7. Natuurtoets a.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Bongersstraat 60 in Ulft In opdracht van Planburo Oosterink
Colofon Quickscan natuurtoets Bongersstraat 60 in Ulft
Opdrachtgever Contactpersoon
Planburo Oosterink Dhr. J.H.B. Oosterink
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2179 S.J.J. Wamelink Ing. R. Boerboom 18 december 2020 Plangebied (foto: S.J.J. Wamelink)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5
Beschermde status plangebied .................................................................................... 7 3.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................ 7
3.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 7
3.3
Natura 2000 .......................................................................................................... 9
Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 11 4.1
Methode ............................................................................................................. 11
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 12
5
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 17
6
Conclusie ................................................................................................................... 21
Bijlage 1
Impressie plangebied ...................................................................................... 23
Bijlage 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming .......................................................... 24
Bijlage 3
Beschermde plant- en diersoorten................................................................... 32
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande activiteiten het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is. Om verstoring van vleermuizen en andere nachtactieve soorten te voorkomen, wordt aanbevolen om zo min mogelijk extra kunstlicht aan te brengen of gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde natuurgebieden is niet aan de orde. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om een woning te bouwen op het perceel aan de Bongersstraat 60 in Ulft. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Planburo Oosterink. De heer Wamelink van Staring Advies deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde veldonderzoek uit op de locatie.
Pagina 3
1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Op het perceel aan de Bongersstraat 60 in Ulft zijn planning om, na kavelsplitsing, een woning te realiseren. Voor deze activiteiten verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. De heer Oosterink van Planburo Oosterink is betrokken bij deze plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om een quickscan natuurtoets uit te voeren. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Om in te schatten wat het effect van de plannen is op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd.
1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande activiteiten schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.
Pagina 4
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Bongersstraat 60 Ulft Oude IJsselstreek Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een gedeelte van een tuin, behorende bij de Bongersstraat 60 in Ulft (zie figuur 1). Het plangebied wordt globaal begrenst door de Veldstraat aan de westzijde, de Bongersstraat aan de oostzijde en woningen met bijbehorende tuinen aan de overige zijden. De directe omgeving van het plangebied bestaat onder andere uit woningen met bijbehorende tuin, kleine percelen openbaar groen en infrastructuur in de bebouwde kom van Ulft (zie figuur 2). Ten oosten van het plangebied ligt op circa 100 meter afstand de Oude IJssel. Het plangebied bestaat voornamelijk uit tuinbeplanting met hoge struiken (hulst) en een enkele loofboom (gewone esdoorn en zomereik) en een haardhoutopslag (zie figuur 2 en bijlage 1).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande activiteiten op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door woningen met bijbehorende tuin, openbaar groen en infrastructuur (zie figuur 2).
2.4 Geplande werkzaamheden Het plan is om op het perceel aan de Bongersstraat 60 in Ulft, na kavelsplitsing, een vrijstaande woning te realiseren. Voor deze ontwikkeling worden (grotendeels) de aanwezige (hulst)struiken en een enkele loof- en naaldboom verwijdert. Toegang tot de vrijstaande woning wordt verschaft via een oprit vanaf de Veldstraat.
Pagina 5
Figuur 1. Globale ligging het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2020).
Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (blauw) met daarbinnen het plangebied (rood). Bron: Google Earth (2020).
Pagina 6
3 Beschermde status plangebied 3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN. Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
3.2.2 Gelders Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland wordt in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het
Pagina 7
type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.
3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). De Oude IJssel en de Aastrang, ten oosten van het plangebied zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Ook de bospercelen van Engbergen zijn als bestaande natuur aangewezen. Enkele agrarische percelen rondom deze GNN natuurgebieden zijn aangewezen als GO (zie figuur 3).
Oude IJssel
Aa-strang
Engbergen
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk, bron: Provincie Gelderland 2020.
Pagina 8
3.3
Natura 2000
3.2.4 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als stikstofdepositie, verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten.
