Bijlage 4 Aanvullend natuuronderzoek.pdf
Tekst van het document
Aanvullend natuuronderzoek Wallichaam Varsseveld Industriepark in Varsseveld
In opdracht van Gemeente Oude IJsselstreek
Colofon Aanvullend natuuronderzoek wallichaam Varsseveld Industriepark in Varsseveld Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Oude IJsselstreek Mevr. M. Nagel
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2636 S.J.J. Wamelink Ing. R. Boerboom 5 januari 2024 Plangebied (foto: S.J.J. Wamelink)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 1 1
2
3
4
5
Inleiding en doel........................................................................................................... 2 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 2
1.2
Doel ...................................................................................................................... 2
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 3 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 3
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 3
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 3
2.4
Geplande activiteiten ............................................................................................ 3
Methodiek aanvullend onderzoek................................................................................. 5 3.1
Kleine marterachtigen ........................................................................................... 6
3.2
Grote bosmuis ...................................................................................................... 7
3.3
Waterspitsmuis ..................................................................................................... 9
3.4
Vleermuizen........................................................................................................ 10
3.5
Kamsalamander ................................................................................................. 11
3.6
Poelkikker ........................................................................................................... 11
3.7
Grote vos en grote weerschijnvlinder .................................................................. 11
Resultaten aanvullend onderzoek .............................................................................. 13 4.1
Kleine marterachtigen ......................................................................................... 13
4.2
Grote bosmuis .................................................................................................... 14
4.3
Waterspitsmuis ................................................................................................... 14
4.4
Vleermuizen........................................................................................................ 15
4.5
Kamsalamander ................................................................................................. 15
4.6
Poelkikker ........................................................................................................... 15
4.7
Grote vos en grote weerschijnvlinder .................................................................. 16
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 17 5.1
6
Gewone dwergvleermuis .................................................................................... 17
Conclusie ................................................................................................................... 20
Bijlage 1
Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 22
Bijlage 2
Resultaten ...................................................................................................... 30
Samenvatting Uit gericht onderzoek blijkt voor de geplande ruimtelijke ontwikkeling, bestaande uit het aanleggen van twee ontsluitingswegen en de uitbreiding van een rotonde bij het bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld (Varsseveld Industriepark), geen negatief effect heeft op kleine marterachtigen, grote bosmuis, waterspitsmuis, vleermuizen, kamsalamander, poelkikker, grote vos en grote weerschijnvlinder. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het opstellen van een projectplan is voor deze soorten niet noodzakelijk. Verstoring van broedvogels moet voorkomen worden. Daarvoor moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om bij het bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld twee ontsluitingswegen aan te leggen en een bestaande rotonde uit te breiden. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Gemeente Oude IJsselstreek.
Pagina 1
1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer oplegt. Er zijn plannen om bij het bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld twee ontsluitingswegen aan te leggen en een bestaande rotonde uit te breiden. Hiervoor is daarom eerder een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd (SA-rapport 2584). De conclusie uit dit onderzoek is dat aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen, grote bosmuis, waterspitsmuis, vleermuizen, kamsalamander, poelkikker, grote vos en grote weerschijnvlinder noodzakelijk is. Mevrouw Nagel van Gemeente Oude IJsselstreek is betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven voor dit aanvullende onderzoek. Daarnaast zijn er recente meldingen bekend van de das uit de omgeving van het plangebied. Ten tijde van uitvoering van betreffend aanvullend onderzoek waren deze meldingen nog niet bekend. Onderzoek naar de das is daarom niet specifiek voor dit project uitgevoerd. Gericht dassenonderzoek is wel, aanvullend, in de periode oktoberdecember uitgevoerd (SA-rapport 2710. Aanvullend dassenonderzoek VIP Varsseveld). De resultaten van dit onderzoek wordt kort in dit rapport samengevat. .
1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande ruimtelijke ontwikkeling sprake is van aantasting van vaste verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, grote bosmuis en waterspitsmuis, (essentieel) foerageergebied van vleermuizen en leefgebied voor de kamsalamander, poelkikker, grote vos en grote weerschijnvlinder. Voor overige beschermde soorten is tijdens de quickscan natuurtoets aangetoond dat negatieve effecten op deze soorten op voorhand uit te sluiten zijn, indien met broedvogels rekening gehouden wordt.
