CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Quickscan Wet natuurbescherming.pdf

Raadscommissie Fysieke Leefomgeving (FL) 7 mei 2025, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 6: Omgevingsplan herontwikkeling Essenkamp Varsseveld11.412 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DIVERSE STRATEN TE VARSSEVELD

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming diverse straten te Varsseveld Opdrachtgever

Wonion Postbus 145 7070 AC Ulft

Rapportnummer Versienummer

18188.001.B D2

Status

Eindrapportage

Datum

17 februari 2022

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

De heer G.J. Assink, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer E.A. Tiemersma, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 12 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Planten ............................................................................................................................ 13

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 14 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 16 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 17 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 17 Overzicht onderzoeken ................................................................................................... 18

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 18188.001.B

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Wonion opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de diverse straten te Varsseveld. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen vernieuwbouw, sloop en nieuwbouw. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 1 van 24

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie bestaat uit woningen aan de straten Graaf van Lohnstraat, Juliana van Stolbergstraat, Karel Doormanstraat, Eikenlaan, Haverstraat, Korenbloemstraat, Klaproosstraat, Essenkampstraat en Zelhemseweg in Varsseveld. De exacte adressen zijn weergegeven in tabel I. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Tabel I. Onderzochte adressen Varsseveld Straat

Huisnummers

Ingreep

Graaf van Lohnstraat

34-50 en 54-72

sloop en nieuwbouw

Juliana van Stolbergstraat

1-39

sloop en nieuwbouw

Karel Doormanstraat

2-8, 12, 1-7, 11-15 en 21

vernieuwbouw

Eikenlaan

37, 37a, 39 en 39a

vernieuwbouw

Haverstraat

2-12 en 1-19

vernieuwbouw

Korenbloemstraat

1-13, 2-4 en 8-14

vernieuwbouw

Klaproosstraat

5-11, 4, 8, 12-14 en 18 - 20

vernieuwbouw

Essenkampstraat

14 en 11 - 19

vernieuwbouw

Zelhemseweg

18-24

vernieuwbouw

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

Alle onderzochte woningen zijn huurwoningen van Wonion. De woningen hebben verschillende bouwjaren, variërend van 1949 tot 1967. Vrijwel alle onderzochte woningen zijn voorzien van pannendaken, met uitzondering van de woningen aan de Klaproosstraat, waar de daken gedekt zijn met bitumen.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 2 van 24

In de figuren 2 en 3 zijn luchtfoto’s van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto Graaf van Lohnstraat, Juliana van Stolbergstraat en de directe omgeving.

Figuur 3. Luchtfoto Karel Doormanstraat, Eikenlaan, Haverstraat, Korenbloemstraat, Klaproosstraat, Essenkampstraat, Zelhemseweg en directe omgeving.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 3 van 24

Figuur 4. Woningen aan de Graaf van Lohnstraat.

Figuur 5. Woningen aan de Eikenlaan.

Figuur 6. Woningen aan de Klaproosstraat.

Figuur 7. Woningen aan de Haverstraat.

Figuur 8. Woningen aan de Karel Doormanstraat.

Figuur 9. Achtertuinen met schuurtjes aan de Haverstraat en de Korenbloemstraat.

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens om de woningen aan de Graaf van Lohnstraat en de Juliana van Stolbergstraat te slopen en hier vervangende nieuwbouw te realiseren. Aan de straten Karel Doormanstraat, Eikenlaan, Haverstraat, Korenbloemstraat, Klaproosstraat, Essenkampstraat en Zelhemseweg zal vernieuwbouw plaatsvinden. Dit houdt in dat de gehele buitenschil van deze woningen verwijderd zal worden en alleen de fundering met casco draagconstructie behouden blijft. Rondom dit casco wordt dan een geheel nieuwe buitenschil gemaakt. Wanneer dit echter niet mogelijk blijkt, bestaat de optie dat deze woningen ook gesloopt worden en er vervangende nieuwbouw voor in de plaats komt.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 4 van 24

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 6 januari 2022 (met een extra veldbezoek ter aanvulling van de rapportage op 17 februari). Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 5 van 24

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 6 van 24

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 7 van 24

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 8 van 24

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw en slechtvalk. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Huismus Vrijwel alle woningen die in Varsseveld onderzocht zijn, zijn geschikt voor huismussen. Via de dakgoot krijgen huismussen toegang tot ruimtes onder het dak, maar ook via overhangende kantpannen en andere openingen kunnen huismussen toegang krijgen tot geschikte ruimtes onder de dakpannen of in de spouwmuur. Tijdens het veldbezoek werden bij diverse woningen huismussen aangetroffen in de tuin of in de dakgoten (figuur 10). Ook werden op veel plaatsen sporen van huismussen aangetroffen. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn op voorhand niet uit te sluiten (hoofdstuk 6).

