CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

6. Verkennend bodemonderzoek.pdf

Raadsvergadering 28 maart 2024, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: Bestemmingsplan "Woningbouw Doetinchemseweg - Oranjestraat Varsseveld (locatie Helmink)"6.828 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740

projectlocatie

Oranjestraat 1 Varsseveld opdrachtgever

Helmink Groep bv Postbus 68 7050 AB Varsseveld

Projectnummer en versie:

Status:

16313, versie 1.0

- DEFINITIEF -

Projectleider:

Afdrukdatum: 25-Feb-21

Ing. Job Groot Antink

Rapportdatum:

25 feb. 21

Gecertificeerd veldmedewerker:

Ing. J. Groot Antink

ECOPART BV Lijsterbeslaan 117 7004 GN DOETINCHEM telefoon 0314-368100 email info@ecopart-bv.nl

Autorisatie:

Naam:

Goedgekeurd

Ing. B. Mengers

Paraaf:

ECOPART BV Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever BRL SIKB 2000 protocol 2001 en 2002

Inhoudsopgave 1. Aanleiding en doelstelling ........................................................... 1-1 1.1 aanleiding van het onderzoek ......................................................... 1-1 1.2 doelstelling van het onderzoek ....................................................... 1-1 1.3 opzet van het onderzoek ................................................................. 1-1 1.4 disclaimer ........................................................................................ 1-1 1.5 het proces en kwaliteitssysteem ..................................................... 1-2 2. Vooronderzoek ........................................................................... 2-1 2.1 algemene locatiegegevens .............................................................. 2-1 2.2 conclusies vooronderzoek ............................................................... 2-1 2.2.1 onderzoeklocatie en omgeving ................................................ 2-1 2.2.2 eerder uitgevoerd bodemonderzoek ....................................... 2-2 2.2.3 conclusies vooronderzoek ........................................................ 2-2 2.2.4 bodemopbouw en geohydrologie ............................................ 2-3 3. Hypothese ...................................................................................

3-1 3.1 algemeen ......................................................................................... 3-1 4. Uitvoering veldwerkzaamheden ................................................. 4-1 4.1 aanpak veldwerk ............................................................................. 4-1 4.2 grond- en grondwatermonstername .............................................. 4-1 4.3 uitvoering veldwerk ......................................................................... 4-1 5. Resultaten veldwerkzaamheden ................................................. 5-1 5.1 lokale bodemopbouw...................................................................... 5-1 5.2 zintuiglijke waarnemingen .............................................................. 5-1 6. Laboratoriumonderzoek.............................................................. 6-1 6.1 opzet laboratoriumonderzoek ........................................................ 6-1 6.2 samenstelling analysepakketten ..................................................... 6-2 7. Resultaten laboratoriumonderzoek ............................................ 7-3 7.1 beoordelingskader bodemonderzoek ............................................. 7-3 7.2 toetsingsresultaten .........................................................................

7-4 7.3 toelichting op de toetsing ............................................................... 7-4 7.4 interpretatie .................................................................................... 7-5 7.5 aanvullend laboratoriumonderzoek (uitsplitsing MM2) ................. 7-6 8. Samenvatting en conclusie .......................................................... 8-1 8.1 samenvatting ................................................................................... 8-1 8.2 conclusies ........................................................................................ 8-2 8.3 aanbevelingen / aandachtspunten .................................................. 8-2

Bijlagen I

II III IV V VI VII VIII

Regionale en lokale situering a. regionale situering b. lokale situering Situatietekening onderzoekslocatie Boorprofielen en veldwerkformulier Analysegegevens laboratorium Toetsingstabellen analysegegevens Toegepaste NEN/NPR-richtlijnen, werkwijze en bemonsteringstechnieken Geraadpleegde bronnen Foto’s

A A N L E I D I N G

E N

D O E L S T E L L I N G

O N D E R Z O E K

1

Hoofdstuk

1. Aanleiding en doelstelling 1.1 aanleiding van het onderzoek In opdracht van Helmink Groep bv is door ECOPART BV een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd op een drietal percelen gelegen aan Oranjestraat 1 te Varsseveld. Aanleiding voor de uitvoering van dit onderzoek is de voorgenomen overdracht van het onroerend in het kader van herontwikkeling ten behoeve van woningbouw, waarbij de eventuele aanwezigheid van een bodemverontreiniging een beletsel of beperking van deze plannen kan vormen. 1.2 doelstelling van het onderzoek Het doel van het ingestelde onderzoek in deze situatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond boven de generieke achtergrondgehalten en/of in het freatisch grondwater in gehaltes boven de streefwaarden. 1.3 opzet van het onderzoek De opzet van het onderzoek is gebaseerd op de Nederlandse norm voor verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) en is als volgt opgebouwd: 1.

inventarisatie: De beschikbare gegevens over de onderhavige onderzoeklocatie, voor zover deze van belang zijn voor het verkrijgen van inzicht in een mogelijke bodemverontreiniging worden verzameld, gerangschikt en samengevat in een vooronderzoek. Gebaseerd op deze gegevens wordt een onderzoeksplan opgesteld.

2.

onderzoek: Bij het veldonderzoek worden aanvullende gegevens verkregen over de bodemopbouw en mogelijke bodemvreemde bijmengingen. Tevens worden de grond en het grondwater systematisch bemonsterd en chemisch onderzocht op mogelijke verontreinigingen.

3.

rapportage: Er wordt verslag gedaan van een aantal locatiegegevens alsmede van de uitkomsten van de onderzoeksgegevens. Aan de hand van de interpretatie van de resultaten afkomstig van de chemische analyses, is er een conclusie omtrent de kwaliteit van de bodem en de gebruiksmogelijkheden of beperkingen van het perceel met betrekking tot de bodemkwaliteit in de rapportage opgenomen.

