CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Standaard Landschappelijke Inpassing.pdf

Raadsvergadering 26 oktober 2023, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: Uitnodigingskader wonen buitengebied4.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Standaard landschappelijke inpassing 1. Inleiding In de Lokale Kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek is opgenomen dat het toevoegen van extra verstening in het buitengebied ongewenst is. Het behoud en de versterking van het groene karakter staat hier daarom centraal. Een initiatief voor woningbouw mag niet ten koste gaan van aanwezige natuur- en/of landschapskwaliteiten. Voor elk type woningbouwplan, of dat nu woningsplitsing, hergebruik/functieverandering van voormalige agrarische gebouwen (vab) of een landgoed is, geldt dat er in een erfen/of landschapsinrichtingsplan moeten worden aangetoond dat het plan voldoende ruimtelijke kwaliteit biedt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied verlangen we een bijdrage aan het behoud en de versterking van het landschap. Om duidelijk te maken hoe dat wordt bereikt, vragen we van initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling om een landschappelijk inpassingsplan te maken. Hierin is opgenomen welke landschappelijke (groene) kwaliteit het bestemmingsvlak in het verleden had en het in huidige situatie heeft. Vanuit deze analyse wordt de nieuwe ontwikkeling ingepast, waarbij de landschappelijke kwaliteit behouden en versterkt wordt. Het landschappelijk inpassingsplan maakt onderdeel uit van de planologische procedure en zal als voorwaardelijke verplichting daarin worden opgenomen.

Dit betekent dat de initiatiefnemer bij realisatie van het plan gehouden is om uitvoering te geven aan het landschappelijke inpassingsplan en om de nieuwe landschapselementen in stand te houden. Hieronder is beschreven waar het landschappelijke inpassingsplan aan dient te voldoen. Om te zorgen dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van een goede landschappelijke inpassing heeft de gemeente Oude IJsselstreek een standaard opgesteld. Deze standaard zorgt ervoor dat er bij initiatiefnemers duidelijkheid is en de vele verschillende ruimtelijke ontwikkelingen op eenzelfde manier ruimtelijk worden ingepast en getoetst. In paragraaf 2 is beschreven welke onderdelen een landschappelijk inpassingsplan dient te bevatten. Paragraaf 3 geeft inzage in de landschapstypen die de gemeente Oude IJsselstreek kent en welke landschapselementen hierbij horen. We vragen het formulier uit paragraaf 4 te gebruiken om duidelijk aan te geven wat de landschappelijke verandering ten opzichte van de huidige situatie precies inhoudt. Om te beoordelen of er voldoende landschap wordt aangelegd als onderdeel van landschappelijke inpassing hanteert de gemeente Oude IJsselstreek een puntensysteem. Dit puntensysteem staat beschreven in paragraaf 5.

2. Hoe moet een goed landschappelijk inpassingsplan zijn opgebouwd? De initiatiefnemer zorgt ervoor dat een goed landschappelijk inpassingsplan wordt gemaakt. Dit plan omvat de volgende onderdelen waarop de nieuwe situatie ruimtelijk is onderbouwd: • Historische landschapsanalyse; Een beschrijving met analyse van de landschapsontwikkeling van de locatie en directe omgeving. De beschrijving is beeldend gemaakt, middels historische kaarten, bijvoorbeeld via www.topotijdreis.nl. In ieder geval worden de jaren 1930, 1970, 1990 en het heden beschreven. • Huidig landschapsbeeld; Een beschrijving van de locatie van het ruimtelijk initiatief in relatie tot de huidige landschappelijke waarden. Dit is beeldend gemaakt, middels luchtfoto’s en een situatieschets met de momenteel aanwezige landschapselementen; verschillende bomen en plantensoorten. Van de aanwezige landschapselementen wordt een beschrijving gegeven met in ieder geval: naam, oppervlakte/stuks en de soortnamen van de beplanting in zowel het Nederlands als Latijn.

