21-215 Wethouder Kock - Beantwoording vragen commissie FL 19-5 over fijn huishoudelijk afval.pdf
Tekst van het document
Memo Aan: Cc: Van: Datum Kenmerk: Onderwerp:
Commissie FL Tijn van Lange Wethouder Kock 25 mei 2021 Beantwoording vragen commissie FL over fijn huishoudelijk afval
Inleiding In de commissie FL van 19 mei j.l. heeft u mij gevraagd nog een antwoord te geven op drie openstaande vragen: • Kan de wethouder opschrijven wat de mogelijkheden zijn voor SROI, welke output ze wil behalen en hoe ze dit wil bereiken? • Wat houdt “mits dit uitsluitend recht verenigbaar is met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)”, in? • Wat is het voordeel van een strategisch en duurzaam partnerschap? Middels deze memo stuur ik u mijn reactie over deze drie onderwerpen.
Ambities voor SROI Op dit moment werken er vier medewerkers uit Oude IJsselstreek bij BuHa. Dit zijn inwoners die een sw indicatie hebben en ook inwoners die momenteel gebruik maken van een Participatiewet (PW) uitkering. Tevens heeft een inwoner die een PW uitkering had inmiddels een contract gekregen bij BuHa. In totaal heeft BuHa 19 leer/werkplekken beschikbaar. Een deel van dit maximale aantal plekken kan ingezet worden (en wordt ingezet) voor inwoners van onze gemeente. We vinden het belangrijk om te blijven werken aan mogelijkheden voor plaatsing van mensen bij BuHa. Niet alle 19 leer/werkplekken bij BuHa zijn opgevuld, dus hier zijn mogelijkheden om inwoners uit Oude IJsselstreek een kans te bieden. Uiteraard is het daadwerkelijk aantal mensen dat geplaatst kan worden altijd afhankelijk van een goede match tussen de mogelijkheden en wensen van BuHa en de vaardigheden en wensen van de medewerker. Dit is een aspect waar wij als gemeente geen invloed op kunnen uitoefenen. We streven ernaar om ook in de toekomst ieder jaar minimaal vier mensen via BuHa een plek te blijven bieden. Daarmee stellen we onszelf de eis om de huidige lijn vast te houden en er alles aan te doen om deze te laten groeien. In de afspraken tussen BuHa en Oude IJsselstreek zetten we daarom kwantitatief in op continuering van de huidige resultaten.
Ook zetten we in op het leveren van maximale inzet aan beide kanten voor verbetering van de huidige resultaten. Samen met BuHa maken we deze afspraken concreet en leggen we ze nadrukkelijk en formeel vast in de dienstverleningsovereenkomst.
Is het uitsluitend recht verenigbaar met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)? Ja. Het verstrekken van een uitsluitend recht is verenigbaar met het VWEU. Het uitsluitend recht moet verenigbaar zijn met de desbetreffende regels van het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 49 (vrijheid van vestiging) en 56 (vrij verrichten van diensten) van het VWEU en met de regels en beginselen die uit dat artikel voortvloeien. Deze regels en beginselen behelzen nondiscriminatie, transparantie, evenredigheid, wederzijdse erkenning en de bescherming van rechten van particulieren. Aan het bovenstaande wordt voldaan omdat het uitsluitend recht expliciet wordt omschreven en opgenomen in de Afvalstoffenverordening. Op grond van de in het raadsvoorstel genoemde redenen wordt een uitsluitend recht gevestigd en een strategisch partnerschap aangegaan met Buha om zo de
gemeentelijke ambities en doelstellingen op het gebied van duurzaam afvalbeheer te realiseren. Het raadsvoorstel (en het uiteindelijk genomen besluit) tot vaststelling van de Afvalstoffenverordening wordt op de gebruikelijke wijze in procedure gebracht en algemeen bekend gemaakt. De nadere toelichting voor de rechtmatigheid van het vestigen van een uitsluitend recht staat hieronder omschreven. Dit is een juridisch vraagstuk en de uitleg is daarmee ook van juridische aard. Een uitsluitend recht is op grond van artikel 1.1 van de Aanbestedingswet (Aw) “een recht dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van een bestuursorgaan aan een onderneming wordt verleend, waarbij voor die onderneming het recht wordt voorbehouden om binnen een bepaald geografisch gebied een dienst te verrichten of een activiteit uit te oefenen”. De wettekst van artikel 2.24 sub a van de aanbestedingswet luidt als volgt: “In afwijking van de artikelen 2.1 tot en met 2.6a is het bepaalde bij of krachtens deel 2 van deze wet niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten: a.
die door een aanbestedende dienst worden gegund aan een andere aanbestedende dienst of aan een samenwerkingsverband van aanbestedende diensten op basis van een uitsluitend recht dat aan die andere aanbestedende dienst of het desbetreffende samenwerkingsverband is verleend, mits dit uitsluitend recht verenigbaar is met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;” Op grond van artikel 11 van de Europese Aanbestedingsrichtlijn 2014/24 en artikel 2.24 sub a Aw, is de aanbestedingswetgeving niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten (i.c. het inzamelen van huishoudelijk afval) die door een aanbestedende dienst (i.c. de gemeente Oude IJsselstreek) worden gegund aan een andere aanbestedende dienst (i.c. BuHa) of aan een samenwerkingsverband van aanbestedende diensten, op basis van een uitsluitend recht (in de EU richtlijn ‘alleenrecht’ genoemd) dat deze aanbestedende dienst geniet, mits dit uitsluitend recht (alleenrecht) met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verenigbaar is.
