3. Toelichting.pdf
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
28
4.5 Luchtkwaliteit Op 15 november 2017 is de Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht gelden uitsluitend bepalingen uit deze Titel. In bijlage 5 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofdioxiden, fijnstof (PM10), lood, benzeen en koolmonoxide. Bestuursorganen moeten er bij het uitoefenen of toepassen van hun bevoegdheden, waaronder het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, voor zorgen dat deze grenswaarden niet (verder) worden overschreden. Tegelijkertijd met het in werking treden van de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is ook het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: NIBM) in werking getreden. In dit besluit is geregeld dat (nu er een plan is bekendgemaakt, zoals wordt bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, namelijk het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van 10 juli 2009) uitbreidingen zijn toegestaan wanneer aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van fijnstof ten gevolge van de uitbreiding niet de 3% grens overschrijdt. De 3% grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10).
3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie is 1,2 µg fijnstof (PM10 per m³). Met de komst van de 7 woningen nemen de verkeersbewegingen licht toe. Per woning wordt uitgegaan van (worst-case) 8 (auto)verkeersbewegingen per werkdagetmaal (norm crow.nl). Er wordt voor de “worst-case” benadering derhalve uitgegaan van 7 x 8 (auto)verkeersbewegingen = 56 per etmaal. Door middel van de NIBM-tool is berekend of het extra verkeer invloed heeft op de luchtkwaliteit. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet-in-betekende-mate bijdraagt (NIBM). In figuur 23 is de berekening van de NIBM-tool weergegeven. Geconcludeerd is dat de toename van het verkeer niet-in-betekende-mate bijdraagt.
Figuur 23: NIBM-tool (bron: infomil.nl)
Conclusie Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is ter hoogte van het plan sprake van een goed woon- en leefklimaat. Er is geen sprake van geveolige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen en er geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
29
4.6 Bedrijven- en milieuzonering De VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden. In de nabijheid van de planlocatie Zaagmolenpad Oost liggen vooral locaties met de enkelbestemming “wonen’. Direct aansluitend aan het plangebied is een begraafplaats gelegen welke de bestemming “maatschappelijk” heeft. Voor een begraafplaats geldt een richtafstand van 10 meter. Hieraan kan ten opzichte van de meest noordelijke vrijstaande woning niet worden voldaan. Aangezien deze direct aangrenzende locatie een rustige hoek aan het einde van de begraafplaats betreft, ver weg van de ingang en tegen de groenstrook aan is gelegen kan worden geconcludeerd dat dit geen belemmering geeft voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations) en vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.
Figuur 24: kaartuitsnede risicokaart.nl (plangebied bij blauwe pijl)
•
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen opgenomen. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) legt de bijbehorende rekenvoorschriften, afstandseisen etc. vast.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
30
• • •
•
•
•
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit bevat de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vastgelegd. Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario’s staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Vuurwerkbesluit.
Dit besluit geeft veiligheidsafstanden voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk.
Voor de selectie van risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart. Ook is een uitsnede van de risicokaart gegeven. Uit de Risicokaart is gebleken dat op korte afstand van het plangebied geen risicobronnen of wegen en leidingen aanwezig zijn die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De dichtstbijgelegen risicobronnen voor het projectplan betreffen Sportcomplex van Pallandt (op ruim 580 meter) en een Gasdrukmeet- en regelstation in Varsseveld (op ruim 640 meter). Verder is de op grotere afstand gelegen A18/N18 opgenomen in het basisnet en liggen er op afstand enige ondergrondse buisleidingen (gastransport). Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied en is daarmee niet relevant vanuit een extern veiligheidsoogpunt.
Conclusie Al deze risicobronnen zijn gelegen op dermate grote afstand, dat deze niet van invloed kunnen zijn op de veiligheid in het plangebied. Het aspect externe veiligheid levert daarmee geen belemmering op voor voorliggend plan.
4.8 Water Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De planlocatie ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning is vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor primaire taakgebieden van het waterschap: • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater • Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
31
De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord, is een uitbreide watertoets noodzakelijk. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema’s voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toetsvraag met ‘ja’ is beantwoord). Thema Toetsvraag Relevant Intensiteit Veiligheid
Riolering en Afvalwaterketen Wateroverlast (oppervlaktewater)
Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast
Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer Volksgezondheid
Natte natuur
Verdroging Recreatie Cultuurhistorie
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (Primaire waterkering, regionale waterkering of kader) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m³/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m²? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m²? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2.
