Bijlage 2 Quickscan natuurtoets.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Wallichaam bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld
In opdracht van Gemeente Oude IJsselstreek
Colofon Quickscan natuurtoets wallichaam bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Oude IJsselstreek Mevr. L. Knoop
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2584 S.J.J. Wamelink Ing. R. Boerboom 14 april 2023 Plangebied (foto: S.J.J. Wamelink)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande activiteiten ............................................................................................ 5
Beschermde status plangebied .................................................................................... 7 3.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................ 7
3.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 7
3.3
Natura 2000 .......................................................................................................... 9
3.4
Houtopstanden ................................................................................................... 11
Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 12 4.1
Methode ............................................................................................................. 12
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 13
5
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 22
6
Conclusie ................................................................................................................... 27
Bijlagen ............................................................................................................................. 29 Bijlage 1
Impressie plangebied ...................................................................................... 30
Bijlage 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming .......................................................... 31
Bijlage 3
Beschermde plant- en diersoorten................................................................... 39
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande ruimtelijke ontwikkeling, bestaande uit het aanleggen van twee ontsluitingswegen en de uitbreiding van een rotonde bij het bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld, aanvullend onderzoek naar volgende soort(groep)en noodzakelijk is: • • • • • •
Kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel (vaste rust- en verblijfplaatsen) Grote bosmuis (vaste rust- en verblijfplaatsen) Waterspitsmuis (vaste rust- en verblijfplaatsen) Vleermuizen (vliegroute) Kamsalamander en poelkikker (voortplantingswater) Grote vos en grote weerschijnvlinder (leefgebied)
Uit het onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Bij werkzaamheden en activiteiten moet daarnaast altijd rekening worden gehouden met broedvogels. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Nadere toetsing in de vorm van het uitvoeren van een AERIUS-berekening of Natura 2000 Voortoets en/of een vergunningsaanvraag voor beschermde GNN/NNN natuurgebieden is niet aan de orde. Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is ook niet aan de orde. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om bij het bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld twee ontsluitingswegen aan te leggen een bestaande rotonde uit te breiden. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Gemeente Oude IJsselstreek.
Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde veldonderzoek uit op de locatie.
Pagina 3
1
Inleiding en doel
1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Om in te schatten wat het effect van de plannen is op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Indien beschermde soorten verwacht worden is nader onderzoek vereist. Er zijn plannen om bij het bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld twee ontsluitingswegen aan te leggen en een bestaande rotonde uit te breiden. Mevrouw Knoop van Gemeente Oude IJsselstreek is betrokken bij het plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om deze quickscan natuurtoets uit te voeren.
1.2 Doel Het doel van de quickscan is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna en hoe deze schade beperkt of gecompenseerd kan worden. Tijdens de uitvoering van het verkennende natuuronderzoek is het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten planten en dieren op de locatie nagegaan. Op basis van dit onderzoek is bepaald of de geplande activiteiten leiden tot een negatief effect op beschermde natuurgebieden of plant- en diersoorten. Hierbij wordt ook bepaald of nadere toetsing of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming aan de orde is.
Pagina 4
2
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden
2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Bedrijventerrein Hofskamp-Oost (Het VIP) Varsseveld Oude IJsselstreek Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de rand van de bebouwde kom van Varsseveld (zie figuur 1). Het plangebied bestaat uit een wallichaam, een watergang, verharding, bermen, een elzenrij, enkele knotwilgen, een bomenrij en een enkele solitaire zomereik. De watergang grenst aan de westzijde aan de Euroweg. De oeverzone aan deze zijde grenst aan een berm en is matig ontwikkeld met een enkele oever- en waterplant. De oostelijke oeverzone wordt bepaald door wilgen en elzen. De vegetatie op het, aan de watergang grenzende, wallichaam wordt gedomineerd door ruigtekruiden. De bermen langs de rotonde worden intensief beheerd en zijn matig tot slecht ontwikkeld (zie figuur 1 en 2).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied alleen. Dit onderzoeksgebied wordt bepaald door het bedrijventerrein Hofskamp-Oost, agrarische percelen, bosschages, verharding en woonboerderijen (zie figuur 2).
2.4 Geplande activiteiten Men is voornemens om bij het bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld twee ontsluitingswegen aan te leggen en een bestaande rotonde uit te breiden. De verstoringen gerelateerd aan het bouwrijp maken van de drie planlocaties, de bouwfase en de gebruiksfase zullen vooral gelinkt zijn aan het gebruik van zwaar materieel (lawaai, trillingen e.d.) en eventueel kunstlicht, en de blijvende veranderde factoren. En permanente effecten kunnen zijn verlies aan leefgebied, verblijfplaatsen, nesten en verwonden of doden van individuen.