3.2.5 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.2.6 Plangebied In het plangebied wordt op een bestaande woonkavel een extra woning gebouwd, in de bebouwde kom van Ulft. Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op ruime afstand van het plangebied, vanaf ruim 16 kilometer (zie figuur 4). Overige Nederlandse Natura 2000-gebieden, waaronder ‘Bekendelle’, ‘Korenburgerveen’ en ‘Veluwe’ (niet afgebeeld) liggen op een nog grotere afstand, vanaf ruim 20 km. Het Duitse Natura 2000-gebied ‘Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach’ (niet afgebeeld) ligt op circa 2,3 km afstand. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach’ en overige Natura 2000gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht. Er is daardoor geen sprake van oppervlakteverlies, versnippering, verdroging, geluidsverstoring etc. Hooguit kan er sprake zijn van stikstofdepositie. Stikstofdepositie Er is tijdens de kap- en bouwfase door in te zetten materieel en in de gebruiksfase door de verkeersbewegingen sprake van extra stikstofdepositie.
Het betreft echter één woning op enige afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Door de fysieke afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen en de beperkte omvang
Pagina 9
van de uitstoot, worden echter geen negatieve effecten door de extra stikstofdepositie verwacht. Een AERIUS-berekening wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach
NSG Hetter-Millinger Bruch
Unterer Niederrhein
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebieden, bron: https://natura2000.eea.europa.eu/.
Pagina 10
4 Beschermde soorten plangebied 4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.
4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1).
Onderzoeker Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
S. Wamelink
03-11-2020
09.00 uur
Onbewolkt, droog, 8°C, wind 1 Bft
1
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 11
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het onderzoeksgebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten: Broedvogels De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied en omgeving melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de NDFF vermelde huismus zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •
•
•
Nationaal beschermde soorten (vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen): egel, haas, huisspitsmuis en konijn. Nationaal beschermde soorten (niet vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland): bunzing, eekhoorn en steenmarter. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): otter en rosse vleermuis.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde amfibieënsoorten: •
Nationaal beschermde soorten (vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen): gewone pad en kleine watersalamander.
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied geen melding van het voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten.
Pagina 12
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat uit een tuin met tuinbeplanting van onder andere laurierkers, hoge hulststruiken en een enkele loof- en naaldboom (fijnspar, gewone esdoorn, taxus en zomereik). De natuurlijke vegetatie in het plangebied bestaat uit algemene plantensoorten van voedselrijke omstandigheden, zoals dagkoekoeksbloem, grote brandnetel, klimop, robertskruid, stinkende gouwe, straatgras, vingerhoedskruid en vogelmuur. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Deze worden in het plangebied ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied de volgende vogelsoorten aangetroffen: gaai, koolmees, merel, roodborst, staartmees, Turkse tortel en vink. In de aanwezige bomen en struiken kunnen algemene soorten als houtduif, merel, roodborst en winterkoning broeden. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de huismus, waarvan de nesten jaarrond (zie paragraaf 4.2.1).
Tijdens het veldbezoek is een enkele huismus waargenomen in de omgeving van het plangebied. Ransuil en sperwer Beide soorten worden regelmatig als broedvogel in stedelijk gebied aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet waargenomen in het plangebied. Het plangebied, bestaande uit een tuinbeplanting met dichte hulststruiken en een enkele hoge loof- en naaldboom, is potentieel geschikt als nest- en rustlocatie voor de ransuil en mogelijk ook als nestlocatie voor de sperwer. Grenzend aan het plangebied bevinden zich verder enkele tuinen met onder andere hoge bomen (o.a. acacia en gewone esdoorn) en overige opgaande begroeiing. Alle bomen in het plangebied en direct hieraan grenzend zijn intensief geïnspecteerd op nesten. Daarnaast is ook gelet op overige gebruikssporen als prooiresten, uitwerpselen, veren, braakballen etc. In de bomen in het plangebied en direct hieraan grenzend zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. In één fijnspar op de planlocatie is een oud (vervallen) duivennest vastgesteld. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de ransuil en sperwer zijn niet in het plangebied vastgesteld. Gebruik van het plangebied beperkt zich tot een enkele foeragerende of rustende ransuil en/of sperwer. Huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de huismus bekend (bron: NDFF).
Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen waargenomen in het plangebied. Bij enkele woonerven in de omgeving van het plangebied zijn wel huismussen
Pagina 13
waargenomen. De mussen broeden op deze locaties vermoedelijk onder de dakpannen van de aanwezige woningen. Vanwege het ontbreken van bebouwing met geschikte nestgelegenheden, zoals ruimten onder dakpannen, speciale nestkasten en andere nestruimten, is het plangebied ongeschikt als broedlocatie voor de huismus. Incidenteel gebruik van het plangebied door een rustende of foeragerende huismus is mogelijk. Het plangebied maakt geen essentieel onderdeel uit van het leefgebied van in de omgeving broedende huismussen. Vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikte broedgelegenheden. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) grondgebonden zoogdieren aangetroffen in het plangebied. Mogelijk gebruiken enkele soorten als bosmuis, egel, eekhoorn, konijn en steenmarter het plangebied als foerageergebied of leefgebied. De NDFF bevestigt de aanwezigheid van een deel van deze soorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de eekhoorn en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast vermeldt de NDFF het voorkomen van de strikt beschermde bunzing en otter voor de omgeving van het plangebied.
Bunzing Per 1 maart 2019 zijn in de provincie Gelderland de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekend dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kan zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood. De NDFF meldt het voorkomen van de bunzing voor de omgeving van het plangebied. Het betreft hier een waarneming van een verkeersslachtoffer op de Voorstsestraat, ten oosten van het plangebied, in het buitengebied van Ulft (circa 450 meter afstand van het plangebied). De bunzing leeft bij voorkeur in kleinschalige en afwisselende cultuurlandschappen en natuurgebieden. Belangrijke elementen in het leefgebied zijn een combinatie van kleine wateren en landschapselementen, zoals rietzomen, ruigten, houtwallen en greppels. Soms komt de bunzing ook voor in steden en dorpen met een natuurlijk karakter, zoals parken, braakliggend terrein, tuinen, etc. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom en ligt volledig geïsoleerd ten opzichte van het buitengebied van Ulft. Verbindingszones tussen het plangebied en het buitengebied, in de vorm van rijk begroeide sloten, houtsingels en bomenrijen ontbreken.
Pagina 14
Daarnaast is er sprake van een barrière in de vorm van een brede watergang (de Oude IJssel) en een redelijk drukke weg (Bongersstraat) aan de oostkant van de onderzoekslocatie. Het plangebied is door het ontbreken van een combinatie van kleine wateren en landschapselementen, zoals rietzomen, ruigten, houtwallen en greppels vrijwel ongeschikt als leefgebied voor de bunzing. Door de geïsoleerde ligging en het grotendeels ontbreken van geschikte onderdelen van het leefgebied is het plangebied niet geschikt als (functioneel) leefgebied voor de bunzing. Eekhoorn Vanuit bosschages langs de Oude IJssel, ten zuidoosten van het plangebied, zijn enkele waarnemingen van de eekhoorn bekend (bron: NDFF). Van de eekhoorn zijn alleen de vaste verblijfplaatsen (boomnesten) beschermd. Er zijn geen sporen en boomnesten van eekhoorns in de aanwezige bomen aangetroffen. Een vaste verblijfplaats van de eekhoorn wordt niet verwacht in de het plangebied. Ook in de bomen in de directe omgeving van het plangebied zijn geen eekhoornnesten aangetroffen. Incidenteel kan een enkel rondzwervend exemplaar het plangebied doorkruisen. Otter Bij de Oude IJssel, ten oosten van het plangebied, zijn sporen (uitwerpselen) van de otter gevonden (bron: NDFF). In de Oude IJssel leven sinds een aantal jaren otters, mede door de uitzetting van een ottermannetje in 2012 bij Doesburg (bron: Zoogdiervereniging VZZ).