Pagina 2
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Bedrijventerrein Hofskamp-Oost (Varsseveld Industriepark/VIP) Varsseveld Oude IJsselstreek Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de rand van de bebouwde kom van Varsseveld (zie figuur 1). Het plangebied bestaat uit een wallichaam, een watergang, verharding, bermen, een elzenrij, enkele knotwilgen, een bomenrij en een enkele solitaire zomereik. De watergang grenst aan de westzijde aan de Euroweg. De oeverzone aan deze zijde grenst aan een berm met een enkele oever- en waterplant. De oostelijke oeverzone wordt grotendeels bepaald door wilgen en elzen. De vegetatie op het, aan de watergang grenzende, wallichaam wordt gedomineerd door ruigtekruiden. De bermen langs de rotonde worden intensief beheerd en de vegetatie is matig tot slecht ontwikkeld (zie figuur 1 en 2).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied alleen. Dit onderzoeksgebied wordt bepaald door het bedrijventerrein Hofskamp-Oost, agrarische percelen, bosschages, verharding en woonboerderijen (zie figuur 2).
2.4 Geplande activiteiten Men is voornemens om bij het bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld twee ontsluitingswegen aan te leggen en een bestaande rotonde uit te breiden. De verstoringen gerelateerd aan het bouwrijp maken van de drie planlocaties, de bouwfase en de gebruiksfase zullen vooral gelinkt zijn aan het gebruik van zwaar materieel (lawaai, trillingen e.d.) en eventueel kunstlicht, en de blijvende veranderde factoren. En permanente effecten kunnen zijn verlies aan leefgebied, verblijfplaatsen, nesten en verwonden of doden van individuen. Het verwonden of doden van individuen speelt in de aanlegfase ook voor weinig mobiele soorten als poelkikker en kamsalamander.
Pagina 3
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rode cirkels). Bron: Provincie Gelderland (2023).
Hofkamp-Oost
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd) en het onderzoeksgebied (gele lijn). Bron: Provincie Gelderland (2023).
Pagina 4
3 Methodiek aanvullend onderzoek De volgende documenten geven richtlijnen voor onderzoeksinspanningen, effectbeoordelingen en mitigerende maatregelen voor de te onderzoeken soort(groep)en: • • • • • •
Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming van het Netwerk Groene Bureaus; ‘Toelichting aanvraag soorten 22 juni 2021’ van de provincie Gelderland Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel van de provincie Overijssel); Kennisdocument Kamsalamander van BIJ12 (versie 1.0, juli 2017); Kennisdocument Poelkikker van BIJ12 (versie 1.0, juli 2017); Vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging).
Soms zijn deze richtlijnen concreet en bewezen effectief. Er zijn ook onderdelen die minder eenduidig zijn, ruime marges hanteren of door voortschrijdend inzicht inmiddels achterhaald zijn. Om ongewenste onduidelijkheid te voorkomen over de beoordeling van een soortenaanvraag, heeft de provincie Gelderland een document opgesteld met een nadere toelichting en nuancering op deze richtlijnen1. Bij het bepalen van de methode van het aanvullend onderzoek is gekozen voor de eisen van de richtlijnen van de hierboven genoemde documenten én de nadere toelichting en nuancering op deze richtlijnen uit het document ‘Toelichting aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming (Wnb) Hoofdstuk 3 soorten’ van de provincie Gelderland (versie 22-062021). Er zijn voor de grote bosmuis, waterspitsmuis, grote vos en grote weerschijnvlinder (nog) geen provinciale/landelijke inventarisatieprotocollen. Das Gericht onderzoek naar de das is niet in het plangebied uitgevoerd. Het plangebied is, mede door de ligging direct grenzend aan bedrijventerrein en doorgaande wegen, niet geschikt als leefgebied. Recentelijk zijn wel enkele waarnemingen van de das bekend geworden in de omgeving van het plangebied. Derhalve is in de periode novemberdecember 2023 gericht onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van de soort op het toekomstige Bedrijventerrein Hofskamp-Oost (Varsseveld Industriepark/VIP).
De resultaten van dit onderzoek zijn in een separaat rapport (SA-rapport 2710. Aanvullend dassenonderzoek VIP Varsseveld) samengevat.
