CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Quickscan flora en fauna.pdf

Raadsvergadering 26 maart 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde8.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan flora en fauna Pastoor Bluemersplein 5 te Silvolde Gemeente Oude IJsselstreek

Projectnummer: 4068.01 Versie: 1 Datum: 05-12-2024

Inhoud Inhoud .......................................................................................................................................... 0 1.

Algemeen ............................................................................................................................. 2 1.1 Inleiding ................................................................................................................... 2

2.

Plangebied en werkzaamheden ....................................................................................... 3 2.1 Inleiding ................................................................................................................... 3 2.2 Algemene constateringen ..................................................................................... 3 2.3 Geplande werkzaamheden.................................................................................... 4

3.

Werkwijze ............................................................................................................................. 5 3.1 Bureauonderzoek ................................................................................................... 5 3.2 Veldbezoek .............................................................................................................. 5 3.3 Betrouwbaarheid .................................................................................................... 5

4.

Wet- en regelgeving ........................................................................................................... 6 4.1 Omgevingswet ......................................................................................................... 6 4.2 Gebiedsbescherming ............................................................................................. 6 4.3 Soortbescherming .................................................................................................. 8 4.4 Houtopstanden ....................................................................................................... 9 4.5 Invasieve exoten ..................................................................................................... 9

5.

Resultaten.......................................................................................................................... 10 5.1 Gebiedsbescherming ........................................................................................... 10 5.1.1 Natura 2000 ..............................................................................................................................10

6.

5.1.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone ..................................... 11

5.1.3

Houtopstanden....................................................................................................................... 11

5.2 5.2.1

Soortbescherming ................................................................................................ 11 Vleermuizen ............................................................................................................................. 11

5.2.2

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................ 13

5.2.3

Vogels .......................................................................................................................................... 15

5.2.4

Reptielen en amfibieën ...................................................................................................... 16

5.2.5

Vlinders ...................................................................................................................................... 17

5.2.6

Overige beschermde diersoorten ................................................................................. 18

5.2.7

Vaatplanten en mossen ..................................................................................................... 18

5.2.8

Rode lijst-soorten ................................................................................................................. 18

5.2.9

Invasieve exoten .................................................................................................................... 19

5.3

Samenvatting ........................................................................................................ 20

Conclusie ........................................................................................................................... 21 6.1 Gebiedsbescherming ........................................................................................... 21 6.2 Soortbescherming ................................................................................................ 21 6.2.1 Jaarrond beschermde soorten........................................................................................ 21 6.2.2

Algemene diersoorten ........................................................................................................23

Quickscan flora en fauna

7.

Buro Ontwerp & Omgeving

6.2.3

Rode lijst-soorten .................................................................................................................23

6.2.4

Invasieve exoten ....................................................................................................................23

6.2.5

Verlichting .................................................................................................................................23

6.3

Nader onderzoek .................................................................................................. 23

Literatuurlijst..................................................................................................................... 26 7.1 Referenties ............................................................................................................ 26 7.2 Gebruikte websites ............................................................................................... 27 7.3 Overige geraadpleegde bronnen ....................................................................... 27

1

Quickscan flora en fauna

1.

Algemeen

1.1

Inleiding

Buro Ontwerp & Omgeving

In opdracht van gemeente Oude IJsselstreek is door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Pastoor Bluemersplein 5 te Silvolde. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats een integraal kindcentrum te realiseren. Het doel van de quickscan flora en fauna is om een indicatie te krijgen van de aanwezigheid en (mogelijke) effecten van de ingreep op beschermde gebieden en dier- en plantensoorten. Uit deze quickscan moet blijken of er nadelige effecten zijn op gebieden met een speciale beschermingsstatus, namelijk op Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Vervolgens worden de mogelijke effecten onderzocht op onder de Omgevingswet (Ow) beschermde dier- en plantensoorten. Als nadelige effecten niet uit te sluiten zijn moet nader onderzoek plaatsvinden, dienen er mogelijk mitigerende maatregelen en compenserende maatregelen te worden getroffen en een Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Deze quickscan is gebaseerd op bureauonderzoek en een veldonderzoek. In het voorliggende rapport worden achtereenvolgens het plangebied (hoofdstuk 2), de werkwijze (hoofdstuk 3), de relevante wet- en regelgeving (hoofdstuk 4), de resultaten (hoofdstuk 5) en de conclusie (hoofdstuk 6) beschreven.

2

Quickscan flora en fauna

2.

Plangebied en werkzaamheden

2.1

Inleiding

Buro Ontwerp & Omgeving

Het plangebied bevindt zich ten zuidoosten van de bebouwde kom van Silvolde en is gelegen aan het Pastoor Bluemersplein. Op de locatie bevindt zich basisschool De Plakkenberg met bijbehorende buitenruimten en een gymzaal. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich woningen en het Almende College. Op de navolgende afbeelding is de begrenzing van het plangebied weergegeven (Figuur 1).

Figuur 1. Luchtfoto van het plangebied aan het Pastoor Bluemersplein te Silvolde (rood kader).

2.2

Algemene constateringen In het plangebied bevindt zich bebouwing behorende tot de basisschool, zoals het hoofdgebouw, een gymzaal, een klein bijgebouw voor opslag en twee overdekte fietsenstallingen. Er is een kelder met opslag van schoolspullen aanwezig in het hoofdgebouw. Verder is er een verhard schoolplein, een grasveld en parkeerplaats aanwezig. Er bevinden zich meerdere bomen binnen het plangebied, waarvan de meeste aanwezig zijn in het oostelijke en zuidelijke gedeelte, waar stroken bosschages aanwezig zijn. Binnen deze bosschagestroken zijn ook takkenhopen aanwezig (Figuur 2).

3

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Figuur 2. Gedeelte van de oostzijde van het hoofdgebouw (linksboven), klein bijgebouw op het schoolplein, met daarachter een strook bosschage (rechtsboven), parkeerplaats met rechtsachter het hoofgebouw en linksachter de gymzaal (linksonder) en bosschage met op de achtergrond de gymzaal (rechtsonder).