•

•

Landschapstype; Vanuit het huidige landschapsbeeld wordt de relatie gelegd naar de landschapstypen die gemeente Oude IJsselstreek kent en die beschreven zijn in de Visie op landschap, natuur en groene kernen (zie ook paragraaf 3 van dit document). Het landschapstype waarbinnen de locatie valt is beschreven net als de bijbehorende karakteristieke landschapselementen. Voorgenomen ontwikkeling; De voorgenomen ontwikkeling is omschreven en er is een duidelijke relatie gelegd met het voorstel voor de landschappelijke inpassing. We gaan ervan uit dat het voorstel van de landschappelijke voldoet aan de voorwaarden zoals beschreven in deze paragraaf . Het onderscheid tussen bestaande en nieuwe elementen is duidelijk omschreven, en op kaartmateriaal inzichtelijk gemaakt. Eventueel te verwijderen landschapselementen worden duidelijk op de kaart inzichtelijk gemaakt. Deze kaarten zijn op schaal en de oppervlakten zijn kloppend en waarheidsgetrouw. Van de nieuwe landschapselementen wordt beschreven: de naam, omschrijving en samenstelling landschapselement, oppervlakte/stuks, maatvoering plantmateriaal, soortnaam in Nederlands en Latijn van de beplantingen. Dit wordt ingevuld in paragraaf 5. De hoeveelheden nieuw aan te leggen landschap en eventueel te verwijderen landschap zijn ingevuld in het formulier uit paragraaf 4.

Bij het voorstel voor de nieuwe landschapselementen is aangegeven hoe men tot de keus is gekomen en hoe dit aansluit bij het landschapstype waar de ruimtelijke ontwikkeling zich bevindt.

3. Landschapstypen Er zijn vier landschapstypen in de gemeente Oude IJsselstreek aanwezig: -

Rivierenlandschap Kampenlandschap Heide- en broekontginningslandschap Veenontginningslandschap

Rivierenlanschap Het rivierenlandschap is aanwezig rond de Oude IJssel en in het zuiden van de gemeente. Dit landschapstype ligt ten zuiden van de kernen Terborg, Silvolde en Breedenbroek. De kernen Etten, Ulft, Gendringen, Bonte Brug, Varsselder, Netterden en Megchelen liggen in het rivierenlandschap. Ontstaan Het rivierenlandschap kenmerkt zich door een gevarieerd landschap. Het zuidwestelijke deel van de gemeente Oude IJsselstreek is ontstaan onder invloed van de rivier. Dit gebied was ooit onderdeel van de Rijndelta, de Oude IJssel is een aftakking van de Rijn. Lage delen overstroomden regelmatig of waren zeer nat door een hoge waterstand (de zogenaamde broeklanden). De natte gronden waren vooral in gebruik als hooi- of weiland. De laagste delen van het kleigebied (kommen) waren vanwege het natte karakter bijna niet te gebruiken en daarom vaak bos. De landschapselementen die in dit landschapstype thuishoren zijn struweelhagen, knipheggen, elzensingels en knotwilgen. Kavelgrenzen werden gemarkeerd door elzensingels of hagen, waardoor het landschap een meer besloten karakter had dan tegenwoordig het geval is. Anderzijds bestaat het landschap uit de hogere delen, de zogenaamde oeverwallen en rivierduinen. Op deze hogere en dus drogere delen stond de bebouwing en wegen en deze gronden werden ook gebruikt als bouwland en boomgaard.

De dorpen Megchelen, Etten, Varsselder en Veldhunten liggen op zo’n hoger deel in het landschap. Op deze oeverwallen bestaat de beplanting uit elzensingels, knoteiken en hoogstamboomgaarden. Door het grillige verloop van de oeverwallen is het wegenpatroon bochtig. De oudere en hoge rivierduinen langs de Oude IJssel waren minder geschikt voor landbouw en daar werd (wordt) gewoond of werd bos aangelegd. Engbergen en de Paasberg zijn hier voorbeelden van. Huidig landschapsbeeld De grootste veranderingen hebben plaatsgevonden in de laaggelegen broeklanden. Nadat de aanwezige moerassen ontgonnen waren, werden ook deze gebieden gebruikt als weiland. Na de ruilverkaveling zijn lange rechte wegen aangelegd en is de verkaveling rationeler geworden. Naast grasland komen nu ook maïspercelen voor. Het landschap is meer open geworden. Bebouwing is nog steeds relatief weinig aanwezig. De boerderijen staan verspreid langs de wegen. Plaatselijk zijn plassen ontstaan door klei- en zandwinning. Het gebied rondom de Oude IJssel en Aa-strang heeft nog altijd een behoorlijk open karakter en is overwegend in gebruik als grasland. Evenals de kommen is dit gebied minder nat dan vroeger. Het verschil tussen de hogere oeverwallen en de omliggende lage delen is niet overal duidelijk herkenbaar door nieuwe bebouwing, gelijke beplanting en grondgebruik.