1 Toelichting aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming (Wnb) Hoofdstuk 3 soorten
https://d2sra5koyio669.cloudfront.net/Toelichting_aanvraag_ontheffing_soorten_30175f162a.pdf
Pagina 5
3.1 Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen zijn door hun verborgen leefwijze en lage dichtheden lastig op te sporen. Door de aanwezigheid van van een wallichaam met (muizen)holletjes, takkenhopen, houtstapels, bosschages, oeverzones en water is een vaste rust- en verblijfplaats van kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel niet uit te sluiten in het plangebied. De geplande werkzaamheden in het plangebied kunnen leiden tot aantasting van (de functionaliteit van) een vaste rust- en verblijfplaats. Om de aan- of afwezigheid van kleine marterachtigen aan te tonen is een inventarisatie uitgevoerd conform de richtlijnen zoals opgesteld in het document ‘Toelichting aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming Hfdst 3 soorten’ (provincie Gelderland, juni 2021). De relevante tekst uit dit document luidt: “Om kleine marterachtigen in geschikt leefgebied te mogen uitsluiten is nader onderzoek nodig. Vanwege de trefkans van de verschillende soorten is een combinatie van 2 methoden nodig (cameraval en sporenbuis of cameraval en marterbox). Het onderzoek wordt bij voorkeur verricht in de periode waarop de dieren het meest actief zijn, te weten van maart tot en met augustus, daarvoor wordt de apparatuur minimaal zes weken in het gebied geplaatst en gecontroleerd.
Buiten deze periode dient dit minimaal 12 weken te zijn.” De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige elementen die in het plangebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden (zoals kappen, graven, bouwen, etc.) gaat uitvoeren. Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen is bepaald aan de hand van het aantal aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft. De inventarisatiemiddelen zijn gedurende de looptijd van het onderzoek ingezet in de aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen, zoals bij takkenrillen, houtstapels en het wallichaam (zie figuur 3 voor de locaties van de wildcamera’s). Om de aanwezigheid in het plangebied vast te stellen is gebruik gemaakt van volgende methode: • •
cameraval met lokmiddel (specifiek voor bunzing), type ‘Struikrover 3.5’, voor zowel bunzing als hermelijn en wezel; marterbox (type ‘Mostela’), met cameraval type Bushnell Trophy Cam Aggressor, voor hermelijn en wezel.
De fotobeelden van de cameravallen zijn op de computer geanalyseerd en de aangetroffen soorten zijn op naam gebracht.
Pagina 6
Ronde
Functie
Vaste rust- en verblijfplaatsen en/of leefgebied Vaste rust- en verblijfplaatsen 2 en/of leefgebied Vaste rust- en verblijfplaatsen 3 en/of leefgebied Tabel 1. Veldonderzoek kleine marterachtigen. 1
Methode
Datum
Plaatsen wildcamera’s
05-06-2023
Controle wildcamera’s
27-06-2023
Ophalen wildcamera’s
19-07-2023
Struikrover 1
Struikrover 2
Figuur 3. Locaties struikrover (groene ster) en marterbox (geel vlak) met nummering struikrovers. Plangebied: witte cirkels.