2.3

Geplande werkzaamheden De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats een integraal kindcentrum te realiseren. Het is nog niet bekend of de aanwezige bosschagestroken en losstaande bomen (gedeeltelijk) worden verwijderd.

4

Quickscan flora en fauna

3.

Werkwijze

3.1

Bureauonderzoek

Buro Ontwerp & Omgeving

Voorafgaand aan het veldbezoek is onderzoek gedaan naar de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de voorkomende habitats en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en rondom het plangebied. De bronnen die hiervoor zijn geraadpleegd zijn te vinden in de literatuurlijst (zie hoofdstuk 7).

3.2

Veldbezoek Het veldbezoek is uitgevoerd op 7 november 2024 en vond plaats van 14:30 tot 15:40. Tijdens het veldbezoek was het bewolkt, stond er een zwakke wind (O2) en was het circa 4 graden Celsius. Er is gekeken naar het terrein en de geschiktheid hiervan voor beschermde flora en fauna. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten, met inbegrip van sporen als braakballen, uitwerpselen, nesten en andere mogelijke verblijfplaatsen. Tabel 1. Deskundigheid betrokken medewerker. Naam

Deskundigheid

D. Lukkezen

Studie: Afgestudeerd in Biologie aan de Wageningen University & Research (WUR) te Wageningen Functie: Ecoloog bij Buro Ontwerp & Omgeving sinds maart 2022.

3.3

Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige wet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van deze soorten. In artikel 16.5 van de Omgevingswet is bepaald dat onderzoeken bij de vaststelling van het besluit niet ouder zijn dan twee jaar. Indien kan worden aangetoond dat de gegevens uit de onderzoeken nog actueel zijn, dan mogen onderzoeken bij de vaststelling ouder zijn dan twee jaar. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan flora en fauna geldig is voor een periode van maximaal drie jaar, tenzij de ecologische omstandigheden in deze periode wezenlijk zijn veranderd, of inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Wanneer de uitvoering van een plan meer dan drie jaar wordt uitgesteld, verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te onderzoeken.

5

Quickscan flora en fauna

4.

Wet- en regelgeving

4.1

Omgevingswet

Buro Ontwerp & Omgeving

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet bundelt 26 wetten en diverse regels en voorschriften in één wet. Ook de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet. In de Omgevingswet speelt bij milieubelastende activiteiten het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een belangrijke rol. In het Bal staan rijksregels voor de fysieke leefomgeving, waaronder voor flora- en fauna-activiteiten. Daarnaast wordt hierin vermeld voor welke activiteiten een melding of Omgevingsvergunning nodig is en wie toezicht houdt. Een belangrijk verschil met de Wnb is dat de bepalingen over de zorgplicht (artikel 1.11, Wnb) concreter zijn aangegeven in de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). Aanvullend zijn regels opgenomen over ongewone voorvallen (artikel 11.34, Bal en artikel 11.35, Bal). Onder de Wnb bestonden geen vergelijkbare bepalingen. De Omgevingswet bevat ook instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Zo kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelen voor deze gebieden vaststellen (artikel 2.44, Ow). Ook is in het aanwijzingsbesluit opgenomen dat gebieden bij omgevingsverordening kunnen worden aangewezen tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzonder provinciaal natuurgebied of bijzonder provinciaal landschap.

Verder zijn instructieregels voor de omgevingsverordening opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregels verplichten provincies tot het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden), het vastleggen van de kenmerken en waarden van de NNN-gebieden en het stellen van regels voor de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de NNN-gebieden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt bovendien regelgeving voor het vellen van houtopstanden en voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve exoten tot gevolg kunnen hebben.

4.2

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen in de Omgevingswet middels een aanwijzingsbesluit (artikel 2.44, Ow). Natura 2000-gebieden zijn gebieden waarin habitats en soorten worden beschermd die van communautair belang zijn. Per Natura 2000-gebied zijn specifieke instandhoudingsdoelen opgesteld. Activiteiten die significant nadelige effecten hebben op de kwaliteit van de habitats en/of de instandhoudingsdoelen van het gebied mogen niet plaatsvinden zonder een vergunning voor een Natura 2000-activiteit. Dit geldt niet alleen voor activiteiten binnen het Natura 2000gebied. Ook bij activiteiten aangrenzend of buiten het gebied kunnen significant nadelige gevolgen optreden.

6

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland bestaat uit een netwerk van natuurgebieden en heeft als doel deze beter met elkaar en omringende agrarische gebieden te verbinden. In Gelderland zijn deze gebieden bekend als het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De GNN-gebieden zijn aangewezen in de provinciale omgevingsvisie en beschermd volgens de bijbehorende provinciale omgevingsverordening (Provincie Gelderland, 2018; Provincie Gelderland, 2024). § 5.2.1 Gelders natuurnetwerk Artikel 5.5 (beschermen kwaliteit Gelders natuurnetwerk) 1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties in het Gelders natuurnetwerk, wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. 2. Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met de artikelen 5.12 tot en met 5.17 worden gecompenseerd: a. in de nabijheid van het Gelders natuurnetwerk; of b. in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland zijn aangeduid met code N00.01.

Groene ontwikkelingszone Om de samenhang van de natuur in het Gelders Natuurnetwerk te beschermen wil provincie Gelderland verbindingszones aanleggen in de vorm van de Groene Ontwikkelingszone. Het bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk mits tegelijk de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Dit dient te worden getoetst aan artikelen 5.20 t/m 5.25 van de omgevingsverordening van provincie Gelderland. In de instructie is opgenomen dat de natuur in het gebied versterkt moet worden indien er een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, ook als er geen natuur verloren gaat. § 5.2.2 Groene ontwikkelingszone Artikel 5.20 (beschermen Groene ontwikkelingszone) 1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. 2. De versterking wordt bepaald aan de hand van de bijlage Versterking Groene ontwikkelingszone.