Op basis van de voorhanden zijnde gegevens is een bemonsterings- en analyseplan opgesteld en uitgewerkt. 1.4 disclaimer Het verkennend bodemonderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd met behulp van de voor het onderzoek gangbare technieken, inzichten en methodes. Bij het uitvoeren van onderzoeken streven wij een optimale representativiteit na. Het blijft

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

1-1

A A N L E I D I N G

E N

D O E L S T E L L I N G

O N D E R Z O E K

mogelijk dat er plaatselijk afwijkingen voorkomen in de samenstelling van grond en grondwater. Deze afwijkingen komen door het steekproefsgewijze karakter van het onderzoek niet aan het licht. Daar komt bij dat onderzoek naar de bodem een momentopname betreft. Verder kan worden opgemerkt dat de ten behoeve van het uitwerken van het historisch onderzoek geraadpleegde bronnen, niet altijd zonder fouten en/of volledig zijn. Voor het verkrijgen van de historische informatie is ECOPART BV afhankelijk van de door de geraadpleegde bronnen aangeleverde informatie. Hoewel wij deze gegevens met de nodige zorgvuldigheid behandelen, kan ons bureau niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie. Hoewel ECOPART BV zorgvuldig en conform de van toepassing en van kracht zijnde regelgeving handelt, is zij niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit de bovengenoemde aspecten. 1.5 het proces en kwaliteitssysteem Het procescertificaat van ECOPART BV en het hierbij behorende kwaliteitskeurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie en de overdracht van de monsters aan een door de Stichting Raad voor Accreditatie (STERLAB) erkend laboratorium.

Tussen ECOPART BV en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en/of integriteit van ons bureau zou beïnvloeden of de werkzaamheden zou kunnen belemmeren.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

1-2

2

V O O R O N D E R Z O E K

Hoofdstuk

2. Vooronderzoek 2.1 algemene locatiegegevens De onderzochte terreindelen zijn gelegen aan de Oranjestraat 1 te Varsseveld en hebben een gezamenlijk oppervlakte van 3.010 m². In bijlage Ia is de regionale situering weergegeven. De lokale situering is weergegeven in bijlage Ib. Om te bepalen van welke hypothese moet worden uitgegaan bij het opstellen van de onderzoeksstrategie, is door ECOPART BV een vooronderzoek conform de NEN 5725 (basisniveau) ingesteld. Een dergelijk onderzoek dient informatie te verschaffen over het vroegere en huidige gebruik van de te onderzoeken locatie, alsmede over de bodemsamenstelling en de geohydrologische situatie. Ten behoeve van het vooronderzoek is navraag gedaan bij de opdrachtgever en gemeente Oude IJsselstreek (alsmede Bodemloket) of er van de te onderzoeken locatie en de directe omgeving hiervan informatie bekend is met betrekking tot de historie en of mogelijk bodembedreigende feiten en/of activiteiten bekend zijn. Vervolgens is op 8 december 2017, voorafgaande aan het veldwerk, het terrein visueel geïnspecteerd. Onderstaand zijn de conclusies van het vooronderzoek weergegeven. Tevens is de regionale bodemopbouw en geohydrologische situatie beschreven.

2.2 conclusies vooronderzoek 2.2.1 onderzoeklocatie en omgeving De onderzoeklocatie is gelegen in het centrum van Varsseveld en is zuidelijk van de Doetinchemseweg en oostelijk van de Oranjestraat gesitueerd. De onderzoekslocatie omvat in totaal een drietal kadastrale percelen welke bekend zijn onder kadastrale gemeente Varsseveld , sectie I, perceelnummers 1282, 968 en 970. Perceel 1282 is in gebruik als parkeerplaats en ligt westelijk tegenover de bebouwde percelen 968 en 970. Het oppervlak van de parkeerplaats bedraagt ongeveer 1.000 m2 en het oppervlak van de bebouwde percelen bedraagt tezamen ongeveer 2.010 m2. Voor 1970 de bebouwing in gebruik als café (’t Kepmke) en schietbaan. In februari 1967 is voor de schietbaan een Hinderwetvergunning aangevraagd waarin is opgenomen dat alleen met buksen tot maximaal .22 millimeter mocht worden geschoten. Vanaf de jaren ’70 is de bebouwing gebruik geweest als winkel/versmarkt met koel- en vriesinstallaties. Uit een verkregen overzichtstekening waarop de bedrijfsindeling is aangegeven is gebleken dat in de westelijke hoek van de bebouwing een wasserij gesitueerd is waar vuile kratten werden gewassen.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

2-1

V O O R O N D E R Z O E K

Uit informatie van een document “Checklist BOOT” die 1996 is gebruikt voor het inventariseren van ondergrondse olietanks blijkt dat op de onderzoekslocatie een ondergrondse benzinetank aanwezig is die voor 1993 is leeggemaakt en buiten gebruik is gesteld. Het is niet bekend of de tank is gereinigd. De tank ligt in de bodem ter plaatse de klinkerstrook direct noordwestelijk van de bebouwing op perceel 968. De exacte locatie is echter niet bekend. Verder is nog gebleken dat het noordelijk tegenover gelegen perceel (noordelijk van de Doetinchemseweg: tankstation Gulf) in het kader van de Wet bodembescherming als een potentieel verdachte locatie is aangemerkt in verband een verontreiniging met brandstofproducten in de grond en in het grondwater. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn met name bedrijven gesitueerd (tankstation, een kapper en een restaurant). Zuidelijk van de locatie is woonbebouwing aanwezig. 2.2.2 eerder uitgevoerd bodemonderzoek Voor zover bekend zijn ter plaatse van de onderzoeklocatie in het verleden geen bodemonderzoeken uitgevoerd. 2.2.3 conclusies vooronderzoek In het kader van onderhavig onderzoek dienen de volgende feiten en/of activiteiten als bodembedreigend te worden beschouwd: Uit het historisch onderzoek is gebleken dat er op de locatie een (lege) ondergrondse benzine tank aanwezig is.

