23-098b College - Rapportage Basiskwaliteit landschap en biodiversiteit Oude IJsselstreek-DEF.pdf
Tekst van het document
Basiskwaliteit Oude IJsselstreek
Een beoordeling van de Basiskwaliteit Landschap en Basiskwaliteit Biodiversiteit in de gemeente Oude IJsselstreek
Robert Kwak & Anton Stortelder April 2023
1
Inhoudsopgave Conclusies
1
1. Inleiding 1.1 De opdracht 1.2 Waarom Basiskwaliteit Natuur en Landschap? 1.3 Ontwikkelingen in Basiskwaliteit Natuur en Landschap 1.4 Herstel van Basiskwaliteit
3 3 3 3 4
2. Landschapstypen in de gemeente Oude IJsselstreek 2.1 Rivierweidenlandschap 2.2 Oeverwallenlandschap 2.3 Kommenlandschap 2.4 Kampenlandschap 2.5 Heideontginningslandschap 2.6 Broekontginningslandschap 2.7 Veenontginningslandschap
5 7 11 13 17 21 23 25
3. Beoordeling Basiskwaliteit 3.1 Beoordeling Basiskwaliteit Landschap 3.2 Beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit
27 27 43
4. Aanknopingspunten voor het handelingsperspectief, op naar Basiskwaliteit: voorbeeld Heideontginningslandschap
51
5. Vervolgstappen
53
Bijlage I Beoordelingscriteria Basiskwaliteit Bijlage II Ligging waarnemingspunten landschappelijke beoordeling Bijlage III Waargenomen landschapskenmerken per landschapstype
55 57 58
Conclusies 1. Op een kleine helft van de oppervlakte van de gemeente Oude IJsselstreek is de Basiskwaliteit Landschap op orde (44%). Bijna de helft is matig beoordeel: (sterk) verarmd landschap, maar niet helemaal onherkenbaar (45%). Op 11% is de kwaliteit van het landschap slecht. De diversiteit aan landschapselementen scoort vaak goed, terwijl het oppervlak aan elementen vaak onvoldoende is. Veel voorkomende landschapselementen zijn: sloten, bermen, rasters, solitaire bomen en eikensingels. In het heideontginningslandschap springen schrale bermen en zandwegen er uit. 2. Voor de Basiskwaliteit Biodiversiteit geldt dat een kleiner deel van het oppervlakte op orde is (39%). Het gedeelte dat als slecht is beoordeeld is hier veel groter (22%). 3. Bovenstaande impliceert dat in ruim de helft van het oppervlak van de gemeente de Basiskwaliteit NIET op orde is. Hier zijn gerichte projecten nodig om het landschap en de natuurwaarden te herstellen. Er kan bijvoorbeeld meer accent worden gegeven aan de aanwezigheid van het gewenste aantal karakteristieke landschapselementen. 4. De beoordeling is uitgevoerd op landschapsniveau.
Als de beoordeling op perceelsniveau zou zijn uitgevoerd, zou de kwaliteit Biodiversiteit in meer dan 90% van de percelen rood kleuren, aangezien het overgrote deel van de percelen bestaat uit monoculturen waarin nauwelijks wilde planten, vogels en vlinders voorkomen. Door uit te gaan van waarnemingen in een wat ruimer proefvlak (halve cirkel met een straal van 500m) is de benadering vrijwel overal perceel-overstijgend, waardoor ook aangrenzende landschapselementen in de beoordeling worden betrokken en het oordeel over de biodiversiteit gunstiger uit valt. Om de Basiskwaliteit biodiversiteit op orde te krijgen zijn voldoende landschapselementen aan de perceelsranden, en de openbare ruimte, erven etc., noodzakelijk. Biodiversiteitsherstel op de percelen lijkt vooralsnog een brug te ver. 5. De kwaliteitskarteringen vormen een goede basis voor het prioriteren van gebieden waar met projecten ingezet kan worden op het versterken van natuur- en landschapswaarden. Basiskwaliteit (groen gebied) betekent echter niet dat het geen zin heeft om ook in de groene gebieden de kwaliteit verder te stimuleren.
1
2
1. Inleiding 1.1 De opdracht In overleg met de gemeente is in het voorjaar van 2022. besloten om in de gemeente Oude IJsselstreek de Basiskwaliteit Natuur en Landschap te verkennen en in kaart te brengen. De kartering wordt voorafgegaan door een korte karakterisering van de verschillende landschapstypen, inclusief het benoemen van de karakteristieke landschapselementen per landschapstype, gevolgd door een selectie van (vrij) algemene soorten planten, vlinders, vogels en herpetofauna. Op basis van het voorkomen van deze soorten is beoordeeld of er sprake is van Basiskwaliteit. Behalve de biodiversiteit is er ook een beoordeling gemaakt van de landschapskwaliteit op basis van in een project op verzoek van Vogelbescherming Nederland met gebiedspartijen vastgestelde criteria. Aan dit project namen vertegenwoordigers van de gemeenten Bronckhorst, Berkelland, Oost Gelre en Lochem deel en daarnaast terrein beherende organisaties, waterschap, WBE, provincie en Vogelbescherming. 1.2 Waarom Basiskwaliteit natuur en landschap? Basiskwaliteit Natuur en Landschap is een concept dat is ontwikkeld door Vogelbescherming Nederland en momenteel verder uitgewerkt wordt voor toepassing op landelijke schaal.
Het dient als fundament onder de kwaliteit van het grootste deel van de gemeente waar natuur volgend is: de aanwezige planten en dieren zijn mede het resultaat van allerhande menselijke bedrijvigheid. In de agrarische cultuurlandschappen komen nog steeds wilde planten en dieren voor, veelal gekoppeld aan landschapselementen als sloten, bermen, heggen, bomenrijen, poelen, perceelsscheidingen etc. die door lokale bewoners en toeristen gezien en hoog gewaardeerd worden. Het gaat dan in het algemeen niet om de kritische soorten van het natuurbeleid, wel om een groot aantal (vrij) algemene soorten planten en dieren die in geuren en kleuren en vogelgeluiden effectief de ruimtes benutten die hun geboden wordt. Basiskwaliteit betekent niet dat het niet zinvol is om verder in te zetten op verdere versterking van natuur en landschap; het geeft wel aan dat de ondergrens in de kwaliteit niet is onderschreden. Basiskwaliteit als gewenste minimum van het productielandschap; de duurzame afstemming van productie eisen en natuurmogelijkheden. 1.3 Ontwikkelingen in de Basiskwaliteit natuur en landschap De trend is echter dat de agrarische cultuurlandschappen steeds grootschaliger worden, gestimuleerd door de verdergaande mechanisatie met grote machines.
Inmiddels worden agrarische ondernemers veel ondersteund door loonwerkers; de loonwerkerskosten vormen voor veel landbouwbedrijven de hoogste kostenpost. Het streven van de agrarische ondernemers om verder op te schalen, is begrijpelijk; de keerzijde kan zijn dat het verleidelijk wordt veel landschapselementen weg te halen, omdat ze geen functie meer hebben binnen de agrarische bedrijfsvoering en bijvoorbeeld gevarieerd grasland wordt vervangen door monoculturen, waarin geen plaats meer is voor wilde flora- en faunaelementen. Ook visueel worden de landschappen hierdoor minder aantrekkelijk. Soms is een landschapstype in het geheel niet meer te herkennen.
3
Het begrip landschappelijke en natuurlijke Basiskwaliteit gaat uit van de gedachte dat voor ieder landschapstype kan worden aangegeven welke kwaliteiten, elementen en soorten in ieder geval nog aanwezig moeten zijn wil er sprake zijn van die Basiskwaliteit. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen milieuaspecten (bij deze beoordeling verder buiten beschouwing gelaten), inrichtingsaspecten en beheergebruiksaspecten. Wat zijn de minimale milieueisen die aan een landschap gesteld mogen worden? Welke elementen moeten er nog in aanwezig zijn om het landschap te kunnen identificeren en welke wilde planten- en diersoorten horen daarbij? Hoe kunnen percelen zodanig beheerd worden dat er bijvoorbeeld nog een kievit groot kan worden? Wat zijn de boerenerfvogels die redelijkerwijs verwacht mogen worden? Het gaat om het ontwikkelen van een soort standaard-ondergrens voor het cultuurlandschap. In sommige gebieden is de Basiskwaliteit nog wel aanwezig, maar in andere gebieden is die ondergrens al overschreden. Het sterke punt van het idee Basiskwaliteit is dat het een instrument, een toetsingskader, biedt voor het landschap waarmee inzichtelijk gemaakt wordt hoe de kwaliteit erbij staat en waarmee men aan de slag kan. Ieder landschapstype heeft zijn eigen historische ontwikkeling doorgemaakt en wordt gekenmerkt door zijn eigen streekeigen landschapselementen.
