over de omvang van bouwkranen, bezinkbassins, bouwwegen, hijsroutes, een ketenpark etc. 7.10

Hulpverlening / brandveiligheid

Tijdens de uitvoering van een project kan brandgevaar ontstaan voor de omgeving. Ook kan een aantal voorzieningen voor de hulpverlening een tijdelijk karakter hebben. Hierover beslist het bevoegd gezag al dan niet in overleg met de veiligheidsregio. Aandachtspunten zijn: het voorkomen van brandgevaar door werkzaamheden elders uit te voeren (te prefabriceren), het in stand houden van blusvoorzieningen / opstelplaatsen van blus- en hulpverleningsvoertuigen, het overkluizen van en in stand houden van vluchtwegen, etc.

Het Bbl stelt in hoofdstuk 6 gebruiksvoorschriften voor (bestaande) bouwwerken. Deze direct werkende - en dus handhaafbare - voorschriften zijn te allen tijde van toepassing op bouw- of sloopwerkzaamheden waarbij het gebruik van bouwwerken in stand blijft. Bij een dreigende calamiteit of gevaar kan het bevoegd gezag direct handhavend optreden. 7.11

Afscheidingen

Een afscheiding geeft de omvang van een bouwterrein aan waarvoor een opdrachtgever en aannemer verantwoordelijk zijn voor de veiligheidsmaatregelen, volgens onder meer het Arbobesluit. Buiten een afscheiding gelden wetgeving als de Wegenverkeerswet en is naast een opdrachtgever en aannemer bijvoorbeeld ook een wegbeheerder verantwoordelijk. Een afscheiding wijst zodoende verantwoordelijke en bevoegde partijen aan. Een tweede functie van een afscheiding is het afschermen van publiek voor de gevaren. Een afscheiding dient doeltreffend te zijn tegen gevaren als aanrijdgevaar, vallende voorwerpen, asbest etc. Het gevaar van een onjuiste of onduidelijke afscheiding is dat publiek er vanuit kan gaan dat een ruimte veilig toegankelijk is, terwijl dit niet het geval is: men is zich niet bewust van de gevaren. In elke bouwfase zijn er specifieke gevaren die voortkomen uit stof, putten en sleuven, hijswerk, laswerk etc. Het type afscheiding dient dusdanig te worden gekozen dat het publiek in voldoende mate wordt beschermd. Er is weinig regelgeving over een afscheiding van bouwprojecten. Er worden weinig eisen gesteld in Arbo-wettelijke bepalingen; een bouwplaats moet zijn afgebakend en gemarkeerd. In het Bbl zijn er geen specifieke bepalingen opgenomen over afscheidingen in de bouwfase. Uit artikel 7.2 sub a.

Bbl kan worden geconcludeerd dat doordat de veiligheid en het beschermen van de gezondheid in de directe omgeving van bouw- en sloopterreinen moet zijn gewaarborgd hiermee kan worden gelezen dat moet worden voorkomen dat personen het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden en dat het terrein dus moet zijn afgesloten. Niet in het Bbl of Bouwbesluit 2012 maar in de voormalige (Model)bouwverordening stond in artikel 4.9 het volgende over “Afscheiding van het bouwterrein”.

Blad 61 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

1. Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is. 2. De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd. 3. Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. Voor een veilige afscheiding van het bouwterrein kan deze omschrijving dan ook worden toegepast. Bij het bepalen van de omvang van een bouwlocatie is de eerste vraag: wat is de erfgrens? Het kost veelal weinig moeite om op deze grens een afscheiding te plaatsen. Een volgende vraag is: welke ruimte kan in overleg aan de bouwlocatie worden toegevoegd? Maak indien nodig van elke bouwfase een aparte situatietekening met de afscheiding. Aanbevolen wordt om uit te gaan van de grootst mogelijke bouwlocatie en de afscheiding zoveel mogelijk intact te laten in elke bouwfase.

Indien mogelijk worden in één keer afspraken gemaakt met de betrokken belendende partijen over de ruimte die zij nodig hebben voor een goede bereikbaarheid, exploitatie, beheer e.d. Neem in de situatie- of de bouwplaatstekening een renvooi op met de codering voor de verschillende typen afscheidingen (bouwhekken, schuttingen, bakens, barriër etc.). Geef op een situatietekening aan wat de locatie is van de afscheidingen inclusief de waarschuwings- en informatieborden e.d.

7.12

Hinder

In artikel 7.17, 7.18 en 7.19 Bbl staan voorschriften om hinder ten gevolge van bouwen sloopactiviteiten te beperken. In deze artikelen is de beleidsvrijheid aangegeven die het bevoegd gezag heeft (ontheffings- en handhavingsstrategie, zie paragraaf 3.6). Omdat het Besluit bouwwerken leefomgeving rechtstreeks werkend is, betekent dit dat deze hinderbepalingen ook van toepassing zijn als deze bouw- en sloopactiviteiten vergunningvrij zijn.

