CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2. overzicht huidige en gewijzigde artikelen verordening Sociaal Domein 2022.pdf

Raadsvergadering 20 januari 2022, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 1: Wijziging verordening sociaal domein11.442 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Overzicht wijzigingen herijking Verordening Sociaal Domein 2021 Versie 07-12-2021

1.Woordenlijst Artikel woordenlij st

(algemeen)

Voorstel De woordenlijst is tekstueel nagelopen en geactualiseerd. Zo is de term uitkering vervangen door gemeentelijke inkomensvoorziening en uitkeringsgerechtigde vervangen door inwoner.

3. de hulpvraag (algemeen) Artikel Algemee n 3.2.3.B

Voorstel Huidige verordening Toelichting De artikelen die betrekking hebben op de Pw, IOAW en IOAZ zijn tekstueel nagelopen en geactualiseerd. Zo is de term gemeente indien van toepassing vervangen door de term medewerker (=gemeenbte, Buurtzorgjong en STOER). Inhoud gesprek Inhoud gesprek Doel van het gesprek is om samen met de inwoner een goed beeld te krijgen van de behoefte van de inwoner met betrekking tot inkomen en arbeidsinschakeling, zijn persoonlijke situatie, de (on)mogelijkheden van de inwoner en zijn omgeving om zelf bij te dragen aan de oplossing van het probleem en de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren.

1. Tijdens het gesprek wordt de vraag van de inwoner verder verkend. Het gesprek is de triage. Daarbij wordt in ieder geval aandacht besteed aan de reden waarom de inwoner naar STOER is gekomen, welke ondersteuning de inwoner denkt nodig te hebben en welke ondersteuning STOER kan bieden 2. Als de vraag betrekking heeft op ondersteuning bij arbeidsinschakeling wordt tijdens het gesprek gekomen tot een eerste beeld van een realistische baan, arbeidsgerelateerde beperkingen, de stappen die gezet moeten worden om daar te komen en het samen bepalen van een eerste haalbaar doel; 3. Als de vraag betrekking heeft op inkomensondersteuning, wordt door de gemeente gestart met hetgeen beschreven is bij arbeidsinschakeling vervolgens wordt ingezoomd op de financiële aspecten (inkomen, schulden, bijzondere bijstand, vermogen en gezinsomstandigheden) zodat het mogelijk is om op basis van hetgeen de inwoner aangeeft, door de gemeente een eerste inschatting van het recht op uitkering te maken. 4. In beide gevallen wordt daarnaast gevraagd of de inwoner nog vragen heeft op andere leefgebieden en worden de mogelijkheden voor bijzondere bijstand bekeken. 5. Specifiek wordt gekeken naar: a. de mate van beheersing van de Nederlandse taal; b. de documenten die nodig zijn om de aanvraag af te kunnen handelen; c.

wederzijdse verwachtingen: wat kan de inwoner van STOER verwachten en wat verwachten wij van de inwoner; d. het feit of jongeren (tot 27 jaar): i. voldoende startkwalificatie hebben en/of een opleiding kunnen volgen ii. voldoende middelen hebben om de verplichte wachtperiode van 4 weken (art 41 lid 4 Pw) te overbruggen.

Aangepast conform Loopbaanbegeleiding.

uitkomst

bespreking

thema

1.

7.Werk en Participatie Loopbaanbegeleiding) Artikel inleidin g

Voorstel STOER geeft namens de gemeente Oude IJsselstreek uitvoering aan een aantal activiteiten die behoren tot de werkzaamheden op grond van de Participatiewet. Zij doet dit binnen de visie die beschreven is in de Transformatie in de kijk op werk. De gemeente Oude IJsselstreek voert binnen deze visie, een aantal activiteiten uit die conform de huidige Participatiewet aan een gemeente zijn voorbehouden. Onze dienstverlening kent de volgende uitgangspunten: Wij werken vanuit het gezichtspunt van de inwoners Werken vanuit het gezichtspunt en de logica van de inwoners betekent, dat we aansluiten op hun leven en het lokale zorgnetwerk. Ook willen we compleet werken: behalve de Participatiewet kunnen ook schuldhulpverlening, de Wmo en Jeugdhulp oplossingen geven. Dit betekent ook dat een inwoner altijd een beroep kan doen op ons voor ondersteuning. Het maakt niet uit of iemand wel of niet tot de “doelgroep” behoort. Bij de inzet van voorzieningen zoals beschreven in dit hoofdstuk, houden we wel rekening met de geldende wetgeving en financiën. Wij schenken veel aandacht aan de bejegening van onze inwoners Dit betekent voor ons werken vanuit vertrouwen, ons “gezond Achterhoeks verstand” en een positieve grondhouding. Voor ons is ieder mens waardevol en heeft recht op een respectvolle ontvangst. We noemen dat bejegening.

