CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

3.Toelichting.pdf

Raadscommissie Fysieke Leefomgeving (FL) 15 mei 2024, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Veldstraat ongenummerd, Ulft15.165 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.3 Flora en Fauna & stikstofdepositie Algemeen De Wet natuurbescherming neemt per januari 2020 de Europese regelgeving als uitgangspunt. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de leefomgeving. Toetsing Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Binnen de stedelijke omgeving moet vooral aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en kunnen jaarrond beschermd zijn.

Daarnaast zijn alle vogels beschermd tijdens de broedperiode (vanaf de bouw van hun nest totdat de jongen hun nest verlaten hebben) en mogen zij niet verstoord worden, tenzij dit niet van wezenlijke invloed is. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd.

_______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

29

Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing van de verbodsbepalingen worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project. De kap van de bomen en/of houtopstanden zal geregeld worden binnen de toetsingskaders van de aan te vragen omgevingsvergunning. Onderzoek en conclusie Het plangebied is middels een quickscan beoordeeld door bureau Staring Advies. De rapporten met nummer 2179 d.d. 18 december 2020 en 2483 d.d. 3 oktober 2022 zijn als bijlage toegevoegd aan deze toelichting. In de t onderzoeken zijn voor het plangebied geen beschermde flora en fauna aangetroffen in het noordelijke deel. Voor het zuidelijke deel van het plangebied moet nader onderzoek plaatsvinden voor vleermuizen, ransuil, sperwer en eekhoorn.

Indien uit de aanvullende inspectie blijkt dat negatieve effecten op nestlocaties van jaarrond beschermde boombewonende soorten als ransuil en sperwer en eekhoornnesten niet te voorkomen zijn is aanvullend onderzoek en eventueel ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tevens dienen er maatregelen uitgevoerd te worden om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Op basis van nader onderzoek worden conclusies getrokken en eventueel een ontheffing aangevraagd. Vervolgonderzoek: Door bureau Lycens is vervolgonderzoek uitgevoerd. Het rapport met nummer 2023-0138 d.d. 10 november 2023 is als bijlage toegevoegd. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen verblijfplaats in de onderzochte opgaande beplanting aanwezig is. Tevens vormt het onderzoeksgebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en is er geen essentiële vliegroute aanwezig. Ook bevat het onderzoeksgebied geen nesten van roofvogels of de rode eekhoorn. Het rooien van de bomen leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten. Er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. Uitvoering: Bouwactiviteiten worden alleen bij daglicht uitgevoerd. Buitenverlichting blijft beperkt en er zal dan vleermuisvriendelijk licht worden gebruikt.

Stikstofdepositie De actuele drempelwaarde voor stikstofdepositie is 0,00 mol per hectare per jaar, dit voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Voor het plangebied Veldstraat voor realisatie van 2 levensloopbestendige woningen is de stikstofdepositie berekend door bureau Lycens. Het rapport met nummer 2023-0138 d.d. 23 oktober 2023 is als bijlage toegevoegd. In zowel de bouw- als de gebruiksfase is geen sprake van overschrijding van de drempelwaarde. Conclusie Het initiatief overschrijdt geen drempelwaarde stikstofdepositie en er zijn geen belemmeringen ten aanzien van flora en fauna. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

30

4.4

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt, een geluidszone en onderzoeksplicht. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrooks wegen die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere weg, met uitzondering van woonerven en 30 km gebieden. Voor alle woningen en geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van die weg liggen, moet de geluidsbelasting als gevolg van verkeerslawaai berekend worden. Wegverkeer Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen en voorkeursgrenswaarden opgenomen. Railverkeerslawaai Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem – Zevenaar heeft een zone van 100 meter.

Industrielawaai/bedrijfszonering In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens Het Besluit omgevingsrecht (BOR) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidszone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. Buiten deze geluidszone mag de geluidsbelasting door industrielawaai niet meer bedragen dan 50 dB(A) (de voorkeursgrenswaarde industrielawaai). Onderzoek Het plangebied ligt in een woonwijk met een 30km verkeersregiem. Een geluidsonderzoek is dan in beginsel niet nodig. Door het ontbreken van bedrijfsactiviteiten en andere geluidsbronnen in de verre omgeving is er sprake van een goed woon- en leefklimaat conform de gehele woonwijk. In overleg met het bevoegd gezag (gemeente) is afgesproken onderzoek te doen naar het verkeerslawaai als gevolg van de Bongersstraat. Dit onderzoek is uitgevoerd door bureau K+ adviesgroep.

Het rapport met nummer Rm200655aaA0.quro is als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de gevelbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het kader van de Wet geluidhinder worden geen aanvullende eisen gesteld. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De spoorlijn Arnhem – Zevenaar ligt ten noorden van de Oude IJssel en Terborg op meer dan 5 km. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering. _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

31

Het onderhavige bouwplan voor het plangebied ligt in een woonwijk en ver van industrie en bedrijven. De meest nabije bedrijven liggen op bedrijventerrein IJsselweide op meer dan 500 m. ten zuiden van het plangebied. Conclusie: Er zijn geen belemmeringen voor het plangebied ten aanzien van de Wet geluidhinder. 4.5

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Onderzoek Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.

_______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

32

Uitkomstberekening met behulp van NIBM-tool 2022

Een klein plangebied zoals het onderhavige draagt niet bij aan een negatieve beïnvloeding van de luchtkwaliteit. Conclusie Bouwplannen voor het plangebied kunnen worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan achterwege blijven.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. In het voorliggende geval betekent dit dat moet worden beoordeeld of de omliggende bedrijven hinder ondervinden van het onderhavige bouwplan. Onderzoek De enige nabije bedrijven zijn cafetaria/zaal “De Veldmuis” en tuincentrum Putman. Beide bedrijven liggen op meer dan 150 m. en hebben zelf ook geen hindercirkel groter dan 50m. Er liggen derhalve geen bedrijven nabij het plangebied en derhalve zijn er geen aspecten van hinder of gevaar van toepassing. Conclusie De initiatieven voor het plangebied Veldstraat vormen geen bron van hinder voor omliggende bedrijven en woningen .

_______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

33

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie van gevaarlijke stoffen en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen:  stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een LPG vulpunt;  mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' van belang. In dit besluit wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.

Plangebied

Onderzoek Het meest nabije risico-object is het tankstation aan Oversluis op meer dan 500 m. Er zijn dan geen stationaire of mobiele bronnen nabij en derhalve is er geen belemmering ten aanzien van de externe veiligheid. _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

34

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.8

Water:

Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is om waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het kader van de watertoets is vanaf 1 november 2003 wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Rijksbeleid: Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 20162021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: o o o o o

Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.

Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven.

Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid: Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

35

oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem.

Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschap en gemeente: De gemeente Oude IJsselstreek en het Waterschap Rijn en IJssel hebben een gemeentelijk waterplan opgesteld. In dit waterplan wordt een integrale visie gegeven op water in Oude IJsselstreek. Deze visie geeft een doorkijk naar de middellange termijn (circa 10 jaar) en de lange termijn (2030). Aan de visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld voor de korte termijn (5 jaar). Het waterplan biedt handvatten voor het opstellen van ruimtelijke plannen, voor de afstemming met rioolbeheer en geeft zo inzicht in de mogelijkheden om te komen tot een duurzaam watersysteem binnen de gemeente. Er wordt gestreefd naar een gezond, veerkrachtig, kwalitatief goed, aantrekkelijk en op de toekomst berekend watersysteem en waterketen. Naast het gemeentelijk waterplan geldt ook het gemeentelijke rioleringsplan. In het rioleringsplan wordt de ambitie uitgesproken dat bij nieuwbouw de gemeente Oude IJsselstreek wil verplichten om vuilwater en hemelwater gescheiden aan te bieden.

Standaardwaterparagraaf Het waterschap Rijn & IJssel heeft een zogenaamde “standaardwaterparagraaf” samengesteld. Dit is een document met een hoofdindeling van de wateraspecten en is bedoeld om de beoordeling van paragrafen te vergemakkelijken. Beschrijving watersysteem: Het plangebied ligt ten westen van de Oude IJssel in de woonwijk Wesenthorst in Ulft-Oost op de zandige hogere delen van de oeverwal van de Oude IJssel (14.50 + NAP) op het zogenaamde “OostNederlandse Plateau” De afwatering en grondwaterstroming van het plangebied is richting de Oude IJssel in oostelijke richting. Bodemsituatie Het bodemprofiel betreft Kalkloze zandgrond. Het gebied heeft een gemiddelde drooglegging van ca. 3-4 m.. _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

36

De bestaande bovengrond van het plangebied leent zich in beginsel voor infiltratie. Een aanvullend geo-hydrologisch onderzoek voor de bepaling van de zogenaamde “k-waarde” voor de doorlatendheid wordt op basis van de plankarakteristiek en ligging op de zandige oeverwal niet nodig geacht. Volgens overzicht van het Waterschap heeft het plangebied een globale afvoercoëfficiënt van 1 l/s/ha wat voor een maatgevend neerslagvolume volgens bui T10+105 een bergingscapaciteit van 40mm in het bodemprofiel van het plangebied vergt. Relevante waterthema’s: De watertoetstabel (versie 2023) met relevante en niet-relevante waterhuishoudkundige thema’s

Thema

Vraag

2. Beheer en onderhoud

 Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/ stedenbouwkundige visie?  Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast?  Ligt in of nabij het plangebied een watergang?

3. Veiligheid

 Ligt in of nabij het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering, overige kering of kade)?

1. Algemeen

4. Klimaatadaptatie (wateroverlast)

5. Waterkwaliteit

6. Afvalwaterketen

7. Grondwaterbeheer

 Ligt het plangebied in een overstromingsgevoelig gebied of winterbed van een rivier?  Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 500m2?  Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2?  Bevindt het plan zich in een waterbergingsgebied, laaggelegen gebied of beekdal?  Is er in of rondom het gebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast of blijkt er gevoeligheid voor wateroverlast uit de klimaatatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas)  Is het plangebied gevoelig voor hittestress? (bekijk hiervoor de klimaatatlas)  Is het verschil tussen de hoogte van de weg en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter?  Is in of nabij het plangebied oppervlaktewater aanwezig of gepland?  Bevindt het plan zich in een gebied met speciale functie (zoals KRW, EVZ, N2000, natte landnatuur, zwemwater)?  Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?  Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie/ rioolgemaal/ persleiding/ gemengde overstort?  Wordt regenwater afgevoerd naar de rioolwaterzuivering?  Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor verontreinigingen kunnen afspoelen en het oppervlaktewater mogelijk vervuild raakt?  Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?  Bevindt het plan

zich in een kwelgebied ?  Is afstand tussen GHG en bovenkant vloer kleiner dan 80 cm?  Ligt het plan in beschermingszone of intrekgebied van een (drink)wateronttrekking?  Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de

Relevant

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee

_______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

37

8. Recreatie en beleving

ondergrond?  Worden drainagevoorzieningen aangelegd binnen een beperkingengebied voor drainage?  Wordt recreatief medegebruik van wateren en oevers mogelijk gemaakt?  Ligt in het plangebied een beschermd watererfgoed?

Nee Nee Nee

Onderzoek De waterschappen hebben als beleid de afkoppeling van schoon regenwater van projecten en gebieden. Voor het onderhavige bouwplan is de afkoppeling van hemelwaterafvoer in beginsel bij beschikbare ruimte en mogelijkheden vereist. Als thema’s zoals vastgesteld in de “standaard waterparagraaf voor bestemmingsplannen” onderscheiden de waterschappen voor een situatie zoals de onderhavige vooral: “Wateroverlast”. Hierbij wordt als beleid gevoerd zo mogelijk af te koppelen en het hemelwater niet via de riolering af te voeren. Tevens is de doelstelling het oppervlaktewaterpeil en het grondwaterpeil duurzaam in stand te houden om enerzijds verdroging en bodemdalingen en anderzijds wateroverlast te voorkomen. Ten aanzien van de oppervlaktewaterkwaliteit mogen geen activiteiten plaatsvinden die tot extra belasting van de waterkwaliteit leiden. De overige waterthema’s in de voornoemde standaard en beantwoord met “Ja” zijn relevant voor het plan en hierna behandeld. Het hemelwater zal worden geïnfiltreerd op eigen terrein middels infiltratiekratten of lager holliggend deel van de tuin. De tuinen zijn voldoende groot voor berging van elke bui. Er is geen sprake van afvoer van water van het perceel. Alle hemelwater wordt geïnfiltreerd. Berekening waterberging: Bij de berekening van de watertoets moet volgens de “leidraad rioleringen” worden gerekend met de zogenaamde “Bui 10”.

Deze bui valt ca. 1x per 10 jaar en heeft een neerslag van 35,7 mm. Het Waterschap Rijn en IJssel hanteert verder voor stedelijke uitbreidingen een norm van een bui 100+ (T10)+10%) voor voorkoming van overlast/schade van water boven maaiveldniveau.

Globale watertoets: plangebied Veldstraat  Bebouwde en verharde oppervlakte, totaal ca. 300 m2;  Bui 10 (T10+105), 40mm per m2;  K-waarde > 1 m/dag; Beschikbare infiltratieruimte -> opp. tuinen 1000m2. Opties berging hemelwater: 

Buffering in infiltratiekratten of infiltratie in terreinlaagte/tuin.

De te infiltreren hoeveelheid schoon hemelwater is ca. 12 m3 (40 ltr x 300 m2). Deze hoeveelheid kan en zal met een nader uit te werken infiltratieplan worden verwerkt. De tuinen zijn voldoende groot voor de opvang van elke denkbare regenbui. Op deze wijze wordt het hemelwater indirect in de omgeving geïnfiltreerd. Er is geen sprake van directe lozing op een waterschapsloot. Dit zal worden geborgd in het uit te werken infiltratieplan. _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

38

Ook bui T100 kan in het plangebied worden geborgen zonder overlast en schade. De terreinverharding zal bovengronds afwateren op de tuin. Op de riolering wordt alleen de vuilwaterafvoer aangesloten. Er is geen sprake van afwijking van de uitgangspunten van het Waterschap en de gemeente. Er is geen sprake van toepassing van niet gecoate uitlogende bouwstoffen en er vinden geen activiteiten plaats die het watersysteem beïnvloeden of bedreigen. Er is op passende wijze invulling gegeven aan de bodemsanering zonder infiltratie van water en voorkoming van overlast naar de omgeving. De keuze voor de wijze van hemelwaterafvoer dient te voldoen aan de uitgangspunten van de gemeente en van het Waterschap. Uitgangspunt is infiltratie in het plangebied. Dit is het geval. Conclusie: De infiltratie van hemelwater voor het plangebied zal op eigen terrein in een nader uit te werken infiltratiesysteem van kratten of tuinlaagte worden opgevangen zonder rechtstreekse lozing op de openbare ruimte, riool of een waterschapsloot. Het plan voldoet dan aan de uitgangspunten van de gemeente en het Waterschap.

