CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 quickscan flora en fauna.pdf

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 9: TAM-omgevingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek, locatie Hiddinkdijk 30 en 30a Heelweg”11.980 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QuickScan natuurwaardenonderzoek Hiddinkdijk 30 en 30a – Heelweg Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

1

Colofon QuickScan natuurwaardenonderzoek Hiddinkdijk 30 en 30a – Heelweg Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 7-5 7131 PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852

Opdrachtgever: Locis Adviseurs Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 7706 versie 2.0 Ligging plangebied: Hiddinkdijk 30 en 30a – Heelweg Auteur: J. Pleijzier

Status: definitief Rapportdatum: 11-08-2025 Veldwerk uitgevoerd door: D. Snoeck

De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.

2

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1

INLEIDING ................................................................................................................................ 6

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 7

2.1 Situering ................................................................................................................................................ 7 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 8 HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 9

3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 9 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ........... 10 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer .......................................................................................................... 11 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied ............................................................................................... 11 HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS .................................................................................................................. 12

4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 12 4.2 Omgevingswet; Natura 2000............................................................................................................... 12 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................. 12 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 13 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk .................................................................. 15 HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................................ 16

5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 16 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ...................................................................... 16 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 17 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................ 19 HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING ........................................................................................................... 20

6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 20 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 21 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 23 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 30 6.5 Historische gegevens en overige bronnen .......................................................................................... 33 6.6 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 33 HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES........................................................................................................................... 34

3

SAMENVATTING Er zijn concrete plannen om een melkstal, ligboxenstal, werktuigberging, garage, berging, stal, mestbassin, mestkelders en kuilplaat te slopen aan de Hiddinkdijk 30 en 30a te Heelweg. Op de vrijgekomen plek worden twee woningen met twee schuren gerealiseerd. Verder wordt er opgaande beplanting in de vorm van bomen en lage struiken gerooid en nieuwe beplanting aangeplant. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 17 juni 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, voortplantings- en rustlocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk.

Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten de GNN en Go, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het GNN en Go, omdat de bescherming van het GNN en Go geen externe werking kent in Gelderland. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, uitgesloten worden. Er hoeft geen stikstofberekening voor de ontwikkel- en gebruiksfase uitgevoerd te worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen of optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of rustplaats.

Door het slopen van de bebouwing en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is, op de kerkuil na, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het slopen van de bebouwing dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. De bebouwing mag indien er kerkuilen nestelen pas gesloopt worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Door het onvoorbereid verwijderen van opgeslagen spullen en materialen, het uitvoeren van grondverzet, het rooien van beplanting en het slopen van de bebouwing kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van de voortplantingsplaats en/of rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken 4

van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Voor de steenmarter geldt de eerdergenoemde vrijstelling niet. Om vast te stellen of uit te sluiten dat deze soort een rust- of verblijfplaats binnen het plangebied bezetten is nader onderzoek nodig. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, en de aanwezigheid van rust- of verblijfplaatsen van de steenmarter door middel van nader onderzoek uitgesloten worden, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt verwijderen van opgeslagen spullen en materialen, het uitvoeren van grondverzet, het rooien van beplanting en het slopen van de bebouwing niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Afhankelijk van het eerdergenoemde onderzoek kan besloten worden of een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd dient te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Door het slopen van de bebouwing en het rooien van beplanting worden mogelijk vleermuizen gedood of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden.

Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen. Dit aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol 2021 en behelst vijf bezoeken. Door het onvoorbereid uitvoeren van grondverzet, het rooien van beplanting, het verwijderen van opgeslagen spullen/materialen en het slopen van de bebouwing kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit van de Omgevingswet vereist.

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling.

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Nader onderzoek functie bebouwing kerkuil; • Nader onderzoek functie bebouwing steenmarter; • Nader onderzoek functie bebouwing vleermuizen; • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);

5

HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn concrete plannen om een melkstal, ligboxenstal, werktuigberging, garage, berging, stal, mestbassin, mestkelders en kuilplaat te slopen aan de Hiddinkdijk 30 en 30a te Heelweg. Op de vrijgekomen plek worden twee woningen met twee schuren gerealiseerd. Verder wordt er opgaande beplanting in de vorm van bomen en lage struiken gerooid en nieuwe beplanting aangeplant. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, voortplantings- en rustplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk).

