Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek.pdf
Tekst van het document
VI.
d. polychloorbifenylen (PCB's) PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 PCB's (som 7) e. overige gechloreerde koolwaterstoffen monochlooranilinen (som) pentachlooraniline dioxine (som I-TEQ) chloornaftaleen (som) Bestrijdingsmiddelen a. organochloor bestrijdingsmiddelen chloordaan (som) DDT (som) DDE (som) DDD (som) DDT/DDE/DDD (som) aldrin dieldrin endrin isodrin telodrin drins (som) endosulfansulfaat α-endosulfan α-HCH β-HCH χ-HCH (lindaan) δ-HCH HCH-verbindingen (som) heptachloor heptachloorepoxide (som) hexachloorbutadieen organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen(som landbodem) b. organofosforpesticiden azinfos-methyl c. organotin bestrijdingsmiddelen organotin verbindingen (som)
Maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie
Maximale waarden bodemfunctieklasse wonen
Maximale waarden bodemfunctieklasse industrie
over aangrenzend perceel (2) (mg/kg ds)
Maximale waarden kwaliteitsklasse wonen (mg/kg ds)
Maximale waarden kwaliteitsklasse industrie (mg/kg ds)
x x x x x x x
Maximale waarden grootschalige toepassingen op of in de bodem
Maximale emissiewaarden
Emissietoetswaarden
(mg/kg L/S 10)
(mg/kg ds) nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt
0,020
0,020
0,5
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt
0,20 *) 0,15 *) 0,000055 *) 0,070 *)
0,20 0,15 0,000055 0,070
0,20 0,15 0,000055 10
nvt nvt nvt nvt
nvt nvt nvt nvt
0,0020 0,20 0,13 0,84
0,0020 1 1,3 34
0,04 0,00090 0,0010 0,0020 0,04
4,0 0,1 0,00090 0,5 0,5 0,5
0,00070 0,0020
0,1 0,1 0,0020
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt
0,40
0,5
nvt
nvt
0,0075
0,0075
nvt
nvt
0,15 0,065
0,5 0,065
2,5 (9) 0,065
nvt nvt
nvt nvt
0,55 *)
0,55
0,55
nvt
nvt
0,035 *) 0,15 *) 0,017 *) 0,60 *)
0,035 0,15 0,017 0,60
0,5 0,45 0,017 0,60
nvt nvt nvt nvt
nvt nvt nvt nvt
0,090 *)
0,090
0,5
nvt
nvt
2,0 *) 0,045 *) 0,045 *) 0,045 *) 0,070 *) 0,070 *) 0,070 *) 0,045 *) 190 0,15 *) 0,45 1,5 *) 0,20 *) 5,0 8,0 0,1 *) 0,1 *) 0,75 3,0 2,0 *) 2,0 *) 2,0 *) 0,20 *) 2,0 *)
100 2,0 9.2 5,3 1,3 5,0 2,6 18 8,3 190 0,15 0,45 1,5 0,20 5,0 8,0 0,1 0,1 0,75 3,0 2,0 2,0 2,0 0,20 2,0
100 150 60 5,3 1,7 36 48 60 60 500 1 2 8,8 0,20 5,0 8,0 0,1 0,1 0,75 3,0 2,0 2,0 2,0 0,20 2,0
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt
0,0020 0,20 0,10 0,020
x x x x x x x x x
0,015 0,00090 0,0010 0,0020 0,0030
x x x x x x
0,00070 0,0020 0,003 *)
x x x
0,40 0,0075
*)
8)
VII.