Hiervan is onvoldoende bekend is of deze goed is gereinigd en of deze activiteit mogelijk tot bodemverontreiniging heeft geleid. Verder is duidelijk geworden dat in de bodem noordelijk van de Doetinchemseweg (momenteel tankstation Gulf) een ernstige bodemverontreiniging met brandstofproducten aanwezig is. De locatie (wasserij) waar vuile kratten werden gewassen dient als bodembedreigend te worden aangemerkt. De overige feiten en/of activiteiten bodemverontreiniging te verwachten.

geven

geen

directe

aanleiding

een

Er zijn van de onderzoeklocatie verder geen gegevens bekend omtrent sloop van opstallen waarin asbesthoudend materiaal was verwerkt. Verder is ook niet bekend of er demping / verharding met (on)gebroken puin (waarvan de herkomst onbekend is) heeft plaatsgevonden op de locatie.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

2-2

V O O R O N D E R Z O E K

2.2.4 bodemopbouw en geohydrologie Oostelijk Gelderland Geologisch gezien kan het oostelijke gedeelte van Gelderland worden onderverdeeld in het IJsseldal [omgeving Zutphen], het oostelijke en westelijke deel van het pleistocene bekken [omgeving Lochem, Ruurlo, Lichtenvoorde, Varsseveld], het Tertiair plateau [omgeving Winterswijk] en de zuidwestelijk gelegen Riviervlakte [omgeving Zevenaar, s’Heerenberg]. De belangrijkste waterlopen in deze streek worden gevormd door de Schipbeek, de Berkel, de Oude IJssel, de Aaltense Slinge en de Oude Rijn. Het gebied helt van 30 à 40 m + NAP in het oosten tot 8 á 12 m + NAP in de IJsselvallei. Voor de bodemgegevens en de geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de grondwaterkaart van Nederland en de Provinciale Overzichten Win- en Produktiemiddelen (VEWIN). Oostelijk deel Pleistocene bekken Algemeen Het Pleistocene bekken bestaat uit een vrij vlak glaciaal bekken dat is opgevuld met fluvioglaciale sedimenten bestaand uit matig fijne tot vrij grove grindhoudende zanden, de Formaties van Urk en Kreftenhije. Het gebied is afgedekt met een naar het oosten tot 10 m dikte toenemende laag dekzand van de Formatie van Twente. Het oostelijke deel van het pleistocene bekken wordt aan de oostkant begrensd door de terrasrand Aalten-Neede en aan de westkant door de lijn Borculo-Ruurlo-Zelhem-Varsseveld-Aalten.

Het gebied is vrij vlak en kent enkele stuifzandruggen. Een ervan is gelegen tussen Aalten en Zelhem, haaks hierop ligt een rug langs Harreveld naar Lichtenvoorde. De maaiveldshelling bedraagt 0.05 tot 0.20 m/km en is hiermee lager dan die van het westelijk aangrenzende gebied. De belangrijkste bodemtypen die binnen dit gebied voorkomen behoren tot de veldpodzolgronden, de enkeerdgronden en de beekeerdgronden. Geologische ontstaanswijze Voor de geologische ontstaanswijze van het gebied is het tijdvak vanaf het Tertiair van belang. Tijdens deze periode werden in Nederland mariene, schelp en glauconiethoudende zandige kleien afgezet, de Formaties van Oosterhout en Breda. Tijdens het Oud-Pleistoceen werden door rivieren de zanden van de Formatie van Harderwijk afgezet. Door erosie is deze grotendeels weer verdwenen waardoor deze vermoedelijk alleen in het noorden van het gebied voorkomt. In het Midden-Pleistoceen stroomde de Rijn voor het eerst door de Achterhoek en zette de Formatie van Sterksel-Enschede af. Ook deze werd later grotendeels afgeërodeerd waardoor we deze alleen nog in het uiterste oosten van de Achterhoek aantreffen. Vanaf het begin van de Elster-ijstijd werden fluviatiele augietrijke zanden aangevoerd door de Rijn en de Maas, de Formatie van Urk. Tijdens het Saalien was het gebied vermoedelijk met landijs bedekt.

Uit deze perioden stamt de Formatie van Drente die een zeer gevarieerde samenstelling heeft van zanden en leem. Toen na de terugtrekking van het landijs de Rijn weer in noordelijke richting ging stromen zette deze de eveneens zandige Formatie van Kreftenheye af. Tegelijkertijd werd bij een warmer klimaat de Eemformatie afgezet bestaande uit klei, veen en slibrijke zanden. Deze komt voor in de omgeving van Borculo. Later werd het gebied grotendeels door de wind bedekt met dekzand van de Formatie van Twente. Regionale geohydrologische situatie Binnen het gebied komt overwegend één watervoerend pakket voor dat bestaat uit de Formaties van Urk en Kreftenhije, afgedekt door de Formaties van Twente. In de omgeving van Borculo komt in het watervoerend pakket een enkele meters dikke scheidende laag voor van de Eemformatie die regelmatig onderbroken is. De mariene Tertiaire kleien vormen de hydrologische basis. De kD varieert van 100 m 2/dag ter hoogte van de lijn Aalten-

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

2-3

V O O R O N D E R Z O E K

Neede tot 4000 m2/dag binnen het gebied dat wordt ingesloten door Ruurlo, Zelhem en Varsseveld. Overzicht van de geohydrologische bodemgesteldheid Pakket Formatie(s) D Samenstelling Deklaag Twente 0-10 fijn zand, soms humeus en slibhoudend WVP Urk en 5-55 matig fijn tot vrij grof Kreftenheye grindhoudend zand Basis Breda klei, zandige klei WVP = WaterVoerend Pakket, SL = Scheidende Laag, D = Dikte in m, kD = Doorlaatvermogen in m2 /d, c = verticale weerstand in d. •

kD / c kD 10 - 100 kD 100-4000 c > 10.000*

Over de exacte waarde zijn onvoldoende gegevens bekend.