4.9

Parkeren en parkeren

Er is sprake van beperkte extra verkeersbewegingen die nihil gevolg hebben voor de verkeerssituatie in de woonwijk (zie ook paragraaf 4.5). De Veldstraat is een woonstraat voor normaal gemengd verkeer. Het parkeren zal volledig op eigenterrein c.q. de oprit plaatvinden. Op eigen terrein is ruimte voor de volgens het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan (GVVP) en CROW publicatie 182 vereiste, 2,2 parkeerplaatsen per woning. Hier wordt aan voldaan, op elk perceel is ruimte voor minimaal 3 parkeerplaatsen. De meeste woningen in de Veldstraat hebben een eigen oprit of garage en er kan door de wegbreedte bovendien ruim op straat kan worden geparkeerd. Door de aanleg van 2 inritten ten behoeve van de woningen plangebied vervallen 2 parkeerplaatsen in de Veldstraat, er blijven 9 parkeerplekken over. Deze situatie is nader onderzocht met een opname van de parkeersituatie tijdens normale weeksituaties in april 2023. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd. Er blijft voldoende parkeerplek in de openbare ruimte.

Fragment uit parkeeronderzoek

bron: Planburo Oosterink

_______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

39

Behalve parkeerhavens ook voldoende parkeerruimte op straat

bron: Google streetview

Conclusie: De ontwikkeling past in het gemeentelijk verkeer- en parkeerbeleid.

4.10 Kabels en leidingen Alle benodigde nutsvoorzieningen zijn aanwezig in de Veldstraat. In de kavel liggen geen belemmerende transportleidingen. Onderdeel van de bouw en de omgevingsvergunning is een KLIC-melding. De woningen worden aangesloten op de nutsvoorzieningen in de Veldstraat. Conclusie: Het bestaande leidingennet vormt geen belemmering voor de woningen en de aanwezigheid van nutsvoorzieningen in de straat is geborgd.

4.11

Milieueffectrapportage:

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. De activiteit(en) die het plan of besluit mogelijk maakt, komt niet voor in of kan niet worden beschouwd als een activiteit zoals opgenomen in kolom 1 van onderdeel C (C-lijst) of D (D-lijst) van de bijlage van het Besluit m.e.r. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

40

2.

Een m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; a. M.e.r. is verplicht bij een plan als:  het plan kaders stelt voor activiteiten in het besluitgebied waarvoor volgens de Wet milieubeheer een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is.  of als de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden waardoor een Passende beoordeling nodig is. b. M.e.r. is verplicht bij een project:  als de activiteit die mogelijk wordt gemaakt is opgenomen in kolom 1 van de C-lijst.  als de omvang van de activiteit de drempelwaarde van kolom 2 van de C-lijst overschrijdt.  en er een besluit als genoemd in kolom 4 van de C-lijst nodig is. 3. Een formele m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een formele beoordelingsplicht, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.

Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Er is sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  groter is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst (indien de activiteit mogelijk wordt gemaakt door een plan in kolom 3, dan geldt een plan-m.e.r.-plicht). 4. Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig.

Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst. Onderzoek Een projectgebied met een bouwplan voor 2 wooneenheden op een inbreidingslocatie komt niet voor op de C- of D-lijst en er geldt dan geen M.E.R. plicht of (vormvrije) M.E.R. beoordelingsplicht. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling is met de bouw van 2 woningen geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Ook is er geen sprake van een milieubelang. Het bouwplan voegt zich met een goed verkavelingsplan in de ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur van de bestaande bebouwde omgeving. Conclusie Het initiatief voor een bouwplan Veldstraat is niet M.E.R. plichtig. _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

41

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Algemeen 5.1.1 Wat is een bestemmingsplan Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid. 5.1.2 Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:  Via een dubbelbestemming Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.  Via een aanduiding Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart.

Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

42

Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3 Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (Artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (Artikel 2). 2. Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen (Artikel 3 ). Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter (Artikel 4 t/m 8). Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. 4. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen (Artikel 9 en 10). Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2 Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1 Bijzonderheden in dit bestemmingsplan _______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

43

In dit bestemmingsplan is de bestemming 'Wonen' opgenomen op een locatie die in het vigerende bestemmingsplan ‘De Wesenthorst 2005’ als openbaar groen is bestemd. Het betreft echter particuliere kavels die als tuin zijn ingericht. Tuin (Artikel 3) De tuinpercelen buiten het bouwvlak ‘Wonen’ zijn bestemd als 'Tuin'. Deze zijn voor groenvoorzieningen, paden en oprit. Ter behoud van de waardevolle boombeplantingen op het plangebied is een erfinrichtingsplan/basis-groenplan opgesteld die als voorwaardelijke verplichting voor instandhouding is opgenomen. In de regels is het bouwen van vrijstaande bijgebouwen in de bestemming ‘Tuin’ uitgesloten. Wonen (Artikel 4) De tuinpercelen zijn bestemd als 'Wonen'. Voor beide toekomstige percelen is een bouwvlak opgenomen. In de regels is opgenomen dat binnen elk bouwvlak maximaal één vrijstaande levensloopbestendige woning is toegestaan. Naast het gebruik van de woning zijn de gronden bestemd voor een aan huis verbonden beroep (onder voorwaarden). Daarnaast zijn de bij de bestemming behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen, erven, parkeer- en groenvoorzieningen toegestaan. In de regels van de bestemming is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het toestaan van een bedrijf aan huis. Voor de afwijking gelden aanvullende voorwaarden voordat deze kan worden verleend.

In de bouwregels is geregeld dat elke woning een maximaal bouwvlak mag hebben van 120m2. De toegestane goot- en bouwhoogte van de woningen bedraagt respectievelijk 3,5 m en 7 m. Bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld bijgebouwen), overkappingen en overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouw zijnde) zijn, onder voorwaarden, ook toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de bouwregels. 5.2.2 Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht.

_______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

44

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid van het plan 6.1 Economische uitvoerbaarheid: De ontwikkeling van bouwplannen voor het plangebied Veldstraat zijn particuliere initiatieven. De initiatiefnemers nemen dan ook alle bijbehorende uitvoeringskosten voor hun rekening. De initiatiefnemers zijn leges-plichtig. Voor de gemeente Oude IJsselstreek zijn aan de ontwikkeling en uitvoering van dit plan geen kosten en/of financiële risico’s verbonden. Eventueel uit het initiatief voortvloeiende planschade blijft voor rekening van de aanvragers. Hiervoor zal een planschadeovereenkomst met de gemeente worden afgesloten. De financiële uitvoerbaarheid is gegarandeerd. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid: Het initiatief wordt ingepast in de woonomgeving met een omgevingsvergunning middels een uitgebreide bestemmingsplan-procedure. Direct belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op de plannen in te dienen. Initiatiefnemers hebben de directe omgeving van het plangebied, bewoners Veldstraat en Bongersstraat geïnformeerd (conform art. 3.1.1 Bro). Dit is gedaan tijdens (keukentafel)gesprekken en buurtbijeenkomsten en ander informeel buurtcontact. Dit bestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Het ontwerpbestemmingsplan wordt 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan een ieder zijn zienswijze kenbaar maken.

Indien noodzakelijk wordt het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vastgesteld. Na de vaststelling wordt het bestemmingsplan nogmaals zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Raad van State. Zienswijzen: Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 21 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode is een zienswijze ingediend. In de “Reactienota zienswijzen” zijn de zienswijzen samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. De zienswijze heeft geleid tot een verkleining van het plangebied. De reactienota zienswijzen is als bijlage toegevoegd. Conclusie: Het plan is uitvoerbaar.

_______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

45

_______________________________________________________________________________________________ Planburo Oosterink, Adviseurs voor Ruimtelijke Inrichting en Beheer, Gaanderen www.oosterinkplanburo.nl

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4735/documents/29101