tributyltin (TBT) 8) d. chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden MCPA e. overige bestrijdingsmiddelen atrazine carbaryl carbofuran (7) 4-chloormethylfenolen (som) niet-chloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som) Overige stoffen asbest 10) cyclohexanon dimethyl ftalaat 11) diethyl ftalaat 11) di-isobutylftalaat 11) dibutyl ftalaat 11) butyl benzylftalaat 11) dihexyl ftalaat 11) di(2-ethylhexyl)ftalaat 11) minerale olie 12) 13) pyridine tetrahydrofuran tetrahydrothiofeen tribroommethaan (bromoform) ethyleenglycol diethyleenglycol acrylonitril formaldehyde isopropanol (2-propanol) methanol butanol (1-butanol) butylacetaat ethylacetaat methyl-tert-butyl ether (MTBE) methylethylketon
3000
Verklaring en de afkortingen en tekens 1)
2)
3)
4)
5)
6)
7)
8) 9) 10)
11)
12)
13) *)
(*A)
(*B)
Voor de definitie van somparameters wordt verwezen naar bijlage N van deze regeling. De definitie van sommige somparameters is verschillend voor de landbodem en de waterbodem. Achter de somparameter wordt vermeld welke van de twee definities gehanteerd moet worden. De msPAF wordt berekend voor de met x aangegeven stoffen. Indien geen waarde wordt ingevuld (bijvoorbeeld omdat de stof niet gemeten wordt) wordt gerekend met 0,7 * bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). De baggerspecie voldoet aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel * de gehalten van de gemeten stoffen lager zijn dan de Interventiewaarde bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater, en * voor organische stoffen: msPAF < 20%, en * voor metalen: msPAF < 50%, waarbij voor cadmium een maximum gehalte geldt. Voor gemeten stoffen die geen deel uitmaken van de msPAFberekening geldt de achtergrondwaarde (m.u.v. somparamaters waarbij de individuele parameters onderdeel uitmaken van de msPAF-berekening). Barium, kobalt, molybdeen en minerale olie maken geen deel uit van de msPAF-berekening. In plaats van de Achtergrondwaarde geldt voor deze vier stoffen de waarde, die vermeld is in de kolom ‘Maximale waarden verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel’.
Voor de gemeten stoffen, die geen onderdeel uitmaken van de msPAFberekening, worden de toetsingsregels van de Achtergrondwaarden toegepast. Voor het toepassen van zeezand geldt de norm 200 mg/kg ds. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak oppervlaktewater of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde. Bij gehalten die de Achtergrondwaarde overschrijden moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitdamping. Wanneer uitdamping naar binnenlucht zou kunnen optreden, moet bij overschrijding van de Achtergrondwaarde worden gemeten in de bodemlucht en moet worden getoetst aan de TCL (Toxicologisch Toelaatbare Concentratie in Lucht). Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN 6655. Indien geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal (en hoeft dus alleen het gehalte cyanide-totaal te worden gemeten). De Achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere van de 15 componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N). De hoogte van de Achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de bepalingsgrenzen vermenigvuldigd met 0,7.
Sommige componenten zijn tevens individueel genormeerd. Binnen de somparameter mag de Achtergrondwaarde van de individueel genormeerde componenten niet worden overschreden. Hetzelfde geldt voor de Maximale waarde wonen en de Maximale waarde industrie. Voor de componenten, die niet individueel zijn genormeerd, geldt per component een maximum gehalte van 0,45 mg/kg ds, zowel voor de Achtergrondwaarde als de Maximale waarden wonen en industrie. De Interventiewaarde van deze stoffen zijn gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen moet tevens het grondwater worden onderzocht. De eenheid voor organotinverbindingen is mg Sn/kg ds, met uitzondering van de normwaarden met voetnoot 9. De eenheid van de Maximale Waarde Industrie voor organotinverbindingen (som) is mg organotin/kg ds. Zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Deze eis bedraagt 100 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest. Het is onzeker of de Achtergrondwaarden en Maximale waarden wonen voor de ftalaten meetbaar zijn. Toekomstige ervaringen moeten uitwijzen of sprake is van een knelpunt. Minerale olie heeft betrekking op de som van de (al dan niet) vertakte alkanen.
Indien er enigerlei vorm van verontreiniging met minerale olie wordt aangetoond in grond/baggerspecie, dan dient naast het gehalte aan minerale olie ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden. Voor het toepassen van baggerspecie in grootschalige toepassingen geldt voor minerale olie een maximale waarde van 2.000 mg/kg ds. Achtergrondwaarde is gebaseerd op de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid), omdat onvoldoende data beschikbaar zijn om een betrouwbare P95 af te leiden. De norm voor barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor barium tijdelijk buiten werking gesteld. Als verhoogde bariumgehalten het gevolg zijn van een antropogene bron, dan kan het bevoegd gezag dit gehalte beoordelen op basis van de voormalige Interventiewaarde (920 mg/kg d.s. voor droge toepassingen en 625 mg/kg d.s. voor toepassingen in oppervlaktewater). De individuele normen voor metalen voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen worden tijdelijk buitenwerking gesteld, totdat deze metalen zijn geïntegreerd in de ms-PAF.