Kampenlandschap Het kampenlandschap is aanwezig ten noorden van de kernen Terborg, Silvolde en Breedenbroek. Deze kernen horen bij het kampenlandschap. In dit landschap liggen ook de kernen Sinderen, Varsseveld, Westendorp en Heelweg oost en west. Ontstaan Het kampenlandschap staat bekend als het typische kleinschalige Achterhoekse landschap. De bebouwing vinden we op de hogere delen. Deze delen waren ook geschikt voor akkerbouw (kamp). Een kamp is een kleine individuele akker, ook wel ‘eenmans-es’ genoemd, waarbij ieder gezin zijn eigen bouwland bewerkte. Om de (met de ogen van nu: kleine) akkers af te schermen tegen vee en wild werden ze omgeven met houtwallen en houtsingels. Dit zorgt voor de karakteristieke kleinschaligheid van het landschap. Omdat de grond vaak arm was brachten de boeren eeuwenlang mest en heideplaggen als bemesting op het land. Honderden jaren bemesting zorgden ervoor dat de akkers steeds hoger werden, met een vrij steile rand. De boerderijen lagen veelal verspreid aan de rand van de akkertjes. De landbouw bestond uit gemengde bedrijven, met graanteelt op

de akkers en het vee op de nattere gronden langs de beken. Wegen volgden de hogere delen in het landschap en hadden hierdoor vaak een bochtig verloop. Hierdoor zijn onregelmatige blokvormige patronen van verkaveling ontstaan. Huidig landschapsbeeld De nog aanwezige beplanting bestaat naast de wegbeplanting vooral uit kleine bosjes, bomenrijen, singels en houtwallen en solitaire bomen (veelal eiken) in het veld. Er staan diverse boerderijen met een voorhuis met allure, de zogenaamde T-boerderijen. Dit is kenmerkend en karakteristiek voor het kampenlandschap. De eenmans-essen en steilranden zijn op sommige plekken nog steeds herkenbaar in het landschap. In het gebied tussen Westendorp en Sinderen staan de vele kleine kampen bekend als de ‘Varsseveldse kopjes’. In het kampenlandschap wisselen bouwland en grasland elkaar af. Bouwland ligt over het algemeen op hogere gronden en grasland op de lagergelegen delen. De wegen en kavels vormen nog altijd een grillig patroon in dit gebied. De beken zijn veelal gekanaliseerd.

Heide- en broekontginningslandschap Het heide- en broekontginningslandschap ligt in twee delen in onze gemeente. Het eerste deel ligt in het gebied rondom dus ten noorden en zuiden van de beek Boven-Slinge. Het tweede gedeelte van het heide- en broekontginningslandschap ligt ten noorden van Terborg en Silvolde en ten zuiden van Westendorp. De westgrens van dit landschapstype is de gemeentegrens van Oude IJsselstreek en de oostgrens wordt gevormd door bos Idink. Ontstaan Het heideontginningslandschap is als één van de laatste landschappen in gebruik genomen door ons als mens. Deze gebieden waren lang te nat maar door de verbetering van de ontwateringsmethoden lukte het toch. Verschillende factoren maakten het mogelijk de natte heidegebieden te ontginnen. Belangrijk waren de ontdekking van kunstmest, de komst van goedkope wol uit Australië (waarmee het nut van de heidevelden voor de schapenhouderij verviel) en de verbetering van de ontwateringstechnieken. Kenmerkend is daardoor de rationele, vaak rechthoekige verkaveling in een vlak landschap. Kavelgrenzen worden vaak bepaald door beken en sloten. Het landschap was in het verleden besloten door houtwallen en houtsingels op de hogere delen en knotbomen en elzensingels in de lagere gebieden. Huidig landschapsbeeld Tegenwoordig is het heideontginningslandschap meer open. Grasland en bouwland komen beide veel voor.