6

HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Hiddinkdijk 30 en 30a te Heelweg, gemeente Oude IJsselstreek. Het plangebied ligt ten zuidwesten van Heelweg-Oost en wordt omgeven door agrarisch cultuurland, opgaande beplanting, erfverharding en bebouwing. Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).

7

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een melkstal (A), ligboxenstal (B), werktuigberging (C), garage (D), berging (E), stal (F), mestbassin (G), mestkelders, kuilplaat, opgaande beplanting, verharding en agrarisch cultuurland. De melkstal (A) beschikt over bakstenen spouwmuren en een dakpannen dakdekking zonder dakbeschot. De ligboxenstal (B) beschikt over horizontaal geplaatste houten planken en golfplaten dakbedekking. De stal wordt benut als opslag voor voertuigen en spullen/materiaal. De werktuigberging (C) beschikt over drie uit damwandplaten bestaande muren en een golfplaten dakbedekking die rust op houten balken. Er is geen spouwmuur aanwezig in deze open werktuigberging. De werktuigberging heeft een kleine open zolder. De garage (D) beschikt over betonplaten wanden met houten gevelbeplating. Het dakbestek bestaat uit golfplaten. De berging (E) maakt gebruik van horizontale houten balken zonder spouw met een dakbedekking bestaande uit dakshingles. De stal (F) beschikt over bakstenen gevels met spouw en een golfplaten dak. De mestbassin (G) ligt ten zuiden van de ligboxenstal (B) en wordt omgeven door struiken en bomen. De mestkelders bevinden zich onder de melkstal (A), ligboxenstal (B) en bij (F) en bij de entree van de bebouwing ten noorden van melkstal (A). De kuilplaat ligt ten westen van de werktuigberging (C).

Opgaande beplanting in het plangebied bestaat uit meerdere grote bomen, waaronder de esdoorn en zomereik, intensief beheerd grasland en lage begroeiing van onder andere klimop. Op de onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven met de gele omkadering.

D

E

F

A

C

B

G

Luchtfoto met de begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: topotijdreis.nl). Te slopen bebouwing aangegeven met de volgende letters: melkstal (A), ligbox stal (B), werktuigberging (C), garage (D), berging (E), stal (F) en mestbassin (G).

8

HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Er zijn concrete plannen om een melkstal, ligboxenstal, werktuigberging, garage, berging, stal, mestbassin, mestkelders en kuilplaat te slopen aan de Hiddinkdijk 30 en 30a te Heelweg. Op de vrijgekomen plek worden twee woningen met twee schuren gerealiseerd. Verder wordt er opgaande beplanting in de vorm van bomen en lage struiken gerooid en nieuwe beplanting aangeplant. Hieronder staat een verbeelding de wenselijke eindsituatie weergegeven.

Wenselijke eindsituatie m.b.t. sloop (bron: Locis Adviseurs)

9

Erfinpassing voor de wenselijke eindsituatie (bron: Natuurbank Overijssel)

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet flora- en fauna-activiteit: • Slopen bebouwing; • Rooien beplanting; • Uitvoeren grondverzet; • Verwijderen opgeslagen spullen/materialen; • Aanleggen nieuwe beplanting; • Realiseren nieuwe bebouwing; • In gebruik name nieuwe bebouwing; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren voortplantings- en rustplaatsen als gevolg van geluid, licht en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde voortplantings- of rustplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

10

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar het uitvoeren van sloop- en bouwwerkzaamheden en het bewonen van de nieuwe bebouwing. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland, opgaande beplanting, erfverharding en bebouwing. Er is aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. De aangrenzende bebouwing, agrarisch cultuurland en opgaande beplanting om het plangebied wordt meegenomen in het onderzoek, aangezien beschermde soorten mogelijk tijdelijk verstoord kunnen raken tijdens de uitvoeringsfase.

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt niet gelijkgesteld aan het plangebied. Hieronder is het plangebied en het onderzoeksgebied weergegeven. Indien verder in deze rapportage gesproken wordt over plangebied wordt onderstaand onderzoeksgebied bedoeld.

D

E

F

A

C B

G

Met de gele lijn wordt het plangebied weergegeven en met de rode lijn wordt het onderzoeksgebied weergegeven (bron: topotijdreis.nl).

11

HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; 12

d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b.

het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LVVN) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig.

4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

13

Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.

Toelichting op de verschillende verbodsbepalingen Bal.

Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de 14

aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e.

tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Omgevingswet een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats.

4.5 Regelgeving ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van Gelders Natuurnetwerk (GNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland.

15

HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk. 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.

De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities.

16

Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt op minimaal 956,57 meter afstand van gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren. Daarnaast ligt het plangebied op 763,32 meter afstand van gronden die tot de Groene ontwikkelingszone (Go) behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Minimaal 956,57 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot het GNN behoren. Daarnaast ligt het plangebied op 763,32 meter afstand van gronden die tot de Go behoren

GNN

Go

Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (Go) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot de GNN behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Gronden behorend tot de Go worden met de lichtgroene kleur aangeduid (bron: gelderland.maps.arcgis.com).

Beschermingsregime De bescherming van het GNN en de Go kennen geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten de GNN en Go ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. de GNN en Go. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de A opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EUlidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan.

Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; 17

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 11,15 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied.

Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied is Korenburgerveen. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Minimaal 11,15 kilometer afstand tussen het plangebied en gronden met stikstofoverbelasting die tot Nederlands Natura 2000 behoren.

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

18

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (11,15 kilometer) kan een negatief effect op Natura2000 gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000-gebied, uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de ontwikkelfase is niet noodzakelijk. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied in de gebruiksfase neemt door uitvoer van de voorgenomen werkzaamheden toe ten opzichte van de huidige situatie door de realisatie van twee nieuwe woningen.

Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000gebied, uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiksfase is niet noodzakelijk. 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten de GNN en Go, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het GNN en Go, omdat de bescherming van het GNN en Go geen externe werking kent in Gelderland. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, uitgesloten worden. Er hoeft geen stikstofberekening voor de ontwikkel- en gebruiksfase uitgevoerd te worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen of optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten.

19

HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek

6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • •

Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); Veldbezoek op 17-06-2025 door ervaren ecoloog;

6.1.2 Bronnenonderzoek Op 16 juni 2025 is de NDFF geraadpleegd om te kijken of er beschermde planten en dieren zijn waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. In onderstaand zoekgebied zijn 6 waarnemingen opgenomen van de volgende soortgroepen; overige zoogdieren (1), vogels (4) en alle insecten (1). De volgende vogelsoorten zijn waargenomen; holenduif (1), koekoek (1), tjiftjaf (1) en zwarte roodstaart (1). Alle overige waarnemingen vormen verder geen relevantie voor deze studie, behalve het voorkomen van een bepaalde soort in de omgeving van het plangebied. Op de onderstaande afbeelding is het zoekgebied in de NDFF weergegeven.

Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven. Er is in de periode 2020-2025 – 6 flora- en faunawaarnemingen in het plangebied en de directe omgeving (bron: NDFF).

20

6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 30 juni 2025 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broedvogels). De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. De meeste vogelsoorten bezetten een territorium in deze tijd van het jaar en vertonen territorium-indicerend gedrag (zang/balts). Veel vogelsoorten bezetten een nestplaats en sommigen hebben al uitgevlogen jongen. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.

Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Veel grondgebonden zoogdieren hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab-, en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomer- en kraamverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële verblijf- en rustplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute.

De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken in het plangebied. Amfibieën Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde amfibieën. De onderzoeksperiode is geschikt voor het verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Enkele soorten zoals heikikker, gewone pad, kamsalamander en bruine kikker hebben de voortplanting reeds voltooid en hebben de voortplantingswateren verlaten. Deze soorten houden zich op in landhabitat. Larven van deze soorten verblijven wel in de voortplantingswateren. De kleine watersalamander en groene kikkersoorten als poelkikker, meerkikker en bastaardkikker komen in het voortplantingswater voor en zitten in hun paartijd. Deze soorten kunnen in deze periode eieren in wateren afgezet hebben. In het plangebied is gelet op (roepende) amfibieën en afgezette eitjes in voortplantingswateren. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten.

Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

21

Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als: dag- en nachtvlinders, vissen, reptielen, libellen, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en planten. In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht zoals beschermde weekdieren (platte schijfhoren en Bataafse stroommossel) en kevers (juchtleerkever, vermiljoenkever en vliegend hert). De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats buiten het functionele leefgebied van bovengenoemde soorten. Mogelijk komen in de omgeving van het plangebied populaties voor van beschermde vlinders als teunisbloempijlstaart, kleine ijsvogelvlinder en grote vos. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor voorgenoemde soorten vanwege het ontbreken van waardplanten.

Vanwege het ontbreken van waardplanten van beschermde vlinders en de ligging op ruime afstand van populaties van beschermde vlinders, wordt de aanwezigheid van beschermde vlinders in het plangebied op voorhand uitgesloten. Beschermde planten zijn (grotendeels) gebonden aan natuurreservaten zoals Natura 2000-gebied. Alle beschermde planten stellen kritische eisen aan de standplaats (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het plangebied sluit ook niet aan op de eisen die beschermde vissen en libellen stellen aan het habitat. Zo ontbreken grotere open wateren en verlandingswateren. Reptielen stellen bijzondere eisen aan hun leefgebied en vanwege deze habitateisen treffen we ze vaak aan in geïsoleerde (natuur)gebieden. Buiten deze (natuur)gebieden ontbreekt (veelal) geschikt habitat en zijn reptielen niet in staat om andere gebieden te bereiken. Het plangebied ligt op enige afstand van gebieden waar reptielen voorkomen. De aanwezigheid van reptielen in het plangebied kan op voorhand uitgesloten worden.

22

6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot het functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels in het plangebied. Deze vogels bezetten mogelijk een nestplaats in de opgaande beplanting (bomen/struiken) of de bebouwing. Vogels die een nestplaats in het plangebied kunnen bezetten zijn: gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, houtduif, huismus, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, spreeuw, tjiftjaf, zanglijster en zwarte roodstaart. Tijdens het veldbezoek zijn auditief en visueel huismussen waargenomen. Huismussen broeden voornamelijk onder dakpannen van gebouwen. Op het erf zijn alleen dakpannen met dakbeschot aanwezig op de centraal gelegen woningen. Deze dakpannen zijn aanwezig op bebouwing die behouden blijft. De dakpannen van de te slopen bebouwing beschikken niet over dakbeschot en zijn dus ongeschikt voor huismus, zie onderstaande afbeelding. Ook zijn er binnen het plangebied geen nesten van de huismus vastgesteld binnen de te slopen bebouwing.

Dakpannen zonder dakbeschot binnen de te slopen bebouwing in het plangebied.

Binnen de NDFF in een ruim zoekgebied zijn waarnemingen opgenomen van de steenuil en is er één vastgesteld territorium en één bezet nest bekend, zie onderstaande afbeelding.

23

Waarnemingen van de steenuil (15) binnen een ruim zoekgebied in de NDFF (2020-2025). Vastgesteld territorium is met de gele cirkel aangeduid, het bezette nest met de blauwe cirkel en het plangebied met de rode cirkel.

Beide waarnemingen liggen op geruime afstand (±800 en ±700 meter) van het plangebied. Steenuilen hebben gemiddeld een maximale verplaatsing van ±200 meter van de nestlocatie. Aangezien er geen waarnemingen in de directe omgeving van het plangebied zijn genoteerd, er geen sporen zijn aangetroffen in het plangebied, bekende locaties zich op ruime afstand bevinden en er geen dakbeschot of andere locaties aanwezig zijn waar de steenuil zich achter kan bevinden, kan worden geconcludeerd dat het slopen van de bebouwing en het rooien van de beplanting geen invloed heeft op het functioneel leefgebied van de steenuil. Binnen de NDFF zijn geen territoria of bezette nesten bekend van de kerkuil. Er zijn wel enkele waarnemingen opgenomen in de NDFF van de soort, zie onderstaande afbeelding.