Grondwaterstroming, Kwel/Wegzijging, Onttrekkingen: De rug van Aalten-Zelhem is een waterscheiding voor zowel het grondwater als het oppervlaktewater. Ten zuiden van deze rug is de grondwaterstroming overwegend zuidwestelijk gericht, ten noorden hiervan stroomt het grondwater in noord-westelijke richting. De rug langs Harreveld naar Lichtenvoorde is geen barriëre voor het grondwater maar hindert wel de oppervlaktewaterafvoer. Doordat het gebied ten oosten van de rug ook kwelwater ontvangt van het tertiair plateau en het verhang slechts 0,05 tot 0,2 m/km bedraagt, wordt het door sloten ontwaterd via de Veengoot om te hoge grondwaterstanden te voorkomen. Meer naar het westen is het verhang met 0,3 m/km iets groter, hier is sprake van wegzijging. Grondwateronttrekking In de betreffende regio bevindt zich de 25-jaarszone van het waterwingebieden De Pol bij Doetinchem, Het Klooster bij Hengelo (Gld.), een station in Varsseveld en twee stations in Silvolde.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

2-4

3

H Y P O T H E S E

Hoofdstuk

3. Hypothese 3.1 algemeen Op basis van de gegevens afkomstig van het vooronderzoek is uitgezonderd de locatie van de ondergrondse benzinetank, geen reden te veronderstellen dat er sprake zou kunnen zijn van een verontreiniging van de te onderzoeken locatie, welke niet middels de standaard onderzoeksopzet kan worden aangetoond. Voor het onderzoek ter plaatse van perceel 1282 (parkeerplaats) is uitgegaan van een terreingrootte van circa 1.000 m² en de onderzoekshypothese ‘onverdacht’. De bebouwde percelen worden gezien als één locatie en hebben een gezamenlijk oppervlak van circa 2.010 m2. De te volgen opzet voor deze terreindelen is gebaseerd op de ‘onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek voor een onverdachte locatie’ [Nederlandse norm NEN 5740], strategie ONV waarbij door plaatsgerichte plaatsbepaling van de boringen/peilbuis zal worden nagegaan of de wasserij en/of de verontreiniging ter plaatse van het tegenoverliggende tankstation invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie. Bovengenoemde onderzoeksopzet is uitgebreid met gericht onderzoek naar het voorkomen van eventuele verontreiniging in de grond en/of het grondwater ter plaatse van de locatie van de ondergrondse benzinetank. Hiervoor is aangesloten bij de NEN 5740 onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtanks (VEP-OO).

Opgemerkt wordt dat uit het vooronderzoek géén aanwijzingen zijn gevonden voor de mogelijke aanwezigheid van een verontreiniging met asbesthoudend materiaal in de bodem. Asbestonderzoek conform de NEN 5707 is derhalve niet noodzakelijk geacht. Tijdens de uitvoering van het onderzoek zal het maaiveld alsmede de opgeboorde grond visueel geïnspecteerd worden op de aanwezigheid van asbestverdachte (plaat)materialen.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

3-1

U I T V O E R I N G

V E L D W E R K Z A A M H E D E N

4

Hoofdstuk

4. Uitvoering veldwerkzaamheden 4.1 aanpak veldwerk Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000, protocollen 2001 en 2002 en de bijbehorende NEN/NPR-richtlijnen. Voor een overzicht van de van toepassing zijnde normen wordt verwezen naar bijlage VI. De eventuele afwijkingen van deze richtlijnen en normbladen worden -indien van toepassing- in dit hoofdstuk vermeld en gemotiveerd. Het veldwerk heeft plaatsgevonden op d.d. 8 december 2017. Het grondwater is d.d. 18 december 2017 bemonsterd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door ing. J. Groot Antink namens ECOPART BV. Vanwege een fout bij het verstrekken van de analyseopdracht zijn de grondmonsters ter plaatse van het parkeerterrein niet geanalyseerd. Derhalve zijn de grondmonsters ter plaatse van dit terreindeel opnieuw genomen op d.d. 23-01-2018. 4.2 grond- en grondwatermonstername Bij de veldwerkzaamheden wordt onderscheid gemaakt tussen onderzoek van de bovengrond (tussen 0,0-0,5 meter minus maaiveld (m-mv)), de ondergrond (tussen 0,5-2,0 m-mv) en het grondwater. De grondboringen zijn, afhankelijk van de diepte van de diverse monsternamepunten, van het maaiveld tot de maximaal te onderzoeken diepte van 2,0 mmv over verschillende trajecten bemonsterd. Een en ander is afhankelijk van het karakter van de boring (verdacht of niet-verdacht), de onderscheiden bodemlagen en de organoleptische waarnemingen.

Bij de veldwerkzaamheden ter plaatse van de ondergrondse benzinetank zal gericht worden gekeken naar de (meest verdachte) bodemlaag rondom grondwaterniveau. Meteen na het plaatsen van de peilbuizen zijn deze met een slangenpomp afgepompt. Minimaal een week na plaatsing zijn ze opnieuw afgepompt en is het grondwater bemonsterd. De filtratie over 0,45 µm voor de analyse van zware metalen is in-line verricht. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop de grond- en grondwatermonstername heeft plaatsgevonden wordt eveneens verwezen naar het gestelde in bijlage VI. 4.3 uitvoering veldwerk Parkeerplaats (perceel 1282) Gezien de oppervlakte zijn in totaal 6 grondboringen uitgevoerd (B1 t/m B6). Alle boringen zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 0,5 m-mv. Ten behoeve van het onderzoek naar de kwaliteit van de ondergrond zijn in totaal 2 boringen (B3 en B6) doorgezet tot een diepte van 2,0 m-mv. Ten behoeve van het grondwateronderzoek is de boringen B3 doorgezet tot een diepte van minimaal 1,5 meter beneden de actuele grondwaterstand waarna in het betreffende boorgat een peilbuis is geplaatst.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