3.2 Grote bosmuis Om de aanwezigheid van de grote bosmuis aan te tonen is gericht onderzoek uitgevoerd met behulp van live-traps. Hiermee worden kleine zoogdieren, zoals de grote bosmuis levend gevangen, zodat ze na het onderzoek weer in vrijheid kunnen worden gesteld. De vallen zijn uitgezet in een rij van 20 vallen (een zogenaamde raai). Voor het plangebied zijn deze op twee locaties in en langs het wallichaam, zijde Euroweg/watergang, uitgezet (zie figuur 4). De vallen zijn op een afstand van 5 m uit elkaar gezet. Een raai is dus 100 m lang. Na plaatsing van de vallen zijn deze twee dagen lang, met voer, niet op scherp gezet, zodat de aanwezige muizen gewend raken aan de vallen (prebaiting). Daarna zijn de vallen met voer 2 dagen op scherp gezet. Er is gevoerd worden met lokaasballetjes van pindakaas en muesli. De gevangen dieren zijn op soort bepaald en weer losgelaten. De
Pagina 7
standaardmethode vraagt twee controlemomenten per dag (elke twaalf uur). Voor dit onderzoek zijn wij uitgegaan van een interval van maximaal acht uur tussen de controlemomenten. Hierdoor wordt de kans op sterfte van grondgebonden kleine zoogdieren verkleind. Om de trefkans zo groot mogelijk te maken is het onderzoek uitgevoerd in de periode 1 augustus – 1 oktober (zie tabel 2). Dit is de periode net na de voortplantingsperiode (maart t/m augustus) en vóór de kwetsbare winterperiode. Het onderzoek naar de grote bosmuis wordt (deels) gecombineerd met gericht onderzoek naar de waterspitsmuis: zie paragraaf 3.3. Ronde
Functie
Methode
1
Vaste rust- en verblijfplaatsen en/of leefgebied
2
Vaste rust- en verblijfplaatsen en/of leefgebied
Plaatsen live-traps Op scherp zetten livetraps
Tijdstip
Datum
16:30 uur
07-09-2023
15:00 uur (CM1)
11-09-2023
23:00 uur (CM2)
11-09-2023
07:00 uur (CM3) 3
Vaste rust- en verblijfplaatsen en/of leefgebied
Controleren live-traps
15:00 uur (CM4)
12-09-2023
23:00 uur (CM5 07:00 uur (CM6) Controleren + ophalen 23:00 uur (CM7) live-traps Tabel 2. Veldonderzoek grote bosmuis. CM = controlemoment (zie paragraaf 4.2). 4
Vaste rust- en verblijfplaatsen en/of leefgebied
13-09-2023 13-09-2023
Raai 2
Raai 1
Figuur 4. Locaties raai (gele stippellijn). Plangebied: witte cirkels.
Pagina 8
3.3 Waterspitsmuis De aan- of afwezigheid van de waterspitsmuis is bepaald door middel van eDNAonderzoek en onderzoek met live-traps. De eerste methode is de meest betrouwbare manier om de aan- of afwezigheid van de waterspitsmuis te bepalen, omdat de soort een lage detectiekans heeft via regulier onderzoek, bijvoorbeeld met live-traps. Aangezien er voor de grote bosmuis gericht onderzoek wordt uitgevoerd met behulp van live-traps (zie paragraaf 3.2) kan deze onderzoeksmethode ook aanvullend toegepast worden voor de waterspitsmuis. Met behulp van eDNA-onderzoek worden bodemmonsters genomen op de oevers langs de watergang die het meest geschikt geacht worden als leefgebied voor waterspitsmuis (zie tabel 3). Deze bodemmonsters zijn via een streng protocol genomen om contaminatie te voorkomen en worden daarna naar het laboratorium gestuurd voor verdere analyse. Er is in totaal 400 meter aan oever onderzocht. De oevers van de watergang zijn onderverdeeld in segmenten van circa 175 meter. Ieder segment bestaat uit een zijde van de oever met potentieel geschikt leefgebied van waterspitsmuis (zie figuur 5). Van ieder traject zijn een 20-tal bodemmonsters genomen en in het laboratorium van Datura Moleculair Solutions BV geanalyseerd. Ronde
Functie
Methode
Datum
eDNA
19-05-2023
Op scherp zetten live-traps
11-09-2023
Controleren live-traps
12-09-2023
Controleren + ophalen live-traps
13-09-2023
Verzamelen bodemmonsters eDNA 0
Functioneel leefgebied
Live-trap onderzoek i.c.m. grote bosmuis Vaste rust- en verblijfplaatsen en/of leefgebied Vaste rust- en verblijfplaatsen 2 en/of leefgebied Vaste rust- en verblijfplaatsen 3 en/of leefgebied Tabel 3. Veldonderzoek waterspitsmuis. 1
Pagina 9
Figuur 5. Locaties bodemmonsters eDNA (blauwe stippellijn). Plangebied: witte cirkels.
3.4 Vleermuizen Het vleermuisprotocol (2021) adviseert bij het vermoeden op (essentieel) foerageergebied en vliegroutes van de te verwachten vleermuissoorten (gewone dwergvleermuis en laatvlieger) de volgende onderzoeksinspanning: •
Bij het vermoeden op essentieel foerageergebied en vliegroute moet gericht vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden middels 2 avondbezoeken in de periode 15 april - 15 september, waarvan minimaal 1 avondbezoek in de periode 15 mei – 15 juli.