Bevinden zich, of komen er functies, in of bij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen? (Zwemmen, spelen, tuinen aan water) 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEH of SED-water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
2
Nee Nee Nee
2 2 1
Nee Nee
1 2
Ja
1
Nee
1
Nee
1
Nee Nee Nee
1 1 1
Nee Nee
1 1
Nee
1
Nee Nee
1 2
Nee
1
Nee Nee Nee Nee Nee Nee
1 2 2 1 1 1
Nee Nee
2 1
In gewenste situatie neemt het bebouwde oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie toe. Ten aanzien van hemelwatervoorzieningen en kwantiteit dienen in een planlocatie de bergings- en infiltratievoorzieningen een bui van 40 mm (T=10+10%) te kunnen opvangen. Bij extreme neerslaggebeurtenissen dient bui T=100 + 10% tot aan maaiveld geborgen te kunnen worden, hierbij mag geen waterschade ontstaan. Het waterschap hanteert 110 mm in twee dagen voor de T=100+10% bui. De verharding in de openbare ruimte heeft een oppervlakte van 495m2. De vereiste waterberging bij een T=10 bui betreft hierdoor 19,8m3. Dit zal worden geborgen in de wadi’s.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
32
Bij een T=100 bui kan 50% van de kavels worden geborgen op eigen terrein. De overige 50% zal samen met 100% van het verhard oppervlakte moeten worden geborgen in de wadi’s. (verhard oppervlakte openbare ruimte 495m2 + oppervlakte woningen = 920m2) Het gaat hierbij om 73,6m3 (920m2 x 80mm). Het huishoudelijk afvalwater wordt uiteraard wel geloosd op het gemeentelijk riool. Waterhuishoudkundig plan Om inzicht te krijgen in de eventuele nadelige effecten van dit bouwplan op de directe omgeving vanuit het oogpunt water is er een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het complete rapport is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd (Waterhuishoudkundige opgave door Caudatis met datum 19 juli 2023 en nummer 2023-003). In dit rapport wordt aandacht besteed aan: • de inpassing van een tweetal wadi’s met een totale berging van 40 m3; • de inpassing van een waterbergende fundering onder de rijbaan en parkeervakken i.c.m. permeoblok met een totale berging van 140 m3; • een analyse van de effecten van het bouwplan op de directe omgeving. In de beoogde situatie is er sprake van een hoogteverschil tussen de planlocatie en aangrenzende kavels. Het plaatsen van keerwanden op de perceelsgrens zal ervoor zorgen dat er geen afstroming van hemelwater plaats zal vinden vanaf de nieuwe percelen richting de bestaande percelen.
Echter daarmee wordt de afstroming vanaf de bestaande tuinen belemmerd richting het nu lager gelegen terrein. Voorgesteld wordt om onder de keerwand een drainagesysteem aan te leggen zodanig dat eventueel overtollig hemelwater afgevoerd kan worden naar een centraal gelegen pompput. Langs de keerwand kan een zogeheten drainagemat geplaatst worden tot boven het maaiveld wat er voor zorgt dat het hemelwater direct afgevoerd kan worden via de drainage richting de pompput. Het ingezamelde hemelwater kan dan geloosd worden in de waterbergende verharding. De voorgestelde oplossing dient nog nader uitgewerkt te worden. Verwacht wordt dat de hoeveelheid hemelwater vanaf de percelen minimaal zal zijn en incidenteel voor zal komen. De waterbergende fundering is over gedimensioneerd (zie par. 3.4), verwacht wordt dat deze extra hoeveelheid geen nadelige gevolgen zal hebben.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Verkeer en parkeren Qua verkeerbewegingen zal er met de komst van 7 extra woning een toename optreden van het aantal verkeerbewegingen. Het CROW hanteert een norm van 8 (auto)verkeersbewegingen per werkdagetmaal. Om de toekomstige verkeersafwikkeling van het plan Zaagmolenpad Oost via het Zaagmolenpad goed te laten verlopen, wordt de openbare weg iets verbreed en komen er passeerhavens (zie figuur 25 en bijlage 1). Dit zal leiden tot een verkeersveilige afwikkeling van het verkeer (zowel auto als fiets).