Blad 62 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

7.12.1 Geluidshinder Bouwlawaai als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden heeft in tegenstelling tot industrie-, weg-, spoorweg- en luchtvaartlawaai een tijdelijk karakter. Echter bouwlawaai kan veel geluidshinder veroorzaken en daardoor gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen die in de omgeving verblijven. Bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden kunnen geluidsoverlast veroorzaken. In artikel 7.17 Bbl staan voorschriften om de hinder te beperken. Deze voorschriften hebben echter alleen betrekking op bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden die worden uitgevoerd op werkdagen tussen 07.00 en 19.00 uur (de dagperiode).

Figuur 7.1: Tabel 7.17 Bbl

Ontheffingsmogelijkheid Op grond van artikel 7.23 lid 1.a Bbl kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen voor bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden in de avond- en nachtperiode. Hierbij is het gebruikelijk om onderscheid te maken tussen avond (19.00 – 23.00 uur) en nacht (23.00 – 07.00 uur). Ook voor werkzaamheden op zondag en feestdagen kan ontheffing worden verleend. Omdat het doel is om hinder “zoveel mogelijk” te beperken, is de aanbevolen strategie voor het verlenen van ontheffingen “Nee, tenzij….” Acceptabele argumenten om toch toestemming te verlenen kunnen zijn: 1. Zwaarwegend maatschappelijk belang (dus geen commercieel belang). 2. Beperken of voorkomen van grote negatieve effecten op bereikbaarheid overdag. 3. Bevorderen van de veiligheid van mens en dier. 4. Verkorten van de blootstellingsduur. 5. Geen interval in werkzaamheden mogelijk. 6. Onevenredige kosten als overdag wordt gewerkt. Altijd dient te worden aangetoond dat er gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken en werkwijze. Geluidhinder bij de bron beperken is het meest effectief. In geval van het verlenen van ontheffingen is het tijdig en juist informeren van alle betrokkenen (omwonenden, politie, aannemer/onderaannemers, toezichthouders) van groot belang.

Als voorwaarde in de ontheffing wordt sterk aanbevolen om de opdrachtnemer (veroorzaker van het lawaai) te verplichten een onafhankelijke, continue akoestische registratie van het optredende geluidsniveau uit te voeren op de daarvoor aangewezen locaties (zie ook Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 2004).

Blad 63 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

Figuur 7.2: Weergave voorwaarden ontheffingen uit “Handhaafinstructie geluidhinder”, gemeente Utrecht.

Bij overschrijding van de grenswaarden dient opdrachtnemer onmiddellijk passende maatregelen te treffen en alle betrokkenen hiervan op de hoogte te stellen. Voorbeelden van mogelijke ontheffing:  Technische noodzaak als onderdeel van een bouwproces. o Bijvoorbeeld: het vlinderen van betonvloeren.  Grote bouwwerken in stedelijke gebieden waarbij de bereikbaarheid en de veiligheid voor derden(publiek) en de omgeving behouden moet blijven. o Bijvoorbeeld: In- en uithijsen van staalconstructies/roltrappen enz. (grote winkelketens/warenhuizen, bouwputten/werken nieuwbouw in stedelijk gebied.)  Maatschappelijke noodzaak/infrastructurele werkzaamheden. o Bijvoorbeeld: bouw- of sloopwerkzaamheden aan wegen, viaducten, spoor, en trambanen. o Werkzaamheden die niet overdag kunnen plaatsvinden, met als voornaamste reden doorstroom van het verkeer in het kader van de bereikbaarheid. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt tussen hinder en maatschappelijke noodzaak om (met name in nachten) door te werken.  Bijzondere evenementen. o Bijvoorbeeld: kermissen, podia, jaarmarkten, etc. Belangrijk hierbij is dat in een vroeg stadium hierover overleg en communicatie (hoofdstuk 8) plaatsvindt met diverse diensten en omwonenden. 7.12.2 Trillingen Het gaat hierbij dus om hinder en niet om gevaar voor de veiligheid van belendingen veroorzaakt door trillingen, dat staat beschreven in par.

6.1.3.

Blad 64 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

In artikel 7.18 Bbl wordt verwezen naar de SBR-richtlijn deel B (hinder voor personen in gebouwen), figuur 7.3, die is bedoeld voor trillingen veroorzaakt door bouw- en sloopwerkzaamheden. Omdat het hier vaak om tijdelijke, kortdurende trillingen gaat biedt de richtlijn de ruimte om de hinder te “accepteren”.