De bezoeken zijn te voet uitgevoerd. Het plangebied is door de directe aanwezigheid van verharding (Euroweg, fiets/wandelpad en zandpad) vrij overzichtelijk. Bij het bepalen van het aantal personen dat het plangebied onderzoekt is als uitgangspunt gehanteerd dat bij elke ronde 75% van het plangebied te allen tijde te overzien is. Voor dit project is per veldbezoek voldoende dekking bereikt door de inzet van: ➢ Foerageergebied + vliegroute: per onderzoeksronde 2 ecologen. Door de onderzoeksintensiteit is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door vleermuizen (zie tabel 4).
Pagina 10
Ronde
Functie
1
Vliegroute + foerageergebied
2
Vliegroute + foerageergebied
Datum 13-062023 08-092023
Begintijd
Eindtijd
22:00 uur
00:00 uur
21:15 uur
23:30 uur
Weersomstandigheden Onbewolkt, droog, 20-18°C, wind 1-2 Bft Onbewolkt, droog, 18-16°C, wind 1-2 Bft
Tabel 4. Veldonderzoek vleermuizen.
3.5 Kamsalamander De aan- of afwezigheid van de kamsalamander is vastgesteld door in het voorjaar (april – juni) naar eitjes te zoeken in de watergang langs de Euroweg. Daarnaast is in de periode april – augustus met behulp van een schepnet naar juveniele en adulte exemplaren gezocht, conform de richtlijnen uit het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (zie tabel 5). Ronde
Functie
Methode
Datum
1
Voortplantingswater
Zoeken naar eitjes
19-05-2023
2
Voortplantingswater
Zoeken naar eitjes + schepnet
13-06-2023
3
Voortplantingswater
Schepnet
24-06-2023
4
Voortplantingswater
Schepnet
04-07-2023
Tabel 5. Veldonderzoek kamsalamander.
3.6 Poelkikker Om vast te stellen of de poelkikker aanwezig is, is 2 maal in de periode mei – juli naar kooractiviteit geluisterd. In de periode mei – september zijn daarnaast, aanvullend op het onderzoek naar kooractiviteit, volwassen exemplaren van ‘groene kikkers’ gevangen en gedetermineerd: zie tabel 6. Dit onderdeel is gecombineerd met het schepnetonderzoek schepnet naar de kamsalamander (zie paragraaf 3.5). Ronde
Functie
Methode
Datum
1
Voortplantingswater
Op geluid
19-05-2023
2
Voortplantingswater
Op geluid
13-06-2023
3
Voortplantingswater
Schepnet
24-06-2023
4
Voortplantingswater
Schepnet
04-07-2023
Tabel 6. Veldonderzoek poelkikker.
3.7 Grote vos en grote weerschijnvlinder Delen van het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor de grote vos en grote weerschijnvlinder. Om de aan- of afwezigheid van beide dagvlindersoorten aan te tonen is de onderzoeksinspanning bepaald aan de hand van de ecologie van deze soorten. Het aantal vlinders op de bekende vliegplaatsen is vaak laag. Om de trefkans te vergroten en hiermee de aanwezigheid van aan te tonen zijn drie veldbezoeken in de periode mei-
Pagina 11
augustus uitgevoerd (zie tabel 7). In deze perioden zijn zowel de rupsen van de grote vos als de grote weerschijnvlinder op de waardplanten/bomen als de imago’s aan te treffen. Ronde
Functie
Methode
Datum
1
Functioneel leefgebied
Zoeken naar rupsen en imago’s
19-05-2023
2
Functioneel leefgebied
Zoeken naar rupsen en imago’s
13-06-2023
3
Functioneel leefgebied
Zoeken naar rupsen en imago’s
04-07-2023
Tabel 7. Veldonderzoek grote vos en grote weerschijnvlinder.
Pagina 12
4 Resultaten aanvullend onderzoek In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek besproken. Tevens worden de resultaten van het gericht onderzoek naar de das op de locatie van het toekomstige bedrijventerrein VIP Varsseveld kort besproken.