4-1

U I T V O E R I N G

V E L D W E R K Z A A M H E D E N

Overig terrein (perceel 968 en 970) Gezien de oppervlakte zijn in totaal 13 grondboringen uitgevoerd (B10 t/m B22). Alle boringen zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 0,5 m-mv. Inpandig zijn de boringen uitgevoerd tot een minimale diepte van 0,5 m-onderzijde betonvloer. In afwijking van de NEN5740 is het deelmonster ter plaatse van de wasplaats meegenomen in het mengmonster voor het algemeen beeld. Ten behoeve van het onderzoek naar de kwaliteit van de ondergrond zijn in totaal 5 boringen (B10, B16, B18, B21/NO100 en B22/NO102) doorgezet tot een diepte van 2,0 mmv. Ten behoeve van het grondwateronderzoek is boring B10 doorgezet tot een diepte van minimaal 1,5 meter beneden de actuele grondwaterstand waarna in het betreffende boorgat een peilbuis is geplaatst. Ondergrondse benzinetank (noordwestelijk van bebouwing op perceel 968) Ter plaatse van de ondergrondse benzinetank zijn in eerste instantie 3 grondboringen (NO100 t/m NO102) uitgevoerd tot een diepte van 2,0 m-mv (tot onder het actuele grondwaterniveau). Omdat de locatie van de ondergrondse olietank niet exact bekend is zijn op d.d. 8 december 2018 de boringen in een lijn verspreid over het terreingedeelte waar de tank zou kunnen liggen. Uit de bevindingen tijdens de veldwerkzaamheden is gebleken dat ter plaatse van boring/peilbuis NO100 in eerste instantie een boring is gestaakt op een diepte van circa 1,0 m-mv.

Vermoedelijk is de eerste boorpoging gestaakt op de ondergrondse benzinetank omdat hierbij een restje bitumen werden aangetroffen in de laatst opgeboorde grond en het geluid van stoten ook overeenkwam met het geluid van een ondergrondse opslagtank. In de boringen NO101 en NO102 zijn geen aanwijzingen gevonden voor de ligging van een ondergrondse olietank en/of mogelijke verontreiniging. Op 18 december 2017 zijn ter plaatse van de vermoedelijke locatie van de ondergrondse olietank nog 2 aanvullende boringen NO103 en NO104 geplaatst ter controle van de locatie. Beide boringen zijn eveneens op een diepte van circa 1,0 m-mv gestaakt waarbij dezelfde bevindingen zijn gedaan als bij de eerder gestaakte en verplaatste boring NO100. Boring NO100 (2) is aansluitend geplaatst en uitgerust met een peilbuis voor het grondwateronderzoek. Het grondwater uit deze peilbuis is na ruim en goed afpompen aansluitend bemonsterd. De grondwaterstand bevond zich ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden op een diepte variërend tussen 1,6 en 1,9 m-mv. Op de situatietekening (bijlage II) zijn de onderzoekpunten weergegeven.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

4-2

R E S U L T A T E N

V E L D W E R K Z A A M H E D E N

5

Hoofdstuk

5. Resultaten veldwerkzaamheden 5.1 lokale bodemopbouw Tot de verkende diepte van 3,2 m-mv, bestaat het bodemprofiel overwegend uit matig grof tot matig fijn, zwak tot matig siltig zand. In de ondergrond worden ook zeer fijne zandlagen aangetroffen. Ter plaatse van de parkeerplaats is onder de klinkerverharding een laagje straatzand aanwezig waaronder de oorspronkelijk bovengrond is aangetroffen. Deze is over het algemeen matig humeus (donkerbruin). Voor een gedetailleerde beschrijving van de bodemopbouw wordt verwezen naar boorprofielen die zijn opgenomen als bijlage III. 5.2 zintuiglijke waarnemingen Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een relevante bodemverontreiniging. Ter plaatse van boring B10, B12, B13 en B17 t/m B20 zijn in de bodemlaag van 0,2-0,6 á 1,0 m-mv wel sporen metselpuin aangetroffen (enkele kleine deeltjes).

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

5-1

6

L A B O R A T O R I U M O N D E R Z O E K

Hoofdstuk

6. Laboratoriumonderzoek 6.1 opzet laboratoriumonderzoek De grond- en grondwatermonsters worden in het laboratorium, conform de NEN 5740, geanalyseerd volgens AS SIKB 3000 en onderliggende protocollen. Voor de samenstelling van de (meng)monsters ten behoeve van het laboratoriumonderzoek wordt verwezen naar het gestelde in onderstaande tabel 6-1. De analysecertificaten zijn opgenomen onder bijlage IV. Tabel 6-1: Samenstelling mengmonsters. MONSTER TRAJECT mengboring aanvang einde monster nummer (m-MV) (m-MV)

ANALYSE pakketnummer

BIJZONDERHEDEN bodemlaag

Bebouwde terreindelen (percelen 968 en 970) MM1

B10, B11, B13 t/m B16

0,05

0,80

A

MM2

B17 t/m B22

0,08

0,80

A

MM3

B10 , B16 en B18

0,50 1,00 1,50

1,00 1,50 2,00

A

bovengrond rondom bebouwing bovengrond direct onder betonvloer inpandig ondergrond meest verdachte bodemlaag ter plaatse van ondergrondse tank (grondwaterniveau) grondwater algemeen grondwater ter plaatse van ondergrondse tank

MM4

NO100 (2)

1,10

1,60

B

W10

B10

2,40

3,40

C

W100

NO100 (2)

2,00

3,00

D

0,15

0,70

A

(oorspronkelijke) bovengrond

0,50 1,00 1,50 2,20

1,00 1,50 2,00 3,20

A

ondergrond

C

grondwater algemeen

Parkeerplaats (perceel 1282) MM5

B1 t/m B6

MM6

B3 en B6

W3

B3

Voor de samenstelling van de betreffende analysepakketten wordt verwezen naar onderstaande paragraaf 6.2.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