Figuur 7.3: NB: het gaat hierbij om streefwaarden en niet om grenswaarden, zoals bij deel A, schade aan gebouwen. De normen gelden voor geluidsgevoelige ruimten (Wet geluidhinder) en verblijfsruimten.

Ook hier wordt (in artikel 7.23) de mogelijkheid gegeven maatwerkvoorschriften op te nemen. Trillinghinder door (spoor)verkeer heeft volop aandacht, maar valt buiten deze richtlijn. 7.12.3 Stofhinder Letterlijk in artikel 7.19 Bbl staat dat tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden maatregelen worden getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- of sloopterrein te voorkomen. Maatregelen: afdekken, filteren, schermen, nathouden en sproeien. 7.12.4 Verkeer Bouwverkeer onderscheidt zich van regulier verkeer door bijzonder gedrag en het uitvoeren van ‘bijzondere manoeuvres’. Deze manoeuvres zijn alleen toegestaan als geen hinder ontstaat. Als de frequentie van de manoeuvres hoog is, zijn verkeersmaatregelen nodig. Het kan gaan om het in- en uitrijden van terreinen, het keren of het achteruitrijden op de openbare weg, het stoppen op de openbare weg als gevolg van het laden en lossen. Daarnaast kan bouwverkeer de openbare weg vervuilen of beschadigen. Dergelijke gebeurtenissen kunnen in strijd zijn met de Wegenverkeerswet. Ook kan dergelijk gedrag hinderlijk zijn of onveilig gedrag bij andere weggebruikers in de hand werken. De risico’s die daarmee samenhangen dienen te worden voorkomen. Een geheel ander type risico wordt veroorzaakt door bijzondere kenmerken van het vervoermiddel.

Hijswerk of materieel dicht bij een tramleiding kan elektrocutie veroorzaken en kan een tramleiding beschadigen. Voorkomen dient te worden dat een tram- of bushalte wordt gehinderd. Te allen tijde moet worden voorkomen dat hulpdiensten worden gehinderd door eventuele verkeersmaatregelen.

Blad 65 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

Een voorbeeld. Aan de overzijde van een bouwproject dient de toegang tot een belendend terrein voor autoverkeer te worden gegarandeerd. Op de schets is te zien dat tijdens het inrijden van een trailer een gedeelte van de rechterrijstrook wordt geblokkeerd en dat de draaicirkel buiten de verkeersruimte van het afslaande verkeer ligt. Aandacht vraagt het vertragen van het tegemoetkomende verkeer, zodat de remafstand groter is dan de zichtafstand: auto’s kunnen tijdig anticiperen op een obstakel (in de vorm van een inrijdende trailer). Ook uit andere informatie blijkt dat deze verkeersmaatregel nauwelijks invloed zal hebben op de verkeerssituatie op stedelijk niveau. Daarom is besluitvorming op stedelijk niveau waarschijnlijk niet nodig en zal het project geen vertraging oplopen door een ontbrekende vergunning.

7.12.5 Leefbaarheid De vormgeving en inrichting van een bouwplaats kan verstorend werken in de bestaande omringende beeldkwaliteit. Of sterker nog: de sfeer van een locatie kan veranderen als er zich personen ophouden die een locatie vervuilen, drugs gebruiken, stelen of anderen lastigvallen. Een bouwproject dient zodanig zijn ingericht dat het terrein overzichtelijk is, geen donkere hoeken heeft en deugdelijk is afgezet. Het kan nodig zijn dat het bouwteam samenwerkt met politie, wijkteam, een regisseur of anderen om personen met asociaal gedrag te begeleiden en handhavend op te treden als dit nodig is. Een bouwteam doet er verstandig aan om een project zodanig vorm te geven dat het uiterlijk acceptabel is voor de omringende betrokkenen. Het onderwerp “Leefbaarheid” is een nadrukkelijk onderdeel van tegenwoordig veel voorkomende, en bij sommige gemeenten al verplichte, BLVC-plannen (BLVC staat voor Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie), die tijdens de hele bouw worden vastgelegd. Doel van een dergelijk plan is dat tijdens de uitvoering de straat, buurt, wijk of stad maatschappelijk en economisch kan blijven functioneren, dat de overlast voor omwonenden en gebruikers zoveel mogelijk wordt beperkt en dat bij problemen duidelijk is wie hiervoor aanspreekbaar is en op welk moment.