In broekgebieden zijn dit bijvoorbeeld de elzensingels, knotwilgenrijen en de sloten met moerasplanten of een rietkraag; elementen aan de hand waarvan men het landschap nog kan ‘lezen’. Het gaat erom dat die herkenbaarheid aanwezig blijft en waar mogelijk enigszins wordt hersteld. Enige kennis van het landschap is daarbij noodzakelijk. 1.4 Herstel van Basiskwaliteit De resultaten van deze studie zijn geen doel op zich. De beoordelingskaarten kunnen dienen als basis en inspiratiebron voor het herstel van de Basiskwaliteit. Per landschapstype vergt dit een eigen aanpak. Het ligt voor de hand om de gebieden die op de landschapsbeoordelingskaart en op de biodiversiteitskaart rood zijn ingekleurd prioriteit te geven bij het zoeken van projecten die gericht zijn op het herstel van de Basiskwaliteit. Maar ook in de oranje gebieden is de Basiskwaliteit niet op orde en ook daar zijn acties nodig om te kunnen spreken van Basiskwaliteit. Hoe hoog de lat wordt gelegd voor de landschappelijke kwaliteit is uiteindelijk een keuze die samen met gebiedspartijen wordt gemaakt. De kernvraag is niet zozeer hoe het landschap moet worden hersteld, maar wat haalbaar is. De nadruk ligt op het benoemen van een ‘wenkend perspectief’ voor alle partijen die betrokken zijn bij beheer en inrichting en gemotiveerd zijn om bij te dragen aan de kwaliteit van de eigen omgeving.
Een richtinggevend concept als ‘Basiskwaliteit’ kan daarbij helpen als een onderdeel van de plannen die worden opgesteld. Het rapport kan ook bijdragen aan de Omgevingsvisie die de gemeente heeft en actueel houdt als uitwerking van de Omgevingswet.
4
2. Landschapstypen in de gemeente Oude IJsselstreek Op het schaalniveau waarop deze verkenning is uitgevoerd, zijn voor het gebied zeven landschapstypen onderscheiden en in kaart gebracht. Landschappelijk zijn voor deze gemeente twee hoofdgroepen te onder scheiden: in het zuidwestelijke deel landschappen die zijn ontstaan onder invloed van de rivieren (Oude IJssel en Rijn) en in het noordoostelijke deel landschappen die zijn ontstaan in het dekzandgebied. De eerste groep betreft het rivierweidenlandschap, het oeverwallenlandschap en het kommenlandschap, In de tweede groep gaat het om het kampenlandschap, het broekontginningslandschap en de heide- en veenontginningen (zie figuur 1). Behalve de zeven landschapstypen zijn op de kaart ook de bebouwde gebieden, sportparken en recreatieterreinen en de boomkwekerijen aangegeven.
Figuur 1. Landschapstypen in de gemeente Oude IJsselstreek.
5
De zeven landschappen in het gebied verschillen van elkaar in geomorfologisch en bodemkundig opzicht en gekoppeld daaraan in de ontginningsgeschiedenis en agrarisch landgebruik. Het meest omvangrijk is het Kampenlandschap (37%), gevolgd door het oeverwallenlandschap (29%) (zie figuur 2). Opvallend laag ten opzichte van andere Achterhoekse gemeenten is het aandeel broekontginningslandschap.
Figuur 2 Oppervlakteaandeel van de landschapstypen in de gemeente Oude IJsselstreek
In het navolgende worden de ontstaansgeschiedenis en de kenmerkende elementen van de landschapstypen kort besproken.
6
2.1 Rivierweidenlandschap
Rivierweidenlandschap met ruigtevegetatie langs de Oude IJssel met op de achtergrond de dorpsrand van Ulft (DRU terrein).
Korte beschrijving De rivierweiden in de gemeente Oude IJsselstreek betreft de gronden ter weerszijden van de Oude IJssel (7% van de gemeente). Het gaat om rivierafzettingen met graslanden die af en toe overstroomd werden, waarbij slib wordt afgezet. De rivier zorgt/zorgde bij overstroming voor regelmatige slibafzet en daarmee voor het vruchtbaar houden van het grasland. Door de periodiek hoge waterstanden is er nauwelijks bebouwing, met uitzondering van enkele streekeigen boerderijen op terpen. De rivierweiden zijn nog steeds grotendeels als grasland/hooiland in gebruik. Verder is dit het land van de wilgen. Diverse soorten komen hier voor, met name schietwilg.
Streekeigen landschapselementen -
Dijkjes Voor de beleving van de Oude IJssel met de rivierweiden door fietsers en wandelaars spelen de dijkjes een grote rol. Niet voor niets zijn hierop fietsroutes aangelegd.
7
Het bruin blauwtje, hier op boerenwormkruid, komt voor in uiterwaardgraslanden, zoals op dijkhellingen. -
-
kaden Kaden zijn lage dijkjes die moeten voorkomen dat de uiterwaardgraslanden in het groeiseizoen bij kortstondige verhoogde rivierwaterstanden onderlopen. Ze worden meestal beweid. Moerasjes en ruigtevegetatie In de rivierweiden pal langs de Oude IJssel liggen diverse moerasjes die meestal het gevolg zijn van graafwerkzaamheden. Op de wat hoger gelegen locaties treffen we vaak ruigtevelden aan of opgaande ruigtevegetatie. Deze worden incidenteel gemaaid en/of beweid.
8
-
-
-
Populierensingels
Behalve wilgensoorten kunnen ook populieren langdurige overstroming verdragen; reden waarom door sommige eigenaren populierensingels zijn aangeplant voor de houtproductie. Meidoornheggen Ook meidoorns overleven langdurige inundatie (overstroming). Heggen werden aangeplant als veekering. Knotwilgenrijen Langs sloten zijn plaatselijk knotwilgen aangeplant voor rijshout. Rijshout werd gebruikt als vlechtmateriaal en voor bezinkstukken bij de dijkversterking. Tegenwoordig worden ze geknot in het kader van landschapsbeheer, vaak met vrijwilligers.
De grasmus, hier op bereklauw, is broedvogel in de wat structuurrijkere rivierweidenruigtes. Karakteristieke soorten Vogelsoorten: -
Kaden: graspieper, veldleeuwerik Moerasjes: blauwborst, rietzanger, waterral, snor Populierensingels: wielewaal Meidoornheggen: grasmus, braamsluiper, kneu Knotwilgenrijen: steenuil, gekraagde roodstaart, ringmus
Amfibieën: -
Moerasjes: rugstreeppad, knoflookpad
Vlinders: -
Kaden: bruin blauwtje
9
Planten: -
Kaden: fluitenkruid, wilde peen, pastinaak, bereklauw, karwijvarkenskervel, cichorei, groot streepzaad, kraailook, speenkruid, knolboterbloem, glanshaver Moerasjes: liesgras, kattenstaart, tandzaad, gele lis Meidoornheggen: heggerank, robertskruid, speenkruid Knotwilgenrijen: wolfspoot, liesgras, kattenstaart
10
2.2 Oeverwallenlandschap
Bloemrijke greppel langs de Jonkerweg bij Netterden in het oeverwallenlandschap. De meidoornstruik herinnert aan de meidoornheggen die in het verleden de percelen begrensden.
Zoals de naam al zegt gaat het bij oeverwallen om wat hoger gelegen gronden. Ze zijn voor de aanleg van de dijken door de Oude IJssel afgezet en liggen in de gemeente aan weerszijden van de rivier, grenzend aan de rivierweiden. Bij overstromingen kwam het wat zwaardere sediment als zavel en zand het eerst tot bezinking en werden wat hoger gelegen ruggen gevormd. De oeverwallen nemen 29% van de gemeente in beslag. Deze zavelige gronden zijn relatief vruchtbaar en lenen zich voor de landbouw, maar door de hogere ligging ook uitstekend voor het bouwen van huizen. De dorpen Terborg, Silvolde aan de oostkant van de Oude IJssel en de dorpen Etten, Ulft, Netterden en Genderingen aan de westkant liggen allemaal op de oeverwallen. Het gaat om een gevarieerd van oudsher kleinschalig landschap. Bij eventuele overstromingen van de Oude IJssel weet men het daar droog te houden. Streekeigen landschapselementen -
-
Dijkhellingen Ook de binnendijkse dijkhellingen worden gemaaid en zijn rijk aan schermbloemen. Terpen De opgeworpen terpen herbergen behalve de bebouwing vaak ook (moes)tuinen en (hoogstam)fruitbomen.