Sporen van de otter worden verspreid over de gehele Oude IJssel en enkele aangrenzende wateren aangetroffen. Vanuit het plangebied zijn geen waarnemingen van (sporen van) otters bekend. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied door de afstand tot de Oude IJssel en het ontbreken van open water. Steenmarter Tijdens het veldbezoek zijn, onder andere bij de aanwezige haardhoutopslag in het plangebied, geen sporen van steenmarters gevonden of steenmarters waargenomen. De steenmarter is echter hoofdzakelijk ’s nachts actief. Het plangebied is door de afwezigheid van toegankelijke bebouwing of andere geschikte schuilgelegenheden ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor de steenmarter. Incidenteel gebruik door de steenmarter is mogelijk. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de rosse vleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). In het plangebied bevinden zich geen bomen met geschikte holten die kunnen fungeren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten. In de naastgelegen tuin, ten zuiden van het plangebied, bevinden zich diverse acacia’s met mogelijk potentieel geschikte
Pagina 15
holten voor vleermuizen. Een verblijfplaats van een boombewonende soort, zoals de rosse vleermuis is hier niet uit te sluiten. De randen van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied voor een weinig kritische soort als gewone dwergvleermuis. Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt de beschermde gewone pad en kleine watersalamander voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Open water ontbreekt, waardoor het plangebied ongeschikt is als voortplantingshabitat voor deze en andere amfibieën. Het plangebied, bestaande uit tuinbeplanting is potentieel geschikt als landhabitat voor een enkele algemene soort als bruine kikker of gewone pad. Strikt beschermde soorten worden hier niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Uit de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde reptielen bekend (zie paragraaf 4.2.1). Beschermde reptielensoorten worden ook niet verwacht in het plangebied door het ontbreken van geschikte leefgebieden. Vissen Permanent open water ontbreekt in het onderzoeksgebied, waardoor het voorkomen van (beschermde) vissen uitgesloten is. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen.
Deze zijn echter op het moment van het veldbezoek (november) grotendeels niet waar te nemen. De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten (zie paragraaf 4.2.1). Deze worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte leefgebieden.
Pagina 16
5 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbondsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1 en 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan.
In alle delen van beide deelplangebieden kunnen vogelnesten worden verwacht; zowel in de bomen als in braamstruwelen en ruigtes als in of langs de plassen als in het begrazingsgebied. Werkzaamheden moeten daarom bij voorkeur buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Vogels die buiten het broedseizoen broeden zijn ook beschermd. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er geen broedvogels verstoord worden.
Pagina 17
Huismus, ransuil en sperwer In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen vaste rust- en verblijfplaatsen (nestlocaties) van deze soorten. De geplande ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied is niet van invloed op vaste rust- en verblijfplaatsen of het functioneel leefgebied van deze soorten. Het plangebied is geen essentieel leefgebied voor de soorten. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk voor de huismus, ransuil en/of sperwer. Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht in het plangebied. Voor overige jaarrond beschermde vogelsoorten is het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing ook niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdiersoorten waargenomen in het plangebied. Het plangebied wordt mogelijk incidenteel gebruikt als foerageergebied door enkele algemene beschermde soorten als bosmuis, egel, eekhoorn, konijn en steenmarter. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de eekhoorn en steenmarter, in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. De aanwezigheid van de in de wijde omgeving aangetroffen strikt beschermde bunzing en otter (bron: NDFF) wordt hier niet verwacht.
Bunzing Het voorkomen van deze beschermde kleine marterachtige is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Nader onderzoek naar het voorkomen van de bunzing of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Eekhoorn Het voorkomen van deze beschermde soort is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. De geplande activiteiten leiden niet tot fysieke aantasting of verstoring van eekhoornnesten. Nader onderzoek naar het voorkomen van de eekhoorn, of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Otter Het voorkomen van deze beschermde soort is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. De geplande activiteiten leiden niet tot fysieke aantasting of verstoring van (essentieel) leefgebied van de otter. Nader onderzoek naar het voorkomen van de otter, of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
Pagina 18
Steenmarter Het voorkomen van de beschermde steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Nader onderzoek naar het voorkomen van de steenmarter of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor overige grondgebonden zoogdiersoorten. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging VZZ. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee → Nader onderzoek naar kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. Wel dient men rekening te houden met eventueel in de directe omgeving aanwezige verblijfplaatsen voor een enkele boombewonende vleermuissoort, zoals de rosse vleermuis. 3.
Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee → Nader onderzoek naar foerageergebieden en routes van vleermuizen is niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk aangezien er door de geplande activiteiten geen verblijfplaatsen of vliegroutes aangetast worden. De randen van het plangebied zijn wel geschikt als foerageergebied voor een weinig kritische soort als gewone dwergvleermuis. Echter de directe omgeving voorziet ruim in alternatief foerageergebied en na de ruimtelijke ontwikkeling blijven er nog voldoende groenstructuren in het plangebied intact. Om verstoring van foeragerende vleermuizen en eventueel in de directe omgeving aanwezige verblijfplaatsen te voorkomen, wordt aanbevolen om zo min mogelijk kunstlicht aan te brengen of vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken. Hierdoor worden er, door realisatie van een woning op het perceel aan de Bongersstraat 60 in Ulft, (significant) negatieve effecten voorkomen op een enkele, in de randen van het plangebied,
Pagina 19
foeragerende vleermuis en eventueel in de directe omgeving aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen. Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van enkele algemene soorten als bruine kikker en gewone pad, niet te verwachten in het plangebied. Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.