Er zijn vaak nog onverharde wegen te vinden. De rechtlijnige verkavelingen en de rechte wegen met bomenlanen zijn herkenbaar. Straatnamen als Heidedijk wijzen nog op het historisch grondgebruik en de natte omstandigheden. De bebouwing bevindt zich veelal direct langs de rechte wegen en staat verspreid in het landschap. De beplanting bestaat voornamelijk uit hoogstamfruitbomen. Er is streekeigen beplanting langs de kavelgrens, zoals elzensingels in een onregelmatige blokverkaveling langs de perceelranden. Een bijzondere omgeving is die rond Heelweg, waar nog relatief veel van de elzensingels te vinden zijn die vroeger de vele kavels omzoomden. Ook zijn hier nog relatief veel zandwegen aanwezig.

Veenontginningslandschap Het veen-ontginningslandschap ligt in het noordelijkste puntje van gemeente Oude IJsselstreek, ten noorden van recreatiegebied Vennebulten. Dit gebied heeft de naam het Zwarte Veen.

Ontstaan Het veenontginningslandschap is alleen in het meest noordoostelijke puntje van de gemeente Oude IJsselstreek te vinden. Dit gebied staat bekend als het Zwarte Veen. Eeuwen geleden bestond het gebied uit een moeras dat zich vervolgens heeft ontwikkeld tot een hoogveen. Net zoals bij andere veengebieden en de zogenaamde woeste gronden in de Achterhoek maakte het Zwarte Veen deel uit van de markegronden van de omliggende plaatsen en mochten de markegenoten er turf en heideplaggen steken. Uiteindelijk is het hoogveen ontgonnen en in cultuur gebracht. Na de ontginning ontstond een open landbouwgebied, doorsneden door twee rechte wegen (de 1e en 2e diek) met aan weerszijden populieren en Amerikaanse eiken. Huidig landschapsbeeld De huidige situatie van het Zwarte Veen is nagenoeg onveranderd sinds de ontginning. Het relatief natte gebied kent nog hetzelfde verkavelingspatroon: rationele blokken. Het open en agrarische gebied wordt doorsneden door sloten en twee rechte wegen. Deze wegen zijn onverhard met populieren of Amerikaanse eiken aan weerszijden. Bebouwing ontbreekt in het Zwarte Veen. Verder wordt de structuur gemaakt door greppels en sloten met (deels) natuurvriendelijke oevers. Op enkele plekken is struweelbeplanting aanwezig. In het Zwarte Veen is veel potentie voor waterberging en natuur inclusieve landbouw, in aansluiting bij Aaltens Goor en Vennebulten.

De gemeente Oude IJsselstreek is begonnen om het Zwarte Veen en het naastgelegen natuurgebied de Vennebulten (kampenlandschap) onder handen te nemen. Doel is de ecologische, landschappelijke, recreatieve en toeristische waarden van het gebied, en daarmee ook de plattelandseconomie, te versterken. Het streven is door aangepast beheer de natuurwaarde in het gebied te vergroten met behoud van de landbouwfunctie.

Wat voor landschapselementen? Hieronder staan voorbeelden van landschapselementen die passen bij de landschapstypen die voorkomen in Oude IJsselstreek. Deze landschapselementen en de manier hoe deze toegepast kunnen worden binnen de landschappelijke inpassing, komen tevens terug in paragraaf 4.