Figuur 10. Huismus in de dakgoot van een onderzochte woning.

Gierzwaluw Via overhangende kantpannen, nokvorsten of openingen achter dakgoten krijgen gierzwaluwen toegang tot geschikte ruimtes, waar ze regelmatig op oude gevelisolatie in de spouwmuren broeden. Degelijke geschikte openingen zijn bij veel woningen op de onderzoekslocatie aangetroffen (figuur 11). Hierdoor zijn overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van gierzwaluwen, op voorhand niet uit te sluiten (hoofdstuk 6). Figuur 11. Overhangende kantpannen en nokvorst met een ruime opening.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 9 van 24

5.1.2

Overige broedvogels

De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, roodborst en winterkoning. Bij enkele woningen werden nesten van houtduiven aangetroffen in de bomen in de tuin (figuur 12). De schoorstenen van diverse woningen leken gebruikt te worden door kauwen. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Figuur 12. Houtduivennest in de boom van een onderzochte

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlij- woning. ke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Op de onderzoekslocatie leken enkele spreeuwen hun nest in een schoorsteen te hebben. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Vrijwel alle bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen, in de vorm van open stootvoegen en ventilatieopeningen, die toegang verlenen tot de spouwmuren. Ook ruimtes langs de dakranden, zoals overhangende kantpannen en nokvorsten (figuur 11), geeft toegang tot ruimtes tussen de dakpannen en het dakbeschot. Tot slot werden er op diverse plaatsen geschikte ruimtes tussen het lood rondom schoorstenen en dakranden waargenomen (figuur 13).

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Figuur 13. Openingen onder het lood langs een dakrand.

Pagina 10 van 24

De onderzoekslocatie is niet geschikt voor de meervleermuis en de gewone grootoorvleermuis. De gewone grootoorvleermuis is afhankelijk van ruime open hangplekken en grote invliegopeningen, welke in de onderzochte woningen niet aanwezig zijn. Incidenteel kan een gewone grootoorvleermuis foerageren in woonwijken, maar de bebouwing op de onderzoekslocatie is niet geschikt als vaste verblijfplaats voor de gewone grootoorvleermuis. De meervleermuis komt volgens onderzoeken van A.J. Haarsma (De meervleermuis in Nederland, 2011 & De meervleermuis en Natura 2000 in Nederland, 2012) niet in de directe omgeving van Varsseveld voor. Ook zijn er geen migratieroutes van de meervleermuis in de directe omgeving van Varsseveld vastgesteld. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf en als baltsverblijf (zie hoofdstuk 6). Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk rosse vleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, er zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van een agrarisch perceel met een bomenrij parallel aan de Graaf van Lohnstraat en een bosrand langs de Eikenlaan. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, bunzing, eekhoorn, steenmarter en wezel. Boommarter Boommarters komen voor in de omgeving van Varsseveld. Boommarters hebben hun vaste rust- of verblijfplaatsen voornamelijk in boomholten, maar incidenteel ook in takkenhopen, ondergrondse holen of verlaten bebouwing. Deze schuilmogelijkheden ontbreken allen op de onderzoekslocatie, doordat deze enkel bestaat uit bebouwing en bijbehorende tuinen. Het is daardoor uitgesloten dat boommarters op de onderzoekslocatie hun vaste rust- of verblijfplaatsen hebben.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 11 van 24

Bunzing en wezel De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Aangezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien de onderzoekslocatie bestaat uit woningen met tuinen, ontbreekt het aan voldoende schuilmogelijkheden en geschikte voortplantingslocaties, waardoor negatieve effecten ten aanzien van kleine marterachtigen zijn uit te sluiten als gevolg van de voorgenomen ingreep. Eekhoorn De eekhoorn komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven in stedelijke omgevingen wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. De onderzoekslocatie ligt op verschillende locaties binnen woonwijken, waar groene verbindingen waar de eekhoorn gebruik van kan maken aanwezig zijn.