De vraag die 19-5-2021 in de commissie FL is gesteld, luidt: wat houdt “mits dit uitsluitend recht verenigbaar is met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)”, in? Het uitsluitend recht moet verenigbaar zijn met de desbetreffende regels van het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 49 (vrijheid van vestiging) en 56 (vrij verrichten van diensten) van het VWEU en met de regels en beginselen die uit dat artikel voortvloeien. Deze regels en beginselen behelzen nondiscriminatie, transparantie, evenredigheid, wederzijdse erkenning en de bescherming van rechten van particulieren. Het uitsluitend recht moet gerechtvaardigd zijn door: - Een uitdrukkelijk in het VWEU genoemde uitzondering (uitoefening van het openbaar gezag, art. 51 VWEU), openbare orde, openbare veiligheid of openbare gezondheid (art. 52 VWEU); of - Door dwingende redenen van algemeen belang (in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof), die geschikt moeten zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, niet verder mogen gaan dan wat ter bereiking van dat doel noodzakelijk is en in elk geval zonder discriminatie moeten worden toegepast. De inzameling van huishoudelijk afval is een dienst die zich kwalificeert als een typische overheidstaak. Dit is immers een wettelijk toegewezen taak die gemeenten hebben vanuit art. 10.21 van de Wet milieubeheer.
Deze wettelijke toedeling vormt de legitimatie om de inzamelingsdiensten voor huishoudelijk afval via een bestuursrechtelijke bepaling exclusief op te dragen aan een andere aanbestedende dienst. De bestuursrechtelijke bepaling is het raadsbesluit tot vaststelling van de gemeentelijke afvalstoffenverordening waarin het uitsluitend recht is opgenomen. Voorts moet het uitsluitend recht op uitdrukkelijke en transparante wijze worden verleend. Verder moet de opdrachtnemer (de ontvanger van het uitsluitend recht) de enige zijn die een dienstverrichting binnen een bepaalde geografische zone mag uitvoeren. Hierbij moet het uitsluitend recht specifiek zijn verleend voor de betreffende activiteit. Aan het bovenstaande wordt voldaan omdat het uitsluitend recht expliciet wordt omschreven en opgenomen in de Afvalstoffenverordening. Het raadsvoorstel (en het uiteindelijk genomen besluit) tot
vaststelling van de Afvalstoffenverordening wordt op de gebruikelijke wijze in procedure gebracht en algemeen bekend gemaakt. Het verstrekken van een uitsluitend recht is daarmee verenigbaar met het VWEU. Strategische samenwerking Door het aangaan van een strategisch partnerschap met Buha, via het verstrekken van een uitsluitend recht, zijn we als gemeente Oude IJsselstreek beter in staat om onze ambities en doelstelling op het gebied van duurzaam afvalbeheer te realiseren (zie type 3 t/m 5 van de mogelijkheden van partnerschap) en hebben we meer grip op het gehele proces. Naast opdrachtgever (“wat willen we”) zijn we ook partner in het proces (“hoe kunnen we dit samen bereiken”) en is er sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. We kunnen hierdoor sneller inspelen op (beleids-)ontwikkelingen in de markt, wijzigingen in de samenstelling van ingezameld afval en grondstoffen en het introduceren van nieuwe en innovatieve technieken en methodes. Daarnaast biedt het partnerschap de mogelijkheid om de dienstverlening te optimaliseren en daar waar nodig en/of wenselijk ook uit te breiden.
Denk hierbij onder andere aan het realiseren van de ambities op het gebied van SROI, de circulaire economie (andere en nieuwe inzamelmethodes, verbreding en verdieping van de dienstverlening), beheer van de openbare ruimte (zo werken we bijvoorbeeld al samen op gebouwenbeheer en het vakgebied riolering) en kennisdeling (beleid, communicatie en participatie). Door middel van het vastleggen van de dienstverlening in de DVO kan jaarlijks bijstelling, aanvulling en optimalisatie plaatsvinden. De consequenties hiervan worden dan ook gezamenlijk in beeld gebracht waarbij de belangen van alle partners worden meegewogen. Dit kan financiële consequenties hebben, maar dat hoeft zeker niet altijd zo te zijn. Bij het op de markt zetten van de dienstverlening (middels een Europese aanbestedingsprocedure) is het slechts in zeer beperkte mate mogelijk om gedurende de contractperiode nog wijzigingen toe te passen (zie type 1 en 2). In het programma van eisen dient nauwkeurig te worden omschreven wat de uitvraag, en dus de dienstverlening, inhoudt; dit ligt dan voor de gehele contractperiode (bijvoorbeeld 3 tot 5 jaar) vast en mag slechts marginaal (binnen de regels van de Aanbestedingswet) worden gewijzigd. Een veranderde vraag heeft ook dan altijd invloed op de kosten voor de dienstverlening. Tevens werken we op dit moment aan de vormgeving van het nieuwe VANG-beleid.
Deze ontwikkelingen zijn in volle gang, maar hebben ook tijd nodig. Als we op dit moment een EU aanbesteding zouden doen, wordt het opstellen van dit programma van eisen gebaseerd op de huidige inzamelstructuur. Komen er echter vanuit het nieuwe VANG-beleid “wezenlijke wijzigingen” (die niet meer geschaald kunnen worden onder ‘marginaal’) dan is het lastig om dit in het programma van eisen aan te passen. Er zou dan opnieuw aanbesteed moeten worden. De andere optie zou zijn om te kiezen voor een korte termijn, hoewel dat over het algemeen prijsopdrijvend werkt. Een DVO, voortvloeiend uit een uitsluitend recht, biedt wel de mogelijkheid om deze wijzigingen op te nemen.