7

Quickscan flora en fauna

4.3

Buro Ontwerp & Omgeving

Soortbescherming Soorten met specifieke beschermingsregels Het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet kent drie beschermingsregimes voor soorten: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 lid 1, Bal) • Beschermingsregime soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het verdrag van Bonn (artikel 11.46 lid 1, Bal) • Beschermingsregime andere soorten uit Bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 11.54 lid 1, Bal), ook wel soorten van nationaal belang genoemd. In bovengenoemde wetsartikelen uit het Bal zijn schadelijke handelingen opgenomen en is vastgesteld voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend. De verbodsbepalingen houden in dat Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of gevangen en dat hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren niet opzettelijk mogen worden beschadigd of vernield. Ook is het rapen en onder zich hebben van eieren van vogelsoorten die onder deze richtlijnen vallen verboden. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt bovendien dat ze niet opzettelijk mogen worden gestoord. Daarnaast is het verboden om beschermde planten opzettelijk te plukken, verzamelen, ontwortelen, vernielen of af te snijden in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Als de activiteiten leiden tot het overtreden van deze verbodsbepalingen moet worden nagegaan of een provinciale vrijstelling geldt of dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit moet worden verkregen. Rode lijsten Kwetsbare en met uitsterven bedreigde soorten die niet onder de hiervoor genoemde beschermingsregimes vallen zijn door de minister van LNV opgenomen in de rode lijsten. Rode lijst-soorten vallen niet noodzakelijkerwijs onder specifieke beschermingsregels, zoals een vergunningsplicht bij schadelijke handelingen. Hiervan is alleen sprake als de soort ook beschermd is conform de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Bijlage IX van het Bal. Desondanks zijn rode lijsten relevant bij ruimtelijke ontwikkelingen. Indien een activiteit nadelige effecten heeft op een rode lijst-soort wordt namelijk gesproken van een activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht geldt. Specifieke zorgplicht Een activiteit kan nadelig zijn voor de van nature in het wild levende dier- en plantensoorten. Iemand die weet of kan weten dat er bij het verrichten van een activiteit nadelige effecten optreden moet zich houden aan de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt voor alle dier- en plantensoorten.

De volgende stappen zijn noodzakelijk: • Controle op aanwezige soorten en leefgebieden in het plangebied; • Nagaan of nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten kunnen worden uitgesloten; • Nagaan wat nadelige gevolgen zijn als uitsluiten daarvan niet mogelijk is; • Passende preventieve maatregelen nemen om nadelige effecten te voorkomen; en • Stoppen met de activiteit of herstelmaatregelen treffen.

8

Quickscan flora en fauna

4.4

Buro Ontwerp & Omgeving

Houtopstanden Als houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap worden geveld kan er een meld- en herbeplantingsplicht gelden. Dergelijke houtopstanden worden in de Omgevingswet omschreven als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Voor het vellen en herbeplanten zijn er een aantal uitzonderingen op de rijksregels opgenomen in artikel 11.111 van het Bal. Voor de kap van houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap geldt gemeentelijke regelgeving, zoals verwoord in het omgevingsplan van de desbetreffende gemeente (artikel 5.165b, Bkl).

4.5

Invasieve exoten Algemeen In de Omgevingswet is regelgeving opgenomen voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve exoten tot gevolg kunnen hebben. Hierdoor is het onder zich of voorhanden hebben, vervoeren of ten vervoer aanbieden (van delen van invasieve exoten) expliciet aangemerkt als verhandelen. Invasieve exoten vormen een bedreiging voor de inheemse biodiversiteit en ecosystemen. Daarnaast kunnen invasieve exoten schadelijk zijn voor de economie, de openbare veiligheid en menselijke gezondheid. Bekende voorbeelden van invasieve exoten zijn de beverrat, Siberische grondeekhoorn, nijlgans, zonnebaars en Aziatische hoornaar. Het is onder meer verboden om deze soorten opzettelijk te houden, vrij te laten in het milieu, te kweken of vervoeren en het toestaan om zich voort te planten (artikel 11.108 lid 1, Bal en artikel 7 lid 1 van de Europese invasieve-exoten-basisverordening). Nationaal handelsverbod Aziatische duizendknopen Per 1 januari 2022 geldt er tevens een nationaal handelsverbod voor Aziatische duizendknopen (artikel 11.109a, Bal). Het verbod heeft betrekking op drie soorten: de Japanse duizendknoop, Sachalinse duizendknoop en bastaardduizendknoop. Het handelsverbod op Aziatische duizendknopen geldt ook voor besmette grond.

Gelet op deze ruime definitie van het woord ‘verhandelen’, maakt het hierbij niet uit of het gaat om de delen van de duizendknoop zelf, of om de delen van de duizendknoop in het transport van een partij grond. Dit betekent dat grondtransport met (levensvatbare delen van) Aziatische duizendknopen verboden is, tenzij een vrijstelling van toepassing is. Een vrijstelling geldt als er sprake is van niet-commerciële doeleinden, wanneer het transport plaatsvindt in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing en op voorwaarde dat geen verdere verspreiding of introductie in het milieu plaatsvindt. Daarnaast geldt er een vrijstelling voor het verhandelen of in bezit hebben van dode delen of dode producten van Aziatische duizendknopen (NVWA, 2021).

9

Quickscan flora en fauna

5.

Resultaten

5.1

Gebiedsbescherming

Buro Ontwerp & Omgeving

5.1.1 Natura 2000 In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Klevsche Landwehr, Anholtsche Issel, Feldschlaggraben und Regnieter Bach’ dat op circa 4,5 kilometer ten zuiden van het plangebied ligt. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand zijn de in Duitsland gelegen NSG Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung (ca. 6,9 km) en ‘VSG Unterer Niederrhein’ (ca. 6,9 km). Op de navolgende kaart is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000gebieden weergegeven (Figuur 3).

Figuur 3. Ligging plangebied (pijl) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken en lijnen).

Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 1 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat drie Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand van het plangebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van deze Natura 2000-gebieden. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. 10

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

5.1.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt op ca. 200 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca. 280 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO) (Figuur 4). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.