Parkeren Gestreefd dient te worden naar parkeren op eigen terrein. In het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP) zijn parkeernormen opgenomen. Voor verschillende functies en woningtypen zijn daarin verschillende parkeernormen opgenomen. Voor goedkope en/ of rij woningen in de bebouwde kom wordt uitgegaan van minimaal 1,8 tot 1,9 parkeerplaatsen. In de CROW-publicatie “toekomstig parkeren”(381) is voor goedkope woningen 2 parkeerplaatsen als norm opgenomen. Binnen het plan Zaagmolenpad Oost is voorzien in 14 parkeerplaatsen (zie figuur 25 en bijlage 1). Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
33
Figuur 25: situatietekening met daarop de parkeerplaatsen aan de Zaagmolenpad
Conclusie Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Kabels en leidingen Binnen het projectgebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klic-melding krijgt initiatiefnemers alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen.
Conclusie Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Milieueffectrapportage Het bestemmingsplan, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: a. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
34
b.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
c.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
Ad.a: Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten tot gevolg heeft, dan kan een vergunning alleen worden verleend als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de passende beoordeling vormt de ADC-toets. De ADC-toets houdt een onderzoek in naar Alternatieven, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Korenburgerveen, is gelegen op een afstand van ruim 13 km van het plangebied. De woonactiviteiten op dit perceel hebben geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied ook mede gezien de grote afstand. Een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Ad.b en c.: Woonactiviteiten worden alleen genoemd in relatie tot een stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij meer dan 2000 woningen worden gebouwd (onderdeel D. 11.2 van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage). In dit geval is, gelet op jurisprudentie, geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject
Conclusie Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet nodig nu de gewenste activiteiten op perceelsniveau in het Besluit m.e.r. niet worden genoemd. Daarnaast is een passende beoordeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet noodzakelijk.
6.12 Geur Voor de beoordeling van geurhinder van industriële bedrijven gelden de volgende kaders: Activiteitenbesluit milieubeheer; Handleiding geur van Infomil; geurbeleid provincie Gelderland. Voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen gelden de volgende kaders: Wet geurhinder en veehouderij (voor vergunningplichtige bedrijven); Activiteitenbesluit milieubeheer (voor meldingsplichtige bedrijven). Bij ruimtelijke besluitvorming is het volgende belangrijk: 1. het kunnen garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 2. het niet onevenredig schaden van iemands belangen. Hiervoor is voldoende afstand nodig tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten.
Conclusie Zowel veehouderijen als industriële bedrijven zijn gelegen op relatief grote afstand van het plangebied. Het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding. Boven bevinden zich in het tussenliggende gebied al bestaande woningen, zodat bedrijven niet in hun mogelijkheden worden belemmerd door de nieuwe woningen.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
35
5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de landelijke standaard (SVBP2012). Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten (artikel 2) Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3 Bestemmingsregels 5.3.1 Opbouw bestemmingen
Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals agrarisch met waarden en wonen.
Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.
Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.
Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
36
Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.3.2 Bestemmingen Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de gebruikte bestemmingen.
Groen (artikel 3) In dit bestemmingplan is de bestemming “groen” overgenomen uit het geldende bestemmingsplan als basisbestemming voor de omliggende openbare gronden buiten de woonbestemming. Binnen de bestemming ‘groen’ zijn gebouwen niet toegestaan. Wel bestaat er de mogelijkheid om binnen deze bestemming onder voorwaarden bouwwerken, geen gebouw zijnde, te realiseren.
Tuin (artikel 4) De met tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, wegen, paden, erkers en erfafscheidingen.
Verkeer – verblijfsgebied (artikel 5) Alle wegen en verblijfsgebieden hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gekregen. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder meer bestemd voor voorzieningen ten behoeve van verkeer, vervoer en verblijf. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn zeer beperkt.