6-1

L A B O R A T O R I U M O N D E R Z O E K

6.2 samenstelling analysepakketten Hieronder is de samenstelling van de analysepakketten weergegeven: pakket A (grond NEN 5740): - zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; - polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 leidraad); - polychloorbifenylen (pcb); - minerale olie (GC); - lutum en organische stof. pakket B (grond): - minerale olie (GC); - lutum en organische stof. Pakket C (grondwater NEN 5740): - zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink - vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen; - vluchtige broomhoudende koolwaterstoffen; - vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen en styreen); - minerale olie. Pakket D (grondwater): - vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEX incl. naftaleen en styreen); - minerale olie.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

6-2

R E S U L T A T E N

L A B O R A T O R I U M O N D E R Z O E K

7

Hoofdstuk

7. Resultaten laboratoriumonderzoek 7.1 beoordelingskader bodemonderzoek Om de mate van verontreiniging van de grond en het grondwater te kunnen beoordelen, zijn de uitkomsten van de chemische analyses van de grondmonsters en de watermonsters getoetst aan de toetsingswaarden welke gesteld zijn in de Wet bodembescherming. Deze indicatieve richtwaarden zijn als volgt te definiëren: •

Generieke achtergrondwaarde / streefwaarde voor een multifunctionele bodem: De achtergrond- dan wel streefwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit en komen overeen met de gemiddelde gehaltes aan van nature aanwezige stoffen in de bodem, gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte. Een overschrijding van de achtergrond-/streefwaarden wordt een lichte verhoging genoemd, waarbij mogelijk sprake kan zijn van een bodemverontreiniging.

•

Interventiewaarden t.b.v. een beslissing tot sanering: De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Dit geldt zowel voor de humaanals eco-toxicologische effecten van de bodem verontreinigende stoffen.

•

Voor verontreinigingen ontstaan vóór 1-1-1987 zijn de interventiewaarden gerelateerd aan een ruimtelijke schaal. Om van overschrijding van de waarden, en dus van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken, dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. De interventiewaarde is net als de achtergrond-/streefwaarde gerelateerd aan het organische stof- en lutumgehalte van de bodem. Ernstige verontreinigingen worden onderscheiden in spoedeisende en nietspoedeisend gevallen. Om te kunnen bepalen of er sprake is van een spoedeisende en niet-spoedeisend geval, worden aan de hand van (uniforme) rekenmethoden, aangevuld met metingen, de actuele risico's voor mens en ecosysteem en de actuele verspreidingsrisico's bepaald. Een overschrijding van de interventiewaarden wordt als ernstige verontreiniging omschreven.

•

Voor verontreinigingen ontstaan na 1-1-1987 geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat de verontreinigde locaties te allen tijde zo spoedig mogelijk dienen te worden gesaneerd.

•

Tussenwaarden ten behoeve van nader onderzoek: Wanneer blijkt dat de concentratie van één of meerdere stoffen de som van de achtergrond-/streef- en interventiewaarden gedeeld door twee op één of meerdere plaatsen overschrijdt, wordt ervan uitgegaan dat zich een risico voor de volksgezondheid zou kunnen voordoen. Er zal verder onderzoek noodzakelijk zijn om de verontreinigingsgraad van het terrein nader te analyseren. Een overschrijding van de tussenwaarden wordt als matige verhoging omschreven.

Bij de beoordeling van deze waarden speelt de lokale verontreiniging situatie en het toekomstige gebruik van de onderhavige locatie een belangrijke rol. Onder de lokale verontreiniging situatie worden die factoren verstaan die van belang zijn voor de mate van en de mogelijkheid tot verspreiding van de verontreiniging naar de omgeving. Het gebruik

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

7-3

R E S U L T A T E N

L A B O R A T O R I U M O N D E R Z O E K

van de bodem speelt mede een rol bij de bepaling van de mate van eventueel gevaar voor de volksgezondheid of het milieu. Hierbij wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen enerzijds de meer kwetsbare gebieden, zoals woon-, werk-, en andere verblijfsgebieden, waterwingebieden en natuurgebieden en de minder kwetsbare gebieden, zoals bijvoorbeeld industrieterreinen of gronden met een infrastructurele bestemming. 7.2 toetsingsresultaten De resultaten van de het laboratoriumonderzoek zijn getoetst aan de achtergrond-, streefen interventiewaarden uit de Wet bodembescherming. In Bijlage VI zijn de toetsingstabellen weergegeven waaruit blijkt in welke mate de geanalyseerde stofparameters deze grenswaarden overschrijden. 7.3 toelichting op de toetsing De uitkomsten van het bodemonderzoek zijn als volgt samen te vatten: (concentratie < streef-/achtergrondwaarde : niet verhoogd) (streef-/achtergrondwaarde < concentratie < tussenwaarde [(S+I)/2]: licht verhoogd) (tussenwaarde < concentratie < interventiewaarde : matig verhoogd) (concentratie > interventiewaarde : sterk verhoogd) Hieronder worden de resultaten van het laboratoriumonderzoek beschreven voor respectievelijk de parkeerplaats en de bebouwde terreindelen:

Parkeerplaats (perceel 1282) •

de zware metalen: In de mengmonster MM5 en MM6 van de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten zware metalen gemeten. In grondwatermonster W3 is voor barium een licht verhoogd gehalte vastgesteld.

•

polychloorbifenylen: In mengmonster MM5 en MM6 van de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten PCB.

•

vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en broomhoudende koolwaterstoffen: In grondwatermonster W3 zijn geen verhoogde concentraties VOCl en/of broomhoudende koolwaterstoffen gemeten.

•

vluchtige aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en styreen: In grondwatermonsters W3 zijn geen verhoogde concentraties BTEXNS gemeten.

•

minerale olie: In de mengmonsters van de boven- en ondergrond en in grondwatermonsters W3 zijn geen verhoogde gehalten minerale olie gemeten.