Figuur 4. Ligging plangebied (rood) t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen).

5.1.3 Houtopstanden De groenvoorzieningen in het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De eventueel te kappen bomen en/of struiken bevinden zich binnen de bebouwingscontour houtkap. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom niet van toepassing (artikel 11.111, Bal). Indien er houtopstanden worden geveld dient echter rekening te worden gehouden met de aanvraag van een Omgevingsvergunning bij het Omgevingsloket. Er wordt geadviseerd om een Vergunningcheck uit te voeren, alvorens wordt besloten om groenvoorzieningen te verwijderen.

5.2

Soortbescherming

5.2.1 Vleermuizen Op basis van openbare verspreidingsgegevens kunnen de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis in de ruime omgeving van het plangebied voorkomen. Alle vleermuissoorten zijn op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal). Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die zowel gebouw- als boombewonend zijn. 11

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Gebouwbewonende vleermuizen maken doorgaans gebruik van spouwruimtes, spleten en vergelijkbare ruimtes in gebouwen. De bebouwing werd daarom geïnspecteerd op potentiële verblijfplaatsen. Het hoofdgebouw bevat open stootvoegen die toegang bieden tot spouwruimtes. Ook zijn er diverse openingen aanwezig langs de dakranden, achter regenpijpen en bij de zonnewering, gevelbekleding en loodslabben waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (Figuur 5). De kelder in het hoofdgebouw is ook bekeken, maar deze is niet toegankelijk voor vleermuizen. Verder bevatten het kleine bijgebouw, de overdekte fietsenstallingen en de gymzaal ook openingen langs de dakranden waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. Bovendien zijn er open stootvoegen aanwezig in de gymzaal. Gezien het voorgaande kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet worden uitgesloten in de aanwezige bebouwing.

Figuur 5. Voorbeelden van een potentiële openingen in het hoofdgebouw (gele pijlen).

Boombewonende vleermuizen verblijven in boomholtes, holle oksels, spechtenholen, holle takken en achter loshangend schors van (oude) bomen. In en vlak rond het plangebied bevinden zich diverse bomen, maar geen van de aanwezige bomen toonde potentieel geschikte holen, spleten of andere potentiële verblijfplaatsen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten.

12

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Vliegroutes Vleermuizen volgen vaak lijnvormige elementen om heen en weer te bewegen tussen de verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het behoud van lijnvormige landschapselementen is daarom van groot belang voor de instandhouding van vleermuispopulaties. De sloop van de bebouwing en het eventueel (gedeeltelijk) verdwijnen van de stroken bosschages zullen niet resulteren in het verlies van een vliegroute. Potentiële vliegverbindingen in de omgeving blijven behouden. Negatieve effecten op de vliegroutes van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Essentiële foerageergebieden De in Nederland voorkomende vleermuizen leven allemaal van insecten. Ze foerageren daarom op allerlei plekken waar veel vliegende insecten aanwezig zijn. Enkele voorbeelden van dit soort gebieden zijn wind beschutte plaatsen langs lijnvormige elementen (bijv. sloten, beken, bosranden en houtwallen), maar ook in bosgebieden, open plekken in bossen of langs oevers met rietkragen. Bij het verdwijnen van essentiële foerageergebieden gaan de verblijfplaatsen ook verloren. De sloop van de bebouwing en het eventueel verwijderen van de bosschages zal echter niet resulteren in het verlies van een essentieel foerageergebied. In de directe omgeving zijn veel alternatieven aanwezig. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden van vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten.

Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar groen en bomen moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht. 5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Algemene soorten Verschillende algemene grondgebonden zoogdieren kunnen voorkomen in en rondom het plangebied. Het is niet uit te sluiten dat deze zoogdieren (nog) in het plangebied aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden. De meeste grondgebonden zoogdieren zijn in provincie Gelderland vrijgesteld. Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal).

Strikt beschermde soorten Op basis van verspreidingsgegevens kunnen de bever, otter, bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, boommarter en eekhoorn in de ruime omgeving van het plangebied voorkomen. Aangezien er geen aquatische elementen aanwezig zijn binnen het plangebied kunnen negatieve effecten op de bever en otter op voorhand worden uitgesloten. Er werden dan ook geen sporen van deze soorten aangetroffen.

13

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen die in allerlei landschappen kunnen voorkomen, zoals kleinschalige cultuurlandschappen, natte hooilanden, duingebieden, bossen, houtwallen en plekken langs beken en rivieren. Alle kleine marters zoeken graag dekking in houtstapels, takkenrillen, steenhopen of heggen. Daarnaast wordt de bunzing vaak aangetroffen in oude holen van konijnen, vossen en dassen, maar bijvoorbeeld ook andere beschutte ruimtes zoals onder boomwortels of takkenrillen. ’s Winters trekt de bunzing vaker naar bewoonde gebieden en kan de soort ook in schuren verblijven. De hermelijn verblijft vaak in tunnels onder mossen, openingen tussen boomwortels, openingen onder omgevallen bomen en holen van konijnen, muizen en ratten. De wezel verblijft vooral in openingen tussen boomwortels en holen van muizen, ratten en mollen. Zowel de functionele leefomgeving als de rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten zijn beschermd (BIJ12, 2024). In het plangebied zijn takkenhopen en dicht struweel aanwezig in de stroken bosschages die voldoende dekking bieden om te kunnen dienen als rust- of verblijfplaats voor de kleine marters (Figuur 6). Indien er werkzaamheden plaatsvinden die resulteren in het (gedeeltelijk) verdwijnen van deze stroken bosschages, kunnen negatieve effecten op de bunzing, hermelijn en wezel niet worden uitgesloten.

Figuur 6. Weergave van geschikt leefgebied binnen het plangebied (geel gearceerd).