Wij willen dat onze inwoners zich gehoord, gezien en welkom voelen wanneer ze contact met ons hebben.

(thema

Huidige verordening STOER geeft namens de gemeente Oude IJsselstreek uitvoering aan een aantal activiteiten die behoren tot de werkzaamheden op grond van de Participatiewet. Zij doet dit binnen de visie die beschreven is in de Transformatie in de kijk op werk. De gemeente Oude IJsselstreek voert binnen deze visie, een aantal activiteiten uit die conform de huidige Participatiewet aan een gemeente zijn voorbehouden. Onze dienstverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

1.

Toelichting Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

 Wij werken vanuit het inwonersperspectief Dit betekent dat wij onze bedrijfsprocessen zodanig inrichten dat zij aansluiten bij de logica van onze inwoners. Door te werken vanuit het inwonersperspectief sluiten we aan op de leefwereld van onze inwoners en op het lokale zorgnetwerk. Dit betekent ook dat wij kiezen voor een integrale manier van werken waarbij ook aandacht is voor bijvoorbeeld schulddienstverlening en de Wmo en de Jeugdhulp. Wij schenken veel aandacht aan de bejegening van onze inwoners Dit betekent voor ons werken vanuit een positieve grondhouding en vanuit vertrouwen. Voor ons is ieder mens waardevol en heeft recht op een respectvolle bejegening op basis van vertrouwen. Wij willen dat onze inwoners zich gehoord, gezien en welkom voelen wanneer ze contact met ons hebben bij de uitvoering van de Participatiewet. Daarom werken we vanuit gastvrijheid. Gastvrijheid is de kunst om mensen zich welkom te laten voelen. Wanneer je te gast bent, word je als uniek mens gezien die welkom wordt geheten en waarvoor oprechte aandacht is 

We kennen onze inwoner Onze ervaring is dat mensen in beweging komen en blijven op het moment dat er aandacht is voor hen als persoon en hun omstandigheden. Daarom helpen we de inwoner bij het in kaart brengen van zijn kansen en mogelijkheden. We ondersteunen bij het opstellen van een persoonlijk ontwikkelplan en begeleiden daarna de vervolgstappen. De werkgever geeft werk en wij faciliteren Wij geloven dat starten met werk de juiste volgorde is. Van daaruit gaan we kijken wat er nodig is om dat werk te behouden en om verder te ontwikkelen. Werk kan in dit kader voor de één een betaalde baan zijn en voor de ander een vorm van dagbesteding. Wij zien voor onszelf met name een rol weggelegd in het met elkaar in contact brengen van de Pagina 2 van 21

werkzoekende inwoner en werkgever. Samen met de werkgever en de inwoner overbruggen we het verschil tussen de benodigde en de aanwezige kwaliteiten van de inwoner. We stimuleren de inwoner om zich te ontwikkelen en indien nodig faciliteren we dat. Werk moet lonen Inzet dient beloond te worden. Bij belonen gaat het voor een deel om financieel voordeel, maar nog meer gaat het om de waardering. Kansen voor persoonlijke ontwikkeling horen bij deze beloning. We blijven de voortgang volgen ook als de inkomensvoorziening beëindigd is Dit betekent dat we met de inwoner (en eventueel de werkgever) afspraken maken. Nadat de inkomensvoorziening is gestopt, blijven we in contact om te kijken hoe het gaat op de werkplek. Indien nodig helpen we door de inzet van voorzieningen zoals beschreven in dit hoofdstuk. De werkgever is daar eerst verantwoordelijk voor. Wederkerigheid in plaats van tegenprestatie Wij gaan ervan uit dat mensen waarde toevoegen omdat ze waardevol zijn. Dus vragen wij van onze inwoners dat zij maatschappelijk actief zijn. We doen dat vanuit een positieve gedachte en niet als een soort straf voor het hebben van een inkomensvoorziening. Daarnaast verwachten we van werkgevers dat zij zich ook Inspannen om onze inwoners op te nemen in hun organisatie.