•

polycyclische aromatische koolwaterstoffen: In de mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten PAK gemeten.

Bebouwde terreindelen (percelen 968 en 970) •

de zware metalen: In mengmonster MM1 van de bovengrond rondom de bebouwing is voor lood een licht verhoogde concentratie gemeten. In mengmonster MM2 van de bovengrond direct onder de betonvloer inpandig is voor kobalt een licht verhoogd gehalte vastgesteld. In het mengmonster van de ondergrond MM3 zijn geen verhoogde gehalten zware metalen gemeten. In grondwatermonster W10 zijn voor barium, cadmium en nikkel licht verhoogde gehalten vastgesteld.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

7-4

R E S U L T A T E N

L A B O R A T O R I U M O N D E R Z O E K

•

polychloorbifenylen: In mengmonster MM2 van de bovengrond direct onder de betonvloer inpandig is een sterk verhoogde concentratie PCB aangetroffen. In mengmonster MM1 en MM3 zijn geen verhoogde gehalten PCB gemeten.

•

vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en broomhoudende koolwaterstoffen: In grondwatermonster W10 zijn geen verhoogde concentraties VOCl en/of broomhoudende koolwaterstoffen gemeten.

•

vluchtige aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en styreen: In grondwatermonsters W10 zijn geen verhoogde concentraties BTEXNS gemeten.

•

minerale olie: In de mengmonsters van de boven- en ondergrond en in de grondwatermonsters W10 en W100 zijn geen verhoogde gehalten minerale olie gemeten.

•

polycyclische aromatische koolwaterstoffen: In de mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten PAK gemeten.

7.4 interpretatie

Parkeerplaats (perceel 1282) In de (oorspronkelijke) bovengrond alsmede in de ondergrond zijn geen verontreinigingen vastgesteld. In het grondwater is alleen voor barium een licht verhoogd gehalte vastgesteld (overschrijding streefwaarde). Het verhoogde gehalte barium in het grondwater kan ons inziens, vanwege het ontbreken van bronlocaties op het terrein, en het veelvuldig aantreffen van vergelijkbaar verhoogde concentraties elders in Nederland, als verhoogde achtergrondwaarde worden beschouwd.

Bebouwde terreindelen (percelen 968 en 970) In de bovengrond rondom de bebouwing is een lichte verontreiniging met lood aangetroffen. Het gehalte lood overschrijdt net de achtergrondwaarde. In de bovengrond c.q. bodemlaag direct onder de inpandige betonverharding is een lichte verontreiniging met kobalt aangetroffen en is een sterke verontreiniging met PCB aangetoond. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium, cadmium en nikkel vastgesteld. Vanwege de sterk verhoogde concentratie PCB in mengmonster MM2 is besloten aanvullend laboratoriumonderzoek te verrichten (zie paragraaf 7.5). De lichte verontreinigingen met barium, cadmium en nikkel in het grondwater kunnen ons inziens, vanwege het ontbreken van bronlocaties op het terrein, en het veelvuldig aantreffen van vergelijkbaar licht verhoogde concentraties elders in Nederland, als verhoogde achtergrondwaarden worden beschouwd. Ter plaatse van de ondergrondse benzinetank zijn in de grond (bodemlaag rond grondwaterniveau) geen verontreinigingen met minerale olie vastgesteld. In het grondwater zijn eveneens geen verontreinigingen met minerale olie dan wel met vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXNS) vastgesteld.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

7-5

R E S U L T A T E N

L A B O R A T O R I U M O N D E R Z O E K

7.5 aanvullend laboratoriumonderzoek (uitsplitsing MM2) Omdat de concentratie PCB in mengmonster MM2 de interventiewaarde overschrijdt is besloten dit mengmonster uit te splitsen om de mate van verontreiniging in de afzonderlijke deelmonsters te kunnen bepalen (MM2 bestaat uit 6 deelmonsters). Uit de resultaten van de uitsplitsing is gebleken dat in de deelmonsters 20.1 een concentratie PCB is gemeten die in ruime mate de interventiewaarde overschrijdt. Verder is in deelmonster 22.1 nog een licht verhoogde concentratie PCB gemeten. In de overige separaat onderzochte deelmonsters zijn geen verhoogde concentraties PCB vastgesteld. Het analysecertificaat is opgenomen onder bijlage IV. De toetsingstabel is opgenomen in bijlage V.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

7-6

S A M E N V A T T I N G

E N

C O N C L U S I E

8

Hoofdstuk

8. Samenvatting en conclusie 8.1 samenvatting In opdracht van Helmink Groep bv is door ECOPART BV een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd op een drietal percelen gelegen aan Oranjestraat 1 te Varsseveld. Uit vooronderzoek is gebleken dat ter plaatse van de locatie van de parkeerplaats (perceel 1282) geen bodembedreigende activiteiten en/of feiten hebben plaatsgevonden. Op basis daarvan is voor dit terreingedeelte een verkennend onderzoek verricht volgens de NEN 5740 richtlijnen voor onverdachte locaties (ONV). De te volgen opzet voor de bebouwde terreindelen (percelen 968 en 970) is gebaseerd op de ‘onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek voor een onverdachte locatie’ [Nederlandse norm NEN 5740]. Bovengenoemde onderzoeksopzet is uitgebreid met gericht onderzoek naar het voorkomen van eventuele verontreiniging in de grond en/of het grondwater ter plaatse van de locatie van de ondergrondse benzinetank. Hiervoor is aangesloten bij de NEN 5740 onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtanks (VEP-OO).