Steenmarters kunnen binnen het leefgebied meerdere schuilplaatsen hebben, zoals takkenhopen, boomholtes, dichte struwelen, kruipruimtes of zolders. Ook ruimtes onder dakbedekkingen en spouwmuren worden gebruikt door steenmarters. Openingen van 5 à 6 cm zijn al van voldoende grootte om een schuilplaats te bereiken (Zoogdiervereniging, 2024 a). In het plangebied zijn takkenhopen en dicht struweel aanwezig in de stroken bosschages die voldoende dekking bieden om te kunnen dienen als rust- of verblijfplaats voor de steenmarter (Figuur 6). Indien er werkzaamheden plaatsvinden die resulteren in het (gedeeltelijk) verdwijnen van deze stroken bosschages, kunnen negatieve effecten op de steenmarter niet worden uitgesloten.

14

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De boommarter is bij voorkeur een bosbewoner die in verschillende bostypen voorkomt. Boommarters verblijven in holen van andere diersoorten en passen die naar eigen behoefte aan. Vaak zijn dit holtes die zijn uitgehakt door spechten of burchten van vossen en dassen. Ook verblijven ze in openingen onder boomwortels en ruimtes onder takkenhopen (Zoogdiervereniging, 2024b). Het plangebied voldoet niet aan de eisen die de soort stelt aan zijn omgeving. Er zijn wel wat bomen en takkenhopen aanwezig maar er is geen sprake van een bos. Bovendien werden er geen boomholtes en burchten aangetroffen binnen de begrenzing van het plangebied. Negatieve effecten op de boommarter kunnen daarom worden uitgesloten. Eekhoorns bouwen bolvormige nesten in bomen. Deze hebben een doorsnede van 30 tot 50 cm en zijn vooral ‘s winters goed waarneembaar. Soms gebruiken ze ook boomholtes, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. Nesten van eekhoorns kunnen op die van de ekster lijken, maar zijn te onderscheiden aan de aanwezigheid van blaadjes (Zoogdiervereniging, 2024c). De bomen werden onderzocht op de aanwezigheid van nesten en holtes, maar deze werden niet aangetroffen. Negatieve effecten op de eekhoorn kunnen daarom worden uitgesloten.

5.2.3 Vogels Algemene soorten Verschillende vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is kunnen voorkomen in en rondom het plangebied. Conform de Vogelrichtlijn is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van in het wild levende vogelsoorten te vernielen of te beschadigen, of nesten van deze vogels weg te nemen. Tevens zijn alle vogelsoorten tijdens het broedseizoen beschermd. De Omgevingswet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Voor de meeste vogels kan worden aangenomen dat het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli loopt (indicatief broedseizoen), maar bij enkele soorten begint het broedseizoen eerder of loopt het langer door. Dichter bij het indicatieve broedseizoen is de kans op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten groter. Op het moment dat sprake is van een nest dat in gebruik is, zijn werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of vernieling hiervan verboden. Hierop is geen uitzondering en er is ook geen Omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit mogelijk. Er wordt daarom geadviseerd om werkzaamheden waarbij nesten verstoord kunnen worden, (ruim) buiten het indicatieve broedseizoen uit te voeren. Strikt beschermde soorten Van sommige vogelsoorten zijn de vaste rust- en nestplaatsen jaarrond beschermd (beschermingscategorie 1 t/m 4).

Binnen de bebouwde kom van Silvolde kunnen dit de sperwer, slechtvalk, ransuil, gierzwaluw, roek en huismus zijn. Vanwege het ontbreken van de aanwezigheid van hoge gebouwen, zoals kantoren en flats binnen het plangebied, kunnen negatieve effecten op de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Er werden dan ook geen nesten van deze soort aangetroffen. De sperwer broedt voornamelijk in jonge dichte naaldbossen en halfopen landschappen, maar kan ook in laanbomen, geïsoleerde bosjes en parken broeden (Vogelbescherming Nederland, 2024a). In de bomen in het plangebied werden geen potentiële nesten van de sperwer aangetroffen. Ook werd gezocht naar prooiresten of andere sporen, maar deze werden eveneens niet aangetroffen. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de sperwer kunnen daarom worden uitgesloten. 15

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De ransuil leeft in kleinschalige landbouwlandschappen, bosranden, parken en open bosgebieden. De soort broedt meestal in oude nesten van kraaien, eksters en soms in oude nesten van reigers, roofvogels of eekhoorns. Bij voorkeur bevinden deze zich in naaldbomen, maar ook in boomopslag, houtwallen en vrijstaande bomen (Vogelbescherming Nederland, 2024b). In de bomen in het plangebied werden geen potentiële nesten van de ransuil aangetroffen. Ook werd gezocht naar braakballen, prooiresten, krijtsporen of andere sporen, maar deze werden eveneens niet aangetroffen. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de ransuil kunnen daarom worden uitgesloten. De gierzwaluw is een soort die voorkomt in dorpen en steden waar hij broedt in donkere holtes, spleten en onder dakpannen van gebouwen die tenminste drie meter hoog zijn (BIJ12, 2023a). Alleen het hoofdgebouw en de gymzaal zijn hoog genoeg voor de gierzwaluw en zouden gebruikt kunnen worden als nestplaats voor de soort, vanwege de aanwezigheid van diverse openingen. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de gierzwaluw kunnen daarom worden niet uitgesloten. De roek is een koloniebroeder die van oorsprong voorkomt in vochtige gras- en bouwlanden met verspreid staande houtopstanden (BIJ12, 2017a). Tegenwoordig worden meer dan de helft van de nesten binnen de bebouwde kom aangetroffen.