We staan in verbinding met onze omgeving Dit betekent dat we de inwoner niet alleen benaderen vanuit een “Participatiewet bril” maar breder kijken en indien nodig onze kennis, ervaring en voorzieningen inzetten voor inwoners die niet vallen onder de doelgroep van de Participatiewet.

7.1.

Voor wie

Voor wie

De medewerkers helpen de volgende inwoners: a. Inwoners met een gemeentelijke inkomensvoorziening. b. Inwoners met een indicatie voor beschut werk en/of opgenomen in het Doelgroepregister. c. Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per situatie beoordeelt de medewerker of er ondersteuning wordt gegeven. d. Jongeren tot 27 jaar die geen werk en/of uitkering en geen diploma’s hebben. De medewerker helpt hen een passende (geschikte) opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg. e. Inwoners die direct voorafgaand aan het dienstverband een gemeentelijke inkomensvoorziening ontvingen.

De gemeente helpt de volgende groepen inwoners op weg naar werk: a. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden. b. Inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven. c. Jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen diploma’s hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

Pagina 3 van 21

7.2.

Inzet voorzieningen loopbaanbegeleiding 1. De medewerker bekijkt per inwoner welke ondersteuning nodig is. Daar hoort bij de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. 2. De medewerker biedt begeleiding door professionals. Samen met de inwoner wordt bekeken wat nodig is, wordt de inwoner begeleid en worden aanvullende voorzieningen ingezet als dat nodig is. 3. Soms is een aanvullende voorziening nodig. Dan beoordeelt de medewerker welke voorziening ingezet wordt en voor hoe lang. Daarbij kijkt de medewerker naar verschillende dingen zoals de omstandigheden van de inwoner en zijn mogelijkheden. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met zaken zoals de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget. 4. In een loopbaanplan legt de medewerker vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt.

7.2.1.

2.

3.

7.2.3.

1. De gemeente bekijkt per inwoner welke hulp nodig is. De gemeente zet passende voorzieningen in. Voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan zijn er mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Daarbij hoort ook de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. 2. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. De gemeente bepaalt welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar verschillende dingen: de omstandigheden van de inwoner, zijn mogelijkheden en eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget. 3. In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

De huidige verordening kent dit artikel niet.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

Werkgeversarrangementen 1.

7.2.2.

Voorzieningen-werk

De gemeente kan met een of meerdere werkgevers tegelijk, arrangementen sluiten. In een arrangement wordt vastgelegd wat de gemeente en de werkgevers gaan doen om te zorgen dat inwoners een dienstverband krijgen en hoe de kosten betaald worden. Het doel van deze arrangementen is, door goede samenwerking en bundeling van krachten en middelen, werk voor inwoners mogelijk te maken.

Detacheringsbaan

7.2.3 Detacheringsbaan

1. De inwoner kan via STOER of een andere organisatie werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen STOER, de werkgever, de andere organisatie en de inwoner. 2. Het doel van een detacheringsbaan is, dat de inwoner na afloop in dienst komt van de werkgever. 3. Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Verdringing betekent dat door de detacheringsbaan iemand anders een baan verliest. Ook moet het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met een andere organisatie.

1. De gemeente kan een inwoner via een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever, de andere organisatie en de inwoner. 2. Het doel van een detacheringsbaan is dat de inwoner na afloop in dienst komt van de werkgever. 3. Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisatie.

Hulp op de werkplek van een jobcoach

7.2.7 Hulp op de werkplek van een jobcoach

1.

2.

De medewerker kan een inwoner een jobcoach aanbieden. De medewerker kan ook de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen

1. De gemeente kan een inwoner een jobcoach aanbieden of de werkgever daarvoor een vergoeding geven als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 2. Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

Pagina 4 van 21

3. 4.

7.2.4.

Wettelijke loonkostensubsidie 1. 2.

3.

7.2.5.

2.

3. 4.