4.1 Kleine marterachtigen Tijdens het onderzoek met behulp van cameravallen zijn duizenden opnamen gemaakt. Uit analyse van deze de camerabeelden blijkt dat er door de cameravallen geen kleine marterachtigen zijn vastgelegd. Wel zijn (gewone) bosmuis, bruine rat, koolmees en rosse woelmuis op beeld vastgelegd. Op foto 1 t/m 3 is een impressie van de aangetroffen soorten weergegeven.
Foto 1. Bosmuis.
Foto 2. Bruine rat.
Foto 3. Rosse woelmuis.
Pagina 13
In tabel 8 zijn per type cameraval (zie figuur 6) de aangetroffen soorten weergegeven. Type cameraval
Aangetroffen soorten
Struikrover 1
(gewone) bosmuis en koolmees
Struikrover 2
(gewone) bosmuis, bruine rat en rosse woelmuis
Marterbox (gewone) bosmuis en rosse woelmuis Tabel 8. Onderzoeksresultaten van het onderzoek naar kleine marterachtigen per type cameraval.
4.2 Grote bosmuis Tijdens het onderzoek met behulp van live-traps zijn geen grote bosmuizen gevangen. Wel zijn enkele overige muizensoorten gevangen. In tabel 9 zijn per controlemoment de aangetroffen soorten en aantal voor de beide raaien weergegeven. Tijdens het kleine marteronderzoek (zie paragraaf 4.1) zijn ook geen grote bosmuizen op camera vastgelegd. Controlemoment
Raai 1
Raai 2
Aantal
CM1
BO: 5
CM3
BO: 1 BO: 2 RW: 1 BO: 2
BO: 2
BO: 6 BO: 5 RW: 1 BO: 4
CM4
-
BO: 5
BO: 5
CM5
BO: 1 BO: 2 DM: 1 RW: 1 BO: 1
BO: 2
-
BO: 3 BO: 5 DM: 1 RW: 2 BO: 1
CM2
CM6 CM7
BO: 3
BO: 3 RW: 1
Soort en aangetroffen aantal per raai (Gewone) bosmuis (BO)
9
20
29
Dwergmuis (DM)
1
0
1
Rosse woelmuis 2 1 3 (RW) Tabel 9. Onderzoeksresultaten van het onderzoek naar grote bosmuis per controlemoment (CM)). Voor een overzicht van de tijdstippen per controlemoment: zie tabel 2.
4.3 Waterspitsmuis Voor het eDNA-onderzoek naar de waterspitsmuis zijn 3 bodemmonsters verzameld en aangeleverd aan het laboratorium van Datura. De bodemmonsters zijn getest op de aanwezigheid van eDNA van waterspitsmuis. Het analyseren van een eDNA monster vindt plaats in drie stappen. Eerst wordt het eDNA in het monster geconcentreerd en gezuiverd. Vervolgens wordt een controle analyse uitgevoerd om te testen of eDNA detectie in een monster eventueel geïnhibeerd wordt door storende stoffen. Tenslotte wordt het eDNA gedetecteerd met behulp van een real-time quantitative PCR.
Pagina 14
Er is in de bodemmonsters geen eDNA van waterspitsmuis gedetecteerd. Tijdens het onderzoek naar kleine marters, met behulp van cameravallen (zie paragraaf 4.1), en naar de grote bosmuis, met behulp van live-traps (zie paragraaf 4.2) zijn verder ook geen waterspitsmuizen gevangen of op camera vastgesteld.
4.4 Vleermuizen Tijdens de avondbezoeken van 13 juni en 8 september 2023 is een enkele gewone dwergvleermuis (maximaal 4 exemplaren per veldbezoek) in het plangebied aangetroffen (zie bijlage 2). Het betreft hier voornamelijk boven de watergang foeragerende exemplaren of een enkel passerend exemplaar. Langs de oostzijde van het wallichaam is weinig activiteit van vleermuizen vastgesteld. Alleen ter hoogte van de Zuidelijke Beekweg is een enkele foeragerende en passerende gewone dwergvleermuis waargenomen (maximaal 2 exemplaren per veldbezoek). Net buiten het plangebied, ter hoogte van de Euroweg, is op 8 september éénmalig een hoog overvliegende rosse vleermuis vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn geen concentraties van foeragerende vleermuizen of hoge aantallen van passerende (op vliegroute) in het plangebied en direct aangrenzende delen vastgesteld. Door het ontbreken van gebouwen en bomen met holten is een verblijfplaats voor vleermuizen hier uit te sluiten. Gericht onderzoek naar verblijfplaatsen van boombewonende en/of gebouwbewonende soorten is niet uitgevoerd.