Pagina 5
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rode cirkels). Bron: Provincie Gelderland (2023).
Hofkamp-Oost
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd) en het onderzoeksgebied (gele lijn). Bron: Provincie Gelderland (2023).
Pagina 6
3
Beschermde status plangebied
3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het GNN/NNN. Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats in het GNN/NNN. De kernkwaliteiten van het GNN/NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het
Pagina 7
type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.
3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of GO (zie figuur 3) en ligt buiten overige, op basis van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid aangewezen gebieden met natuurwaarde. Op korte afstand (ca. 200 meter) van het plangebied is een oud bosrestant langs de Boven-Slinge aangewezen als GNN-gebied. Op grotere afstand van het plangebied bevinden zich naast de Boven-Slinge diverse bosschages en oude bosrestanten, waaronder het Leemscherbos, welke zijn aangewezen als GNN-gebied. Grenzend aan de GNN-gebieden zijn ook enkele agrarische percelen en bosschages aangewezen als GO-gebied.
Leemscherbos
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rode stippen) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk, bron: Provincie Gelderland 2023).
Pagina 8
3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als stikstofdepositie, verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten.
3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.3.3 Plangebied Er zijn plannen om bij het bedrijventerrein Hofskamp-Oost in Varsseveld twee ontsluitingswegen aan te leggen en een bestaande rotonde uit te breiden. Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ ligt op ruime afstand van het plangebied, vanaf 11,4 kilometer (zie figuur 4). Overige Nederlandse Natura 2000-gebieden, waaronder de Natura 200-gebieden ‘Bekendelle’, ‘Willinks Weust’ en ‘Wooldse Veen’ liggen op nog ruimere afstand van het plangebied, vanaf ruim 13,5 km. Het dichtstbijzijnde Duitse Natura 2000-gebied ‘Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. und Regnieter Bach’ (niet afgebeeld) ligt op ruim 9,8 kilometer afstand. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht. Er is daardoor geen sprake van oppervlakteverlies, versnippering, verdroging, geluidsverstoring etc. Hooguit kan er sprake zijn van stikstofdepositie. Stikstofdepositie Er is tijdens de uit te voeren werkzaamheden door in te zetten materieel en de verkeersbewegingen sprake van extra stikstofdepositie.
In veel Natura 2000-gebieden, waaronder het ‘Korenburgerveen’, is de overbelasting door stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Daarmee zijn er
Pagina 9
mogelijk negatieve effecten door extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten. Een AERIUS-berekening wordt noodzakelijk geacht. Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hofskamp-Oost fase 3 (Het VIP) zijn in 2020 door architecten- en ingenieursadviesbureau Sweco de effecten van het project op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt (Bestemmingsplan Hofskamp Oost III Varsseveld, onderzoek stikstofdepositie. Projectnummer: 372207. Referentienummer: SWNL0266878). Conclusie van de door Sweco uitgevoerde berekeningen van de stikstofdepositie: •
Aangezien er ten gevolge van de planontwikkeling geen toename van de stikstofdepositie optreedt in de realisatiefase en gebruiksfase zijn significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten op voorhand uit te sluiten.
Verdere berekeningen of een effectbeoordeling op gebied van stikstofdepositie zijn niet noodzakelijk.
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rode stippen) ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000-gebieden (geel). Bron: Natura 2000 Network Viewer (2023).
Pagina 10
3.4
Houtopstanden
3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.
3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.
3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom (zie figuur 1). Van beschermde houtopstanden (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 21 bomen) is binnen het plangebied geen sprake. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook niet aan de orde.
Pagina 11
4
Beschermde soorten plangebied
4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en er is gericht veldonderzoek uitgevoerd.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De NDFF is echter niet vlakdekkend en volledig. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten, uit de afgelopen 10 jaar.
4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
S.J.J. Wamelink
29-03-2023
09:30 uur
Bewolkt, licht motregen, 7 °C, wind 3 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 12
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor het zoekgebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de NDFF vermelde boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Van de wespendief zijn echter uitsluitend overvliegende exemplaren waargenomen zonder binding met de omgeving. Deze soort wordt niet verder behandeld. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •
•
Nationaal beschermde soorten: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, grote bosmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, steenmarter, veldmuis, vos, waterspitsmuis en woelrat1. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis en laatvlieger.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde amfibieënsoorten en een reptielensoort. Het betreft de volgende soorten: • •
Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker (onb.) en kleine watersalamander. Internationaal beschermde soorten: kamsalamander, poelkikker en zandhagedis.
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor het zoekgebied geen melding van het voorkomen van beschermde ongewervelde soorten.
1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de eekhoorn, grote bosmuis, steenmarter en waterspitsmuis, in de
provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina 13
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat uit een wallichaam, een watergang, verharding en bermen. De vegetatie in de oeverzone van de watergang is matig ontwikkeld met een enkele algemene oever- en waterplant als grote waterweegbree, moerasvergeet-mij-nietje, riet en watermunt. De vegetatie op het wallichaam wordt voornamelijk gedomineerd door soorten van voedselrijke (verruigde) omstandigheden als braam spec., fluitenkruid, gewoon speenkruid, grote brandnetel, hartgespan, kleefkruid, paarse dovenetel, vogelmuur en witte dovenetel. De bermen langs de Euroweg, de rotonde bij de N318 en de zandweg zijn matig ontwikkeld met voornamelijk algemene soorten van voedselrijke omstandigheden en een enkele soort van minder voedselrijke omstandigheden als boerenwormkruid, duizendblad, peen en sint-janskruid. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Deze worden in het plangebied ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets.
Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de directe omgeving de volgende vogelsoorten aangetroffen: koolmees, meerkoet, merel, tjiftjaf, wilde eend en zwartkop. Op ruime afstand van het plangebied zijn verder de soorten buizerd, huismus en scholekster waargenomen. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, roek, slechtvalk, sperwer en steenuil, waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied enkele huismussen en een overvliegende buizerd vastgesteld. Boomvalk, buizerd, havik, roek en sperwer Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde boombewonende soorten in het plangebied en in de directe omgeving waargenomen. In de solitaire bomen, knotwilgen, elzenrij en in de groenstructuren langs de watergang zijn geen potentiele nestlocaties voor bovenstaande soorten in de vorm van (oude) kraaien- en eksternesten en roofvogelnesten aanwezig. In één solitaire zomereik bevindt zich wel alleen een (oud) kraaiennest. Dit nest is echter zwaar vervallen en ongeschikt als potentiele nestlocatie voor bijvoorbeeld boomvalk of eventueel ransuil.
Aanwezigheid van een vaste verblijfplaats (nestlocatie) en eventueel essentieel leefgebied voor een jaarrond beschermde boombewonende soort is derhalve uit te sluiten.
Pagina 14
Huismus Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied huismussen, onder andere nabij enkele woonboerderijen aan de Aaltenseweg, waargenomen. Huismussen broeden bijna uitsluitend in bebouwing, zoals onder dakpannen of in andere holtes in gevels van woonhuizen. Door het ontbreken van bebouwing is een vaste rust- en verblijfplaats (nestlocatie) uit te sluiten. Incidenteel gebruik van een enkele foeragerende of rustende huismus is mogelijk. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Grote gele kwikstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde vogelsoort bekend. Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen. Beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. In het plangebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart. Van een essentieel leefgebied is ook geen sprake. Kerkuil en steenuil Vanuit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de kerk- en steenuil bekend (bron: NDFF). Door het ontbreken van bebouwing is een vaste rust- en verblijfplaats (nestlocatie) voor de kerkuil in ieder geval uit te sluiten.
Daarnaast zijn er geen speciale nestkasten voor de steenuil aan solitaire bomen en geschikte en toegankelijke gebouwen (schuren, stallen e.d.) aanwezig. De aanwezige knotwilgen bieden verder ook geen geschikte nestholten voor de steenuil. Aanwezigheid van een vaste verblijfplaats (nestlocatie) voor kerk- en steenuil is derhalve uit te sluiten. Incidenteel kan een foeragerende kerk- en steenuil in het plangebied worden aangetroffen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Ooievaar Tijdens het veldbezoek zijn geen ooievaars aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is niet geschikt als nestlocatie voor deze soort. Sporadisch kan een overvliegend exemplaar boven het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Slechtvalk Nestkasten in hoge gebouwen, oude nesten van roofvogels en kraaien in open agrarisch gebied en hoogspanningsmasten worden door de slechtvalk als nestlocatie gebruikt. Deze locaties ontbreken in het plangebied. Incidenteel gebruik van het plangebied door een overvliegende en jagende slechtvalk is mogelijk. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikte broedgelegenheden.
Pagina 15
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen van mol (hopen) en muizen (holletjes) aangetroffen. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor diverse soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, steenmarter, waterspitsmuis, wezel en diverse (spits)muizensoorten. De aanwezigheid van deze soorten in de omgeving van het plangebied wordt deels bevestigd door de NDFF. Voor bovenstaande soorten geldt, met uitzondering van bunzing, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, waterspitsmuis en wezel, in Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor overige beschermde soorten, waaronder de in de NDFF vermelde grote bosmuis. De NDFF bevestigt de afwezigheid van overige beschermde grondgebonden zoogdieren voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Bunzing, hermelijn en wezel De NDFF maakt geen melding van het voorkomen van kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel voor de omgeving van het plangebied. Omdat de soorten vaak over het hoofd worden gezien en moeilijk zijn te inventariseren en het plangebied wel geschikt leefgebied bevat, zijn deze soorten echter niet op voorhand uit te sluiten.
De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. De overige kleine marterachtigen hermelijn en wezel komen in vergelijkbare landschapstypen voor, maar zijn over het algemeen minder gebonden aan waterrijke gebieden. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor kleine marterachtigen, doordat er sprake is van een halfopen landschap met allerlei verschillende structuren die dekking bieden. Geschikte verblijfplaatsen voor deze soorten zijn aanwezig in de vorm van een wallichaam met (muizen)holletjes, takkenhopen, houtstapels, bosschages, oeverzones en water (zie foto 1 en 2). Foerageergebieden en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen zijn derhalve niet uit te sluiten in het plangebied.
Foto 1. Takkenhoop ter hoogte van de rotonde aan de N318.
Foto 2. Houtstapel op wallichaam, nabij de oeverzone van de watergang.
Pagina 16
Eekhoorn Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoorns waargenomen en in de aanwezige geïnspecteerde bomen zijn geen boomnesten vastgesteld. Door het ontbreken van bomen met eekhoornnesten beperkt het gebruik van het plangebied zich hooguit tot een enkel rondzwervend of foeragerend exemplaar. De aanwezigheid van een vaste verblijfplaats in het plangebied is uit te sluiten. Grote bosmuis Er zijn waarnemingen van de strikt beschermde grote bosmuis bekend uit de omgeving van het plangebied (bron: NDFF). In Nederland kwam de grote bosmuis aanvankelijk alleen voor in Zuid-Limburg en in het uiterste oosten van ons land, waaronder rond Winterswijk. Recent duikt de grote bosmuis echter op steeds meer plekken op en lijkt de soort Nederland in westelijke richting te veroveren (bron: NatureToday). Uit een door zoogdierwerkgroep NJM uitgevoerd muizenonderzoek is gebleken dat rond Winterswijk de grote bosmuis behoorlijk algemeen is (https://www.zoogdiervereniging.nl/nieuws/2008/beast-east). De grote bosmuis komt voor in allerlei soorten biotopen, mits er enige dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. Zo komt hij in Nederland voornamelijk voor in bosranden met weinig ondergroei, parken, braakliggend land en tuinen.
De grote bosmuis bouwt een nest van bladeren en mos als verblijfplaats en bevindt zich meestal onder wortelstronken van grote bomen ondergronds, onder boomstronken of in nestkasten. Ze graven zelden zelf een hol maar gebruiken holen van onder andere mol, konijn, woelmuizen of das. Incidentele waarnemingen zijn verder ook, en dan voornamelijk in de winter, in kleine agrarische opstallen en tuinhuisjes vastgesteld. Het plangebied, en dan specifiek het wallichaam met holten,takkenhopen en houtstapels, is ongeschikt als leefgebied voor de grote bosmuis. Verblijfplaatsen van de grote bosmuis zijn daarom in het plangebied niet uit te sluiten. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats, maar kan met name in de zomer ook verblijven in takkenhopen of dichte struwelen. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Vanuit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van steenmarters bekend (bron: NDFF). Het voorkomen van deze soort kan hier niet uitgesloten worden omdat deze nachtactieve soort een verborgen leven leidt en op bedrijventerreinen (waar mensen voornamelijk overdag actief zijn) makkelijk gemist kan worden.
In het plangebied zijn diverse potentiele verblijfplaatsen (dagrustplaatsen) voor deze soort aanwezig, zoals bosschages, takkenhopen en houtstapels (zie foto 1 en 2). Daarnaast zijn het wallichaam en de oeverzones van de watergang geschikt als jachtgebied voor de steenmarter. Waterspitsmuis Er zijn waarnemingen van de strikt beschermde waterspitsmuis bekend uit de omgeving
Pagina 17
van het plangebied. Dit betreft waarnemingen uit braakbalonderzoek (bron: NDFF). De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water (beken, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt) met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De oostoever van de watergang biedt schuilmogelijkheid waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Waterspitsmuizen maken een nest van gras, bast, wortels en mos in verborgen gelegen holtes, beschutte plekjes of in holen aan de oevers van de oeverzones. Ook maken ze gebruik van holen die door muizen, bruine ratten of woelratten zijn gemaakt. Ze gebruiken de nesten om in te rusten en zich in voort te planten. Dit habitat is lokaal in het plangebied aanwezig (zie foto 3 en 4) en verblijfplaatsen van de waterspitsmuis zijn hier dan ook niet uit te sluiten.
Foto 3. Ruig begroeide oeverzone van de watergang langs de Euroweg. In het direct aangrenzende wallichaam bevinden zich diverse (muizen)holten welke potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor de waterspitsmuis. Tevens geschikt als land- en overwinteringshabitat voor kamsalamander en poelkikker.
Foto 4. Oeverzones van de watergang langs de Euroweg met ruig begroeide oostoever. Geschikt leefgebied voor de waterspitsmuis. Tevens geschikt voortplantingshabitat voor kamsalamander en poelkikker.
Overige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen vaste verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen. Het bronnenonderzoek bevestigt daarnaast de afwezigheid van overige beschermde grondgebonden zoogdieren voor de omgeving van het plangebied. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Een verblijfplaats van een gebouwbewonende soort als de gewone dwergvleermuis is hier dan ook uit te sluiten. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied zijn voornamelijk bomen van beperkte omvang aanwezig, alsmede
Pagina 18
enkele oude knotwilgen en een enkele solitaire forse zomereik. Geen van deze bomen bevatten geschikte holtes of loszittende schors. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden derhalve niet verwacht in het plangebied. Op enige afstand van het plangebied, nabij de Boven-Slinge, bevinden zich diverse bosschages en bospercelen, waarvoor niet kan worden uitgesloten dat zich hier bomen bevinden met holten of spleten die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Vliegroutes en foerageergebied(en) Zowel de watergang als de in het plangebied aanwezige bosschages en wallichaam zijn geschikt als foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen. Bovendien kunnen deze elementen fungeren als vliegroute. Aanwezigheid van (essentieel) foerageergebied en/of een vliegroute is niet uit te sluiten. Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen, maar deze zijn deels nog in winterrust op het moment van het veldbezoek. De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker (onb.), kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Open water in de vorm van een watergang is in het plangebied aanwezig en voortplanting van genoemde amfibieënsoorten wordt in het plangebied verwacht. Het plangebied is verder geschikt als landbiotoop.
Uitgezonderd kamsalamander en poelkikker geldt voor de overige aangetroffen amfibieënsoorten in de provincie Gelderland een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Kamsalamander en poelkikker De kamsalamander heeft een voorkeur voor relatief grote, diepe en stilstaande, licht voedselrijke wateren. Die wateren zijn tenminste gedeeltelijk begroeid met waterplanten, niet verontreinigd en bevatten gewoonlijk geen vis. De kamsalamander verkiest als landhabitat kleinschalige landschapselementen, zoals hagen, houtwallen, rijen knotbomen, en vochtige bosjes. De soort overwintert meestal op land, onder boomstammen, stenen, puin en in ondergrondse holen. Met name jonge dieren kunnen afstanden tot circa 1 kilometer per jaar afleggen (bron: RAVON). Poelkikkers prefereren voedselarm en schoon water, waar weinig schaduw is en veel oeverbegroeiing (bron: RAVON). Het landhabitat van poelkikkers bestaat meestal uit heide, veen of grasland. De vegetatie in en langs de watergang is redelijk ontwikkeld met drijvende en ondergedoken waterplanten als grote waterweegbree, moerasvergeet-mij-nietje en watermunt, evenals in het water liggend gras, bladeren van riet en bomen (zie foto 3 en 4). Deze plekken zijn voor de kamsalamander geschikt als substraat voor de eitjes en als schuilplaats tegen predatoren.
De oostelijke oeverzone, met lokaal een oeverbegroeiing van riet, is door de aanwezigheid van elzen en wilgen licht beschaduwd en daarmee potentieel geschikt als voortplantingslocatie voor zowel kamsalamander als poelkikker.
Pagina 19
Geschikte landhabitat voor beide amfibieënsoorten in de vorm van een wallichaam met ruigte en bosschages grenst direct aan de watergang. Aanwezigheid van (essentieel) leefgebied voor kamsalamander en poelkikker is niet uit te sluiten. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Deze zijn echter ook in winterrust op het moment van het veldbezoek. De NDFF meldt de strikt beschermde zandhagedis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Zandhagedis De NDFF meldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de strikt beschermde zandhagedis. De soort heeft zijn leefgebied sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. In het binnenland wordt hij vooral aangetroffen in droge struikheideterreinen met zonnige, onbegroeide zandige plekken. Er zijn geen waarnemingen bekend van de zandhagedis in het plangebied of in direct aangrenzende delen. De dichtstbijzijnde waarnemingen van de zandhagedis zijn gedaan op circa 500 meter ten zuiden van het plangebied (spoorlijn Arnhem-Winterswijk). In het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig. Vissen De watergang is geschikt als leefgebied voor een enkele algemene vissoort, zoals baars, blankvoorn, driedoornige stekelbaars, snoek en tiendoornige stekelbaars.
Beschermde vissoorten, als de wijd in de omgeving aangetroffen grote modderkruiper, worden hier niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Ongewervelde dieren Uit het onderzoeksgebied zijn geen waarnemingen van de beschermde ongewervelde dieren bekend geworden (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn ook geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen, maar deze zijn echter op het moment van onderzoek (maart) ook grotendeels niet actief. Grote vos en grote weerschijnvlinder Beide dagvlindersoorten zijn in de wijde omgeving onder andere waargenomen in het natuurgebied Aaltense Goor bij Aalten en op het Landgoed Slangenburg bij Doetinchem. Waardplanten waarop de rupsen van de grote vos worden aangetroffen zijn iep, zoete kers, breedbladige wilgensoorten, ratelpopulier en peer. De waardplant van de grote weerschijnvlinder is vooral boswilg, verder worden ook wel eens andere wilgen gebruikt, zoals de grauwe wilg. Deze bomen staan bij voorkeur op een open maar beschutte plaats in of bij bossen. Op de overgang van de watergang en het wallichaam staan diverse breedbladige wilgensoorten als boswilg en grauwe wilg en een enkele ratelpopulier (zie
Pagina 20
foto 5 en 6). Het is derhalve niet uitgesloten dat de grote vos en/of grote weerschijnvlinder zich voortplant in het plangebied.
Foto 5. Wallichaam met diverse wilgenbomen, waaronder boswilg en schietwilg in de oeverzone van de aangrenzende watergang. Geschikt leefgebied voor grote vos en grote weerschijnvlinder.
Foto 6. Oeverzone van de watergang met diverse wilgenbomen, waaronder boswilg, en een enkele ratelpopulier. Geschikt leefgebied voor grote vos en grote weerschijnvlinder.
Pagina 21
5
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd (zie bijlage 3). In hoofdstuk 4 is vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie en is bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. In dit hoofdstuk worden deze effecten getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend geworden uit het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep is niet toegestaan.
Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Omdat niet alle vogelsoorten op hetzelfde moment broeden en omdat dit mede afhankelijk is van de weersomstandigheden is er geen vaste broedperiode vastgesteld. Er zijn voorbeelden van vroege broeders zoals de blauwe reiger en de bosuil. Deze broeden vaak al in februari. Daarnaast broeden soorten als houtduif en meerkoet vaak nog tot in augustus. Activiteiten
Pagina 22
mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels, verstoord worden. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden. Indien de werkzaamheden niet geheel buiten het broedseizoen uitgevoerd kunnen worden, moet vestiging van broedvogels voorkomen worden, bijvoorbeeld door de werkzaamheden te starten voor aanvang van het broedseizoen of door het kort maaien van vegetaties, snoeien/afzetten van groenstructuren e.d. Deze maatregelen worden bij voorkeur onder ecologische begeleiding uitgevoerd. Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn Het plangebied is ongeschikt als nestlocatie voor vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, zoals de uit de omgeving bekende boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, roek, slechtvalk, sperwer en steenuil, vanwege het ontbreken van geschikte nestlocaties. Het plangebied behoort ook niet tot het essentieel leefgebied van deze of overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Incidenteel gebruik van het plangebied door één van de genoemde soorten is mogelijk. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen van mol (hopen) en muizen (holletjes) aangetroffen.