De medewerker kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke loonkostenondersteuning geven. Het doel van deze ondersteuning is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen. De extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden zo vergoed. De hoogte van de loonkostenondersteuning wordt in afstemming met de inwoner en de werkgever bepaald. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

3. De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet en legt dit vast in een overeenkomst met de werkgever.

7.2.11 Wettelijke loonkostensubsidie (langdurend) 1. De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. 3. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

7.2.9 Tijdelijke loonkostensubsidie 1. De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke loonkostensubsidie geven. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. 3. De loonkostensubsidie wordt individueel bepaald, maar bedraagt maximaal 50% van het wettelijk minimumloon per maand. 4. De loonkostensubsidie wordt voor de duur van maximaal zes maanden verstrekt, maar kan met een periode van maximaal zes maanden worden verlengd. 5. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 6. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

De huidige verordening kent dit artikel niet.

Opgesteld conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

Werkplekaanpassing 1.

2. 3. 7.2.7.

De medewerker geeft de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen. De subsidie geeft werkgevers een vergoeding voor productieverlies. De medewerker stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), wordt een erkende methode toegepast. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op deze loonwaarde afgestemd.

Loonkostenondersteuning 1.

7.2.6.

zijn werk goed te doen. De medewerker spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet en legt dit vast in een overeenkomst met de werkgever. De gemeente kan ten aanzien van de vergoeding aan de werkgever, regels stellen. Deze regels gaan over de hoogte van de vergoeding en de kwaliteit van de begeleiding.

De medewerker kan een werkgever die met een inwoner een dienstverband aangaat, één keer een vergoeding geven voor de kosten die er nodig zijn om de werkplek geschikt te maken voor de persoon. Een vergoeding wordt niet gegeven als er een andere regeling is die deze kosten kan vergoeden. De gemeente kan nadere regels stellen.

Scholing

7.2.4 Scholing Pagina 5 van 21

1. 2.

7.2,8

De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar passend werk. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De gemeente doet dit in afstemming met de inwoner en de werkgever.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

De huidige verordening kent dit artikel niet.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding m.u.v. lid 3. Vanuit de praktijk kwam het verzoek om ook een proefplaatsing in te kunnen zetten bij kortere dienstverbanden. Vandaar dat voorgesteld wordt de verplichting tot het aangaan van een dienstverband van 6 maanden of langer te laten vervallen.

Proefplaatsing 1.

2.

3.

4.

De medewerker kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. Dit kan met behoud van gemeentelijke inkomensvoorziening. We noemen dat een proefplaatsing. Het doel van de proefplaatsing is om de werkgever en de inwoner een beeld te laten krijgen van het werk en antwoord te krijgen op de vraag of de baan geschikt is voor de inwoner. Het medewerker biedt de proefplaatsing alleen aan als de werkgever de inwoner goed begeleidt- en de intentie uitspreekt om de inwoner na een geslaagde proefplaatsing een arbeidsovereenkomst aan te bieden. In een schriftelijke overeenkomst tussen de medewerker, de inwoner en de werkgever wordt in ieder geval opgeschreven: b. het doel van de proefplaatsing; c. de startdatum; d. de duur; e. het aantal uren werk per week; f. de wijze van begeleiding; g. de intentie van de werkgever om de inwoner een arbeidsovereenkomst aan te bieden.

---

7.2.9.

1. De gemeente kan een inwoner van 27 jaar of ouder scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar passend werk. De scholing moet passen bij de capaciteiten van de inwoner. 2. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing.

Het artikel kan verder tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

7.2.8 No-risk polis Niet opgenomen in de nieuwe verordening omdat dit een landelijke regeling betreft waar de gemeente geen beleidsvrijheid of zeggenschap over heeft.

1. De gemeente kan een werkgever een no-riskpolis aanbieden voor een inwoner die bij de werkgever gaat werken. 2. Het doel van de no-riskpolis is dat de werkgever de loonkosten niet zelf hoeft te betalen als de werknemer ziek wordt. 3. De gemeente bepaalt de voorwaarden van de no-riskpolis.

Werkervaringsplaats

7.2.1 Werkervaringsplaats

1. 2.

3.

4.

