CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Nader onderzoek Wnb natuur.pdf

Raadsvergadering 24 oktober 2024, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 2: Bestemmingsplan "Hoofdstraat 3 Varsselder-Veldhunten en Westelijke Oude Aaltenseweg 5 Varsseveld"3.226 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek Wet natuurbescherming

Varsseveld, Westelijke Oude Aaltenseweg 5 ERS architecten B.V.

Datum: 4 januari 2023 Projectnummer: 210417

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Plangebied Kwaliteitsborging Definitie product

3 3 6 7

2

Wettelijk kader

8

2.1 2.2 2.3

Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing

8 9 9

3

Ecologie van soorten

11

3.1 3.2

Steenmarter Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel)

11 11

4

Onderzoekmethodiek

12

4.1 4.2

Steenmarter Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn & wezel)

12 12

5

Resultaten en effectbeoordeling

15

5.1 5.2

Steenmarter Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel)

15 15

6

Conclusie en advies

17

6.1 6.2 6.3

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Broedperiode en zorgplicht Vervolgstappen

17 17 17

Geraadpleegde literatuur

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld bevindt zich momenteel een erg verouderd bedrijfspand met een bedrijfsbestemming. De initiatiefnemer is voornemens om op dit perceel woningen te realiseren. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader heeft SAB reeds een quick scan natuur (SAB, 2022) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt dat op voorhand de aanwezigheid van verblijfplaatsen en leefgebied van steenmarters, bunzing, wezel en hermelijn niet kan worden uitgesloten. Voorliggende rapportage zet de bevindingen van het nader onderzoek naar deze soorten uiteen. Het doel van het hierna beschreven onderzoek is om de aan- of afwezigheid aan te tonen van voornoemde soorten en om vast te stellen wat de functies van het plangebied en het omliggende terrein voor deze soorten zijn. Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Varsseveld (gemeente Oude IJsselstreek, provincie Gelderland). De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van boerenwoningen en agrarische gronden. Ten noordwesten is een houtopstand aanwezig en daarachter bevindt zich het spoor, welke het buitengebied scheidt van de bebouwde kom. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Op 19 april 2022 zijn tijdens het veldbezoek van de quick scan natuur (SAB, 2022) navolgende foto’s gemaakt. Het plangebied bestaat uit een opslagdepot voor toiletcabines. Aan de achterzijde van het perceel is een zeer verouderde schuur aanwezig. Hier tegenaan staat nog een klein hok waarvan het dak is ingestort. Achter de schuur staan twee berken waarop veel klimop aanwezig is. Aan die zijde van het plangebied staat ook een ingestorte caravan. Verder loopt er aan de zuidwestzijde een aarden wal met daarop berken en beuken. Aan de noordzijde is een haag aanwezig. De gronden zijn deels verhard met klinkers en bestaan deels uit gras en/of kruidige vegetatie. 4

Opslag van toiletcabines. Gefotografeerd vanaf de aarden wal.

De verouderde schuur.

De aarden wal.

5

1.2.2

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwbouw in het plangebied zijn gerealiseerd. Dit zal gaan om drie woningen. Voor de nieuwbouw wordt de bestaande bebouwing gesloopt. De bomen aanwezig langs de aarden wal worden verwijderd, alsook de aarden wal zelf. De bomen aan de west- en oostzijde blijven behouden. Overige opslag op het terrein wordt ook verwijderd. Zie navolgende afbeelding voor de toekomstige situatie.

Toekomstige situatie.

1.3

Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze: − Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2021), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017). − Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is. − Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van

6

soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; 4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur. − Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.

1.4

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “nader onderzoek beschermde soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020) en omvat daarmee alle eisen die het NGB aan dit product stelt.

7

2

Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.

2.1

Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.

2.1.1

Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.

2.1.2

Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

8

2.1.3

Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.

2.2

Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.

2.3

Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden (artikel 3.10, lid 2). De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.

Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en

9

habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2).

10

3 3.1

Ecologie van soorten Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl).

3.2

Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) Bunzing De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017). Hermelijn De hermelijn leeft in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels (Bouwens, 2017). Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten. Wezel De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017).

11

4 4.1

Onderzoekmethodiek Steenmarter Het onderzoek naar de steenmarter is niet aan bepaalde protocollen of onderzoeksvoorwaarden gebonden. De steenmarter is het gehele jaar actief en daarom kan onderzoek naar de soort het gehele jaar uitgevoerd worden. In dit geval heeft het onderzoek plaatsgevonden op 11 oktober 2022. Onderzoek is uitgevoerd door uitgebreid sporenonderzoek in het gehele plangebied. Steenmarters laten herkenbare vraatsporen, uitwerpselen en loopsporen achter. Vraatsporen die steenmarters kunnen achterlaten zijn bijvoorbeeld: leeggegeten eieren, leeggegeten huiden van kleine zoogdieren, afgebeten veren of afgebeten koppen. Uitwerpselen van de steenmarter zijn 8-10 centimeter lang, 10-12 mm dik en in een punt uitlopend. Vaak zijn ook resten van vruchten in de uitwerpselen te zien. In de omgeving van een verblijfplaats worden uitwerpselen vaak op dezelfde plek gedeponeerd, een zogenaamde latrine. Hierdoor zijn de uitwerpselen ook makkelijk herkenbaar als steenmarteruitwerpselen. Loopsporen van steenmarter zijn makkelijk te verwarren met die van de op de steenmarter lijkende boommarter. De pootafdrukken zijn 30-40 mm breed en 30-35 mm lang aan de voorvoet. Afdrukken van de achtervoet zijn 43 breed en 35 mm lang. De vindplaats kan uitsluitsel bieden of het een loopspoor van een steenmarter of een boommarter betreft (Diepenbeek, 1999).