11
-
-
Heggen en hagen Op de oeverwallen werden meidoornheggen aangeplant als veekering. Hiervan resteert nog maar weinig. Wielen Bij dijkdoorbraken ontstonden wielen waarvan er langs de Oude IJssel nog enkele te vinden zijn.
Karakteristieke soorten Vogels: -
Boomgaarden (hoogstam): steenuil, gekraagde roodstaart, putter, kleine bonte specht Terpen/moestuinen: zwarte roodstaart, ringmus Heggen, hagen: braamsluiper, ringmus Dijkhellingen: grasmus, graspieper Wielen: kuifeend
Planten: -
Boomgaarden: vogelmelk, kraailook, speenkruid Moestuinen: duivenkervel, klaproos, meldes Heggen, hagen: heggerank, robertskruid, haagwinde Dijkhellingen: schermbloemigen, frans raaigras Wielen: gele plomp, mattenbies, liesgras, lisdodde Oude bewoningsplekken: weidegeelster, schedegeelster
12
2.3 Kommenlandschap
Kommenlandschap met zijsloot van de Reefsche Wetering met kenmerkende brede rietkraag De kommen liggen wat verder van de rivier verwijderd. Voor de bedijking van met name de Rijn kwamen hier bij overstroming de fijnere slibdeeltjes tot bezinking, waarbij zware komkleigronden werden gevormd. De natte kommen waren vroeger vrijwel onbewoond en als grasland in gebruik met ondiepe sloten en greppels die op een wetering afwaterden. Daarmee was het ook een belangrijk weidevogelgebied , met soorten als grutto, tureluur, wulp en kievit. Door ruilverkavelingen werden de kleigronden dieper ontwaterd en werden grote blokvormige kavels gevormd, waarbij verspreid staande, nieuwe boerderijen werden gebouwd. Het landschap kenmerkt zich door een hoge mate van openheid met grote kavels en met hier en daar moderne boerenbedrijven. Her en der vinden we nog een rij populieren, een meidoornhaag of een elzensingel. Vroeger waren de natte, zware kleigronden van de kommen alleen geschikt voor hooiland en beweiding; tegenwoordig zijn door de diepere ontwatering ook grote delen in gebruik als akkerland. In het laagste deel van de kommen ligt de zogenaamde wetering die gevoed wordt door slootwater dat afkomstig is van hoger gelegen gebieden. Door onderbemaling van de wetering worden de kommen droog gehouden.
In de gemeente vinden we de kommen aan de westkant in het Netterdensche Broek en richting Azewijn. Het gaat om 5% van de oppervlakte van de gemeente. Streekeigen landschapselementen -
Wetering
13
-
-
-
-
-
De weteringen in het kommenlandschap worden onderbemalen en zijn van belang voor de ontwatering van de landbouwgronden. Op diverse plaatsen worden ze ook gevoed door kwelwater vanuit verder weg gelegen hoge gronden. Knotwilgenrijen Langs sloten Sloten Sloten tussen de percelen, met bonte moerasplanten als kattenstaart en wederik en riet bieden een biotoop voor tal van insecten. Ze worden jaarlijks gemaaid. Het afvoeren van het maaisel draagt bij aan een hogere biodiversiteit. Bermen Karakteristiek voor de kleibermen in de kommen zijn bermen met uitbundige groei van fluitenkruid in het voorjaar. Populierenrijen Vooral langs wegen zijn in de kommen veel populieren aangeplant, meestal met een ondergroei van fluitenkruid. Op sommige plekken zijn ook bosjes met populier aangelegd voor de houtopbrengst. De ondergroei bestaat hier vooral uit ruigte met o.a. brandnetel. Singels Langs wegen en sloten komen hier en daar nog restanten voor van elzensingels die werden beheerd als hakhout. Tegenwoordig gaat het meestal om beplantingen langs de wegen, waar de bomen kunnen uitgroeien. Meidoornhagen Ook van de oude meidoornhagen resteren slechts fragmenten. De uitbundige bloei van de meidoornbeplantingen langs de wegen in het voorjaar draagt bij aan de beleving van het kommengebied.
Karakteristieke soorten Vogels: -
Wetering: kuifeend, krakeend, rietgors Meidoornhagen: braamsluiper, grasmus, kneu Elzensingels: putter, winterperiode: sijs Populierenrijen: torenvalk, buizerd Percelen: ganzen, kievit, knobbelzwaan
14
In de halfschaduw van populierensingels gedijt het fluitenkruid (‘Hollands kant’). Planten: -
Wetering: stijve waterranonkel, aarvederkruid, pijlkruid, grote egelskop, holpijp, glanzig fonteinkruid Sloten: kattenstaart, wederik, scherpe zegge, riet Meidoornhagen: heggerank, dolle kervel, robertskruid Elzensingels: gele lis, valeriaan, harig wilgenroosje Populierenrijen: fluitenkruid, bereklauw, smeerwortel
15
16
2.4 Kampenlandschap
Kampenlandschap ten zuiden van Heelweg-Oost met karakteristieke oude eikenlaan en slootje met bosanemonen.
Korte beschrijving Het kampenlandschap omvat het grootste deel van het noordoostelijke helft van de gemeente Oude IJsselstreek rond Varsseveld. Met 37% van de oppervlakte komt dit landschapstype in de gemeente het meest voor. Het betreft een landschap met verspreid staande boerderijen, overwegend melkveehouderijen. Vroeger betrof het hier voornamelijk gemengde bedrijven met droog bouwland en vochtige weidegronden en plaatselijk natter hooiland. Het Kampenlandschap betreft het oudste patroon van bebouwing, waar de landbouw eeuwenlang haar stempel heeft gedrukt. Men verbouwde vroeger kleinschalig granen als rogge en haver en hakvruchten (bv. aardappels en bieten). De akkers werden bemest met plaggenmest uit de potstal. Als gevolg van het langjarig opbrengen van de plaggenmest met daarin een minerale fractie (zand van de plaggen), werden de lager gelegen akkers geleidelijk opgehoogd (ongeveer 1 mm per jaar). In de loop der eeuwen ontstond een dikke, humusrijke bovenlaag. Deze bouwlanden, met soms wel 1 meter zwarte grond, worden essen of kampen genoemd. De lage stukken grond tussen de essen werden als grasland (hooiweiden) gebruikt. Hogere bomen stonden en staan vooral op de erven rond de Saksische boerderijen met de karakteristieke ronde “indeur”. Met name eiken waren een belangrijke toekomstinvestering voor voldoende bouwhout (o.a. voor gebinten).
17
Vooral in het kader van ruilverkavelingen is het oude landschap vanaf de zestiger jaren van de vorige eeuw geëgaliseerd en opgeschaald. Hierbij werden de meeste steilranden langs de essen afgeschoven en naast gelegen graslandjes opgehoogd. Diepe kavelsloten leidden tot verdroging en zorgen ervoor dat het eventuele kwelwater al onderin de sloot wordt afgevangen. Voor de melkveehouderij werden veel essen omgevormd tot monotoon grasland, afgewisseld met maisteelt.
Streekeigen landschapselementen -
-
-
-
Hoge, bolle essen, afgewisseld met lage graslandjes Relatief reliëfrijk gebied met oude Saksische boerderijen. Houtwallen De functie van de houtwallen als perceelsscheiding en leverancier van hout is verloren gegaan. De houtwallen zijn en worden geleidelijk opgeruimd. Op veel plekken resteren alleen nog enkele zware eiken. Maar ook die lopen de kans uiteindelijk te verdwijnen. Bloemrijke akkerranden (patrijzenranden) Voor het grootschalig gebruik van herbiciden waren akkers met akkeronkruiden de standaard. Vooral in de akkerranden was dit het paradijs van de patrijs en andere akkervogels die zeer algemeen waren. Op een aantal locaties zijn akkerranden aangetroffen. Boeren zaaien wilde kruidenmengsels in ten behoeve van landschap en biodiversiteit (vaak met behulp van subsidies). Op enkele plaatsen in de gemeente zijn dergelijke randen aangetroffen. Steilranden Voor zover de steilranden niet zijn afgeschoven bieden ze ruimte aan wilde planten en dieren, soms met wat struweel of zelfs bomen. Erven met monumentale bomen Voor de bescherming van de boerenbehuizing tegen stormschade, maar ook om te kunnen voorzien in de behoefte aan eikenbalken voor de verre toekomst, werden op de erven bomen geplant. Om mooie stammen te krijgen zonder noesten werden de eiken tot grote hoogte takvrij gehouden.