Verder is door plaatsgerichte plaatsbepaling van de boringen/peilbuis specifiek aandacht is besteed aan de kwaliteit van de bodem ter plaatse van een voormalige wasserij en is nagegaan of de bodemverontreiniging ter plaatse van het tegenover gelegen tankstation van invloed is op de bodemkwaliteit ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie. Naar aanleiding van de uitkomsten van het ingestelde onderzoek kan het volgende worden opgemerkt: •

veldwerkzaamheden: tijdens het verrichten van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen relevante afwijkingen waargenomen; in de bovengrond ter plaatse van boring B10 en in de bodemlaag direct onder de betonvloer ter plaatse van boring B20 zijn sporen met metselpuin aangetroffen;

•

analyseresultaten parkeerplaats (perceel 1282): uit de analyseresultaten van de mengmonsters van de boven en -ondergrond (MM5 en MM6) zijn geen gehalten boven de generieke achtergrondwaarden gemeten. In het grondwater is voor barium een overschrijding van de streefwaarde aangetoond;

•

analyseresultaten bebouwde terreindeel (perceel 968 en 970): In de bovengrond rondom de bebouwing (MM1) is een lichte verontreiniging met lood aangetroffen. In de bovengrond c.q. bodemlaag direct onder de inpandige betonverharding (MM2) is een lichte verontreiniging met kobalt en een sterke verontreiniging met PCB aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium, cadmium en nikkel vastgesteld. Uit aanvullend laboratoriumonderzoek (uitsplitsing MM2) is gebleken dat ter plaatse van boring B20 in de bodemlaag direct onder de betonvloer een sterke verontreiniging met PCB aanwezig is. Ter plaatse van boring B22 (buitenterrein (noord)westelijk van Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

8-1

S A M E N V A T T I N G

E N

C O N C L U S I E

de wasserij is in de bovengrond nog een lichte verontreiniging met PCB aanwezig. In de overige separaat onderzochte deelmonsters zijn geen verhoogde concentraties PCB aangetroffen. Ter plaatse van de ondergrondse benzinetank zijn in de grond (bodemlaag rond grondwaterniveau) geen verontreinigingen met minerale olie vastgesteld. In het grondwater zijn eveneens geen verontreinigingen met minerale olie dan wel met vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXNS) vastgesteld. 8.2 conclusies Onderzoek parkeerplaats (perceel 1282) Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat de in de boven- en ondergrond geen verontreinigingen zijn vastgesteld. In het grondwater is voor barium een lichte verontreiniging vastgesteld. Gelet op het bovenstaande is er vanuit milieu hygiënisch oogpunt geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling van dit terreindeel. Onderzoek bebouwde terreindelen (percelen 968 en 970) Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat de bovengrond direct buiten rondom de bebouwing licht verontreinigd is met lood. In de ondergrond zijn geen verontreinigen vastgesteld en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalte barium, cadmium en nikkel gemeten. In de bovengrond (inpandig) is echter een sterke verontreiniging met PCB vastgesteld.

Uit de resultaten van aanvullend laboratoriumonderzoek (uitsplitsing) is gebleken dat de verontreiniging zich in de bovengrond direct onder de betonverharding ter plaatse van de wasserij (boring/deelmonster B20.1) bevindt. Tevens is een lichte verontreiniging met PCB aangetroffen in de bovengrond ter plaatse van boring B22 die net buiten de bebouwing noordwestelijk van de wasserij is gesitueerd. De sterke verontreiniging met PCB in de bovengrond geeft aanleiding voor de uitvoering van een nader bodemonderzoek. Middels uitvoering van een nader bodemonderzoek wordt inzicht verkregen in de omvang en de ernst van de verontreiniging met PCB. 8.3 aanbevelingen / aandachtspunten Wij adviseren u bij de ontwikkeling van de locatie zo veel mogelijk te werken met een gesloten grondbalans. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen bij eventuele afvoer hiervan namelijk beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik hiervan. Voor hergebruik van deze grond op een andere locatie, is het Besluit Bodemkwaliteit van kracht. Hierin wordt een andere normering en toetsingskader toegepast dan die op grond van de Wet bodembescherming. Afhankelijk van de kwaliteit, de hoeveelheid en de beoogde bestemming van de vrijkomende grond, kan worden overwogen om een partijkeuring conform het gestelde in de BRL-SIKB 1001 uit te laten voeren.

Hierbij worden de kwaliteitsklasse en de hergebruikmogelijkheden van de af te voeren grond conform het gestelde in het Besluit Bodemkwaliteit vastgesteld. Een aandachtspunt is de aangetroffen puin(resten) in de grond op de locatie. Bij een uitspraak van de Raad van State (RvS) van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3064) wordt geoordeeld dat wanneer op een locatie puin(resten) aanwezig zijn, de locatie conform de NEN5707 als asbestverdacht dient te worden beschouwd. Ook oordeelt de Raad van Staten dat wanneer sprake is van een asbestverdachte locatie, onderzoek conform de NEN 5707 uitgevoerd dient te worden. Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

8-2

S A M E N V A T T I N G

E N

C O N C L U S I E

De NEN5707 geeft aan dat alleen indien voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat het puin (ongeacht de mate van puin, dus ook puinsporen) en/of puingranulaat gezien typering, ouderdom, bijmengingen en historisch onderzoek niet kan worden gerelateerd aan asbest, de locatie of de partij als asbest onverdacht mag worden beschouwd. Indien onvoldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat in het aanwezige puin en granulaat geen asbest voorkomt, dan moet de locatie of de partij altijd als asbestverdacht worden beschouwd en is (fysiek) onderzoek op de aanwezigheid van asbest noodzakelijk. Tijdens de uitvoering van onderhavig bodemonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen in de bodem waargenomen. Echter omdat in de bodem ter plaatse van enkele boorlocaties sporen (kleine deeltjes) metselpuin zijn aangetroffen wordt met het oog op bovengenoemde aandachtspunten geadviseerd, na sloop van de bebouwing, een inspectie van de bodem uit te voeren waardoor beter beoordeeld kan worden of uitvoering van een asbestonderzoek al dan niet noodzakelijk is.

Projectnummer: 16313, versie 1.0 Datum: 13 februari 2018

8-3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4716/documents/28734