Waarnemingen van de kerkuil (5) binnen een ruim zoekgebied in de NDFF (2020-2025). Het plangebied is aangeduid met de rode cirkel. 24

In het plangebied zijn in bebouwing B, C, D, E en F geen aanwijzingen gevonden van een rust- en/of verblijfplaats van de kerkuil. Er zijn geen braakballen en/of schijtsporen gevonden en de bebouwing is ongeschikt voor de kerkuil. Gebouw A daarentegen beschikt over een zolder met een invliegopening die geschikt kan zijn voor de kerkuil, zie onderstaande afbeelding. Door het type bebouwing (geïsoleerde melkstal met invliegopening) en de geschiktheid van de omgeving als leefgebied, kan aanwezigheid van de nestplaats van een kerkuil echter niet uitgesloten worden.

Invliegopening voor de kerkuil in de te slopen melkstal binnen het plangebied.

Verder zijn er in en rondom het plangebied geen jaarrond beschermde nesten waargenomen en ontbreken sporen zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal in het plangebied. Door het uitvoeren van sloopwerkzaamheden en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood of een bezet vogelnest beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Sloopwerkzaamheden uitvoeren; - Rooien beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het plangebied behoort mogelijk tot functioneel leefgebied van soorten als huisspitsmuis, veldmuis, rosse woelmuis, steenmarter en haas. De haas benut het plangebied alleen als foerageergebied. De soorten huisspitsmuis, veldmuis en rosse woelmuis bezetten mogelijk een voortplantings- en rustplaats in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen materialen. Geschikte bebouwing voor de steenmarter om een voortplantingsen rustplaats te bezetten in het plangebied is aanwezig.

Bebouwing B, C, D, E en F zijn niet geschikt door het ontbreken van geïsoleerde dakbedekking en (toegankelijke)spouwmuren. De melkstal (A) daarentegen beschikt wel over een toegankelijke spouw (onderstaande afbeelding) en een toegang tot de zolder door de opening in de gevel (bovenstaande afbeelding). Verder is er een uitwerpsel gevonden van een steenmarter binnen het plangebied.

25

Uitwerpsel van een steenmarter zoals gevonden binnen het plangebied.

Hazen bezetten doorgaans een verblijfplaats aan de randen van agrarisch cultuurland, houtwallen of ruigtestroken, deze zijn in het plangebied niet aanwezig. De egel kan wel een voortplantings- en/of rustplaats bezetten in deze beplanting, de aanwezige beplanting wordt door de voorgenomen activiteiten niet beïnvloed. Het plangebied bestaat uit schuren, omgeven door erfverharding en intensief beheerd grasland. Voor kleine marterachtigen, zoals wezel en hermelijn vormen dergelijke habitats geen geschikt leefgebied omdat ze op stenen en in korte vegetatie kwetsbaar zijn voor roofdieren (roofvogels en uilen). Gelet op de habitateisen van de soort hermelijn, wordt een dergelijk erf niet als ‘geschikt’ habitat beschouwd. Deze soort treffen we tegenwoordig hoofdzakelijk aan in nattere gebieden, bij voorkeur gebieden van vochtige of natte graslanden, in combinatie met ruigte, struweel en opgaande houtige beplanting met dichte ondergroei. Er zijn groenstructuren aanwezig op het erf maar deze worden door de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Daarnaast staan veel van de opgeslagen goederen slechts tijdelijk op het erf (kratten hout en landbouwwerktuigen) omdat deze worden gebruikt. Daarnaast ligt het erf in een open landschap en is er alleen aan de westzijde sprake van groenstructuren die als migratieroute kan dienen.