Voor zover bij Econsultancy bekend is, worden er geen bomen gekapt bij de voorgenomen ingreep en is er geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Wanneer er wel bomen gekapt zullen worden in de voorgenomen plannen, zal onderzocht moeten worden of er nesten van de eekhoorn op de onderzoekslocatie aanwezig zijn (hoofdstuk 6). Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving wel veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. De woningen aan de Eikenlaan, Karel Doormanstraat, Haverstraat, Korenbloemstraat en Klaproosstraat hebben in de achtertuinen schuurtjes staan, waarvan een aantal in een zodanige staat verkeren, dat steenmarters er gemakkelijk toegang tot kunnen krijgen. In deze schuurtjes zouden steenmarters een rust- of verblijfplaats kunnen hebben. Indien deze schuurtjes binnen de voorgenomen plannen verwijderd gaan worden, zal onderzocht moeten worden of deze schuurtjes een beschermde functie vervullen voor de steenmarter (hoofdstuk 6). Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld.

Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van deze soorten worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: zandhagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De waarnemingen van de streng beschermde zandhagedis , hebben naar verwachting betrekking op de nabij gelegen bosranden.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 12 van 24

Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: bastaardkikker en kleine watersalamander. Doordat wateroppervlakten als beken, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten beschutting vinden tussen de beplanting in de tuinen. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Planten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding en tuin is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 13 van 24

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels

Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. In tabel II is weergegeven welke soortgroepen per adres onderzocht dienen te worden. Gierzwaluw De nesten van gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van gierzwaluwen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen.

Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van gierzwaluwen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de gierzwaluw op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. In tabel II is weergegeven welke soortgroepen per adres onderzocht dienen te worden..

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 14 van 24

6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen vegetatie gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.

Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Tot slot lijken kauwen en spreeuwen gebruik te maken van de schoorstenen op de onderzochte woningen. Wanneer er werkzaamheden uitgevoerd gaan worden aan de schoorstenen, dienen deze werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Wanneer er wel binnen het broedseizoen gewerkt moet worden, zullen de schoorstenen buiten het broedseizoen reeds ongeschikt gemaakt moeten worden voor kauwen en spreeuwen. Dit kan gebeuren door het plaatsen van vogelwerende roosters in of op de schoorsteenpijpen. 6.2

Vleermuizen

De te renoveren bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De renovatie van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 15 van 24

Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag. In tabel II is weergegeven welke soortgroepen per adres onderzocht dienen te worden. 6.3 6.3.1

Overige zoogdieren Eekhoorn

Voor zover bij Econsultancy bekend is, worden er bij de voorgenomen ingreep geen bomen gekapt, waardoor er geen sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de eekhoorn. Indien er bij de voorgenomen ingreep toch bomen gekapt zullen worden, zal er eerst onderzocht moeten worden of er nesten van eekhoorns in de te kappen bomen aanwezig zijn. Indien er in de bomen op de onderzoekslocatie voortplantings- en winternesten van de eekhoorn aanwezig zijn, is artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) van toepassing. De eekhoorn maakt jaarlijks op een ander plek een nest voor het grootbrengen van de jongen. De nesten zijn beschermd in de periode dat het nest gebruikt wordt voor de verzorging van de jongen. De voortplantingsperiode van de eekhoorn begint al in december. In maart en juli worden de jongen geboren die vervolgens 10 weken worden gezoogd. Aan het eind van de herfst worden een aantal winternesten gebouwd om de winter in door te brengen. Elk jaar worden ook de winternesten op een andere plek gebouwd. De winternesten zijn alleen beschermd als deze in gebruik zijn voor de overwintering.

In de winterperiode is de eekhoorn afhankelijk van een veilige schuilplaats en van de wintervoorraad, die verstopt is in de nabijheid van de winterverblijven. Wanneer de bomen gekapt worden, gaat mogelijk een beschermde functie voor de eekhoorn verloren. Om de functie van het nest voor de eekhoorn vast te stellen is aanvullend onderzoek nodig. Indien uit het aanvullend onderzoek blijkt dat er actief gebruikte nesten van eekhoorns in het plangebied aanwezig zijn, dan zal er een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd moeten worden bij de provincie Gelderland voor het kappen van de bomen op de onderzoekslocatie. Een ontheffing kan pas worden aangevraagd worden als er een mitigatieplan voor de eekhoorn is opgesteld. Wanneer de boom, en de bomen in de directe omgeving van het nest, behouden kunnen blijven, kan de mogelijke beschermde functie voor de eekhoorn gehandhaafd blijven. In dat geval is er geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming en is aanvullend onderzoek naar de eekhoorn niet noodzakelijk. Een voorstel voor behoud van het eekhoornnest zal ter beoordeling bij een ter zake kundig ecoloog voorgelegd moeten worden.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 16 van 24