18
-
-
Historische boerderijen De traditionele boerengebouwen van het streekeigen Saksische type worden gekenmerkt door grote daken gedekt met oud Hollandse pannen en grote, ronde “indeuren”. Ze dragen, zeker in combinatie met de oude eiken op het erf, wezenlijk bij aan de herkenbaarheid en de attractiviteit van het kampenlandschap. De oude gebouwen laten veel ruimte voor nestgelegenheid voor erfvogels als kerkuil, huismus, zwaluwen en witte kwikstaart. Modernere bedrijven zijn gedekt met golfplaten en zijn hiervoor minder geschikt. Smalle, kronkelige wegen Bochtige weggetjes dragen, vooral als ze onverhard zijn, bij aan een aantrekkelijk landschap. Dit in tegenstelling tot de ontginningslandschappen die worden gekenmerkt door rechte wegen.
Karakteristieke soorten Vogels: -
Erven: kerkuil, steenuil, boerenzwaluw, huiszwaluw, huismus, ringmus, zwarte roodstaart, witte kwikstaart, gekraagde roodstaart Akkers en akkerranden: patrijs, kievit, scholekster, gele kwikstaart, veldleeuwerik, bosrietzanger, spotvogel, grasmus Steilranden met akkermaalshout: kneu, roodborsttapuit, grasmus, bosrietzanger
Planten: -
Akkers/akkerranden: korenbloem, klaproos, akkerviooltje, wikkes, leeuwenklauw Steilranden met akkermaalshout en struweel: adelaarsvaren, klein tasjeskruid, boerenwormkruid, duizendblad, fluitenkruid, bereklauw Kwelslootjes: moeraszegge, holpijp Loofbosjes en houtwallen: bosanemoon, dalkruid, salomonszegel Bermen: bosanemoon, valse salie, boerenwormkruid, bereklauw Bermsloten: moerasspirea, grote wederik, kattenstaart, riet, wilde bertram
19
20
2.5 Heideontginningslandschap
Heideontginningslandschap bij het Idinkbosch met zandweggetje met schrale vegetatie. . Korte beschrijving Wat nu het heideontginningslandschap wordt genoemd, was rond 1850 nog grotendeels open heide. Het betreft vooral het noordoostelijke deel van de gemeente Oude IJsselstreek en beslaat 10% van de gemeente. Hier graasden destijds de schapen, maar ook met koeien gingen de hoeders de heide op. De heidevelden waren daarmee een belangrijk onderdeel van het gemengde landbouwbedrijf. Op de nattere gedeelten groeide dophei die stukje bij beetje door de boeren werd afgeplagd voor de potstal. Op de drogere delen groeide vooral struikhei die eind augustus de heidevelden paars kleurde. Anderhalve eeuw geleden deed de kunstmest zijn intrede waardoor de heidevelden ontgonnen konden worden ten behoeve van nieuwe landbouwgrond. De heidevelden werden op grote schaal ingericht en ontgonnen, met rechte zandwegen en alleen nog wat hei in de bermen. Andere delen werden met naaldhout ingeplant, zoals het Noorderbroek ten noorden van Varsseveld en het Idinkbosch tussen Varsseveld en Sinderen Anholtsche Broek ten westen van Breedenhoek. De nattere stukken werden met diepe sloten word ontwaterd. Een voorbeeld van een groot naaldboscomplex is Het Zand ten noorden van de Veldhoek. Tijdens ruilverkavelingen (tussen 1960 en ca. 1980) onderging dit landschap opnieuw grote veranderingen.
Relatief grote bedrijven in en nabij de oude dorpen werden uitgeplaatst en er werden grote nieuwe stallen gebouwd in de ruime ontginningsvlakten, waarbij de kleine, steeds minder rendabele bedrijfjes werden beëindigd. De zandwegen (zanddijken) werden veelal geasfalteerd,
21
Streekeigen landschapselementen -
-
-
-
-
Heischrale bermen Heischrale bermen zijn het best behouden gebleven langs de zanddijken waar, in tegenstelling tot geasfalteerde wegen, relatief weinig meststoffen in de berm terecht komen; bij asfaltwegen stroomt verrijkt water af naar de berm, bij zandwegen infiltreert het water in het zandlichaam. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kleurden veel van deze bermen in augustus nog paars van de bloeiende stuikhei. Door toevoer van meststoffen zijn deze heidestrookjes steeds verder vergrast. Maar op veel plaatsen is de heide-voorgeschiedenis nog steeds goed te herkennen aan de bermvegetatie met brem, havikskruiden, wilgenroosje, pijpenstrootje en hier en daar nog een pol struikhei. Zandwegen Rechte zandwegen, die in de Achterhoek zanddijken worden genoemd, zijn karakteristiek voor de heideontginningen. Voor een deel zijn ze later verhard, maar her en der zijn ze behouden gebleven. Bremstruwelen Met name langs zandwegen zijn spontaan opgeslagen bremstruwelen typerend voor het heideontginningslandschap. Door de uitbundige (gele) bloei in het voorjaar dragen de bremstruiken veel bij aan de landschapsbeleving. Berkensingels Hoewel de berk ook in andere landschappen wel voorkomt, heeft zij toch in het heideontginningslandschap haar optimum. Vliegdennen Ook grove den is een goede, en zelfs exclusieve indicator.
Meestal is de boomsoort te zien aan de randen van kleine bosjes die zijn opgeslagen op kleine stukjes heide die niet ontgonnen werden.
Geselecteerde soorten voor beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit Vogels: -
Percelen, winterperiode: wulp, kievit, ganzen, holenduiven Schrale bermen en zanddijken met struweel: roodborsttapuit, boompieper, geelgors, grasmus. Kneu, boompieper
Planten: -
Schrale bermen en zanddijken: struikhei, dophei, tormentil, havikskruiden, pijpenstrootje, hengel Bosranden: kamperfoelie, vuilboom, rankende helmbloem Bremstruweel: brem, havikskruiden, pijpenstrootje Diepe sloten: dubbelloof, wijfjesvaren, koningsvaren.
Amfibieën en reptielen: -
Levendbarende hagedis
2.6 Broekontginningslandschap
22
Klein stukje broeklandschap onder het Idinkbosch met knotwilgenrij. De diepe ontwatering door een brede A-watergang, betekende verdroging voor de karakteristiek broekvegetatie.
Korte beschrijving Broekontginningen komen in de gemeente Oude IJsselstreek relatief weinig voor (slechts 1% van het grondgebied). Door de hoge grondwaterstanden bleef de grond relatief vruchtbaar en kon er, zonder er al te veel mest naartoe te brengen, ieder jaar een snee hooi geoogst worden. Het gaat in de gemeente om de Silvoldsche Slagen en een klein gebiedje onder het Idinkbosch. De term slagen wijst er al op dat de hooilandjes vroeger vrij smal waren. Ze werden omzoomd door elzensingels die als hakhout in beheer waren. In de sloten ontwikkelden zich moerasplanten als waterviolier, dotterbloem, gele lis en diverse zeggesoorten. Ook rietkragen waren karakteristiek voor de kwel in de sloten. Door ruilverkavelingen werd het landschap ook hier ingrijpend gewijzigd. In combinatie met diepere ontwatering werd het kleinschalige patroon van hooilandjes met elzensingels omgevormd naar grote kavels, waarbij de beplantingen werden opgeruimd. Alleen enkele restanten van de karakteristieke elementen, waaronder sloten met moerasvegetatie, wijzen nog op de voorheen natte omstandigheden. Streekeigen landschapselementen -
Elzensingels
23
-
-
-
In het oude landschap werden de hooilandjes begrenst door elzensingels die na het graven van de slootjes tussen de percelen spontaan verschenen. Ze werden beheerd als hakhout. Van deze structuur is in de gemeente weinig overgebleven. Sloten met moerasplanten, waaronder kwelindicatoren Sloten die dieper zijn uitgegraven, herbergen op veel plaatsen nog de moerasplanten die van oudsher in de ondiepe slootjes voorkwamen. Daaronder zijn kwelplanten als waterviolier en andere moerasplanten. Om deze soorten hun jaarlijkse levenscyclus te laten voltooien, is het belangrijk om de sloten pas laat in de zomer te maaien. Rietkragen Op diverse plaatsen komen langs sloten rietkragen voor die plotseling opduiken en even abrupt weer ophouden. Het opduiken van een rietkraag heeft te maken met een zogenaamde preferente grondwaterstroom die niet de leem, maar wel gemakkelijk een zandlaag passeert en in de sloten als kwelwater uittreedt. Knotbomenrijen Rijen knotwilgen, knotelzen zijn blikvangers in het broekontginningsandschap. Populierensingels Ook populierensingels zijn in hoge mate gekoppeld aan de broekgronden.
Geselecteerde soorten voor beoordeling Basiskwaliteit Planten: -
(Gekanaliseerde) beken: fonteinkruiden, waterranonkel, gele plomp, dotterbloem, pijlkruid, pinksterbloem Perceelsranden: pinksterbloem, boterbloemen Rietkragen: riet, harig wilgenroosje, koninginnenkruid Elzensingels en wilgenstruweel: dolle kervel, hop, ijle zegge Sloten: waterviolier, dotterbloem, gele lis, moeraszegge (Verdroogde) broekbosjes: hennegras, framboos, elzenzegge
Vogels: -
Rietkragen: bosrietzanger, kleine karekiet, spotvogel, rietgors, grasmus Elzensingels en wilgenstruweel: bosrietzanger, spotvogel, fitis, winterperiode: sijs, putter Sloten: watersnip, wilde eend (Verdroogde) broekbosjes: wielewaal, nachtegaal, zwartkop, tuinfluiter, matkop
24
2.7 Veenontginningslandschap
Zandweg in het veenontginningslandschap in het Zwarte Veen met links op de voorgrond gagel als relict van de vroegere overgang van het veen naar het zand van de Vennebulten. Het veenontginningslandscap betreft een betrekkelijk klein gebied (ca. 100ha) in het uiterste Noordoostpuntje van de gemeente: Het Zwarte Veen. Anderhalve eeuw geleden was dit nog hoogveen waar turf gestoken werd. Door ontginning (inclusief diepe ontwatering) is de veenlaag geheel verdwenen en resteert de zandige ondergrond. Qua landschappelijke kenmerken en karakteristieke soorten komt het nu overeen met de heideontginningen.
25
26
3. Beoordeling Basiskwaliteit 3.1 Beoordeling Basiskwaliteit Landschap Onder een landschap met Basiskwaliteit wordt een landschap verstaan dat aan de hand van de streekeigen elementen, zoals in hoofdstuk 2 van dit rapport beschreven, nog ‘leesbaar’ is omdat er nog voldoende (restanten) van deze landschapselementen aanwezig en waarneembaar zijn. Zowel de hoeveelheid aan landschapselementen als ook de diversiteit, dragen bij aan de herkenbaarheid van het landschap. Ieder landschapstype heeft zijn eigen (streekeigen) elementen en structuren. Het gaat hier niet om de historische situatie te herstellen, wel om de kenmerkende structuren in zekere mate te behouden. Dit houdt in dat er tussen de percelen opgaand groen aanwezig is in de vorm van singels en struwelen, waardoor er sprake is van kenmerkendheid. Om de ontstaansgeschiedenis van deze landschappen te kunnen herkennen moet de fietser of wandelaar binnen gezichtsafstand (maximaal 500m) voldoende karakteristieke elementen kunnen waarnemen. Alleen dan is er sprake van een leesbaar landschap. Voor de beoordeling is het landschap verkend en geëvalueerd. De criteria zijn weergegeven in bijlage Ia. Op 60 locaties is het landschap aan de hand van de deze criteria beoordeeld in drie klassen: goed, matig, slecht. De steden en dorpen zijn niet in de beoordeling betrokken.
Voor de ligging in de gemeente van de 60 locaties zie de kaart in bijlage II. Zodanig ontstaan 8 scores per waarneemlocatie. Deze scores zijn in het veld geïntegreerd in een eindoordeel. In het veld zijn ook de grenzen tussen de categorieën goed, matig, slecht (groen, oranje, rood) op de kaart ingetekend. In bijlage III wordt een overzicht gegeven van de scores per punt.
27
3.1.1 Basiskwaliteit Landschap in kaart voor de hele gemeente Het resultaat van de landschappelijke beoordeling van de Basiskwaliteit wordt weergegeven in figuur 3, 4 en 5.
Figuur 3. Basiskwaliteit Landschap in Oude IJsselstreek Het kaartbeeld laat zien dat op 44% van de oppervlakte van de gemeente Oude IJsselstreek de Basiskwaliteit van het landschap op orde is. Met name de gebieden in het Kampenlandschap kleuren voor het overgrote deel groen. Dit heeft te maken met de van oudsher grote diversiteit in het Kampenlandschap, waarvan er in de meeste gevallen, ondanks dat ook daar de intensivering van de landbouw en de schaalvergroting heeft plaatsgevonden, nog voldoende restanten aanwezig zijn om nog te kunnen spreken van Basiskwaliteit Landschap. Ook de heideontginningen zijn grotendeels groen. Zowel in het kampenlandschap als in de heideontginningen is het percentage rood opvallend laag. In bijna 56% van het gebied is de Basiskwaliteit Landschap niet op orde. De rode scores vinden we vooral in het kommenlandschap (46%) en in mindere mate in het oeverwallenlandschap (15%). Deze rode, voor de landbouw ingerichte gebieden zijn sterk opgeschaald; er worden nauwelijks landschapselementen aangetroffen. Daardoor is het landschap niet meer te herkennen.
28
Figuur 4. Oppervlakteaandeel van de drie verschillen scores Basiskwaliteit Landschap.
Figuur 5. Resultaat van de beoordeling op de 60 locaties per criterium Kijkend hoe de beoordelingscriteria gescoord hebben dan zien we dat de oppervlakte landschapselementen het laagst scoort, terwijl de criteria diversiteit aan landschapselementen, de diversiteit aan karakteristieke elementen en passend grondgebruik de hoogste groene scores hebben. Dit betekent dat de landschappen in de meeste gevallen behoorlijk zijn uitgeruimd, maar dat er, met uitzondering van de kommen, vaak nog wel restanten van landschapselementen zijn overgebleven om het landschap herkenbaar te houden. De toegankelijkheid van het landschap heeft de laagste groene score, hetgeen betekent dat het landschap weinig ontsloten is met wandel- en fietspaden Hieronder wordt de Basiskwaliteit Landschap per landschapstype besproken (zie 3.1.2 t/m 3.1.8) 29
3.1.2 Basiskwaliteit Landschap Rivierweidenlandschap
Het landschap is opgebouwd uit een aantal veel voorkomende elementen zoals bermen, rasters en solitaire bomen. Van de karakteristieke elementen scoren rivierloop, knotwilgrijen en wilgenstruweel 50% (bijlage III-1).
Voor de Basiskwaliteit Landschap scoren de rivierweiden grotendeels groen.
Foeragerende ooievaar in het rivierweidenlandschap in het Warmsche Veld ten westen van de Oude IJssel.
30
3.1.3 Basiskwaliteit landschap in het Oeverwallenlandschap Voor de Basiskwaliteit Landschap scoren de oeverwallen matig tot goed.
Uitzondering vormen o.a. landbouwgebieden ten westen van Ulft, ten oosten van Bontebrug en ten westen van het Anholtsche Broek, die als rood op de kaart staan. Hier is het landschap onherkenbaar omgevormd tot een uniform productielandschap (zie onderstaande foto).
Grootschalig ingericht oeverwallenlandschap ten westen van de waterzuivering langs de Oude IJssel. Rechtsboven de brug over de Oude IJssel. Van de karakteristieke landschapselementen scoren meidoornstruweel en macroreliëf nog matig (Bijlage III-3).
31
3.1.4 Basiskwaliteit landschap in het Kommenlandschap In het kommenlandschap is de Basiskwaliteit Landschap vrijwel niet meer aanwezig.
Bijna de helft van de oppervlakte is, door het nagenoeg ontbreken van karakteristieke landschapselementen, zelfs als slecht beoordeeld. Hier vinden we ook het grootste aantal gebouwen zonder omliggend groen en landschapselementen (zie bijlage III-3).
Kommenlandschap ten westen van Ulft met grootschalige maisverbouw.