De dichtstbijzijnde waarneming van wezel is op ruime afstand van het plangebied gedaan, aan de westzijde van het Aaltense Goor. In de directe omgeving van het plangebied ontbreken waarnemingen van wezels. Door de ongeschiktheid van het erf als functioneel leefgebied van wezels en het ontbreken van waarnemingen in de directe omgeving wordt de soort wezel uitgesloten in het plangebied. Het plangebied ligt in het verspreidingsgebied van de grote bosmuis. Deze soort leeft voornamelijk in open eiken- en beukenbossen met een uitgebreide struiklaag en weinig ondergroei maar kan ook voorkomen in tuinen mits er enige dekking is zoals lage begroeiing. Het plangebied beschikt niet over geschikt biotoop voor deze soort aangezien er niet genoeg dekking wordt gegeven door onder andere lage begroeiing. Daarnaast staat het plangebied niet in verbinding met bosgebieden waar grote bosmuizen voorkomen. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van eekhoornnesten maar deze zijn niet aangetroffen. Door het verwijderen van opgeslagen spullen en materialen, het uitvoeren van grondverzet, het rooien van beplanting en het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Verwijderen opgeslagen spullen en materialen; - Uitvoeren grondverzet;

26

-

Rooien beplanting; Slopen bebouwing;

Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een voortplantingsplaats en/of rustplaats bezetten in het plangebied. Echter wordt melkstal (A) wel als potentiële verblijfplaats van vleermuizen beschouwd. Er zijn openingen aanwezig die toegang bieden tot de spouwmuur. Hierdoor kan niet uitgesloten worden dat vleermuizen het plangebied benutten als voortplantings- en/of rustplaats. De bomen in het plangebied beschikken niet over holen, gaten of loshangende schors die een verblijfplaats voor vleermuizen zouden kunnen bieden. Door het slopen van de bebouwing en het rooien van beplanting worden mogelijk vleermuizen verstoord of gedood en wordt mogelijk een voortplantings- en rustplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Slopen bebouwing; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rondom de bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en de oppervlakte wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.

Door het slopen van de bebouwing en het rooien van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de sloopwerkzaamheden en het rooien van beplanting heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een voortplantings- en/of rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied.

Amfibieën kunnen een verblijfplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen/materialen. Het plangebied wordt door het ontbreken van geschikt habitat niet als functioneel leefgebied voor zeldzame amfibieënsoorten, zoals heikikker, poelkikker en rugstreeppad, beschouwd en waarnemingen van deze soorten ontbreken in de 27

ruime omgeving van het plangebied (bron: NDFF). Binnen een ruim zoekgebied van de NDFF zijn wel waarnemingen van de kamsalamander bekend. Deze waarnemingen liggen op ongeveer één kilometer afstand van het plangebied (zie onderstaande afbeelding).

Waarnemingen van de kamsalamander (5) zoals bevonden binnen een ruim zoekgebied in de NDFF (2020-2025). Het plangebied is aangeduid met de rode cirkel en de waarnemingen van de kamsalamander met de groene stippen.

De kamsalamander wordt vaak aangetroffen in bosrijk gebied met houtwallen en struweel in de directe omgeving van (visvrije) wateren. Dit gewenste biotoop ontbreekt in het plangebied. Gezien de afstand tot waarnemingen van de kamsalamander en het ontbreken van geschikt leefgebied op het erf, worden deze en andere zeldzame amfibieën uitgesloten in het plangebied. Door het uitvoeren van grondverzet, het rooien van beplanting, het verwijderen van opgeslagen spullen/materialen en het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een rustplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van amfibieën verkleind. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren grondverzet; - Rooien beplanting; - Verwijderen opgeslagen spullen/materialen; - Slopen bebouwing; Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. Het plangebied wordt als geschikt foerageergebied voor de grauwe vliegenvanger, boerenzwaluw, huiszwaluw, grote lijster, koekoek en haas beschouwd. Van de bovengenoemde soorten zijn geen nestplaatsen of verblijfplaatsen aangetroffen. Foerageergebied gaat door de sloop- en bouwwerkzaamheden ook niet verloren. Er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden voor deze Rode-lijstsoorten aanwezig rondom het plangebied. Er worden 28

geen andere Rode-lijstsoorten in het plangebied verwacht zoals planten, paddenstoelen of korstmossen. Deze zijn namelijk (grotendeels) gebonden aan plekken met specifieke standplaatsfactoren zoals Natura 2000-gebied. Vrijwel alle Rode-lijst-planten, -paddenstoelen en -korstmossen stellen kritische eisen aan de standplaats/substraat (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en eventueel bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5049/documents/33296