7.12.6 Snelle scan project Stappenplan aanpak bouw- en sloopveiligheid.

Blad 66 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

1. Ga naar BWTINFO.nl en kies daar de tab dossiers en kies daar onder het plaatje in de tekst op Landelijke Richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid versie 2022 en download deze. Lees in hoofdstuk 5 van de Richtlijn hoe je de risicoanalyse kunt uitvoeren. 2. De Risicomatrix behandeld de volgende onderdelen: A- Omgevingsfactoren, B- Gebruiksfactoren, C- Relatie ARBO veiligheid/ omgevingsveiligheid, D- Bereikbaarheid en verkeersveiligheid, E- schade en bescherming waarden en F- hinder en samenloop. Na het invullen ontstaat er een beeld van de project specifieke risico’s . Ook geeft het resultaat een beeld of en zo ja wanneer in de vergunning procedure een veiligheidsplan door het Bevoegd Gezag gevraagd kan gaan worden. 3 Neem kennis van de richtlijn en dan met name Hoofstuk 6. Dit is het deel wat door artikel 715 lid 2 Bbl aangestuurd wordt. 4 Weet dat de richtlijn onderscheid maakt tussen maatregelen voor kleine vallende spullen (max 5 kg) en grotere objecten. Kleine spullen kunnen met luifel en hulpconstructies worden opgelost. Grotere vallende zaken zijn in de regel niet oplosbaar met luifels enz. 5 Op basis van de hoogte van het te realiseren of te slopen object dan wel de hijshaak hoogte bepaal je de Bouwveiligheidszone ’s (zie 6.2.3 en tabel in 6.2) Dit is een zone waar publiek zich niet in mag begeven. 6.

Maak op basis van de situering en de mogelijke logistieke ontsluiting een inschatting van mogelijke losplaatsen. Bepaal de afmeting van het maatgevende te hijsen object. Bepaal de hijszone en het hijsgebied (zie 6.2.4). 7 Bepaal de maximaal benodigde bouwveiligheid ruimte en beoordeel of deze ruimte geheel als bouwplaats fysiek afgescheiden kan worden van zijn omgeving. Komt deze bouwveiligheidszone overeen met de ter beschikking gestelde ruimte door de opdrachtgever? Zo niet, dan bezien hoe deze ruimte alsnog ter beschikking kan komen dan wel aan de bron de benodigde bouwveiligheidsruimte claim reduceren. 8 Komt de projectie van de bouwveiligheidszone uit boven ondergrondse bouwdelen dan wel daken, dan zijn aanvullende maatregelen nodig zie fig. 6.6 in 6.2.7 9. Hou bij de inrichting van het bouwterrein rekening met het wegkaatsrisico van vallende objecten. Zie 6.2.8. 10. Mocht er bij de fundering sprake zijn van inbrengen van lange delen kijk dan naar 6.2.9.

Blad 67 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

8

1 augustus 2024 versie 2.15

Communicatie Naast het bevoegd gezag zijn er veel betrokkenen rondom een bouwproject die behoefte hebben aan informatie. Ook is er een werkzame samenwerking nodig tussen een groot aantal betrokkenen in relatie tot een bouwproject. Hiervoor is organisatie en communicatie nodig. In het bouwveiligheidsplan dient te worden omschreven hoe maatregelen georganiseerd en gecommuniceerd worden als bijv. een wijziging in de verkeerssituatie, vluchtwegen en bereikbaarheid van omringende functies. Een uitleg van de getroffen maatregelen kan gunstig werken op wantrouwende omstanders. Dit kan ver gaan. Een convenant tussen de betrokken partijen kan worden verlangd, in bijvoorbeeld het geval dat er kosten zijn gemoeid bij de omringende partijen om een maatregel door te voeren, of dat een bepaald gedrag (bijv. een ruimte ter beschikking stellen, een financiële vergoeding verlenen) nodig is bij diverse partijen. Als een duidelijk beeld wordt gegeven op welke momenten sprake is van overlast, kan er rekening mee worden gehouden en kan er door bewoners en ondernemers op worden ingespeeld. Een goede communicatie heeft tot gevolg dat de acceptatiebereidheid van bewoners en ondernemers vergroot wordt. De communicatie kan de aannemer en/of de gemeente op verschillende manieren verzorgen. Bijvoorbeeld met nieuwsbrieven maar ook via moderne mediakanalen als Twitter en Facebook.