Pagina 20
6 Conclusie Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets in het onderzoeksgebied ‘Bongersstraat 60 in Ulft’ kan de volgende conclusie worden getrokken: Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor beschermde plant- en diersoorten. Aanvullend onderzoek omtrent beschermde gebieden is niet noodzakelijk.
Pagina 21
Bijlagen 1 2 3
Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten
Pagina 22
Bijlage 1 Impressie plangebied
Pagina 23
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 24
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 25
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 26
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 27
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •
•
•
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Pagina 28
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
Pagina 29
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.
Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •
ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;
Pagina 30
b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.
Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •
•
dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of
c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.
Pagina 31
Bijlage 3 Beschermde plant- en diersoorten Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Niet-vogels) Naam
Wetenschappelijke naam
Soortgroep
Verdrag/ Richtlijn
baardvleermuis
Myotis mystacinus ssp. mystacinus
Zoogdierenvleermuizen
Bern II, HR IV
Weekdieren
HR IV
Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenlandzoogdieren Amfibieën
Bern II, HR IV HR IV
bataafse stroommossel Unio crassus bechsteins vleermuis
Myotis bechsteini
bever
Castor fiber ssp. albicus
boomkikker
Hyla arborea ssp. arborea
bosvleermuis
Nyctalus leisleri ssp. leisleri Myotis brandti ssp. brandti
brandts vleermuis
brede Dytiscus latissimus geelrandwaterroofkever donker Maculinea nausithous pimpernelblauwtje drijvende Luronium natans waterweegbree franjestaart Myotis nattereri
Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenvleermuizen Insecten-kevers Insectendagvlinders Zaadplanten Zoogdierenvleermuizen Insecten-libellen
gaffellibel
Ophiogomphus cecilia
geel schorpioenmos
Hamatocaulis vernicosus
geelbuikvuurpad
Bombina variegata ssp. variegata Graphoderus bilineatus
Insecten-kevers
Leucorrhinia pectoralis
Insecten-libellen
Pipistrellus pipistrellus
Zoogdierenvleermuizen
gestreepte waterroofkever gevlekte witsnuitlibel gewone dwergvleermuis
Sporenplantenbladmossen Amfibieën
Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV HR IV
Pagina 32
gewone grootoorvleermuis gladde slang grijze grootoorvleermuis groene glazenmaker
Plecotus auritus ssp. auritus Coronella austriaca ssp. austriaca Plecotus austriacus ssp. austriacus Aeshna viridis
Zoogdierenvleermuizen Reptielen Zoogdierenvleermuizen Insecten-libellen
groenknolorchis grote hoefijzerneus
Liparis loeselii Rhinolophus ferrumequinum ssp. ferrumequinum
Zaadplanten Zoogdierenvleermuizen
grote vuurvlinder
hazelmuis
Lycaena dispar ssp. batava Cricetus cricetus ssp. canescens Muscardinus avellanarius
heikikker
Rana arvalis ssp. arvalis
Insectendagvlinders Zoogdierenlandzoogdieren Zoogdierenlandzoogdieren Amfibieën
houting ingekorven vleermuis kamsalamander
Coregonus oxyrinchus Myotis emarginatus ssp. emarginatus Triturus cristatus
Vissen Zoogdierenvleermuizen Amfibieën
kleine dwergvleermuis
Pipistrellus pygmaeus
kleine vlotvaren
Salvinia natans
knoflookpad
Pelobates fuscus ssp. fuscus Apium repens
Zoogdierenvleermuizen Sporenplantenvarens Amfibieën
hamster
kruipend moerasscherm laatvlieger liggende raket meervleermuis mercuurwaterjuffer muurhagedis noordse winterjuffer
Eptesicus serotinus ssp. serotinus Sisymbrium supinum Myotis dasycneme Coenagrion mercuriale ssp. mercuriale Podarcis muralis ssp. brongniardii Sympecma annulata ssp. braueri
Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV HR IV Bern II, HR IV HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I
Zaadplanten
Bern II, HR IV Bern I, HR IV
Zoogdierenvleermuizen Zaadplanten Zoogdierenvleermuizen Insecten-libellen
Bern II, HR IV Bern I Bern II, HR IV Bern II
Reptielen
Bern II, HR IV Bern II, HR IV
Insecten-libellen
Pagina 33
noordse woelmuis otter
Microtus oeconomus ssp. arenicola Lutra lutra ssp. lutra
pimpernelblauwtje
Maculinea teleius
platte schijfhoren poelkikker rivierrombout
rugstreeppad
Anisus vorticulus Rana lessonae Gomphus flavipes ssp. flavipes Nyctalus noctula ssp. noctula Bufo calamita
ruige dwergvleermuis
Pipistrellus nathusii
sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis
steur
Acipenser sturio
teunisbloempijlstaart
Proserpinus proserpina
tonghaarmuts
Orthotrichum rogeri
rosse vleermuis
tweekleurige vleermuis Vespertilio murinus ssp. murinus vale vleermuis Myotis myotis ssp. myotis
Zoogdierenlandzoogdieren Zoogdierenlandzoogdieren Insectendagvlinders Weekdieren Amfibieën Insecten-libellen Zoogdierenvleermuizen Amfibieën Zoogdierenvleermuizen Insecten-libellen Vissen Insectennachtvlinders Sporenplantenbladmossen Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenvleermuizen Insecten-kevers
vermiljoenkever
Cucujus cinnaberinus
vroedmeesterpad
Alytes obstetricans ssp. obstetricans Myotis daubentoni ssp. daubentoni Felis silvestris ssp. silvestris
Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenlandzoogdieren
Lacerta agilis ssp. agilis
Reptielen
watervleermuis wilde kat zandhagedis
Amfibieën
HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV HR IV HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV HR IV Bern II, HR IV
Pagina 34
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Vogels) Naam appelvink baardman bergeend bijeneter blauwborst blauwe kiekendief boerenzwaluw bontbekplevier bonte vliegenvanger boomklever boomkruiper boompieper boomvalk bosrietzanger bosruiter bosuil braamsluiper brandgans bruine kiekendief buizerd casarca cetti's zanger draaihals duinpieper dwergmeeuw dwergstern engelse kwikstaart
Wetenschappelijke naam Coccothraustes coccothraustes ssp. coccothraustes Panurus biarmicus ssp. biarmicus Tadorna tadorna Merops apiaster Luscinia svecica ssp. cyanecula Circus cyaneus ssp. cyaneus Hirundo rustica ssp. rustica Charadrius hiaticula ssp. hiaticula Ficedula hypoleuca ssp. hypoleuca Sitta europaea ssp. caesia Certhia brachydactyla ssp. megarhyncha Anthus trivialis ssp. trivialis Falco subbuteo ssp. subbuteo Acrocephalus palustris Tringa glareola Strix aluco ssp. aluco Sylvia curruca ssp. curruca Branta leucopsis Circus aeruginosus ssp. aeruginosus Buteo buteo ssp. buteo Tadorna ferruginea Cettia cetti ssp. cetti Jynx torquilla ssp. torquilla Anthus campestris ssp. campestris Larus minutus Sterna albifrons ssp. albifrons Motacilla flava ssp. flavissima
Soortgroep
Verdrag/ Richtlijn
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II
Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Pagina 35
europese kanarie fitis
Serinus serinus Phylloscopus trochilus ssp. trochilus flamingo Phoenicopterus ruber ssp. roseus fluiter Phylloscopus sibilatrix geelgors Emberiza citrinella ssp. citrinella gekraagde roodstaart Phoenicurus phoenicurus ssp. phoenicurus gele kwikstaart Motacilla flava ssp. flava geoorde fuut Podiceps nigricollis glanskop Parus palustris ssp. palustris goudhaan Regulus regulus ssp. regulus grasmus Sylvia communis ssp. communis graspieper Anthus pratensis ssp. pratensis graszanger Cisticola juncidis ssp. cisticola grauwe kiekendief Circus pygargus grauwe klauwier Lanius collurio ssp. collurio grauwe vliegenvanger Muscicapa striata ssp. striata
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
groene specht groenling grote barmsijs
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels