Bijlage 3 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
QuickScan natuurwaardenonderzoek Keppelbroeksdijk 7 Westendorp
Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
1
Colofon QuickScan natuurwaardenonderzoek Keppelbroeksdijk 7 Westendorp Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 7-5 7131 PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852
Opdrachtgever: Locis Adviseurs Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 7018 versie 1.1 Ligging plangebied: Keppelbroeksdijk 7 Westendorp Auteur: N. Sessink
Status: Definitief Rapportdatum: 2-12-2024 Veldwerk uitgevoerd door: L. Talen
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1
INLEIDING ................................................................................................................................ 6
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 7
2.1 Situering ................................................................................................................................................ 7 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 8 HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 9
3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 9 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ........... 10 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer .......................................................................................................... 10 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied ............................................................................................... 10 HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS .................................................................................................................. 12
4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 12 4.2 Omgevingswet; Natura 2000............................................................................................................... 12 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................. 12 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 13 4.5 Beleid ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk ........................................................................... 15 HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................................ 16
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 16 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ...................................................................... 16 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 17 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................ 19 HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING ........................................................................................................... 20
6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 20 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 21 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 22 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 26 6.5 Historische gegevens en overige bronnen .......................................................................................... 29 6.6 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 29 HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES........................................................................................................................... 30
Bijlagen ...................................................................................................................................................... 32
3
SAMENVATTING Er zijn concrete plannen om een bijgebouw van 223 m3 te realiseren op een erf aan de Keppelbroeksdijk 7 in Westendorp. Hiervoor worden de bestaande stallen en schuren gesaneerd en de voer- en mestopslagen verwijdert. De woningen en werktuigenberging op het erf blijven behouden. Aangenomen wordt dat bij voorgenomen werkzaamheden de opgeslagen materialen op het erf verwijdert worden en grondverzetwerkzaamheden uitgevoerd worden ten behoeve van de nieuwbouw. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 14 november 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten de GNN en Go, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het GNN en Go, omdat de bescherming van het GNN en Go geen externe werking kent in Gelderland. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand uitgesloten worden. Er is geen nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de ontwikkel- en gebruiksfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden ook uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels en vleermuizen benutten het plangebied als foerageergebied, mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied en bezetten vogels een nest in het plangebied. Daarnaast kunnen vleermuizen een vaste rust- of voortplantingsplaats in de woningen binnen het plangebied bezetten. Deze woningen worden niet nadelig beïnvloed door de voorgenomen werkzaamheden. Mogelijk bezetten huismussen een nest onder de dakpannen van de woningen. Deze nestplaatsen worden niet nadelig beïnvloed. Als gevolg van het opruimen van opgeslagen materialen en het slopen van de bebouwing tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.
De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Potentieel aanwezige nesten van huismus onder de pannen van de woning worden niet nadelig beïnvloed door de voorgenomen werkzaamheden. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de 4
vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief worden beïnvloed geldt, op de steenmarter na, een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt voor de eerder genoemde soorten geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit vereist. Voortplantings- en rustplaatsen van steenmarter zijn beschermd en mogen niet zonder Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit beschadigd of vernield worden. Om vast te stellen of een voortplantings- en rustplaats van de steenmarter aanwezig is dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’.
Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • • •
Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren voor aanvang van de werkzaamheden); Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Nader onderzoek voortplantings- en rustplaats steenmarter;
5
HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn concrete plannen om een bijgebouw van 223 m3 te realiseren op een erf aan de Keppelbroeksdijk 7 in Westendorp. Hiervoor worden de bestaande stallen en schuren gesaneerd en de voer- en mestopslagen verwijdert. De woningen en werktuigenberging op het erf blijven behouden. Aangenomen wordt dat bij voorgenomen werkzaamheden de opgeslagen materialen op het erf verwijdert worden en grondverzetwerkzaamheden uitgevoerd worden ten behoeve van de nieuwbouw. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk).
6
HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres: Keppelbroeksdijk 7 Westendorp, gemeente Oude IJsselstreek. Het plangebied wordt omgeven door agrarisch cultuurland. Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).
7
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit verharding, agrarische opstallen, mestsilo, sleufsilo’s en delen agrarisch culltuurland. De verschillende onderdelen binnen het plangebied worden hieronder van noord naar zuid behandelt. Noordelijk gelegen in het plangebied zijn sleufsilo’s aanwezig welke bestaan uit betonnen wanden en platen. Binnen de sleufsilo’s zijn verschillede (bouw)materialen, balen en werktuigen opgeslagen. De stroken tussen de betonnen platen bestaan uit voedselrijke vegetatie gedomineerd door grassen, zuring en grote brandnetel. Ten zuiden van de sleufsilo’s is een ligboxenstal met tanklokaal aanwezig. De ligboxenstal bestat uit metselwerk, delen damwandplaten en een dak van golfplaten. De binnenzijde van deze stal is voor een deel geïsoleerd met dupanel. Ten westen van deze stal ligt een mestsilo. De stal grenst aan de oostzijde aan een niet geïsoleerde melkstal die bestat uit metselwerk en damwandgevels en een dak van golfplaten (niet geïsoleerd). Ten zuiden van de mestsilo is een schuur aanwezig bestaande uit metselwerk, een dak van golfplaten en metselwerk. Ten zuiden van deze stal zijn varkensstallen aanwezig. Deze stallen beschikken over gemetselde binnen- en buitengevels en een geïsoleerd dak van golfplaten. Een van de stallen grenst aan een werktuigenberging.
Het plangebied grenst aan twee woningen, sierbeplanting en opaande bomen bestande uit: ratelpopulier, ruwe berk, es en kastanjebomen. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.
Luchtfoto en begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: topotijdreis.nl).
8
HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Er zijn concrete plannen om een bijgebouw van 223 m3 te realiseren op een erf aan de Keppelbroeksdijk 7 in Westendorp. Hiervoor worden de bestaande stallen en schuren gesaneerd en de voer- en mestopslagen verwijdert. De woningen en werktuigenberging op het erf blijven behouden. Aangenomen wordt dat bij voorgenomen werkzaamheden de opgeslagen materialen op het erf verwijdert worden en grondverzetwerkzaamheden uitgevoerd worden ten behoeve van de nieuwbouw. Hieronder is een schets van het wenselijk eindbeeld zichtbaar.
Impressie van het wenselijk eindbeeld, bron: Locis.
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet flora- en fauna-activiteit: • Verwijderen sleufsilo’s; • Verwijderen mestsilo; • Saneren agrarische bebouwing; • Verwijderen opgeslagen materialen; • Uitvoeren grondverzet; • Bouwen bijgebouw; • In gebruik name bijgebouw;
9
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteit goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland, beplanting, werktuigenberging en twee woningen.
Om alle potentieel aanwezige beschermde soorten inzichtelijk te krijgen wordt de beplanting, werktuigenberging en woningen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, meegenomen in het onderzoeksgebied. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt niet gelijk gesteld aan het plangebied. Hieronder is het plangebied en het onderzoeksgebied weergegeven. Vanaf heden wordt met het plangebied onderstaand onderzoeksgebied aangeduid.
10
Hierboven zijn het plangebied (gele lijn) en onderzoeksgebied (rode lijn) weergegeven op een luchtfoto, bron: topotijdreis.nl.
11
HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.
Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; 12
c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a.
het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.
Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.
13
Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.
als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen 14
Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Omgevingswet een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habit van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats. 4.5 Beleid ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.
De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels te n aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland.
15
HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk. 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.
De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities.
16
Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt op minimaal 1,64 kilometer afstand van gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren. Daarnaast ligt het plangebied op 1,66 kilometer afstand van gronden die tot de Groene ontwikkelingszone (Go) behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven. 1,64 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot het GNN behoren. Daarnaast ligt het plangebied op 1,66 kilometer afstand van gronden die tot de Go behoren.
GNN
Go
Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (Go) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot de GNN behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Gronden behorend tot de Go worden aangegeven met de lichtgroene kleur (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Beschermingsregime De bescherming van het GNN en de Go kennen geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten de GNN en Go ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. de GNN en Go. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan.
Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: 17
• de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v.
Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 17,6 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied is het Korenburgerveen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. 17,6 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000 behoren worden met de groene, blauwe en gele kleur aangeduid. Gronden behorend tot Duits Natura 2000 hebben een paarse kleur (bron: calculator.aerius.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten
18
Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van bouw- en sloopmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten worden. Er is geen nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de ontwikkelfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied in de gebruiksfase neemt niet toe ten opzichte van de referentie situatie door het in gebruik nemen van het nieuwe bijgebouw.
Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten worden. Er is geen nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de gebruiksfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten de GNN en Go, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het GNN en Go, omdat de bescherming van het GNN en Go geen externe werking kent in Gelderland. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand uitgesloten worden. Er is geen nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de ontwikkel- en gebruiksfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden ook uitgesloten.
19
HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek
6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • •
Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); Veldbezoek op 14-11-2024 door ervaren ecoloog;
6.1.2 Bronnenonderzoek Op 13 november 2024 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank. In een ruime begrenzing van het zoekgebied rondom het plangebied, zijn in de afgelopen 5 jaar 150 verschillende waarnemingen bekend in de NDFF. Voor de verspreiding van de waarnemingen, zie luchtfoto onder.
Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied weergegeven. Er zijn 150 waarnemingen bekend in de directe omgeving van het plangebied.
De waarnemingen, opgenomen in de NDFF, hebben betrekking op de soortgroepen: kevers, vaatplanten, paddenstoelen, sprinkhanen & krekels, vogels, vliegen & muggen, zoogdieren, blad- en levermossen, bijen, wespen & mieren, wantsen en dagvlinders. De volgende relevante waarnemingen zijn bekend binnen het zoekgebied van de NDFF. Deze waarnemingen worden hieronder benoemt en verderop in der rapportage toegelicht. • • •
Er is één waarneming bekend van een dode ransuil binnen het zoekgebied; Er is één waarneming bekend van een dode kerkuil binnen het zoekgebied; Er is één waarneming bekend van een dode steenmarter binnen het zoekgebied; 20
•
Er is één waarneming bekend van een sperwer binnen het zoekgebied;
6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 14 november 2024 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Enkele soorten kunnen nog bezette nesten hebben in november. Van de meeste vogelsoorten zijn de jongen, die dit jaar geboren zijn, volwassen in november. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar nestlocaties van vogels. Broedvogels kunnen aanwezig zijn in de overwinteringsgebieden in zuidelijk gelegen landen (delen van Afrika). In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.
Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties van grondgebonden zoogdieren. Grondgebonden zoogdieren hebben geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Daarnaast benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats wel als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar paar-, zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rustverblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute.
De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. Alle soorten amfibieën hebben de voortplanting voltooid. Amfibieën kunnen zich zowel in (voortplantings)wateren als op het landbiotoop bevinden in de maand november. Nagenoeg alle amfibieën bezetten de (winter)rustplaats in de maand november. Op warme dagen in het najaar kunnen enkele amfibieën nog wel actief zijn. Er is in het plangebied gezocht naar amfibieën en potentiële voortplantingswateren en (winter)rustlocaties. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Overige soorten 21
Het onderzoeksgebied is daarnaast niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikt habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. 6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied hoog waarschijnlijk ook als foerageergebied. Gedurende het veldbezoek zijn sporen gevonden die wijzen op nesten van spreeuwen achter de damwandgevelbekleding van een van de stallen (foto 1). Er zijn geen andere sporen gevonden die wijzen op bezette of oude nesten van vogels.
Mogelijk bezetten soorten zoals: merel, holenduif, spreeuw, kauw, vink, zwarte roodstaart, grauwe vliegenvanger en huismus wel een nest in delen binnen het plangebied. deze soorten kunnen in de beplanting, bebouwing of tussen opgeslagen materialen nestelen (zwarte roodstaart). Er zijn gedurende het veldbezoek geen huismussen waargenomen binnen het plangebied. Daarnaast zijn geen oude nesten van huismus vastgesteld in de te saneren opstallen. Mogelijk bezetten huismussen wel een nest onder de pannen van de woning(en). Deze woningen en de beplanting (essentieel foerageergebied) blijven behouden. Binnen het plangebied zijn geen braakballen, schijtsporen, ruiveren en prooiresten gevonden die duiden op een territorium van uilen of roofvogels. Er zijn daarnaast geen oude roofvogelnesten aangetroffen binnen opgaande beplanting in het plangebied. De waarneming van sperwer, kerkuil en ransuil in de NDFF hebben geen betrekking op een nestplaats binnen het plangebied. De waarnemingen van dode kerkuil en ransuil hebben betrekking op de snelweg te noorden van het plangebied. Door het ontbreken van sporen van deze soorten in het plangebied kan met zekerheid gesteld worden dat nestplaatsen van deze soorten ontbreken.
22
Foto 1: sporen die duiden op nesten van spreeuwen (aangegeven met de rode cirkels).
Als gevolg van het slopen van de bebouwing en het opruimen van opgeslagen materialen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren van sloopwerkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode van vogels; - Opruimen van opgeslagen materialen tijdens de voortplantingsperiode van vogels; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het plangebied behoort vermoedelijk tot leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als gewone bosmuis, egel, steenmarter, huisspitsmuis en rosse woelmuis. Gewone bosmuizen, egels, huisspitsmuizen en rosse woelmuizen kunnen delen van het plangebied ook benutten als vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een verblijfplaats bezetten in de schuren, in holen en gaten in de grond (foto 2), onder beplanting (egel) en onder opgeslagen materialen. Een geschikte plek voor steenmarter om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten is aanwezig in het plangebied. Er zijn echter geen sporen zoals uitwerpselen (latrines), prooiresten en veegsporen gevonden die duiden op een territorium van een steenmarter.
Daarnaast zijn steenmarterverblijfplaatsen goed te herkennen aan een kenmerkende, stinkende lucht nabij de verblijfplaats. Latrines van steenmarter worden veelal op kenmerkende, wat hoger gelegen, delen afgezet om het territorium te markeren. Deze latrines zijn ook niet aangetroffen in het plangebied. Het valt echter niet volledig uit te sluiten dat de steenmarter geen voortplantings- en rustplaats bezet in delen van het plangebied. De waarneming in de NDFF betreft een dode steenmarter (verkeersslachtoffer) en heeft betrekking op de snelweg ten noorden van het plangebied. Deze waarneming bevestigd het voorkomen van een weinig kritische soort als steenmarter in de omgeving van het plangebied.
23
Foto 2: potentiële rust- of verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren in holen en gaten in de grond.
Door het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Slopen bebouwing; - Bouwrijp maken grond; - Verwijderen opgeslagen materialen;
Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De meeste stallen en schuren zijn niet geïsoleerd en hebben geen spouwmuur. Hier zijn ook geen vleermuizen waargenomen aan de binnenzijde van het gebouw (ligboxenstal, melkstal en tanklokaal). De varkensstallen zijn wel geïsoleerd en voorzien van een spouwmuur. Deze stallen worden echter niet geschikt bevonden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Deze stallen hebben geen kierende daklijsten, kieren of openingen in het metselwerk waardoor de spouw toegankelijk is voor vleermuizen. Delen van het dak bestaan daarnaast uit golfplaten die nauw aansluiten op delen van de windveren. Bovendien kiert de gevelbekleding van de stallen niet op delen van de buitengevel. Hieronder is een deel van de dak overstek van een schuur (foto 3) en een deel van de gevel van een varkensstal zichtbaar (foto 4). De woningen in het plangebied zijn door de aanwezigheid van een pannendak en een spouwmuur in potentie geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Deze woningen worden verder niet nadelig beïnvloed.
24
Foto 3 links: deel van de dak overstek van een van de schuren. Foto 4 rechts: deel van de gevel van een van de varkensstallen.
Door de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord, beschadigd of vernield en wordt geen vleermuizen gedood. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen en gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied mogelijk als foerageergebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker en gewone pad benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied. Daarnaast bezetten deze soorten mogelijk een (winter)rustplaats in holen en gaten in de grond of onder opgeslagen materialen in het plangebied (buitenterrein en in schuren). Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van kritische amfibieënsoorten als heikikker, rugstreeppad, kamsalamander of poelkikker beschouwd. Er zijn geen waarnemingen van deze soorten in en rondom het plangebied bekend in de NDFF in de afgelopen vijf jaar. Daarnaast sluit het plangebied,
25
gezien de inrichting en het ontbreken van poelen en sloten niet aan op de eisen die deze soorten stellen aan het functionele leefgebied. Door het uitvoeren van voorgenomen werkzaamheden wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats beschadigd en/of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Slopen bebouwing; - Bouwrijp maken grond; - Verwijderen opgeslagen materialen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. Rode-lijstsoorten Binnen het zoekgebied van de NDFF zijn geen waarnemingen van Rode-lijstsoorten bekend. Het plangebied wordt (mogelijk) wel gebruikt door de rode-lijstsoorten: boerenzwaluw, kneu, groene specht, grote lijster, egel en grauwe vliegenvanger. Deze soorten kunnen delen van het plangebied in meer of mindere mate benutten als foerageergebied of functioneel leefgebied. Er zijn geen nesten van boerenzwaluw aangetroffen waardoor de boerenzwaluw het plangebied uitsluitend als foerageergebied gebruikt. Gezien de inrichting van het grotendeels agrarische landschap rondom het plangebied en de aard van de werkzaamheden worden deze niet kritische soorten niet nadelig beïnvloed in het voorkomen op populatieniveau door de voorgenomen werkzaamheden.
6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen sloopwerkzaamheden en het opruimen van opgeslagen materialen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is, op de huismus na, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Nesten van huismus worden niet negatief beïnvloed. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen, vernielen of verstoren van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Opruimen van opgeslagen materialen buiten de voortplantingsperiode van vogels; - Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode van vogels; Grondgebonden zoogdieren Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief worden beïnvloed geldt, op de steenmarter na, een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt voor de eerder genoemde soorten geen 26
vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit vereist. Voortplantings- en rustplaatsen van steenmarter zijn beschermd en mogen niet zonder Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit beschadigd of vernield worden. Om vast te stellen of een voortplantings- en rustplaats van de steenmarter aanwezig is dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. In onderstaande tabel worden de toepasbare vangmiddelen per soort weergegeven.
Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied. Deze vangmiddelen zijn het hele jaar toepasbaar in de gehele provincie (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 20-03-2023).
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt mogelijk tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen grondgebonden zoogdieren opzettelijk doden; - Nader onderzoek naar functie stallen voor steenmarter; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden worden geen vleermuizen gedood en worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; • Essentieel foerageergebied Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit 27
aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling.
Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen amfibieën opzettelijk doden;