Communicatie belanghebbenden Communicatie tijdens het sloop/bouwproject, het blijven informeren en betrekken van belanghebbenden zoals bewoners, winkeliers, gebruikers van de openbare ruimte en hulpdiensten, is noodzakelijk. Een goede relatie met belanghebbenden zorgt voor minder (ervaren) overlast. Belanghebbenden vinden vaak dat de communicatie en voorlichting tekortschieten. Niet of onvolledig informeren, te laat of niet vaak genoeg, zijn veel genoemde klachten. Ook is niet altijd duidelijk met wie men contact kan opnemen als er vragen of problemen zijn, of welke procedure moet worden gevolgd wanneer er schade is. Het is essentieel om bewoners, ondernemers, bezoekers en andere belanghebbenden tijdig en goed op de hoogte te brengen van de werkzaamheden die voor hun deur of in hun omgeving plaatsvinden. Goede communicatie leidt tot meer begrip voor de situatie tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Voor de bewoners en ondernemers is het van belang dat zij zich kunnen wenden tot een klachtenmeldpunt. Doe iets terug, betrek bewoners bij activiteiten, organiseer rondleidingen op de bouwplaats. Maak de bouwplaats aantrekkelijk, maak wel of niet zichtbaar. Creëer kijkmogelijkheden. Als voorbeeld en meer informatie verwijzen wij naar de Toolbox Bouwhinder van de gemeente Utrecht: www.utrecht.nl/toolboxbouwhinder. Of op de website van A naar

Blad 68 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

Beter (www.vananaarbeter.nl). Of kijk op de geluidsoverlast website van de gemeente Den Haag https://www.denhaag.nl/nl/in-de-stad/wonen-en-bouwen/geluidsoverlast.htm

Hoe kunt u bewoners informeren?  Informatiecentrum en website.  Tijdig informeren van de omgeving, over de planning, werkzaamheden en mogelijke overlast daarbij zodat men zich daarop kan voorbereiden, via een brief en/of de website.  Projectinformatie op wijkwebsites plaatsen en bijhouden; gemeentelijke wijkbureaus kunnen u daarbij helpen.  Maak gebruik van Twitter en Facebook.  Wees open, duidelijk en eerlijk over wat wel en niet kan en wat u gaat doen. Hoe voorkomt u en gaat u om met klachten?  Zorg voor een apart klachtenmeldpunt.  Reageer snel en adequaat op klachten, meldingen en vragen.  Koppel terug, doe navraag en informeer actief over de stand van zaken van klachten en meldingen.  Zorg voor persoonlijke aandacht, bezoek aan huis.  Zorg voor een vaste contactpersoon.  Bewonersbegeleiding, mediator. Hoe kunt u bewoners betrekken?  Activiteiten, rondleidingen op de bouwplaats.  Maak bouwplaats aantrekkelijk, maak wel of niet zichtbaar.  Creëer kijkmogelijkheden.

Blad 69 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

9

1 augustus 2024 versie 2.15

Bijlagen De bijlagen en voorbeelden zijn opgenomen op de Dossierpagina van de richtlijn op www.bwtinfo.nl. Link dossierpagina: https://www.bwtinfo.nl/dossiers/richtlijn-bouw-ensloopveiligheid

1. Risicomatrix (staat op site www.iplo.nl en op de dossierpagina bouw- en sloopveiligheid op www.bwtinfo.nl) 2.

Stappenplan bouwveiligheidsplan

3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

VOORBEELD Overkluizing en overbouwing - afbeeldingen 5 t/m 9 MODEL veiligheidsplan MODEL controlelijst VOORBEELD Iconen en lijntypen VOORBEELD Handhaafinstructie geluidhinder 2015 - gemeente Utrecht VOORBEELD Instructie bouwlawaai VOORBEELD Beleidsregel bouw- en sloopgeluid Den Haag 2017

Blad 70 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

Voorbeeld opzet bouwveiligheidsplan In het op te stellen bouwveiligheidsplan zijn vaak een aantal onderwerpen van toepassing zie hieronder nader toegelicht. Tot de hoofdopzet van de bouwput kunnen worden gerekend (niet limitatief): ‐ of in een open of gesloten bouwput gaat worden gewerkt; ‐ van welk materiaal de bouwputwanden gemaakt worden (damwanden, Berliner wanden, CSM- of diepwanden, e.d.); ‐ of de bouwputwanden uitwendig verankerd of inwendig worden gestempeld; ‐ of een eventuele verankering permanent of tijdelijk is (een eventuele uitwendige verankering dient in overleg met de eigenaar van het terrein, waarin verankerd wordt, te worden ontworpen); ‐ of de bouwputwanden permanent of tijdelijk zijn; ‐ hoe de bouwputwanden aangebracht gaan worden (wel of niet met trillingsrisico's); ‐ of de bouwput droog wordt gehouden door middel van bemaling of met een al dan niet kunstmatige bodemafsluiting; ‐ hoe de waterdichte afsluiting van de bouwputbodem wordt geregeld (natuurlijke lagen, onder-water-beton, verankeringen e.d.).

Tot de uitgangspunten van een bemalingsplan kunnen worden gerekend (niet limitatief): ‐ wat de gewenste waterstandverlaging zal zijn; ‐ hoeveel water er per tijdseenheid bemalen moet worden om de gewenste verlaging te realiseren (dit in verband met een onttrekkingsvergunning); ‐ wat de totale tijdsduur van de bemaling zal worden; ‐ of er een retourbemaling zal plaatsvinden (om de reikwijdte van de bemaling te beperken. Tot de uitgangspunten van een monitoringsplan kunnen worden gerekend (niet limitatief): ‐ welke bouwwerken in de omgeving gemonitord gaan worden; ‐ de toezegging dat er een opnamerapportage van de onderhavige panden zal worden opgesteld; ‐ de toezegging dat er bij deze panden een nulmeting met betrekking tot zettingen uitgevoerd zal worden; ‐ op welke wijze eventuele zetting gemeten gaan worden (boutjes, 3D-meting, e.d.); ‐ op welke wijze eventuele trillingen gemeten gaan worden (o.b.v. SBR-richtlijn A: Schade aan bouwwerken); ‐ wat de maximale zettingen en/of relatieve rotaties en de maximale trillingen mogen worden; ‐ wat de procedure is bij overschrijding van zettings- of trillingsgrenzen.

Stappenplan opstellen bouw- of sloopveiligheidsplan Stap 1: Mogelijke risico’s onderkennen 1. Bestudeer de tekeningen, vorm een beeld van het funderings-, bouw-, sloop- en afbouwsysteem, inventariseer de beschikbare ruimte. 2. Maak een voorlopige inschatting van de omvang van het bouwterrein. 3. Maak een inschatting van de ruimten met de risicobeheersing voor publiek of voor bouwplaats personeel. 4. Maak een overzicht van de omringende functies (woningen, wegen, maatschappelijke functies als een gemeentehuis, school, kwetsbare functies als een ziekenhuis, een monument, een tunnel, kabels en leidingen e.d.).

Blad 71 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

5.

1 augustus 2024 versie 2.15

Controleer of de risico’s compleet zijn door het gehele bouwproces te doorlopen: het bouwrijp maken, de funderingsfase, de ruwbouwfase, de afbouwfase, de installatiefase, de fase van testen en ingebruikname, de woonrijpfase e.d.

Stap 2: Omschrijven risico-aspecten 1. Analyseer ieder risico en beschrijf dit in de vorm van één of meer risico-aspecten. 2. Bepaal de bouwveiligheidszone, de hijszone en het hijsgebied. (zie hoofdstuk 6) 3. Bepaal de risico’s van lawaai, trillingen, hinder en overlast, de benodigde ruimte voor hulpverlening e.d. (zie hoofdstuk 7). 4. Bepaal de mogelijkheden van bronaanpak. 5. Vul (al bij voorkeur tijdens de ontwerpfase) de risicomatrix in: geef een kwantitatieve beoordeling van de bouwplaatsoverstijgende veiligheidsrisico’s. Stap 3: Afspraken maken over de maatregelen 1. Laat een voorstel doen in de maatregelen, de keurings- en acceptatiemomenten. 2. Beoordeel de voorstellen. 3. Maak afspraken over de beheersmaatregelen per risico-aspect. 4. Bij een eventuele calamiteit moet worden aangetoond dat alle maatregelen die redelijkerwijs te treffen waren, getroffen zijn. 5. Bepaal of de afspraken aantoonbaar kunnen worden nageleefd. Stap 4: Handhaving beheersmaatregelen 1. Beoordeel of de maatregelen overeenkomen met het bouwveiligheidsplan. 2. Geef aan op welke wijze de beheersmaatregelen worden afgedwongen door de opdracht gevende partijen en hoe de veiligheid organisatorisch is geregeld.

Invullen van de Risocomatrix Bij deze richtlijn is een risicomatrix ontwikkeld (bijlage 1) die ook is opgenomen in de Omgevingsregeling om zo in een vroeg stadium risico’s te onderkennen en deze te beheersen. Deze is digitaal te downloaden via www.iplo.nl of de dossierpagina ‘bouwen sloopveiligheid’ op www.bwtinfo.nl. Met deze matrix wordt een weging gedaan van de bouwplaatsoverstijgende veiligheidsrisico’s en worden de vervolgstappen bepaald. Op basis van de risicomatrix wordt bepaald of, en zo ja in welke fase een bouwveiligheidsplan wordt geëist, of afstemming met bevoegd gezag nodig is, of vooroverleg dient te worden gevoerd. Als blijkt dat onvoldoende informatie beschikbaar is kan een voorafgaande stap opnieuw worden gezet en de matrix opnieuw worden ingevuld. Uit de risicomatrix kan het volgende blijken: 1. Een veiligheidsplan/veiligheidscoördinator is niet nodig. 2. Het bouwveiligheidsplan kan na de melding/ vergunningsverlening worden uitgewerkt. Het bouwveiligheidsplan wordt een nadere voorwaarde in het besluit. 3. Het bouwveiligheidsplan moet tijdens vergunningsprocedure op hoofdlijnen worden uitgewerkt en akkoord worden bevonden door het bevoegd gezag, voorafgaande aan de vergunningverlening. De uitwerking in detail kan plaatsvinden na de vergunningverlening. 4.

een maatwerkvoorschrift op te leggen conform Artikel 7.5 Bbl (maatwerkvoorschriften) wanneer er uiterlijk een veiligheidsplan dient te zijn.) Spreek met elkaar af en leg vast in het veiligheidsplan welke risico aspecten en werkzaamheden in ieder geval onder het strikte toezicht staan van

Blad 72 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

de veiligheidscoördinator directe omgeving. Leg hierbij ook vast hoe deze veiligheidscoördinator zijn inspanningen en rol invulling registreert zodat hij zich kan verantwoorden. Leg ook vast en benoem bij welke werkzaamheden deze veiligheidscoördinator zelf fysiek aanwezig dient te zijn op de bouw en of sloop locatie.

Bij de ontwikkeling van de risicomatrix is er bewust voor gekozen om de score onderverdeling van 1 t/m 4 niet te definiëren. De gedachte daarachter is dat een risico beleving op een subjectieve manier door een individu wordt beleefd. Het doel van de matrix is om te komen tot een gemeenschappelijk gedeelde en gedragen risicobeleving en veiligheidsbewust wording voor alle betrokkenen (initiatiefnemer, aannemer, bevoegd gezag ) van een project. Als het gemeenschappelijke bewustwordingsproces goed wordt doorlopen zal er automatisch ook consensus zijn over de hoogte van de scores die van toepassing zijn op de desbetreffende risico’s.

De 5 standaardvragen bij start procedure in DSO

Voorwaarden bouwveiligheidsplan Aan bouwveiligheidsplannen kunnen voorwaarden worden verbonden. Denk aan de volgende voorwaarden:

Blad 73 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

1 augustus 2024 versie 2.15

Per bouw- of sloopfase en/of bouwvolume zal gedetailleerd aangegeven moeten worden op welke wijze aan de gestelde eisen conform de richtlijn invulling wordt gegeven. Indien gebruik wordt gemaakt van de openbare ruimte om aan de vereiste bouwsloopveiligheidsruimte te voldoen, moet een schriftelijk akkoord van de wegbeheerder en zo nodig een instemmingsbesluit of opbreekvergunning bij het bouwveiligheidsplan worden gevoegd. Indien u gebruik moet maken van ruimte van naastgelegen derden om aan de vereiste bouw- en sloopveiligheidsruimte te voldoen, of derden belemmert in hun rechten en/of gebruiksmogelijkheden, dan is een schriftelijke verklaring nodig met daarin opgenomen o.a. de volgende punten: akkoord op consequenties van het bouwen inclusief de mogelijke gebruiksbelemmeringen voor die derde met de mogelijk te nemen beheersmaatregelen. Indien de situatie uit punt 3 zich voordoet en het betreft een perceel met een gebruiksmelding brandveilig gebruik, dan maakt een schriftelijk akkoord van de brandweer voor alle deelfasen onderdeel uit van het bouwveiligheidsplan. In het bouwveiligheidsplan dient daarom expliciet te worden verklaard dat: - alleen conform wet- en regelgeving en de Arbo-richtlijnen hijslasten worden verplaatst; - erop wordt toegezien dat lasten niet los kunnen komen van het hijsgereedschap en dat het hijsgereedschap niet van de kraan los kan raken.

Meer specifiek dat er wordt gewerkt met hijsgereedschappen die voldoen aan het Warenwetbesluit machines; - indien dit door de aard van de last niet voorkomen kan worden, een uitvalbeveiliging moet worden toegepast of de bouwveiligheidszone ten tijde van het hijsen van de last wordt vergroot. De aanvrager verklaart in zijn bouwveiligheidsplan kennis te hebben genomen van het bouwveiligheidsbeleid / Landelijke Richtlijn Bouw en Sloopveiligheid en zich hieraan te conformeren. In het veiligheidsplan is de rol van de veiligheidscoördinator directe omgeving verder uitgewerkt en wordt vastgelegd wanneer en bij welke werkzaamheden en risico’s deze fysiek aanwezig is op de bouwplaats om toezicht te houden. Ook wordt in het veiligheidsplan beschreven hoe hij zijn werkzaamheden registreert en verantwoord naar zowel zijn opdrachtgever als ook naar het bevoegd gezag.