Het plangebied is geschikt als leefgebied voor diverse soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, vos, steenmarter, waterspitsmuis, wezel en diverse (spits)muizensoorten. Voor bovenstaande soorten geldt, met uitzondering van bunzing, hermelijn, steenmarter, waterspitsmuis en wezel, in Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bunzing, hermelijn en wezel Vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn of wezel kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Door de aanleg van de twee ontsluitingswegen en uitbreiding van een bestaande rotonde is mogelijk sprake van verstoring of fysieke aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats van een kleine marterachtige. Gericht onderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen is derhalve noodzakelijk. Hiervoor zal een inventarisatie uitgevoerd worden middels de richtlijnen zoals opgesteld in het document ‘Toelichting aanvraag soorten 22 juni 2021’ (provincie Gelderland). De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige elementen die in het deelgebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden gaat uitvoeren.
Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen wordt bepaald aan de hand van het aantal aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft. Het onderzoek wordt bij voorkeur verricht in de periode waarop de dieren het meest actief zijn, te weten van maart tot en met augustus, daarvoor wordt de apparatuur minimaal zes weken in het gebied geplaatst en gecontroleerd. Buiten deze periode dient dit minimaal 12 weken te zijn. De inventarisatiemiddelen dienen gedurende de looptijd van het onderzoek
Pagina 23
ingezet te worden in de aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen, zoals bij takkenrillen, houtstapels en een wallichaam met diverse muizenholen. Om de aanwezigheid vast te stellen moet gebruik gemaakt worden van een combinatie van de volgende methoden: • •
Cameraval met lokmiddel voor specifiek bunzing en mogelijk hermelijn en wezel. Marterbox (type ‘Mostela’) voor hermelijn, wezel en mogelijk bunzing.
Steenmarter Het voorkomen van de beschermde steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. In het plangebied is mogelijk sprake van een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter. Nader onderzoek naar het voorkomen van de steenmarter is noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van een vaste rust- en verblijfplaats. Hiervoor worden cameravallen geplaatst in de periode waarop de steenmarter het meest actief is, te weten van medio april t/m augustus. Grote bosmuis Uit de NDFF blijkt dat de grote bosmuis waargenomen is in de omgeving van het plangebied. In het plangebied is potentieel geschikt leefgebied voor de grote bosmuis in de vorm van een wallichaam met holten, struiken, ruigtevegetaties, takkenhopen en houtstapels aanwezig. Verblijfplaatsen van de grote bosmuis kunnen hier onder andere in stapels takkenhopen, muizenholen en boomwortels verwacht worden. Het is niet uit te sluiten dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de grote bosmuis. Om de aanwezigheid van de grote bosmuis aan te tonen zal het aanvullend onderzoek uitgevoerd dienen te worden met behulp van live-traps. Hiermee worden kleine zoogdieren, zoals de grote bosmuis, levend gevangen, zodat ze na het onderzoek weer in vrijheid kunnen worden gesteld.
Waterspitsmuis Van de waterspitsmuis zijn de vaste verblijfplaatsen en het essentieel leefgebied beschermd. Door de aanleg van de twee ontsluitingswegen kan leefgebied van waterspitsmuis worden aangetast. Ook kunnen exemplaren worden gedood en/of verwond. Nader onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van de aanwezigheid van de waterspitsmuis. De aan- of afwezigheid van waterspitsmuis binnen het plangebied kan bepaald worden door middel van eDNA-onderzoek (environmental DNA). Dit is de meest betrouwbare manier om de aan- of afwezigheid van de waterspitsmuis te bepalen, omdat de soort een lage detectiekans heeft via regulier onderzoek, bijvoorbeeld met life-traps. Bij eDNA-onderzoek wordt de aanwezigheid van een soort bepaald door los DNA (bijv. haar, huidcellen, uitwerpselen) van de betreffende soort te detecteren. Ook zeer kleine hoeveelheden DNA kunnen zo worden gedetecteerd. Daarnaast is eDNA-onderzoek minder arbeidsintensief en minder verstorend dan onderzoek met vallen.