De nesten worden dicht bij elkaar gebouwd in hoogopgaande bomen en zijn daardoor goed herkenbaar (Vogelbescherming Nederland, 2024c). Dergelijke kolonies zijn echter niet in het plangebied of de nabije omgeving aangetroffen. De aanwezigheid van de soort kan daarom worden uitgesloten. De huismus is een standvogel die gebonden is aan bebouwing en komt voornamelijk voor in dorpen en steden. Nesten worden gebouwd onder dakpannen, in kieren en gaten van gebouwen en in speciaal voor de soort ontworpen mussenkasten (BIJ12, 2023b). De huismus is tijdens het veldbezoek niet waargenomen in het plangebied, maar kan eventueel tot broeden komen in het hoofdgebouw en de gymzaal vanwege de aanwezigheid van diverse openingen. Bovendien kunnen de stroken bosschages dienen als functioneel leefgebied. Negatieve effecten op de huismus kunnen daarom niet worden uitgesloten. Naast strikt beschermde soorten, vallen er ook soorten onder de Vogelrichtlijn, waarvan het nest alleen jaarrond beschermd is als er zwaarwegende ecologische redenen zijn. Deze soorten zijn opgenomen op de lijst van beschermde vogelsoorten uit beschermingscategorie 5 van het bevoegd gezag (rijk of provincie). Dit zijn voornamelijk holenbroeders, maar ook soorten die op of tegen gebouwen aan nestelen. Deze soorten zijn jaarrond strikt beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

5.2.4 Reptielen en amfibieën Algemene soorten Op basis van de openbare verspreidingsgegevens zijn verschillende algemene amfibieën te verwachten in de omgeving van het plangebied. De meeste algemene amfibieën zijn in provincie Gelderland vrijgesteld. Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal). 16

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Strikt beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de levendbarende hagedis, kamsalamander en rugstreeppad in de ruime omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. Van deze soorten worden de kamsalamander en rugstreeppad op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en is de levendbarende hagedis een soort van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). De levendbarende hagedis komt voornamelijk voor op heidevelden en hoogvenen en wordt hier vaak op vochtige plekken waargenomen. De soort komt ook voor in bermen, ruige graslanden, open bossen en duingebieden (BIJ12, 2017 b). Het plangebied vormt geen geschikte leefomgeving voor de soort. Bovendien beperken waarnemingen uit de omgeving zich tot natuurgebied De Watertap (ca. 4 km afstand). Gezien de vele barrières ten opzichte van het plangebied kunnen negatieve effecten op de levendbarende hagedis worden uitgesloten. De kamsalamander komt voor in relatief diepe, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde watervegetatie. In deze wateren zijn gewoonlijk geen vis en watervogels (ganzen en eenden) aanwezig. Vaak zijn deze gelegen in kleinschalige landschappen met elementen als struweel en houtwallen. In het rivierengebied komt de soort ook voor in strangen, kleiputten en kolken (Arntzen & Smit, 2009).

Het plangebied voldoet echter niet aan de eisen die de kamsalamander stelt aan zijn leefomgeving. Negatieve effecten op de soort zijn daarom uitgesloten. De rugstreeppad komt voor op open zandige locaties met ondiep water zoals in heidevennen, sloten in poldergebieden, braakliggende terreinen, zandafgravingen, duinen en uiterwaarden (BIJ12, 2017c). In de omgeving van het plangebied ontbreekt het echter aan open zandige locaties en gebieden met water. Negatieve effecten op de soort kunnen daarom worden uitgesloten. 5.2.5 Vlinders Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de grote vos, kleine ijsvogelvlinder, iepenpage en teunisbloempijlstaart in de ruime omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. Van deze soorten wordt de teunisbloempijlstaart op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de grote vos, kleine ijsvogelvlinder en iepenpage soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). De grote vos is een zeldzame, zwerflustige vlinder die zich sinds 2019 weer verspreid door Nederland heeft voortgeplant. De belangrijkste waardplanten voor deze soort zijn breedbladige wilgensoorten, iepen en zoete kers. Ook functioneren de ratelpopulier en peer als waardplant voor de grote vos.

De rupsen leven namelijk vaak op struiken en bomen die zich bevinden langs brede bospaden, bosranden, in boomgaarden of op kapvlaktes. De rupsen van de grote vos leven in groepen van tientallen tot enkele honderden rupsen bij elkaar en kunnen zich hoog in struiken en bomen bevinden. De soort overwintert als vlinder in oude, houten schuren, in holle bomen en tussen houtstapels (Bos, 2006). Het plangebied voorziet niet in geschikte waardplanten voor de soort. Bovendien ontbreekt het aan gunstig habitat (vochtig bosklimaat). Negatieve effecten op de grote vos kunnen daarom worden uitgesloten.

17

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De kleine ijsvogelvlinder komt voornamelijk voor langs bosranden en in structuurrijke, vochtige loofbossen. De soort gebruikt de wilde kamperfoelie als waardplant (Geerling & Oosterveen, 2007). De waardplant van de soort werd echter niet aangetroffen en het ontbreekt aan gunstig habitat, waardoor negatieve effecten op de kleine ijsvogelvlinder kunnen worden uitgesloten. De iepenpage komt voor langs bosranden, in vochtige bossen, grotere tuinen en parken. Bijna de gehele levenscyclus van de soort speelt zich af rondom de boomkronen van de waardplant. De waardplant van de soort is de iep. Vrijwel alle iepensoorten die in Nederland voorkomen kunnen hiervoor worden gebruikt (Vliegenthart, 2020). In het plangebied zijn geen iepen aanwezig. Negatieve effecten op de iepenpage kunnen daarom worden uitgesloten. De teunisbloempijlstaart gebruikt het (harig) wilgenroosje, de basterdwederik, teunisbloem en grote kattenstaart om de eitjes op af te zetten. De soort komt daarom voor in vochtige bossen, bosranden en warme open plekken (van Deijk, 2018). De waardplanten van de soort werden echter niet aangetroffen waardoor negatieve effecten op de teunisbloempijlstaart kunnen worden uitgesloten. 5.2.6 Overige beschermde diersoorten Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissen, kreeftachtigen, libellen, kevers of weekdieren in de ruime omgeving van het plangebied.