6.3.2

Steenmarter

De steenmarter is beschermd volgens het regime van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming (andere soorten). Volgens artikel 3.10 lid b is het verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soort te beschadigen. Gezien het feit dat de schuurtjes op de onderzoekslocatie geschikte rust- en voortplantingsplaatsen kunnen bieden voor deze soort, is het mogelijk dat de onderzoekslocatie behoort tot het functionele leefgebied van de steenmarter. Hierdoor kan de uitvoering van de vooringenomen plannen leiden tot de overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Om de functie van de onderzoekslocatie voor de steenmarter te bepalen, is daarom aanvullend onderzoek noodzakelijk. Aanvullend onderzoek kan worden uitgevoerd middels het controleren van de schuurtjes op de onderzoekslocatie. Wanneer steenmarters gebruik maken van een verblijfplaats, zijn hiervan vrijwel altijd sporen aan te treffen in de vorm van prooiresten, uitwerpselen, pootafdrukken en toegangsmogelijkheden. Tevens kunnen op strategische plaatsent tussen de schuurtjes wildcamera’s geplaatst worden, die speciaal bedoeld zijn om de aanwezigheid van zoogdieren aan te tonen. Gedurende de actieve periode van marterachtigen, van maart tot en met augustus, dienen de camera’s minstens zes weken in het gebied te worden geplaatst.

Buiten deze actieve periode, van september tot en met februari, dienen de camera’s ten minste twaalf weken in het gebied te worden geplaatst. 6.4

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. 6.5

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 17 van 24

6.6

Overzicht onderzoeken

In tabel II is weergegeven welke onderzoeken per adres uitgevoerd dienen te worden. De onderzoeken dienen uitgevoerd te worden zoals deze in de betreffende paragrafen zijn uitgewerkt. Tabel II. Benodigde onderzoeken in Varsseveld Straat

Huismus

Gierzwaluw

Vleermuis

Steenmarter

Graaf van Lohnstraat

ja

ja, alle kopgevels

ja

nee

Juliana van Stolbergstraat

ja

ja, alle kopgevels

ja

nee

Karel Doormanstraat

ja

ja

ja

ja, schuurtjes

Eikenlaan

ja

ja

ja

ja, schuurtjes

Haverstraat

ja

ja, nummers 1-3 en 2-8

ja

ja, schuurtjes

Korenbloemstraat

ja

nee

ja

ja, schuurtjes

Klaproosstraat

ja

nee

ja, alleen bij huisnummers 18 en 20

ja, schuurtjes

Essenkampstraat

ja

nee

ja

Nee

Zelhemseweg

ja

ja

ja

nee

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 18 van 24

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in Nederland, het Korenburgerveen, bevindt zich op circa 13 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 14).

Figuur 14. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de sloop, nieuwbouw en vernieuwbouw op voorhand niet uit te sluiten. Wanneer de functie van de onderzoekslocatie veranderd, door bijvoorbeeld meer of minder woningen of door een nieuwe bestemming, wordt vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 19 van 24

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 400 meter ten noordoosten van de onderzoekslocatie. In figuur 15 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 15. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De onderzoekslocatie is gelegen op 400 meter afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het GNN of GO niet aan de orde.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 20 van 24

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De eventueel te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 21 van 24

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Wonion een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de diverse straten te Varsseveld. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen vernieuwbouw, sloop en nieuwbouw. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens om de woningen aan de Graaf van Lohnstraat en de Juliana van Stolbergstraat te slopen en hier vervangende nieuwbouw te realiseren. Aan de straten Karel Doormanstraat, Eikenlaan, Haverstraat, Korenbloemstraat, Klaproosstraat, Essenkampstraat en Zelhemseweg zal vernieuwbouw plaatsvinden. Dit houdt in dat de gehele buitenschil van deze woningen verwijderd zal worden en alleen de fundering met casco draagconstructie behouden blijft. Rondom dit casco wordt dan een geheel nieuwe buitenschil gemaakt. Wanneer dit echter niet mogelijk blijkt, bestaat de optie dat deze woningen ook gesloopt worden en er vervangende nieuwbouw voor in de plaats komt. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel III.