Welke landschapselementen zijn in welk landschapstype toe te passen? a. Elzensingel b. Laan c. Knotboom d. Fruitlaan e. Bomenrij f. Solitaire boom g. Hoogstamboomgaard h. Houtwal of houtsingel i. Struweelrand j. Vogelbosje k. Knip- of scheerheg l. Struweelhaag m. Poel en klein- historisch water n. Rietzoom en klein rietperceel o. Natuurvriendelijke oever

Rivierenlandschap

Kampenlandschap

X X X X

X

X X X X X X X X

X X X X X X X X X X X

Heide- en broekontginningslandschap X X X X X X X X X X X X X

Veenontginningslandschap X X

X X X X X X X

4. Formulier landschappelijke inpassing Adres en plaats Perceelnummer(s) Oppervlakte plangebied (m2) Landschapselementen Elzensingel Laan Knotboom Fruitlaan Bomenrij Solitaire bomen Hoogstamboomgaard Houtwal of houtsinel Struweelrand Vogelbosje Knip- of scheerheg Struweelhaag Poel en klein- historisch water Rietzoom en klein rietperceel Natuurvriendelijke oever

Nieuw aan te leggen landschap

Te verwijderen landschap

Optioneel; aanwezig landschap

5. Formulier landschappelijke inpassing Landschapselement 1 Naam landschapselement Omschrijving en samenstelling

Oppervlakte of aantallen Soortnamen in Nederlands en Latijn inclusief maatvoering

Landschapselement 2 Naam landschapselement Omschrijving en samenstelling

Oppervlakte of aantallen Soortnamen in Nederlands en Latijn inclusief maatvoering

Landschapselement 3 …..………………………………………………………………………………………………………………………………………etc.

6. Standaard landschappelijke inpassing. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied stelt de gemeente de volgende standaard De gemeente Oude IJsselstreek hanteert een puntensysteem, waarbij voor ieder landschapselement een bepaalde hoeveelheid punten behaald kunnen worden. Deze punten kunnen per vierkante of strekkende meter behaald worden. Tot 500 m² bestemmingsvlak geldt dat er minimaal 500 punten behaald dienen te worden. Daarboven worden er per 100 m² extra bestemmingsvlak 100 punten vereist. De initiatiefnemer dient minimaal twee en bij voorkeur meerdere landschapselementen te gebruiken. Hieronder is beschreven hoe het puntensysteem is opgebouwd, waarbij enkele elementen van afbeeldingen zijn voorzien ter inspiratie: a.

Elzensingel 25 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

Per strekkende meter Elzensingels zijn lijnvormige landschapselementen die grotendeels bestaan uit een enkele rij zwarte elzen en vaak langs slootkanten staan. De elzensingel is gevuld met struikgewas in de onderlaag. Elzensingels komen vooral voor in het laagveen-, zand of rivierengebied. Elzensingels zijn van groot belang voor de inheemse flora en fauna. • Alleen gebruik inheems bosplantsoen; • Minimaal 20 stuks plantsoen per 20 meter elzensingel aanplanten; • Aanplant met 2- of 3-jarig bosplantsoen van inheemse soorten; • Afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende elzensingels op een perceel is tenminste 20 meter.

Afbeelding

b.

Laan 50 punten Omschrijving

Per boom Lanen zijn bomenrijen langs wegen en inritten. De wegen of inritten zijn aan beide zijde met een of meerdere rijen bomen beplant. Vooral op landgoederen en

Instap- en Inrichtingseisen

c.

Knotboom 40 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

Afbeelding

buitenplaatsen zijn in het verleden lanen aangeplant. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden voor de weggebruiker en voor de houtproductie. Lanen zijn van belang voor aan oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen en op bomen groeiende mossen en korstmossen. • Alleen gebruik inheemse bomen; • Plantafstand in de rij minimaal 8 en maximaal 12 meter; • Afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; • Aanplant laanbomen met minimale boommaat 10-12 cm;

Per boom Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden gesnoeid. Op deze snoeihoogte ontstaat een vergroeiing van de stam: de knot. Knoteiken worden traditioneel eens in de zeven tot acht jaar geknot, knotessen eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en populieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Knoteiken en knotessen zijn aanwezig op droge gronden. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame mossen en korstmossen herbergen. • Alleen gebruik inheemse bomen; • Plantafstand in de rij minimaal 5 meter en maximaal 25 meter; • Aanplant ‘laanbomen’ met minimale maat 10-12 cm of 3-jarige onbewortelde wilgenstek;

d.

Fruitlaan 40 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

e.