De medewerker kan een inwoner een werkervaringsplaats aanbieden. Het doel van een werkervaringsplaats is om de inwoner arbeidsritme en werkervaring op te laten doen. Ook leert de inwoner (weer) functioneren in een arbeidsrelatie en zijn taalvaardigheden te verbeteren. De medewerker biedt de werkervaringsplaats alleen aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed. Ook mag er geen verdringing van vrijwilligers en/of betaalde arbeid zijn. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval

1. De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden. 2. Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring, het leren functioneren in een arbeidsrelatie of het behouden van arbeidsritme. 3. De gemeente plaatst de inwoner uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing van betaalde arbeid plaatsvindt. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

Pagina 6 van 21

vastgelegd: a. het doel van de werkervaringsplaats, b. de duur van de werkervaringsplaats, c. de evaluatiemomenten, en d. de manier waarop er begeleid wordt. 7.2.10.

Beschut werk 1.

2.

3.

4.

7.2.11.

De UWV kan vaststellen of een inwoner een aangepaste werkplek en aangepast werk nodig heeft. De medewerker biedt een inwoner vervolgens een beschutte werkplek aan. Dat is een werkplek die is aangepast aan de mogelijkheden van de medewerker. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. Het doel van beschut werk is om inwoners een veilige werkplek te bieden. Die werkplek is veilig gemaakt voor werknemers die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken. De medewerker biedt de volgende mogelijkheden aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. afbakening van taken; c. aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. De medewerker kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende mogelijkheden: a. Hulp bij het invullen van de dag; b. Sociale activiteiten; c. Scholing, en; d. Hulp bij schulden.

Opstartpremie 1.

De inwoner van 27 jaar of ouder die betaald werk gaat verrichten, heeft per dienstverband recht op een opstartpremie. 2. De premie is 250 euro. Het maakt niet uit hoeveel uren de inwoner werkt of hoe lang het dienstverband duurt. 3. De premie kan maximaal een keer per 12 maanden worden gegeven.

7.2.12

vastgelegd: a. het doel van de werkervaringsplaats, en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

7.2.6 Beschut werk 1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 2. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. 3. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 4. De gemeente bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

7.2.10 Uitstroompremie 1. De gemeente kan aan een inwoner van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een premie verstrekken om daarmee de uitstroom uit de uitkering te stimuleren. 2. De gemeente stelt – als tot verstrekking van premies bedoeld in het eerste lid wordt overgegaan – bij uitvoeringsbesluit nadere regels met betrekking tot de activiteiten die voor een premie in aanmerking komen, de hoogte van de premie en de voorwaarden waaronder deze worden toegekend.

Participatieplaats

7.2.5 Participatieplaats

1. De medewerker kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de medewerker, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht.

1. De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

Wijkt af van de uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Voorgesteld was om de Participatieplaats niet op te nemen in de nieuwe verordening omdat die niet wordt ingezet. De Participatiewet kent echter de verplichting om de hoogte van de premie in de verordening vast te stellen. Vandaar dat voorgesteld wordt het artikel alsnog terug op te nemen.

Pagina 7 van 21

7.3.

3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De inwoner kan na iedere zes maanden een premie van €100,00 ontvangen. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De medewerker beoordeelt dit.

inwoner zijn bedacht. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De inwoner kan na iedere zes maanden een premie van €100,00 ontvangen. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit.

Maatschappelijke activiteiten

7.2.2 Sociale activering

1. 2.

3. 4. 5.

De medewerker kan een inwoner maatschappelijk nuttige activiteiten of vrijwilligerswerk aanbieden. Het doel van de maatschappelijke activiteiten is de inwoner te helpen maatschappelijk actief te blijven. Actief blijven helpt ook om moeilijkheden op weg naar een werkplek te overwinnen. Ook persoonlijke groei en het voorkomen van eenzaamheid zijn belangrijke doelen. De medewerker houdt bij de duur en keuze van de activiteiten rekening met de wensen, de mogelijkheden en de capaciteiten van de inwoner. De gemeente kan nadere regels stellen. De medewerker biedt alleen maatschappelijk nuttige activiteiten aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed. Ook mag er geen verdringing van vrijwilligers en betaalde arbeid zijn.

1. De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op werk zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

7.3 Tegenprestatie 7.3.1. Doel van de tegenprestatie 1. De tegenprestatie legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. 2. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner. 7.3.2. Duur van de tegenprestatie 1. De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 6 maanden en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen: a. de tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten; b. de tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie; c. het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd. 7.3.3. Voorwaarden tegenprestatie 1. Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. 2. De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie.

7.4.

Innovatie 1.

2.

De gemeente kan – binnen de kaders van de uitgangspunten van dit hoofdstuk – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners, nieuwe voorzieningen en werkwijzen te onderzoeken.