4.5 Kamsalamander In de watergang langs de Euroweg is gericht gezocht naar eitjes van de kamsalamander en is met een schepnet geschept naar adulte en/of larven. Deze zijn niet aangetroffen. Op basis van dit onderzoek is het voorkomen van kamsalamander uitgesloten. Tevens zijn er geen losse waarnemingen van deze soort verricht tijdens overige veldbezoeken. Tijdens het onderzoek naar de kamsalamander zijn bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander aangetroffen.
4.6 Poelkikker In de watergang langs de Euroweg is gericht gezocht naar koorplaatsen en is met een schepnet geschept naar volwassen exemplaren. Deze zijn niet aangetroffen. Op basis van dit onderzoek is het voorkomen van poelkikker uitgesloten. Tevens zijn er geen losse waarnemingen van deze soort verricht tijdens overige veldbezoeken.
Pagina 15
4.7 Grote vos en grote weerschijnvlinder In het plangebied zijn op geschikte waardplanten/bomen (wilgen, ratelpopulier) geen rupsen van de grote vos en grote weerschijnvlinder aangetroffen. Tevens zijn er tijdens alle (overige) bezoeken ook geen imago’s van beide dagvlindersoorten waargenomen. Op ruime afstand van het afstand (meer dan 400 meter) is op 19 mei een imago van de grote vos waargenomen. Na afronding van een veldbezoek voor o.a. beide dagvlindersoorten is een rondvliegende grote vos ter hoogte van de kruising EntinkwegNoordelijke Beekweg-Vossenbult waargenomen. Het betreft hier vermoedelijk een rondzwervend exemplaar. Het leefgebied bevindt zich ver buiten het plangebied.
4.8 Resultaten gericht dassenonderzoek VIP Varsseveld Tijdens het in november-december 2023 uitgevoerde dassenonderzoek is aangetoond dat een dassenburcht in het bosperceel aan de Entinkweg, ten noorden van het plangebied, in gebruik is als kraamburcht. In het plangebied bevindt zich daarnaast een bijburcht, welke incidenteel door één das gebruikt wordt. Het plangebied heeft verder een belangrijke foerageerfunctie voor de dassenclan die de kraamburcht bewoond. De dassenburcht, welke in gebruik is als bijburcht, bevindt zich op circa 275 meter afstand van het wallichaam. De in het bosperceel aan de Entinkweg aanwezige kraamburcht bevindt zich op nog ruimere afstand: meer dan 500 meter. Door het aanleggen van twee ontsluitingswegen en het uitbreiden van een bestaande rotonde worden de beide burchtlocaties niet beschadigd, vernield of verstoord.
Pagina 16
5 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen komt de beschermde gewone dwergvleermuis voor. De effecten op de gewone dwergvleermuis en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden en de relevante verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1). Verder zijn er diverse algemene beschermde soorten aangetroffen of te verwachten, zoals bosmuis, bruine kikker, egel, gewone pad, haas, kleine watersalamander, konijn, rosse woelmuis en diverse soorten algemene broedvogels. Het aanvragen van een ontheffing en/of het treffen van compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soort(groep)en. Er moet bij de uitvoering van werkzaamheden wel voldoende rekening gehouden worden met deze soorten. Verstoring van broedvogels is bijvoorbeeld niet toegestaan. Bij voorkeur wordt er conform een ecologisch werkprotocol gewerkt.
5.1 Gewone dwergvleermuis 5.1.1 Beschermde status Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Ze staan ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dat wil zeggen dat de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. Daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes ook strikt beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of essentieel foerageergebied verdwijnt dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.