In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel III. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Werkzaamheden aan schoorstenen buiten broedseizoen uitvoeren of schoorstenen buiten broedseizoen ongeschikt maken

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

ja

mogelijk

nader onderzoek naar nestplaatsen huismus en gierzwaluw

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

mogelijk

nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

voldoende alternatief in de omgeving

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

ja

mogelijk

nader onderzoek naar de functie van de schuurtjes aan diverse straten voor steenmarter; indien er bomen gekapt worden onderzoek naar functie voor eekhoorn

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Amfibieën & algemene grondgebonden zoogdieren

Overige soortgroepen

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 22 van 24

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

13 km

mogelijk

ja

mogelijk

Natuurnetwerk Nederland

400 m

nee

nee

nee

Houtopstanden

n.v.t

Stikstofberekening benodigd middels de AERIUS-calculator -

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Huismus en gierzwaluw Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus en/of gierzwaluw op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van deze soorten. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Het werken buiten het broedseizoen geldt ook voor werkzaamheden die uitgevoerd moeten worden aan de schoorstenen. De schoorstenen op de betreffende woningen kunnen worden gebruikt door kauwen en spreeuwen om in te broeden.

Indien er toch in het broedseizoen gewerkt moet worden, dan dienen de schoorstenen vooraf en buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Vleermuizen Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Eekhoorn Wanneer er bij de voorgenomen plannen bomen gekapt gaan worden, zal er onderzocht moeten worden of deze bomen een functie hebben voor eekhoorns. Steenmarter De schuurtjes van woningen aan diverse straten zouden een vaste rust- of verblijfplaats kunnen bieden voor steenmarters. Wanneer deze schuurtjes in de toekomstige situatie verwijderd zullen worden, zal onderzocht moeten worden of steenmarters van deze schuurtjes gebruik maken.

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 23 van 24

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Wat betreft overige grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient er rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden, om het doden en verwonden van dieren te voorkomen. Overige soorten Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de sloop, nieuwbouw en vernieuwbouw op voorhand niet uit te sluiten. Wanneer de functie van de onderzoekslocatie veranderd, door bijvoorbeeld meer of minder woningen of door een nieuwe bestemming, wordt vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

Aanbevelingen Huismussen Bij verschillende onderzochte woningen, werden zogenaamde kwetterbosjes aangetroffen in de tuin (figuur 16). Kwetterbosjes zijn voornamelijk groenblijvende struiken, bomen en heesters, of dichte hagen, waarin huismussen kunnen rusten en foerageren. Deze kwetterbosjes zijn van groot belang voor het beschermen van de huismussenpopulatie. Het valt daarom ook aan te bevelen om in de toekomstige situatie deze kwetterbosjes te handhaven, of nieuwe kwetterbosjes te creëren, om daarmee de mussenpopulatie te beschermen.

Figuur 16. Huismussen op een kwetterbosje in Varsseveld.

Econsultancy Doetinchem, 17 februari 2022

RAPPORT 18188.001.B, versie D2

Pagina 24 van 24

GERAADPLEEGDE BRONNEN A.J. Haarsma (2012, 8 augustus). De Meervleermuis en Natura 2000 in Nederland. Opgehaald van: https://www.vleermuis.net/attachments/article/233/2012b_Haarsma_De%20meervleermuis%20en%20N atura2000%20in%20Nederland,%20locaties%20van%20alle%20mannen%20en%20kraamverblijven.pdf geraadpleegd op 03-02-2022. A.J.

Haarsma (2011, augustus). De Meervleermuis in Nederland. Opgehaald van: https://www.batweter.nl/attachments/article/4/2012_Haarsma_De%20meervleermuis%20in%20Nederlan d.pdf, geraadpleegd op 03-02-2022.

Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12

(2017a). Kennisdocument huismus. Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf.

Opgehaald

van

https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-

BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 17 februari 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Varsseveld, periode 2017-2022. NDFF. Geraadpleegd op 17 februari 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 17 februari 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. https://www.verspreidingsatlas.nl/.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4869/documents/31170