Pagina 24
Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging VZZ. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen is niet noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen is niet noodzakelijk. 3. Zijn de struiken, gewassen, boom (bomen) mogelijk een essentieel onderdeel van een mogelijke route/verbinding of foerageergebied? Ja → Nader onderzoek naar foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen is noodzakelijk. Het plangebied is geschikt als (essentieel) foerageergebied en vliegroute voor diverse vleermuissoorten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk. Hiervoor dienen 2 avondronden in de periode 15 april - 15 september, waarvan één avondronde in de kraamperiode (15 mei – 15 juli), uitgevoerd te worden. Amfibieën In het plangebied kunnen diverse soorten amfibieën worden verwacht.
Voor een deel van de te verwachten amfibieënsoorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker (onb.) en kleine watersalamander geldt in de provincie Gelderland automatisch de vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen van toepassing. Deze vrijstelling geldt niet voor de eveneens te verwachten strikt beschermde kamsalamander en poelkikker. Kamsalamander en poelkikker Binnen het plangebied is geschikt voortplantingswater voor kamsalamander en poelkikker aanwezig in de vorm van een watergang. Het deels aantasten van deze watergang leidt mogelijk tot vernietiging van voortplantingshabitat, dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het direct aangrenzende wallichaam geschikt als landen overwinteringshabitat voor beide amfibieënsoorten. Door de aanleg van de twee ontsluitingswegen wordt het leefgebied aangetast (met name door oppervlakteverlies en barrièrewerking). Daarnaast is er tijdens de werkzaamheden risico op schade aan individuen. Indien negatieve effecten op deze soort niet te voorkomen zijn, bijvoorbeeld door een aangepast inrichtingsplan en een aangepaste werkwijze, dient ontheffing
Pagina 25
aangevraagd te worden en dienen mitigerende en compenserende maatregelen getroffen te worden. De aan- of afwezigheid van de kamsalamander in de watergang (voortplanting) kan door middel van e-DNA-onderzoek in de periode maart-september aangetoond worden. Om vast te stellen of de poelkikker aanwezig is moeten twee avondbezoeken in de periode 1 mei – 30 juni uitgevoerd worden. Tijdens de avondbezoeken wordt er geluisterd naar kooractiviteit van de poelkikker. Ongewervelde dieren Het voorkomen van de strikt beschermde grote vos en grote weerschijnvlinder is niet op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk op te bepalen of deze soorten voorkomen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen. Grote vos en grote weerschijnvlinder Om de aan- of afwezigheid van beide dagvlindersoorten aan te tonen is de onderzoeksinspanning bepaald aan het gedrag van deze soort. Het aantal vlinders op de bekende vliegplaatsen van zowel de grote vos als de grote weerschijnvlinder is laag. Om de trefkans te vergroten en hiermee de aanwezigheid aan te tonen moeten drie veldbezoeken in de periode mei-augustus uitgevoerd worden. In deze perioden zijn zowel de rupsen van de grote vos als de grote weerschijnvlinder op de waardplanten/bomen als imago’s aan te treffen.
Pagina 26
6
Conclusie
Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt buiten het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast. Er hoeft derhalve geen verdere toetsing uitgevoerd worden. Natura 2000 Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hofskamp-Oost fase 3 (Het VIP) zijn de effecten van het project op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Uit de door Sweco uitgevoerde berekeningen is geconcludeerd dat er geen toename van de stikstofdepositie optreedt in de realisatiefase en gebruiksfase en significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten op voorhand uit te sluiten zijn. Ook negatieve effecten door overige verstoringsfactoren als oppervlakteverlies, geluid, licht zijn niet aan de orde. Nadere effectbeoordeling of vergunningsaanvraag is niet noodzakelijk. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Beschermde soorten Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de volgende soort(groep)en: • • • • • • • •
Kleine marterachtigen: bunzing, hermelijn en wezel Grote bosmuis Waterspitsmuis Vleermuizen (vliegroute) Kamsalamander Poelkikker Grote vos Grote weerschijnvlinder
Broedvogels Er moet rekening worden gehouden met (overige) broedvogels. Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden.
Pagina 27
Zorgplicht Bij werkzaamheden en activiteiten dient in het kader van de zorgplicht rekening te worden gehouden met kwetsbare en niet mobiele soorten, zoals egel en amfibieën. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden aan de watergang en het wallichaam uit te voeren aan de hand van een ecologisch werkprotocol.
Pagina 28
Bijlagen 1 2 3
Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten
Pagina 29
Bijlage 1 Impressie plangebied Locatie ‘uitbreiding rotonde N318 – Euroweg’
Locatie ‘aanleg van ontsluitingsweg (zuid)’
Locatie ‘aanleg van ontsluitingsweg (noord)’
Pagina 30
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 31
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 32
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.