32
3.1.5 Basiskwaliteit landschap in het Kampenlandschap Het Kampenlandschap kleurt voor meer dan tweederde groen. Verder valt op dat de Basiskwaliteit Landschap, met uitzondering van wat kleine stukjes open landbouwgebied, bijna nergens rood scoort.
Kennelijk is dit landschapstype zo robuust dat het zich niet gemakkelijk onherkenbaar wordt omgevormd tot een monotone vlakte. De aanwezigheid van oude Saksische boerderijen, de zware eiken op het erf of als restanten van houtwallen langs de percelen en het reliëf van de oude essen draagt daar zeker aan bij. Ook het kronkelige wegenpatroon is een blijvend kenmerk. Het grootste deel van de noordoostkant van de gemeente wordt hierdoor ingenomen. Bijlage III-4 geeft een beeld van de aanwezige landschapselementen op de opname locaties in het kampenlandschap. De oude Saksische boerderijen scoren hier het hoogst. Solitaire bomen zijn hier vaak aanwezig. Meestal is dit het gevolg van het (geleidelijk) opruimen van houtwallen, waarbij nog een paar grote bomen, vaak eiken, blijven staan. Ondanks het opschalen van het landschap worden hier in de helft van de gevallen nog eikensingels aangetroffen, meestal als wegbeplanting.
33
Saksiche boerderij in het kampenlandschap bij Varsseveld met kenmerkende ronde “indeur”. .
Kampenlandschap ten westen van de Radstake met zandweg en steilrand langs de es. 34
3.1.6 Basiskwaliteit landschap in het Heideontginningslandschap Het grootste deel van het heideontginningslandschap scoort goed.
Dit is mede het gevolg van de aanwezigheid van schrale zandwegen en berkensingels (beide 50%). Ook solitaire bomen scoren zijn nog in 50% van de opnemen aanwezig (zie bijlge III-5). Verder valt op dat de Basiskwaliteit Landschap vrijwel nergens rood kleurt. De maatvoering is hier doorgaans niet zeer grootschalig en de percelen worden vaak begrensd door beplantingen met berk en eik.
35
Heideontginningslandschap ten noorden van Varsseveld.
Heideontginningslandschap in het Heelwegsche Veld.
36
3.1.7 Basiskwaliteit landschap in het veenontginningslandschap Het Zwarte veen is een klein stukje veenontginninslandschap (ca. 100ha) waar slechts een beoordelingspunt in gelegd is. Het gedeelte tegen de Vennebulten en het deel tegen het Aaltense Goor is groen beoordeeld met een zandweg, schrale berm en struweel. Het noordoostelijke deel is een kaal landschap met bespoten monoculturen. Dit gedeelte is als rood beoordeeld.
Aangezien dit landschap zeer gering van oppervlak is geen bijlage van de landschapselementen opgenomen,
37
Sloot met gagel en grauwe wilg aan de voet van een oude berk.
38
3.1.8 Basiskwaliteit Landschap in het Broekontginningslandschap
Het broeklandschap in de gemeente Oude IJsselstreek omvat eveneens maar een klein deel van de gemeente. Het gaat dan om de Silvoldsche Slagen en een klein gebiedje ten zuiden van het Idinkbosch (ruim 100ha). De Basiskwaliteit is op 1/3 op orde en op 2/3 matig.
Door de drooglegging van de historisch natte broekgebieden is het hier nu mogelijk om vroeg in het voorjaar met zware machines het land te bewerken. Ook zijn er enkele grote landbouwbedrijven gebouwd. Ondanks dat dit broekgebied zijn karakter niet heeft behouden zijn er nog enkele elementen opnieuw aangebracht die wijzen op de voorheen natte omstandigheden: knotwilgenrij, populierensingel en een plasje. Door het geringe oppervlak is slechts op twee waarnemingslocaties een opname gemaakt (zie bijlage III-6).
39
Broekontginningslandschap met knotwilgenrij in de Silvoldsche Slagen.
40
3.2 Beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit Beoordeling in de provinciale studie Voor de beoordeling van de Basiskwaliteit Biodiversiteit is een eerdere studie in opdracht van de Provincie Gelderland als leidraad gebruikt; zie de rapportage van Kwak en Stortelder uit 2019. Op basis van verspreidingsgegevens per vierkante kilometerhok en uitgaande van de verschillende landschapstypen is daarbij de diversiteit van flora en fauna bepaald. De beoordeling voor vogels, dagvlinders, herpetofauna en wilde planten (vaatplanten) is berekend per landschapstype en daarbinnen per vierkante kilometerhok. Daarbij wordt uitgegaan van bestaande verspreidingsgegevens van de soorten. Het resultaat van de biodiversiteitsbeoordeling op het niveau van kilometerhokken wordt voor de gemeente weergegeven in figuur 7.
Figuur 7. Beoordeling Basiskwaliteit biodiversiteit op km-hok niveau voor planten (linksboven), dagvlinders (rechtsboven), herpetofauna (linksonder) en vogels
41
(rechtsonder). Wanneer een score ontbreekt zijn niet voldoende gegevens voorhanden voor een verantwoorde beoordeling. Deze beoordelingskaart is voor de gemeente in het veld gebruikt als leidraad voor de beoordeling van de biodiversiteit in de karteringseenheden.
3.2.1 Beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit voor de hele gemeente Voor de kartering in de gemeente zijn de beoordelingen die voortkwamen uit de provinciale studie van de vier soortgroepen (vogels, dagvlinders, herpetofauna en wilde planten) geïntegreerd in een eindbeoordeling. Als minimaal twee van de soortgroepen in de klasse goed scoort, werd de karteringseenheid groen ingekleurd. Blijkbaar zijn de leefomstandigheden voor minimaal twee groepen van organismen op orde. Wanneer alle soortgroepen slecht scoren is de eenheid rood ingekleurd. In de andere gevallen is de eenheid op oranje beoordeeld. De kaart met de scores op kilometerhokniveau diende dus als leidraad. Wel is steeds in het veld op basis van “best professional judgement” gekeken of de scores ook valide waren voor de karteringseenheden. Als bijvoorbeeld een kilometerblok groen scoort omdat in een deel van dat blok veel landschapselementen voorkomen, kan het zijn dat de rest van dat blok wordt ingenomen door soortenarme monoculturen. Op onze kaart wordt dan het ene deel groen en het andere deel oranje of zelfs rood.
42
Basiskwaliteit Biodiversiteit in kaart
Figuur 8 Basiskwaliteit Biodiversiteit in de gemeente Oude IJsselstreek.
Het kaartbeeld van de biodiversiteit (figuur 8) vertoont overeenkomst met de landschappelijke beoordeling. Dit is niet verbazingwekkend. Immers, waar landschapselementen aanwezig zijn, kunnen (vrij) algemene organismen nog overleven. De toestand van het landschap bepaalt de omstandigheden voor wilde planten en dieren om zich te kunnen vestigen. Het schept de randvoorwaarden. Biodiversiteit versterken betekent het verbeteren van deze randvoorwaarden. Er zijn echter ook verschillen. Met name op de oeverwallen in de Kroezenhoek, ten zuiden van Etten, in de Silvoldsche Slagen en in de kommen zijn er relatief grote gebieden die landschappelijk als matig (oranje) zijn beoordeeld, maar rood gekleurd zijn op de biodiversiteitskaart. Om dezelfde redenen zijn er gebieden die landschappelijk groen scoren maar er bij de biodiversiteitsbeoordeling als matig uit de bus komen. Alles overziend blijkt dat er in ruim eenderde van de gemeente de Basiskwaliteit Biodiversiteit op orde is. Tweeëntwintig procent van de oppervlakte scoort rood, hetgeen betekent dat daar nauwelijks vogels, vlinders en wilde planten meer voorkomen en zelfs doorgaans maar weinig algemene soorten.
43
Figuur 9. Oppervlakteaandeel van de drie verschillende scores Basiskwaliteit Biodiversiteit.
In de navolgende paragrafen wordt de Basiskwaliteit Biodiversiteit per landschapstype nader belicht.
44
3.2.2 Basiskwaliteit Biodiversiteit in het Rivierweidenlandschap
Het graslandbeheer in de rivierweiden is grotendeels gericht op optimale productie waardoor landschapselementen goeddeels ontbreken en de Basiskwaliteit op veel plaatsen niet bereikt wordt. In 20% van de oppervlakte is de biodiversiteit zelfs zeer laag.