Toelichting Stappenplan opstellen bouw- of sloopveiligheidsplan Stap 1: Mogelijke risico’s onderkennen. Gebruik hiervoor de Risicomatrix. Het doel van deze stap is het bepalen van de scope van het project en de omgevingsfactoren waarop het project van invloed is. Bestuderen van het project Bestudeer de oppervlakte, de hoogte, de diepte (van een bouwkuip bijvoorbeeld) van het project. Maak in eerste instantie een inschatting van de mogelijk beschikbare ruimte. Bijzondere risico’s Er dient veel aandacht te worden besteed aan gevaren door vallende voorwerpen, aanrijdgevaar, lawaai, trillingen e.d. Maak daarom een overzicht van de omringende

Blad 74 van 78 Landelijke richtlijn bouw‐ en sloopveiligheid

1 augustus 2024 versie 2.15

functies en de bijzondere risico’s. Voor een naastgelegen school is bijvoorbeeld lawaai tijdens een examenperiode een bijzonder risico waar rekening mee dient te worden gehouden. Analyseer vooraf de omgeving van het bouw- of sloopterrein en vorm een beeld van het gebruik van de openbare ruimte. Zijn er bijvoorbeeld voetgangersstromen, of rijdt er openbaar vervoer langs het bouw en of sloopterrein? Vorm een beeld van de stabiliteit van de belendingen. Onderzoek ook of er nog andere bouw- en of sloopactiviteiten in dezelfde omgeving tegelijkertijd plaatsvinden. Inventariseer de risico’s voor elke groep van personen, door het proces te herhalen voor elke fase van het uitvoeringsproces. Houd rekening met de omvang van (zwaar) transport, bouwkranen, de ruimte rondom een bouwkuip, de werkzaamheden met veel lawaai of trillingen e.d. Veilig voor bouwplaatspersoneel, veilig voor publiek De Arbowet- en regelgeving richt zich allereerst op het bouwplaatspersoneel en als gevolg daarvan is een groot aantal veiligheidsvoorzieningen nodig; er zijn maatregelen nodig als een gekeurde bouwkraan, stevig hijsgereedschap, berekende steiger, en op veiligheid opgeleid personeel op de bouwplaats.

Het bouwplaatspersoneel dient te zijn geïnstrueerd over de afstemming van de hijsroute en de looproute en de Arbovoorschriften richten zich ook op de omgeving (de ‘derden’), bijvoorbeeld door het voorkomen van vallende voorwerpen. Deze voorzieningen veronderstellen een voldoende deskundig inzicht in de risico’s, maar deze risico’s worden veelal niet herkend door personen buiten de bouwplaats. De risico’s vanuit het bouwterrein kunnen daarom een ontoelaatbaar risico betekenen voor de omgeving. Denk aan een groot voorwerp dat wordt gehesen vanaf het bouwterrein, draait in de wind en boven de openbare weg terecht komt. Er is daarom een overlap tussen ‘de risico’s binnen de bouwhekken’ en ‘de risico’s buiten de bouwhekken’. In de richtlijn wordt daarom gesproken van de bouwplaats over stijgende risico’s voor publiek. Een belangrijk begrip hierin is de bouwveiligheidszone. Dit is de zone waarop het ‘bouwterrein eindigt en de openbare ruimte begint’ of anders gezegd publiek is veilig vanaf of buiten deze zone. (zie Hfdst. 6) Stap 2: Omschrijven risico-aspecten Met deze stap wordt de informatie verzameld om de vervolgstappen te kunnen zetten, zoals het organiseren van vooroverleg en de eisen aan het bouwveiligheidsplan.

Risico-aspecten Ieder risico heeft een andere aanpak nodig, of het nu gaat om trillingen, scheefstand, instabiliteit van belendingen, instabiliteit van materieel, onttrekking grondwater, aanrijdgevaar, vallende voorwerpen, etc. Nadat in stap 1 de betrokken groepen in de omgeving en het bouwproject zijn geanalyseerd, worden voor elke groep personen de relevante risico’s in beeld gebracht en worden de veiligheidsmaatregelen geformuleerd. Risicoanalyse vanwege werkzaamheden Een aantal risico’s hangen samen met de afstand tot de werkzaamheden: druipend water, vallende voorwerpen, spattende vonkdelen of olie. Een groot aantal van deze risico’s wordt weggenomen door de bouwveiligheidszone. Het is niet toegestaan dat publiek zich bevindt binnen deze zone. De bouwveiligheidszone wordt uitgebreid als gevolg van risicovolle werkzaamheden dichtbij de buitenzijde van het object. Vanwege risico’s van hijswerk worden de hijszone

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4873/documents/31348