Negatieve effecten op deze soortgroepen kunnen daarom worden uitgesloten. 5.2.7 Vaatplanten en mossen Op basis van openbare verspreidingsgegevens blijkt dat de strikt beschermde grote leeuwenklauw in de ruime omgeving van het plangebied te verwachten is. De grote leeuwenklauw komt voor langs wegbermen, graanakkers, rivieroeverwallen, sloothellingen, braakliggende terreinen, dijken en spoorwegen (NDFF & FLORON, 2024). Het plangebied vormt geen geschikte groeiplaats voor de soort. Negatieve effecten op de grote leeuwenklauw kunnen worden uitgesloten. Tijdens de quickscan werden alleen algemene plantensoorten waargenomen in en rondom het plangebied, zoals linde, brandnetel, laurierkers, hazelaar, klimop, berk, braam, kornoelje, hulst en esdoorn. De rijksregels voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet van toepassing op deze soorten en er hoeft voor deze soorten geen Omgevingsvergunning te worden aangevraagd. 5.2.8 Rode lijst-soorten Tijdens de quickscan werden geen rode lijst soorten met de status (ernstig) bedreigd binnen het plangebied waargenomen.

18

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

5.2.9 Invasieve exoten Planten en dieren op de Unielijst Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van invasieve exoten gedaan. Omtrent invasieve exoten hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Aziatische duizendknopen Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van Aziatische duizendknopen gedaan. Er hoeven daarom geen aanvullende stappen te worden ondernomen omtrent de Aziatische duizendknopen.

19

Quickscan flora en fauna

5.3

Buro Ontwerp & Omgeving

Samenvatting Tabel 2 geeft een overzicht van soorten die (mogelijk) aanwezig zijn, de effecten waar ze last van kunnen hebben en eventuele vervolgstappen die genomen moeten worden. Tabel 2. Soortenoverzicht. Soortgroep

Soort(en)

Aanwezigheid

Mogelijk effect

Opmerkingen

Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Mogelijk

Verstoren, beschadigen

Nader onderzoek

gebouwbewonende

of vernielen van rust-

nodig

soorten

of voortplantingsplaatsen

Verblijfplaatsen

Nee

Nee

-

Foerageergebieden

Nee

Nee

-

boombewonende soorten Vliegroutes

Nee

Nee

-

Grondgebonden

Bunzing, hermelijn,

Mogelijk

Beschadigen of

Nader onderzoek

zoogdiersoorten

wezel en

vernielen van rust- of

nodig indien de

steenmarter

voortplantingsplaatsen

stroken bosschages (gedeeltelijk) verdwijnen

Vogels

Algemene soorten

Mogelijk

Nee*

-

Gierzwaluw en

Mogelijk

Verstoren, beschadigen

Nader

of vernielen van

nodig

huismus

onderzoek

rustplaatsen, nestplaatsen of functioneel leefgebied Algemene soorten

Mogelijk

Verstoren nestplaatsen

Werken buiten het vogelbroedseizoen

Reptielen en

Strikt beschermde

amfibieën

soorten

Vlinders

Nee

Nee

-

Algemene soorten

Mogelijk

Nee*

-

Strikt beschermde

Nee

Nee

-

Nee

Nee

-

Nee

Nee

-

Nee

Nee

-

Nee

Nee

-

Nee

Nee

-

soorten Overige

Strikt beschermde

diersoorten

soorten

Vaatplanten en

Strikt beschermde

mossen

soorten

Rode lijst-

(Ernstig) bedreigde

soorten

soorten

Exotische

Soorten van de

soorten

Unielijst Aziatische duizendknopen

*Er dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht.

20

Quickscan flora en fauna

6.

Conclusie

6.1

Gebiedsbescherming

Buro Ontwerp & Omgeving

Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde gebieden. Natura 2000 Het plangebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Aangezien het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ca. 4,5 km afstand ligt zijn negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten uitgesloten. Door het gebruik van werktuigen en voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt op ca. 200 m. afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca. 280 m. afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.

Houtopstanden De groenvoorzieningen in het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De eventueel te kappen bomen en/of struiken bevinden zich binnen de bebouwingscontour houtkap. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom niet van toepassing (artikel 11.111, Bal). Indien er houtopstanden worden geveld dient echter rekening te worden gehouden met de aanvraag van een Omgevingsvergunning bij het Omgevingsloket. Er wordt geadviseerd om een Vergunningcheck uit te voeren, alvorens wordt besloten om groenvoorzieningen te verwijderen.

6.2

Soortbescherming Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde soorten.

6.2.1 Jaarrond beschermde soorten Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het plangebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden.

21

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Vleermuizen Tijdens het veldbezoek zijn invliegopeningen aangetroffen in het hoofdgebouw, het kleine bijgebouw, de overdekte fietsenstallingen en de gymzaal die vleermuizen toegang kunnen bieden tot potentiële verblijfplaatsen. Het gaat bijvoorbeeld om openingen langs dakranden, open stootvoegen, achter regenpijpen en bij de zonnewering, gevelbekleding en loodslabben. Alle vleermuissoorten zijn beschermd op grond van de Habitatrichtlijn. Het is daarom verboden om de soorten opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.46 lid 1a, Bal), opzettelijk te verstoren (artikel 11.46 lid 1b, Bal) of de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen (artikel 11.46 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van vleermuizen. Nader onderzoek moet uitwijzen of er vleermuizen aanwezig zijn en wat de functie van de bebouwing is. Gierzwaluw Het hoofdgebouw en de gymzaal in het plangebied zijn geschikt als nestlocatie voor de gierzwaluw, vanwege de aanwezigheid van diverse openingen. De gierzwaluw is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn.

Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de gierzwaluw moet daarom nader worden onderzocht. Huismus De bebouwing in het plangebied is geschikt als nestlocatie voor de huismus. Zowel het hoofdgebouw als de gymzaal beschikken over de aanwezigheid van diverse openingen die toegankelijk zijn voor de soort. Bovendien kunnen de stroken bosschages dienen als functioneel leefgebied. De huismus is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort en als blijkt dat er functioneel leefgebied verloren gaat. De aanwezigheid van de huismus moet daarom nader worden onderzocht.

Potentieel noodzakelijk (indien de stroken bosschages (gedeeltelijk) verdwijnen): Bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter De stroken bosschages in het plangebied bieden genoeg dekking voor de bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter. Hierdoor kunnen negatieve effecten op een rust- of voortplantingsplaats van deze soorten niet worden uitgesloten. De marters zijn soorten van nationaal belang en zijn in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soorten opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). Eventuele werkzaamheden in de stroken bosschages kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soorten. De aanwezigheid van de bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter moet daarom nader worden onderzocht indien de stroken bosschages (gedeeltelijk) verdwijnen. 22

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

6.2.2 Algemene diersoorten Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene broedvogels en andere diersoorten in en rond het plangebied voorkomen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet de specifieke zorgplicht in acht worden genomen (artikel 11.27, Bal). Handelingen die nadelige effecten hebben moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moeten passende preventieve maatregelen worden genomen om nadelige effecten te beperken of ongedaan te maken. Bovendien moet zowel tijdens als na het verrichten van de activiteit worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen. Passende herstelmaatregelen moeten worden getroffen als het staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Tevens dienen de werkzaamheden (ruim) buiten het indicatieve vogelbroedseizoen plaats te vinden, omwille de aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten (15 maart - 15 juli). 6.2.3 Rode lijst-soorten Tijdens de quickscan werden geen rode lijst soorten met de status (ernstig) bedreigd binnen het plangebied waargenomen. 6.2.4 Invasieve exoten Planten en dieren op de Unielijst Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van invasieve exoten gedaan. Omtrent invasieve exoten hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag.

Aziatische duizendknopen Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van Aziatische duizendknopen gedaan. Er hoeven daarom geen aanvullende stappen te worden ondernomen omtrent de Aziatische duizendknopen. 6.2.5 Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar groen en bomen moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht.

6.3

Nader onderzoek Gelet op de geschiktheid van het plangebied voor gebouwbewonende vleermuizen, gierzwaluw en huismus is nader onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het plangebied voor deze soorten te kunnen bepalen. Indien er werkzaamheden plaatsvinden in de stroken bosschages, waardoor deze (gedeeltelijk) verdwijnen, is er ook nader onderzoek noodzakelijk naar de bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van het Bal aan de orde zijn. 23

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Vleermuizen Het nader onderzoek naar vleermuizen dient te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021). Voor gebouwbewonende soorten worden de onderzoeksmethoden van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en laatvlieger aangehouden, waarmee ook andere vleermuissoorten kunnen worden aangetoond. Er dient rekening te worden gehouden met een mogelijke functie als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en massawinterverblijf. Hierdoor zijn in totaal vijf vleermuisinventarisaties noodzakelijk rond observatiepunten bij de bebouwing. Van deze onderzoeken dienen per observatiepunt drie rondes te worden uitgevoerd in de zomer- en kraamperiode (15 mei t/m 15 juli), waarvan twee avondrondes en één ochtendronde. Twee andere rondes dienen te worden uitgevoerd in het paarseizoen (15 augustus t/m 15 september). Omdat de aanwezigheid van een massawinterverblijf (van de gewone dwergvleermuis) niet op voorhand kan worden uitgesloten (groot gebouw met de nodige warmtebuffering), dient echter ook deze functie in het najaar te worden onderzocht. Zwermende gewone dwergvleermuizen kunnen worden aangetroffen bij massawinterverblijfplaatsen in de periode 1 augustus t/m 10 september.

Onderzoek naar paaren massawinterverblijven kunnen daarom gecombineerd worden uitgevoerd indien het onderzoek plaatsvindt in de periode 15 augustus t/m 10 september. Gierzwaluw Het nader onderzoek naar de gierzwaluw moet worden uitgevoerd tussen 1 juni en 15 juli conform het kennisdocument van BIJ12. Dit is de periode waarin gierzwaluwen gebruik maken van de nestlocaties. In deze periode moeten er drie veldbezoeken worden afgelegd met een tussenperiode van tenminste tien dagen. Hiervan moet tenminste één van de veldbezoeken plaatsvinden tussen 1 juni en 30 juni en tenminste één van de veldbezoeken tussen 1 juli en 15 juli. De inventarisaties duren van anderhalf uur voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang (BIJ12, 2023a). Huismus Het nader onderzoek naar de huismus moet worden uitgevoerd tussen 1 april en 15 mei conform het kennisdocument van BIJ12. In deze periode moeten twee veldbezoeken worden afgelegd met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen. Gedurende één uur moet worden gekeken of er zingende mannetjes aanwezig zijn en of er gebruik wordt gemaakt van invliegopeningen naar nestlocaties (BIJ12, 2023b).

24

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Potentieel noodzakelijk (indien de stroken bosschages (gedeeltelijk) verdwijnen): Bunzing, hermelijn en wezel Het nader onderzoek naar de bunzing, hermelijn en wezel moet worden uitgevoerd tussen 1 juni en 15 november conform het kennisdocument van BIJ12 (BIJ12, 2024). In deze periode is de trefkans het grootst aangezien populatieaantallen hier het hoogst zijn en omdat in deze periode dispersie plaatsvindt. Een onderzoeksperiode dient minimaal acht aaneengesloten weken te duren. Om binnen de geschikte periode te blijven moet het nader onderzoek uiterlijk half september starten. Onderzoek naar de kleine marters vindt plaats aan de hand van een combinatie van onderzoeksmethoden, namelijk door middel van cameravallen, sporenbuizen en/of marterboxen. Hierbij geldt de minimale inzet van één cameraval of marterbox per 0,25 hectare geschikt leefgebied. Voor sporenbuizen geldt dat een grotere inzet nodig is, waarbij het toepassen van 10 sporenbuizen gelijk staat aan één cameraval of marterbox. Elk meetpunt dient elke te onderzoeken soort te dekken. Binnen de onderzoeksperiode van acht weken bestaat de mogelijkheid om na vier weken het onderzoeksmateriaal te verplaatsen om meer meetpunten te creëren. De bunzing, hermelijn en wezel kunnen voor de camera gelokt worden met een sterk geurende lokstof. Steenmarter Voor de steenmarter is geen onderzoeksprotocol beschikbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5042/documents/33124