Wonen (artikel 6) De nieuwe woningen hebben een bestemming 'Wonen' gekregen. Voor de bebouwingsmogelijkheden wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Binnen de bestemming is door middel van aanduidingen onderscheid gemaakt in het type woning. Het hoofdgebouw van de woning mag uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gerealiseerd worden. De toegestane goot- en bouwhoogten van de woningen is op de verbeelding weergegeven. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen zijn regels opgenomen over de ligging ten opzichte van de voorgevelrooilijn, met maximum oppervlak en de goot- en bouwhoogte. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, is een maximale maatvoering opgenomen. Hierbij is bepaald dat erfafscheidingen in het achtererfgebied tot een hoogte van 2 meter mogen worden opgericht. Voor de voorgevel mogen erfafscheidingen tot maximaal 1 meter hoogte worden opgericht.
5.4 Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling (artikel 7) Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels (artikel 8) Deze bepaling bevat algemene regels omtrent de bestaande situatie.
Algemene gebruiksregels (artikel 9) Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. In dit artikel is tevens een regeling voor parkeren opgenomen. Indien op grond van dit bestemmingsplan wordt gebouwd dan wel het gebruik wordt gewijzigd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Algemene afwijkingsregels (artikel 10)
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
37
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene wijzigingsregels (artikel 11) Deze bepaling omvat de wijzigingsregels voor het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen.
5.5 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 12) Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel (artikel 13) Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
38
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1. Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, op grond van artikel 3.1 Wro en artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om het verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Het voorliggende bestemmingsplan heeft voor de gemeente Oude IJsselstreek geen financiële consequenties. De plannen komen voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Tevens zal er met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst en anterieure overeenkomst worden afgesloten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er is contact geweest met de direct omwonenden inzake de beoogde ontwikkeling op 31 augustus 2020 is er een info avond voor de buurt gehouden. Hierbij waren tevens 4 personen van de gemeente Oude IJsselstreek aanwezig. Informatie ten aanzien van de ontwikkeling is gedeeld en eventuele wensen van de direct aangrenzende percelen zijn besproken.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
39
7 PROCEDURE 7.1 Algemeen Voor het opstellen van een planherziening, op grond van artikel 3.1 Wro en artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geldt de uniforme voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Net als in een reguliere bestemmingsplanprocedure geldt bij de voorbereiding van een herziening dat overleg moet worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het gaat dan tenminste om de waterschappen en diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen wordt soms, in overleg, afgezien van dit overleg. Het ontwerpbestemmingsplan zal, overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening en artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, voor een ieder ter inzage worden gelegd. Het ontwerp is in te zien op het gemeentehuis en kan ook digitaal worden ingezien via de gemeentelijke website en via de landelijke voorziening voor ruimtelijke plannen.
7.2 Overleg Het ontwerpbestemmingsplan wordt toegezonden aan de provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel.
7.3 Ontwerpbestemmingsplan Conform afdeling 3.4 Awb heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van zes weken, van 25 augustus 2022 tot en met 5 oktober 2022 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er 5 zienswijzen ingediend. De volgende aanpassingen worden na de fase van zienswijze doorgevoerd. • • •
het aanpassen van de verbeelding, doordat de doorgaande weg (bestemming Verkeer) binnen het plangebied met 1 meter wordt verbreed. de opname van een paragraaf over klimaatadaptatie in de toelichting de opname van de uitkomsten van een berekening AERIUS waarin de bouwfase is meegenomen in de Toelichting en als bijlage bij de Toelichting is gevoegd.
7.4 Vastgesteld bestemmingsplan Het bestemmingsplan ‘Zaagmolenpad Oost, Varsseveld’ is vastgesteld in de raadsvergadering van de gemeente Oude IJsselstreek van @ @@ 2024 (zaaknummer @@, zie ook bijbehorend vaststellingsbesluit). Tegen een raadsbesluit over de vaststelling van een bestemmingsplan kan beroep worden ingesteld. De beroepstermijn bedraagt zes weken. Een beroep dienen belanghebbenden in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Indien er geen beroep is ingesteld, treedt het plan in werking daags na afloop van de tervisielegging. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
40
BIJLAGEN
• • • • • •
Tekeningen en impressies beoogde situatie Bodemonderzoeken Quickscan natuurwaardenonderzoek Geluid/ wegverkeerslawaai Stikstofparagraaf Zienswijzennota
Toelichting bestemmingsplan Zaagmolenpad Oost
41