Pagina 17
5.1.2 Gebruik van het plangebied Tijdens het gericht veldonderzoek zijn enkele foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen, aangetroffen binnen het plangebied en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Voor de aanleg van twee ontsluitingswegen en uitbreiding van een rotonde wordt een deel van een wallichaam doorkruist. Hiervoor dient de ter plaatste aanwezige beplanting/opslag verwijderd te worden. In de aanwezige watergang worden duikers aangelegd en mogelijk wordt ter plaatse straatverlichting geplaatst. Foerageergebied Tijdens het onderzoek zijn geen concentraties van foeragerende dwergvleermuizen in het plangebied en direct aangrenzende delen vastgesteld. Langs de Euroweg bevindt zich terreinverlichting en andere lichtuitstralende elementen welke hinderlijke lichtuitstraling c.q. negatieve beïnvloeding hebben op vleermuizen. Hierdoor is dit deel van het plangebied slechts marginaal geschikt als foerageergebied, en dan met name voor een enkele zwak lichtmijdende of lichttolerante soort als gewone dwergvleermuis. Voor lichtschuwe soorten als watervleermuis is dit deel van het plangebied ongeschikt. Direct grenzend aan de noordzijde van het plangebied, globaal tussen de Euroweg, de Zuidelijke Beekweg en de Boven-Slinge ontbreekt kunstlicht in de vorm van straatlantaarns geheel.
Dit gebied is zeer geschikt als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en overige vleermuissoorten, waaronder ook voor lichtschuwe soorten als de watervleermuis. Het plangebied is niet van wezenlijk belang als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis aangezien er ruim voldoende alternatieve foerageergebieden in de directe omgeving aanwezig zijn. Deze alternatieven bieden daarnaast, door het ontbreken van verlichting, ook veel meer geschikte foerageermogelijkheden. Vliegroute Door het ontbreken van hoge aantallen passerende gewone dwergvleermuizen (op vliegroute) in het plangebied en direct aangrenzende delen is er geen sprake van een (essentiele) vliegroute. Het ontbreken van een (essentiele) vliegroute wordt mogelijk veroorzaakt door de aanwezigheid van terreinverlichting en andere lichtuitstralende elementen langs de Euroweg. Over de rijksweg N318 zijn, ter hoogte van de rotonde Aaltenseweg (N318) – Euroweg, zijn ook geen concentraties van overvliegende / passerende gewone dwergvleermuizen vastgesteld. De nabijgelegen Boven-Slinge is, door het ontbreken van verlichting, geschikt als vliegroute voor diverse soorten vleermuizen, waaronder gewone dwergvleermuis en lichtschuwe soorten als de watervleermuis.
Effectbeoordeling Aangezien het soortgericht onderzoek naar vleermuizen, en dan specifiek de functies vliegroute en foerageergebied, heeft aangetoond dat er zich binnen het plangebied en de invloedssfeer van de werkzaamheden geen (essentiele) vliegroute, essentieel foerageergebied en geen (overige) essentiële delen van de functionele leefomgeving
Pagina 18
bevinden, zal er bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden geen sprake zijn van het aantasten van de functionele leefomgeving van de gewone dwergvleermuis. Voor het enkel exemplaar dat gebruikt maakt van het plangebied biedt de directe omgeving ruim voldoende alternatief leefgebied in de vorm van bijvoorbeeld bosranden, (kleinschalige) graslanden, ruigte en de oeverzone van de nabijgelegen Boven-Slinge. Derhalve is een ontheffingsaanvraag ten aanzien van de functionele leefomgeving van de gewone dwergvleermuis niet noodzakelijk.
Pagina 19
6 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Er is geen sprake van aantasting van functioneel leefgebied van de gewone dwergvleermuis. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het opstellen van een mitigatie- en compensatieplan is niet noodzakelijk. De overige beschermde soorten kleine marterachtigen, grote bosmuis, waterspitsmuis, kamsalamander, poelkikker, grote vos en grote weerschijnvlinder komen niet voor binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Verstoring van broedvogels moet worden voorkomen. Daarvoor moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Het worden aanbevolen om voor broedvogels en algemene soorten als amfibieën en grondgebonden zoogdieren een ecologisch werkprotocol op te stellen om negatieve effecten tijdens werkzaamheden te voorkomen.
Pagina 20
Bijlagen 1 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming Resultaten
Pagina 21
Bijlage 1
Wettelijk kader Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 22
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 23
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 24
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 25
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •
•
•
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of
Pagina 26
vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of
Pagina 27
h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.
Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •
ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10,
Pagina 28
eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen; b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.
Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •
•
dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of
c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.
Pagina 29
Bijlage 2 Resultaten Gewone dwergvleermuis
Pagina 30
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl
Pagina 31