De aanwezige toiletcabines zijn zoveel mogelijk van binnenuit onderzocht. Ook het verouderde pand is volledig van binnen onderzocht.

4.2

Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn & wezel) Het plangebied vormt door de houtsingels en beslotenheid een geschikte leefomgeving voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Om het gebruikt van het plangebied door kleine marterachtigen in kaart te brengen werden op 11 oktober 2022 een ‘struikrover’ en een losse cameraval geplaatst. De struikrover is een wildcamera die in een schuin afgesneden pvc-buis is gemonteerd. Aan de ingang van de buis wordt een lokmiddel, zoals een blikje sardines op olie, geplaatst. De camera wordt op fotostand gezet, waarbij het drie foto’s per trigger maakt. De losse cameraval is een val waarbij je een camera ophangt en op twee meter afstand lokmiddel, zoals een blikje sardientjes, monteert. De camera wordt op fotostand gezet, waarbij het drie foto’s per trigger maakt. De struikrover en cameraval werden op een geschikte locatie geplaatst; op een beschutte, afgelegen plek, langs de aardewal en de bomenrij. Op 8 november 2022 werden de batterijen, de sd-kaartjes en de lokmiddelen vervangen. Op 6 december 2022 gebeurde dit nogmaals. De struikrover en de cameraval werden op 3 januari 2023 weer opgehaald, waarna alle foto’s zijn geanalyseerd. In navolgende afbeelding is de locatie van de geplaatste struikrover weergegeven. Zie ook navolgende afbeeldingen voor de beelden van de struikrover en de cameraval.

12

Locatie van de struikrover (roze stip) en locatie van de losse cameraval (oranje stip). Bron: PDOK.

Beeld van de struikrover.

13

Beeld van de cameraval.

14

5 5.1

Resultaten en effectbeoordeling Steenmarter Er zijn geen sporen van steenmarters gevonden in en in de directe omgeving van het plangebied. Op de cameravallen werden ook geen steenmarters waargenomen. Het voorkomen van de steenmarter in het plangebied kan dan ook uitgesloten worden.

5.2

Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) Op de camerabeelden werden in de twaalf weken dat ze er stonden geen bunzing, hermelijn of wezel waargenomen. Bij de struikrover werden vooral vele ratten waargenomen, verschillende soorten muizen (ware muizen, spitsmuizen en woelmuizen) en driemaal een egel. Bij de losse cameraval werd eenmaal een huiskat waargenomen en verder werden er alleen beelden van vogels overdag gemaakt. Zie navolgende afbeeldingen voor een impressie van de camerabeelden. Het voorkomen van kleine marterachtigen in het plangebied kan worden uitgesloten.

Waargenomen egel bij struikrover.

15

Waargenomen huiskat bij losse cameraval.

Waargenomen woelmuis bij struikrover.

16

6 6.1

Conclusie en advies Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? In het plangebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Uit het onderzoek blijkt dat essentiele elementen niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Om de werkzaamheden door te laten gaan is dan ook geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht. Daarnaast blijkt uit de quick scan (SAB, 2022) dat er roeken aanwezig zijn net buiten het plangebied. Om verstoring van deze soorten te voorkomen dient er buiten de broedperiode van de roek te werk te gaan. Deze loopt van 1 februari tot 31 juli.

6.2

Broedperiode en zorgplicht De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten. Broedende vogels, vanaf het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen, zijn strikt beschermd. De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren. Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling hiervoor te verkrijgen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten, zodat er vanwege de dan aanwezige verstoring geen vogels in de buurt gaan broeden. De werkzaamheden kunnen dan vervolgens wel in de broedperiode doorlopen.

6.3

Vervolgstappen − Werk alleen buiten de broedperiode van de roek (broedperiode loopt van 1 februari tot en met 31 juli); − Houd rekening met broedende vogels; − Houd rekening met de zorgplicht.

17

Geraadpleegde literatuur Bouwens, S. 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging, rapport 2017.32. Diepenbeek van, 1999. A, Veldgids dierensporen, KNNV Uitgeverij, Utrecht Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Netwerk Groene Bureaus, Definitielijst Netwerk Groene Bureaus 2020, 16 januari 2020. SAB, 2022. Quick scan natuur. Varsseveld, Westelijke Oude Aaltense-weg 5 en Varsselder-Veldhunten, Hoofd-straat 3. SAB, Arnhem. Zoogdiervereniging & Probos. 2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.

Websites: www.bij12.nl www.ndff.nl www.rijksoverheid.nl www.vogelbescherming.nl www.wetten.nl www.zoogdiervereniging.nl

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4772/documents/30017