Bomenrij 50 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

f.

solitaire boom 50 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

Per boom Fruitlanen zijn wegen die zijn beplant met één of meerdere rijen fruitbomen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven. Lanen vormen niet zelden de oprit naar landhuis of boerderij. Lanen zijn van belang voor oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. • Alleen gebruik inheemse fruitbomen; • Plantafstand in de rij minimaal 6 en maximaal 10 meter; • Afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; • Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10 cm;

Per boom Bomenrijen zijn vaak beeldbepalende elementen in het landschap. Ook een enkele boom los in het weiland kan deze rol vervullen. Vaak duiden ze iets aan en zijn vroeger geplant als de begeleiding van een weg, sloot of pad. De bomen hebben niet alleen een landschappelijke waarde maar ook waarde als broedgelegenheid voor vogels, of als corridor voor vleermuizen. • Een bomenrij is minimaal 40 meter lang en bestaat uit minimaal 6 bomen per 40 meter. • Los in het veld worden minimaal 4 solitaire bomen geplant. • Alleen gebruik inheemse bomen; • Plantafstand in de rij minimaal 8 en maximaal 12 meter; • Afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; • Aanplant bomen met minimale boommaat 10-12 cm;

Per stuk Solitaire bomen staan min of meer op zichzelf in het landschap en vallen vaak op door hun afmeting en vorm. In de meeste gevallen zijn ze bewust aangeplant als alleenstaande boom. Soms zijn het overblijfselen van verdwenen bosjes. In ieder geval betreft het vaak een imposante verschijning van eik, linde of beuk. • Stam van minimaal 1,50 meter hoog; • Aanplant bomen met minimale boommaat 10-12 cm; • Alleen gebruik inheemse bomen;

g.

Hoogstam boomgaard 40 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

Per boom Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruit- of notenbomen. Hoogstamboomgaarden komen vooral voor als onderdeel van het boerenerf, maar ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak boomgaarden te vinden. Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland. Hoogstamboomgaarden vormen naast hun landschappelijke betekenis ook een belangrijk leefgebied voor diverse diersoorten. • Minimaal 6 bomen; • Stam van minimaal 1,50 meter hoog; • Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha.; • Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10 cm;

Afbeelding

h.

Houtwal 12 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

Houtsingel Per vierkante meter Houtwallen zijn vanuit vroeger vooral aanwezig in het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige landschapselementen hebben een sterke samenhang met het omringende landschap. Ze vormen een belangrijk biotoop voor flora en fauna in het cultuurlandschap en zijn tevens van belang voor de oriëntatie van vleermuizen. • De houtwal en houtsingel zijn minimaal 20 meter lang en minimaal 4 meter breed. • Alleen gebruik inheemse bomen en struiken; • Plantverband van minimaal 1,25 x 1,25 meter of 1,5 x 1 meter en maximaal 2 x 2 meter; • Aanplant met 2- of 3-jarig bosplantsoen van inheemse soorten;

Afbeelding

i.

Struweelrand 12 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

j.

Vogelbosje 12 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

Per vierkante meter Struweelranden bestaan uit ruigtekruiden, struiken of een combinatie van beide. Deze randen kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde situatie, of aangeplant worden. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel vrij kan liggen, als aansluiten op een ander element zoals een houtwal/singel. Struweelranden kunnen ook dienen als overgangsgebied tussen een agrarisch perceel en bos. Ze zijn vooral van belang voor insecten, amfibieën, reptielen, broedvogels en planten. • De rand is minimaal 20 meter lang en minimaal 4 meter breed. • Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door bomen en/of struiken. • In de rand komen minimaal tien inheemse grassen en/of kruiden voor. Om hiertoe te komen mag de rand ook worden ingezaaid met een inheems zaadmengsel.

Per vierkante meter Vogelbosjes zijn vaak te vinden op het erf of op onhandige hoekjes tussen de agrarische percelen. Een vogelbosje is een bosje dat voornamelijk uit struiken bestaat en vaak niet groter is dan 500m². De soorten die in het bosje aangeplant worden, zijn vooral besdragende struiken als meidoorn, Gelderse roos en lijsterbes om vogels aan te trekken. • Een hakhoutbosje is minimaal 40m2 groot. • Alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; • Aanplant met 2- of 3-jarig bosplantsoen van inheemse soorten;

• Afstand tussen 2 nieuwe vogelbosjes op een perceel is tenminste 50 meter. Afbeelding

k.