3.2.3 Basiskwaliteit Biodiversiteit in het Oeverwallenlandschap
De oeverwallen zijn van nature vruchtbare, zavelige gronden die zich lenen voor zowel akkerbouw als grasland. Door de landbouw worden deze gronden vaak optimaal benut voor de productie. Het gaat dan voor een deel om grote percelen met monoculturen met weinig landschapselementen (22% rood). Daar waar nog voldoende landschapselementen aanwezig zijn wordt de score groen bereikt. Het grootste deel zit daar tussen in en scoort matig (41%).
45
3.2.4 Basiskwaliteit Biodiversiteit in het Kommenlandschap
In het kommenlandschap is in het overgrote deel (80% van de oppervlakte) de Basiskwaliteit slecht. Door het grootschalige landgebruik is hier weinig ruimte voor het voorkomen van wilde planten en dieren. Het is duidelijk dat hier wel de grootste kansen liggen om de situatie in dit opzicht te verbeteren. Door het toevoegen van passende landschapselementen (bijv. heggen, ecologisch beheerde slootkanten en wandelpaden met bloemrijke bermen) wordt hier niet alleen de biodiversiteit maar ook de attractiviteit van het landschap vergroot.
3.2.5 Basiskwaliteit Biodiversiteit in het Kampenlandschap
Scoorde het Kampenlandschap voor de Basiskwaliteit Landschap nog grotendeels groen, voor de Basiskwaliteit Biodiversiteit ligt dat een stuk lager. Ook hier is het landschap, voor zover dat mogelijk is, ‘uitgekleed’ en is het landgebruik geïntensiveerd. Desondanks scoort het grootste deel van de landschapstype nog matig.
46
3.2.6 Basiskwaliteit Biodiversiteit Heideontginningslandschap
Het heideontginningslandschap scoort voor het grootste deel groen. De schrale zandbermen dragen hier zeker aan bij. Vooral langs zandwegen, die hier nog regelmatig voorkomen, kunnen deze bermen lang schraal blijven. Verder is in sommige heideontginningen, zoals bij Heelweg, de schaal van het landschap relatief klein, waardoor ook meer (karakteristieke) landschapselementen resteren. Kleine stukjes heide die bij de ontginning zijn blijven liggen, zijn later dichtgegroeid met opslag met onder andere vliegdennen. Ook dergelijke bosjes dragen bij aan de biodiversiteit. Op plaatsen waar het landschap wat meer grootschalig is ingericht, is het land in sommige heideontginningsgebieden meer monotoon en uniform. Vroeger waren dit belangrijke broedgebieden voor weidevogels met o.a. de wulp.
3.2.7 Basiskwaliteit Biodiversiteit Veenontginningslandschap
In het Zwarte veen is een kleine helft als matig beoordeeld. Vooral aan de rand grenzend aan de Vennebulten is de biodiversiteit groter (groen) met o.a. een schaarse soort als gagel in de berm, die nog wijst op de veen-voorgeschiedenis, en een aantal extensief begraasde weilanden met struweel waarin de grauwe klauwier voorkomt. Het noordoostelijke deel met eenvormig landgebruik is rood.
47
3.2.8 Basiskwaliteit Biodiversiteit Broekontginningslandschap
De biodiversiteit in de Silvoldsche Slagen scoort voor 45% rood, terwijl bij de landschappelijke beoordeling de score rood ontbreekt. Dat de Basiskwaliteit Biodiversiteit lager uitpakt hangt samen met het intensieve grondgebruik en de, voor typische broeksoorten ongunstige, lage grondwaterstand.
48
4. Aanknopingspunten voor het handelingsperspectief, op naar Basiskwaliteit: voorbeeld heideontginningslandschap
Wegberm ontbreekt langs de Grensweg bij restaurant van Hal in Voorst.
De verkenning en kartering van de kwaliteit van het landschap is geen doel op zich, maar een hulpmiddel bij het prioriteren van de gebieden waar acties gewenst zijn om de Basiskwaliteit op orde te houden en/of te herstellen. De voorliggende studie is bedoeld om maatregelen voor te kunnen stellen, die gericht zijn op het versterken van het landschap en de biodiversiteit. Het maatregelenpakket is per landschapstype verschillend. Om een beeld te verkrijgen wat dit kan inhouden worden hier bij wijze van voorbeeld suggesties gedaan voor maatregelen in het heideontginningslandschap. Het ligt voor de hand om bij het versterken van het heideontginningslandschap de aandacht in eerste instantie te richten op de voor dat landschap karakteristieke elementen. Het accent zou vooral moeten liggen op de voor dat landschap kenmerkende onderdelen. Het gaat niet perse om maximale variatie, al draagt variatie in het landschap wel bij aan de Basiskwaliteit. Hieronder wordt een greep gedaan uit de de verschillende mogelijkheden op het gebied van inrichting en beheer van het heideontginningslandschap. Herstel van schrale bermen De bermen in de heideontginningen zijn gedeeltelijk deel schraal te noemen met pollen hei, geel bloeiende havikskruiden, hengel, pijpestrootje, brem en andere zogenaamde heischrale plantensoorten. Deze bermen bevinden zich vooral langs zandwegen.
Op veel plaatsen zijn de bermen sterk vergrast, met name langs verharde weggetjes waar mineralen van de verharding afstromen en de berm verrijken. Herstel van schrale 49
bermen kan plaatsvinden in stappen. De eerste stap is het herstellen van de oorspronkelijke breedte van de bermen en waar deze vergrast zijn vervolgens af te plaggen. Op het schrale zand zullen binnen afzienbare tijd de soorten van schraal zand terugkeren. Wel is het zaak om de nieuwe bermen jaarlijks te maaien en het maaisel af te voeren. De gemeente Oude IJsselstreek werkt aan ecologisch bermbeheer, waarbij de focus onder andere ligt in het heideontginningslandschap. Verschralen van maaipaden langs watergangen en bufferzones. Bij de inventarisatie van het landschap is gebleken dat vrijwel overal langs de watergangen het maaisel blijft liggen, waardoor, als gevolg van het wegrotten van het maaisel, de maaipaden en de taluds met mineralen verrijkt worden (vermesting). Juist in de van nature voedselarme bodems in de heideontginningen is dit een gemiste kans op karakteristieke heide-achtige begroeiingen in dit vaak intensief landbouwkundig beheerde landschap. Dit zou een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het herstel van de Basiskwaliteit Biodiversiteit. Landschappelijk zou dit nog meer aan betekenis winnen als langs de watergangen bufferzones aangebracht zouden worden met inheems struweel. Het waterschap is hier als eerste aan zet. De gemeenten zouden gezamenlijk een beroep kunnen doen op het waterschap om hier mee aan de slag te gaan.
Aanplant van berkensingels met groepjes grove den. Vooral in gebieden waar het landschap sterk is opgeschaald is het zinvol om te verkennen waar mogelijkheden liggen om opnieuw singels aan te leggen met berken en grove den, met een struiklaag van o.a. brem, sporkehout en geoorde wilg. De gemeente Oude IJsselstreek kent een aanlegsubsidie voor landschapselementen en vanaf 2023 een landschapfonds om agrariërs te vergoeden voor de aanleg van landschapselementen. Deze maatregel wordt dan ook geïmplementeerd. Creëren van kleine schraallandjes Hetzelfde als bij de bermen geldt voor kleine vlakvormige elementen. Ook hier kan diep plaggen gevolgd door maaien leiden tot kleine schraallandjes waar onder andere vogels als roodborsttapuit en veel insecten baat bij hebben. Behoud van zandwegen Om verschillende redenen hebben zandwegen ecologisch en landschappelijk een grote meerwaarde. Binnen Oude IJsselstreek is dit vigerend beleid. Deze maatregel is dan ook geïmplementeerd. Behoud van rasters. De trend is dat veel permanente rasters verdwijnen. Deze permanente rasters (vaak prikkeldraad) leiden er toe dat onder het raster smalle kruidenstroken gehandhaafd blijven. Zeker als er wat hogere kruiden en een enkele braamstruik opslaan is dat een potentiële broedlocatie voor veldvogels als Roodborsttapuit, Grasmus en Veldleeuwerik.
Iedere maatregel vergt per landschapstype aparte projecten met voldoende bijbehorende financiering.