De huidige verordening kent dit artikel niet.

Aangepast conform uitkomst bespreking thema 1. Loopbaanbegeleiding. Het artikel kan tekstueel afwijken van de tekst zoals die eerder gepresenteerd zijn omdat gekeken is naar de begrijpelijkheid van de teksten.

Pagina 8 van 21

3. 4.

Een experiment duurt niet langer dan drie jaar. Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de verordening aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe verordening geldig is.

8. Inkomen en schulden (thema 3. Inkomensbegeleiding) Artik el 8.1.

Voorstel

Doelgroep 1.

De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die 21 jaar of ouder is, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De inwoner komt in aanmerking als hij in een ononderbroken periode van drie jaar (referteperiode) een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. De kostendelersnorm wordt hierbij niet toegepast. 2. De inwoner die een opleiding volgt als bedoeld in de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS), dan wel een studie volgt als genoemd in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000), komt niet voor de inkomenstoeslag in aanmerking.

8.1.2.

Idem

Artikel is niet gewijzigd.

Doelgroep 1. De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die in een ononderbroken periode van drie jaar een inkomen (referteperiode) heeft gehad dat lager is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. De kostendelersnorm wordt hierbij niet toegepast. 2. Niet voor de inkomenstoeslag komt in aanmerking de inwoner die een opleiding volgt als bedoeld in de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS), dan wel een studie volgt als genoemd in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000).

Hoogte van de toeslag 1.

2.

3.

8.2.

Toelichting

Inkomenstoeslag Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden.

8.1.1.

Huidige verordening

De inkomenstoeslag is per kalenderjaar: a. € 364,- voor een alleenstaande; b. € 437,- voor een alleenstaande ouder; c. € 520,- voor gehuwden of samenwonenden. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. De gemeente bekijkt elk jaar of de inkomenstoeslag verhoogd moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna en is overeenkomstig de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.

idem

Studietoeslag

Studietoeslag

Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld.

Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld.

Op 1 april 2022 treedt een landelijke regeling voor de studietoeslag in werking en vervalt dit onderdeel van de verordening. De intrekking van

Tekstuele aanpassing.

Artikel is niet aangepast.

Tekst toegevoegd m.b.t. het feit dat er een landelijke regeling komt per 01-04-2022 die de lokale studietoeslag gaat vervangen

Pagina 9 van 21

dit onderdeel is opgenomen in 13.5 van de verordening, de bepaling waarin ook de inwerkingtreding van de verordening is geregeld.

8.2.1

Doelgroep 1.

2.

8.2.2.

Artikel is niet aangepast.

Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de beperking van de student zo groot is dat hij niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven.

Idem

Artikel is niet aangepast

Hoogte en duur van de toeslag

Hoogte en duur van de toeslag

1.

1.

2.

13.5.

Idem

Vaststellen beperking 1.

8.2.3.

De studietoeslag is bedoeld voor de student die: a. een MBO-, HBO of WO-opleiding volgt; b. een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van DUO krijgt of kan krijgen; c. wel kan werken, maar d. door een beperking niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De student is 18 jaar of ouder en heeft geen goede financiële buffer.

De studietoeslag bedraagt voor een student van 21 jaar en ouder € 300 per maand; voor een student van 20 jaar € 240 per maand; voor een student van 19 jaar € 180 per maand; voor een student van 18 jaar € 150 per maand. Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd.

2. 3.

De studietoeslag € 350,- per zes maanden en wordt eenmalig als één bedrag uitbetaald. De gemeente bekijkt elk jaar of de studietoeslag verhoogt moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna. Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd.

Ingangsdatum en naam 3.

Onderdeel 8.2 van de verordening (over de studietoeslag) wordt met ingang van 1 april 2022 ingetrokken.

De huidige verordening kent dit artikel niet.

9.Afspraken tussen inwoner en de gemeente Inburgering) Artik el

De hoogte van de bedragen is – vooruitlopend op nieuwe wetgeving (01-04-2022) aangepast. Zoals aangegeven tijdens de behandeling van thema 3. Inkomensbegeleiding, werden deze hogere bedragen al toegepast.

Lid 3 is toegevoegd omdat de lokale individuele studietoeslag per 01-04-20222 wordt vervangen door een landelijke regeling.

(thema 4. Handhaving en naleving + thema 5.