Knip- of scheerheg 10 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

Per strekkende meter Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Op de droge gronden dienden de heggen veelal als eigendoms- of perceelscheiding. De doornige struiken zoals meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende functie hebben. Met de komst van het prikkeldraad zijn veel heggen uit het landschap verdwenen. Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk. Heggen zijn van belang voor flora en fauna, zo bieden ze schuilmogelijkheden voor diverse diersoorten. • Alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; • Het betreft een element met één- of twee rijen planten; • Plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0,30 cm en maximaal 0,50 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,30 meter en maximaal 0,50 meter; • Aanplant met 2- of 3-jarig bosplantsoen van Nederlandse herkomst; • Mogelijk raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij.

Afbeelding

l.

Struweelhaag 10 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

Per strekkende meter Struweelhagen komen in heel Gelderland voor en er zijn vele lokale varianten doordat de beplantingssoorten kunnen variëren. Een struweelhaag wordt minder frequent gesnoeid en kan daardoor breder uitgroeien. Soms is er sprake van speciale beheervormen zoals vlechtheggen. Struweelhagen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna. • Een struweelhaag is minimaal 20 meter lang en 2 meter breed. • Alleen gebruik inheemse struiken, waarvan 50% bestaat uit doornachtige struiken; • Het betreft een element met één- of twee rijen; • Plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 1 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0.50 cm en maximaal 1,00 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 meter; • Aanplant met 2- of 3-jarig bosplantsoen van inheemse soorten;

Afbeelding

m. Poel en klein 33 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

historisch water Per strekkende meter Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes. Vaak vervulden poelen meerdere functies, onder andere om vee te kunnen laten drinken. Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. • Een poel heeft een wateroppervlak van minimaal 0,5 en maximaal 50 are. • De poel heeft een natuurlijk talud, er is geen gebruik gemaakt van vijverfolie. • Oppervlakte poel gemeten vanaf insteek talud met maaiveld minimaal 150 m2; • Diepte poel maximaal 2,50 meter en de poel heeft een platte bodem; • Taluds minimaal 1:3 (een verticaal hoogteverschil van 1 meter loopt horizontaal gelijkmatig over minimaal 3 meter af; • Grondwaterstand locatie waar poel wordt aangelegd in september niet dieper dan 1,30 cm onder het maaiveld;

Afbeelding

n.

Rietzoom en klein rietperceel 15 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

o.

Natuurvriendelijke over

Per vierkante meter Rietzomen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan een perceel. Een klein rietperceel is een klein vlakvormig element. Vanwege een extensief gebruik zijn rietzomen en kleine rietpercelen een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en eveneens van belang voor amfibieën, insecten en moerasvegetaties. • Een rietzoom bevindt zich langs een bestaande waterloop en bestaat uit riet-, biezen en/of zeggevegetaties met een dominantie van riet. • De rietzoom heeft een breedte van minimaal 1 meter en is minimaal 20 meter lang. • De plasberm wordt uitgegraven tot tussen de 10 en 50 cm onder of 10 cm boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of; • Natte gedeelte van berm wordt aangeplant met rietstekken; 4 stuks per m2.

15 punten Omschrijving

Instap- en Inrichtingseisen

Per vierkante meter Een natuurvriendelijke oever is een verbreding die wordt aangebracht aan een bestaande waterloop. Deze verbreding kan bestaan uit een plas- of drasberm of een flauw talud. De begroeiing bestaat uit plantensoorten van natte ruigten en natte graslanden. Door de kenmerkende flora en fauna hebben deze oevers een hoge ecologische waarde.evoed wordt door grond- en/of regenwater. • De oever heeft een breedte van minimaal 1,5 en maximaal 10 meter en is minimaal 20 meter lang. • De drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde; • Taluds minimaal 1:3 (een verticaal hoogteverschil van 1 meter loopt horizontaal gelijkmatig over minimaal 3 meter af;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4579/documents/27482