50
5. Vervolgstappen De resultaten van dit onderzoek naar Basiskwaliteit Landschap en Basiskwaliteit Biodiversiteit geven inzicht en kunnen daarmee bijdragen aan de gemeentelijke planvorming. deze verkenning kan bijdragen aan de gemeentelijke planvorming. Het handelingsperspectief is het doel waar het uiteindelijk om gaat. Wat zijn de mogelijkheden om overal de Basiskwaliteit op orde te brengen. Dit vergt langjarige processen die samen met de relevante, betrokken gebiedspartijen doorlopen moeten worden. Draagvlak is hierbij bepalend voor succes. De gemeente kan hier de regierol op zich nemen. Stappen 1. Analyse van het ruimtelijkbeleid op het gebied van natuur en landschap in overleg met de betrokken ambtena(a)r(en). 2. Verkenning van de herstelmogelijkheden op plekken waar de Basiskwaliteit nu niet gehaald wordt. 3. Concreet uitwerken van het handelingsperspectief per landschapstype. Wat is haalbaar op korte termijn en wat is een lange termijndoel? De Basiskwaliteitskaarten kunnen helpen bij het prioriteren van de gebieden waar actie ondernomen wordt en bij het formuleren van een omgevingsvisie en omgevingsplan.
51
52
Bijlage I - a Criteria bij de beoordeling Basiskwaliteit Landschap Criterium 1: Aanwezigheid van landschapselementen en grondgebruik Gezien het grote belang van de landschapselementen bij de Basiskwaliteit van het landschap wordt dit criterium in vijf onderdelen gescoord, die alle even zwaar wegen in het totaal van de criteria. 1a Oppervlakte die door de landschapselementen wordt ingenomen. Scores: minder dan twee procent (rood), twee tot vijf procent (oranje) en meer dan vijf procent (groen). 1b Aantal verschillende typen landschapselementen. Op ieder waarnemingspunt zijn de landschapselementen die vanaf dat punt binnen een straal van 500m kunnen worden waargenomen genoteerd. Sores: minder dan vijf, vijf tot en met zeven en acht of meer. 1c Aantal voor het desbetreffende landschap karakteristieke elementen. Bij de landschapsbeschrijving is aangegeven welke landschapselementen karakteristiek zijn voor elk landschapstype. Bij de beoordeling is ervan uitgegaan dat minimaal twee van die elementen binnen de waarnemingscirkel aanwezig moeten zijn voor een groene score. Oranje bekent een karakteristiek element en rood wanneer geen enkel karakteristiek element zichtbaar is. 1d Mate waarin structuureigenschappen van het landschap, zoals perceelsvorm en reliëf die typerend zijn voor dat landschapstype nog voorkomen. Scores: minder dan 20%, 20-50% en meer dan 50% van de oppervlakte.
1e Passend agrarisch grondgebruik. Bij dit criterium is gekeken naar de mate waarin het type agrarisch grondgebruik nog aansluit bij bodem, geomorfologie en waterhuishouding. Voor de essen is dit bouwland, grenzend aan lager gelegen weiland en voor de broekontginningen grasland. Scores: minder dan 20%, 20-50% en meer dan 50% van de oppervlakte. Criterium 2. Toegankelijkheid van het landschap Attractieve landschappen waarin gewandeld en gefietst kan worden trekken recreanten en hebben daardoor een belangrijke economische meerwaarde. Maar ook de plaatselijke bevolking waardeert een toegankelijk buitengebied. Door schaalvergroting zijn veel oude paden en landweggetjes verdwenen. De mate van toegankelijkheid wordt bepaald door de aard en intensiteit van de ontsluiting voor wandelaars en fietsers. Waar uitsluitend doorgaande wege aanwezig zij is de score rood. Wanneer er ook B-weggetjes voorkomen is de score oranje. En waar daarenboven ook wandel- en fietspaden zijn aangelegd, inclusief vrij toegankelijke landbouwweggetjes en zandwegen, is de score groen. Criterium 3. Het beheer Hierbij is gekeken naar de mate waarin de landschapselementen en het openbare groen worden onderhouden.
Voor de bermen en maaipaden is er gelet op het tijdstip van maaien en het afvoeren van het maaisel (vaak te zien aan de vegetatie) en voor de knotwilgen en (meidoorn)hagen naar al dan niet achterstallig onderhoud. Scores: minder dan 20%, 20-50% en meer dan 50% van de oppervlakte goed beheerd. Criterium 4. Landschappelijke inpassing van de bebouwing.
53
Hierbij is gekeken naar de visueel-ruimtelijke inpassing en de mate waarin hierbij streekeigen soorten bomen en struiken zijn gebruikt. Een laurierhaag of een rij fijnsparren worden niet beschouwd als een goede inpassing. Gebruik van inheems plantmateriaal is belangrijk voor de insectenwereld, bloemrijke en bes-dragende heester hebben de voorkeur. Erven zijn, mits goed ingericht, ook belangrijk voor zogenaamde erfvogels zoals zwaluwen en uilen. Niet altijd hoeven daarbij gebouwen geheel worden afgedekt door groen. Een historische Saksische boerderij bijvoorbeeld is beter ingepast met enkele fraaie oude solitaire bomen en een boerentuin dan dat deze is opgesloten in een dichte windsingel. Scores: minder dan 20%, 20-50% en meer dan 50% van de oppervlakte goed ingepast. Zodanig ontstaan 8 scores per waarneemlocatie. Deze scores zijn in het veld geïntegreerd in een eindoordeel. In het veld zijn ook de grenzen tussen de categorieën goed, matig, slecht (groen, oranje, rood) op de kaart ingetekend. In bijlage III wordt een overzicht gegeven van de scores per punt.
Bijlage I - b Criteria bij de beoordeling Basiskwaliteit Biodiversiteit Per landschapstype is voor iedere soortengroep een lijst van karakteristieke soorten opgesteld die (vrij) algemeen zijn in dat landschapstype (zie hoofdstuk 2). Het aantal soorten uit deze categorieën dat per km-hok is gevonden dient als maat voor de kwaliteit. Voor ieder landschapstype zijn criteria opgesteld voor het aantal van de karakteristieke soorten dat in het desbetreffende landschap aanwezig moet zijn om te scoren in de klassen onvoldoende, matig tot goed. Criteria vogels Voor de beoordeling biodiversiteit vogels wordt uitgegaan van de verhouding tussen het aantal waargenomen vogels en het aantal vogels dat gemiddeld in dat landschapstype verwacht kan worden. Dat laatste getal is berekend op basis van het voorkomen in de getelde kilometerhokken en telpunten van de vogelatlas 2012-2015. Is deze verhouding kleiner dan een half dan scoort het kilometerhok onvoldoende (rood). Waar de verhouding boven de een ligt, scoort het kilometerhok voldoende (groen). Ligt de verhouding daar tussen in dan scoort het hok matig (oranje). Criteria wilde planten Voor ieder landschapstype zijn criteria opgesteld voor het aantal van de karakteristieke (algemene en zeldzamere) soorten dat in het desbetreffende landschap aanwezig moet zijn om te scoren in de klassen slecht, matig tot goed.
De geselecteerde soorten en de criteria worden hieronder voor ieder landschapstype vermeld. Zie hiervoor hoofdstuk 2. Criteria dagvlinders en herpetofauna Ook voor deze groepen zijn per landschapstype criteria opgesteld om op kilometerhokniveau de kwaliteit te beoordelen (zie hoofdstuk 2). Voor een uitgebreide toelichting op de toegepaste methodiek wordt verwezen naar het rapport van Kwak & Stortelder (2019) dat in opdracht van de Provincie Gelderland voor Oost Gelderland is uitgevoerd.
54
Bijlage II. Ligging waarnemingspunten landschappelijke beoordeling.
55
56
Bijlage III. Waargenomen landschapskenmerken per landschapstype op de waarnemingspunten van de landschappelijke beoordeling.
Toelichting op de weergave in bijlage III-1 t/m III-6 In de tabel staat in de rechter kolom het percentage van de opnamelocaties waar het desbetreffende landschapselement aanwezig is. De inkleuring gaan van 100% (groen) naar 0% (lichtgeel) om snel te kunnen zien welke landschapselementen in het landschapstype het meest zijn aangetroffen. In de kolom “kenmerkend” is met een grijs vlakje met een 1 aangegeven welke landschapselementen als kenmerkend voor het specifieke landschapstype gelden. In de kolom totaal% staat het percentage van de waarneemlocaties waarop het landschapselement aanwezig was. Het aantal locaties dat is beschreven staat boven in de tabel (in dit geval 10 locaties). Het cijfer 10 bij rietsloot betekent dus dat dat element 1 keer is aangetroffen.