Voorstel

Huidige verordening

Toelichting

In dit hoofdstuk van de verordening waarin het gaat over afspraken tussen inwoner en gemeente wordt in artikel 9.4 ingegaan op handhaving en naleving. De huidige Participatiewet schuurt stevig met de doelen die wij als gemeente nastreven rond werk en inkomen. En dit schuren doet zich het meest nadrukkelijk voor in het onderdeel handhaving en naleving.We gaan in onze gemeente in alle gevallen uit van vertrouwen in de inwoner tot het tegendeel bewezen wordt. Op het moment dat we iets constateren gaan we open het gesprek aan met de inwoner om te kijken wat er aan de hand is. Hierbij houden wij nadrukkelijk rekening met de individuele omstandigheden van

In de huidige verordening is er geen inleidende toelichting

Aangepast conform voorsteldocument thema 4. Handhaving en naleving.

Pagina 10 van 21

een inwoner. We sluiten hierbij aan bij het uitgangsprincipe van situationele gelijkheid waarbij mensen gemotiveerd niet zonder maar juist met zoveel mogelijk aanziens des persoons worden behandeld om zo écht te doen wat nodig is. Dit betekent dat we ook kijken naar het effect van de eventuele verlaging op de situatie van de inwoner en zijn of haar gezin. Daarbij maken we de afweging of het effect van de verlaging in verhouding staat tot de gedraging. Indien dit niet het geval is passen we de verlaging aan. We zijn ons terdege bewust van het feit dat het verlagen van een inkomensvoorziening een forse ingreep is. We grijpen nl in op het inkomen van mensen die al op het minimumbestaansniveau moeten leven en in een ongelijkwaardige afhankelijkheidspositie verkeren. Dat betekent dat we vooraf zeer zorgvuldig zijn bij het maken van een afweging of wel of niet een verlaging wordt toegepast. 9.4.1.

9.4.2.

Afzien van verlaging

9.4.3 Afzien van verlaging

1. De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensvoorziening niet a. als het gedrag van de inwoner hem niet te verwijten is; b. als het gedrag meer dan één jaar voor het nemen van een besluit heeft plaatsgevonden; c. als de gemeente binnen één jaar na constatering van het gedrag nog geen besluit genomen heeft; d. als de gemeente daar dringende redenen voor ziet. 2. De gemeente informeert de inwoner via een brief met daarin het besluit en de motivering.

1. De gemeente ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan 12 maanden voor constatering daarvan door de gemeente heeft plaatsgevonden. 2. De gemeente kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als de gemeente afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een inwoner hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 4. De gemeente kan volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, uitgezonderd de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan inwoner een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 5. Met een besluit waarbij een verlaging is opgelegd, wordt gelijkgesteld: a. het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen; b. het besluit tot het geven van een schriftelijke waarschuwing.

Het betrachten van zorgvuldigheid bij het besluit tot opleggen van een verlaging

9.4.1 Het besluit tot opleggen van een verlaging

1. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: a. zijn rechten en plichten; b. wat er van hem wordt verwacht; c. welk gedrag niet geaccepteerd wordt; d. wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet geaccepteerd wordt; en e. waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. 2. De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn reactie te geven vóórdat de gemeente beslist om naar aanleiding van niet geaccepteerd gedrag van de inwoner te handelen. 3. De gemeente stemt de reactie op niet geaccepteerd gedrag

Aangepast conform voorsteldocument thema 4. Handhaving en naleving.

Aangepast conform voorsteldocument thema 4. Handhaving en naleving.

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt Pagina 11 van 21

4.

5. 6.

7.

9.4.3.

af op: a. de ernst van het gedrag; b. de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en c. de individuele omstandigheden van de inwoner. De gemeente verlaagt een gemeentelijke inkomensvoorziening als: a. dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij het gedrag van de inwoner, b. als het gedrag van de inwoner als verwijtbaar wordt aangemerkt c. de individuele omstandigheden van de inwoner zich daar niet tegen verzetten.. Het afstemmen, zoals bedoeld in lid 6, kan er toe leiden dat de gemeente afwijkt van de in dit hoofdstuk genoemde standaardverlagingen. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt. De gemeente kan op verzoek van de inwoner of na eigen afweging de verlaging herzien zodra uit de houding en gedragingen van de belanghebbende is gebleken dat hij de niet of onvoldoende nagekomen verplichtingen, nakomt.

verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

9.4.2 Horen van inwoner 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een inwoner in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. de gemeente het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. inwoner aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Vaststelling van de verlaging

9.4.4 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

1. De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner, inclusief vakantietoeslag. Bij een zelfstandig wonende inwoner van 18, 19 of 20 jaar wordt de uitkeringsnorm verhoogd met de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. 2. De verlaging wordt toegepast vanaf de eerstvolgende kalendermaand waarover nog geen uitkering is uitbetaald. 3. Soms wordt de uitkering beëindigd en kan de gemeente de uitkering niet verlagen. Als de inwoner dan binnen zes maanden opnieuw een uitkering gaat ontvangen, kan de gemeente besluiten de verlaging alsnog toe te passen. 4. Een verlaging die voor een periode van meer dan 3 maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na 3 maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een inwoner is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die inwoner geldende bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering, opgelegd als: a. de bijstand nog niet betaalbaar is gesteld; b. de inwoner geen bijstand meer ontvangt. 3. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als inwoner binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt. 4. Een verlaging die voor een periode van meer dan 3 maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na 3 maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

Aangepast conform voorsteldocument thema 4. Handhaving en naleving.

9.4.5 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan inwoner bijzondere bijstand wordt verleend met Pagina 12 van 21

toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of b. de verwijtbare gedraging van inwoner in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in 9.4.7 tot en met 9.4.11 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in 9.4.7 tot en met 9.4.11 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 9.4.4.

Niet nakomen van de wettelijke arbeidsverplichtingen 1.

2.

3.

9.4.5.

Als een inwoner een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de standaard verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Ook in deze situaties past de gemeente altijd artikel 18 lid 1 toe, te weten de mogelijkheid om de verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de inwoner. De gemeente kan daarnaast de verlaging spreiden over drie opeenvolgende maanden als dat door bijzondere omstandigheden nodig is.

Overige bepalingen rond verplichtingen 1. Als een inwoner een, door de gemeente uitdrukkelijk opgelegde arbeidsverplichting en verplichtingen om participatie te bevorderen om een verwijtbare reden niet of onvoldoende nakomt, verlaagt de gemeente de gemeentelijke inkomensvoorziening met 10% gedurende een maand. Dit gebeurt alleen als de individuele omstandigheden van de inwoner zich hier niet tegen verzetten. 2. Als een gedraging zowel kan leiden tot een boete op grond van de Wet Inburgering 2021 als tot een verlaging op grond van deze verordening, dan past de gemeente deze verordening toe.

9.4.7 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Aangepast conform voorsteldocument thema 4. Handhaving en naleving.

1. Als een inwoner een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende: a. één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet; b. twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet. 2. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 1, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 3. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, kan de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. 4. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld. 5. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het tweede lid plaats. 9.4.6 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Aangepast conform voorsteldocument thema 4. Handhaving en naleving.

1. Gedragingen van een inwoner waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het Pagina 13 van 21

opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2°. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een inwoner jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; c. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. 2.

Gedragingen van een inwoner waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3°.

het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, Pagina 14 van 21

onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; c. derde categorie: 1°. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4°.

het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. 3. De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 1 en 2 wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 9.4.10 Niet nakomen van overige verplichtingen 1. Als een inwoner een door de gemeente opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die Pagina 15 van 21

strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20%van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c. 40% van de bijstandsnorm gedurende , bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 9.4.11 Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is. 3.

Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is.

9.4.13 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ [IOAW, IOAZ, Awb] Als de gemeente de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. 9.4.6

Zeer ernstige misdragingen De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensvoorziening

9.4.9 Zeer ernstige misdragingen

Aangepast conform voorsteldocument thema 4. Handhaving en naleving. Pagina 16 van 21

van een inwoner die zich verwijtbaar zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ uitvoeren. De gemeentelijke inkomensvoorziening wordt verlaagd met 50% gedurende een maand.

1. Als een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2. Als een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover de gemeente of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Vervallen

9.4.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid

conform voorsteldocument thema 4. Handhaving en naleving.

1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 10 procent van de bijstandsnorm gedurende bijvoorbeeld één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000; b. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000; c. 40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000; d. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4000 of hoger. Vervallen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4370/documents/22907