CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Was-wordt-tabel APV 2022 - versie na AFE.pdf

Raadsvergadering 24 november 2022, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 1: Herziening APV 202226.060 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde geldt voor verenigingen en stichtingen een meldingsplicht voor zover:

4. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde geldt voor verenigingen en stichtingen een meldingsplicht voor zover:

a. de vereniging of stichting krachtens statuten en activiteiten een doel nastreeft dat van algemeen (gemeenschaps)belang is;

a. de vereniging of stichting krachtens statuten en activiteiten een doel nastreeft dat van algemeen (gemeenschaps)belang is;

b. de vereniging of stichting daarvan minstens vier weken voordat het innemen van de standplaats plaatsvindt, schriftelijk kennis geeft aan het college.

b. de vereniging of stichting daarvan minstens vier weken voordat het innemen van de standplaats plaatsvindt, schriftelijk kennis geeft aan het college.

5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen

Artikel 5:26 Afbakeningsbepalingen

1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.

1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.

2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht

2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Verwijderen

[Vervallen per 18-12-2008]

Artikel 5:22 Begripsbepaling

Artikel 5:27 Begripsbepaling

1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. 2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Artikel 5:32 Crossterreinen

Artikel 5:38 Crossterreinen

1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen, Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen;

2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen, Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen;

a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Besluit geluidproductie sportmotoren of waar een vergunning voor is verleend op basis van deze verordening.

Ambtshalve wijzigingen Onderstaande wijzigingen zijn doorgevoerd na afloop van de commissie AFE op 14 november 2022. In dit stuk zijn de bovenstaande wijzigingen al doorgevoerd. De wijzigingen bestaan voornamelijk uit gewijzigde verwijzingen naar artikelen. Daarnaast is er opgenomen dat een bed and breakfast tot maximaal 3 kamers en 6 gasten niet onder een openbare inrichting valt (zie artikel 2:26 lid 6 sub h). Boven deze hoeveelheid wordt de bed and breakfast bedrijfsmatig en dienen inwoners hier wel een vergunning voor aan te vragen. Tot slot is er een artikel opgenomen omtrent het bij je dragen van steekwapens (zie artikel 2.1b). Een onderbouwing voor de opname van dit artikel kunt u vinden in bijlage 3.

Artikel 2.1b Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (messen en andere voorwerpen als steekwapen) 1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik. Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestatie, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.

Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande vóór 12.00 uur.

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestatie, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande vóór 12.00 uur.

5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:15 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. 4. Een ieder die zich bevindt in de gebieden genoemd in het eerste lid dient de ge- en verboden aangaande roken en gebruik van vuur en open vuur op te volgen, vermeld gedurende de aangegeven code volgens het droogte indicatiesysteem voor natuurbrandgevaar en/of gedurende een door het college aangewezen periode; 5. De ter plaatse geldende regels, welke bij de ingang van een bos, heide of veengronden dan wel duingebieden worden bekendgemaakt, dienen strikt te worden opgevolgd.

Artikel 2:15 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. 4. Eenieder die zich bevindt in de gebieden genoemd in het eerste lid dient de ge- en verboden aangaande roken en gebruik van vuur en open vuur op te volgen, vermeld gedurende de aangegeven code volgens het droogte indicatiesysteem voor natuurbrandgevaar en/of gedurende een door het college aangewezen periode; 5. De ter plaatse geldende regels, welke bij de ingang van een bos, heide of veengronden dan wel duingebieden worden bekendgemaakt, dienen strikt te worden opgevolgd.

Artikel 2:21 (Slaap)verblijf op een openbare plaats 1. Het is verboden de weg, parkeergelegenheid of aangelegen plantsoen als slaapplaats te gebruiken en op of aan de weg of parkeergelegenheid een voertuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen en niet voor vrachtwagenchaufeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten. 4. Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:21 (Slaap)verblijf op een openbare plaats 1. Het is verboden de weg, parkeergelegenheid of aangelegen plantsoen als slaapplaats te gebruiken en op of aan de weg of parkeergelegenheid een voertuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen en niet voor vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten. 4. Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:22 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2.39 van deze verordening.

Artikel 2:22 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 6:27 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:37 van deze verordening.

2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. spelactiviteiten; f. wandel- en fietsactiviteiten; g. open dagen. 3. Evenementen worden naar aard en schaal onderverdeeld in: a. Vergunningsplichtige evenementen, als bedoeld in artikel 2.25 lid 1. b. Meldingsplichtige evenementen, als bedoeld in artikel 2.25. lid 2 onder b). c. Vrijgestelde evenementen, als bedoeld in artikel 2.25. lid 2 onder a).

2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. spelactiviteiten; f. wandel- en fietsactiviteiten; g. open dagen. 3. Evenementen worden naar aard en schaal onderverdeeld in: a. Vergunningsplichtige evenementen, als bedoeld in artikel 2:23 lid 1. b. Meldingsplichtige evenementen, als bedoeld in artikel 2:23 lid 3 onder b. c. Vrijgestelde evenementen, als bedoeld in artikel 2:23 lid 3 onder a.

Artikel 2:23 Evenement 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Onder een vergunningsplichtig evenement wordt verstaan een evenement dat een behoorlijk beslag legt op de openbare ruimte en/of een risico inhoudt voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en/of in enig opzicht hinder veroorzaakt of kan veroorzaken. De behandelingstermijn voor een vergunningsplichtig evenement is bij A evenementen 8 weken is en voor een B- C-evenement 14 weken. Deze termijn kan met maximaal 8 weken worden verlengd. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van dit Besluit. 3. Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien: a. het een buurtbarbecue, een buurtfeest, een straatfeest, een muziekvoorstelling, een wedstrijd op of aan de weg, een optocht, een herdenkingsplechtigheid, een spelactiviteit en/of een open dag met een maximale duur van 1 dag en met minder dan 200 deelnemers/bezoekers waarbij: i. het evenement plaats vindt: - tussen 08.00 uur en 24.00 uur; en - er geen (versterkte) muziek ten gehore wordt gebracht vóór 08.00 uur (op zondag vóór 13.00 uur) of na 24.00 uur; ii.

geen (alcoholhoudende) drank en/of etenswaren tegen betaling word(t)(en) verstrekt; iii. waarbij geen feesttent wordt geplaatst of een feesttent waarin minder dan 100 personen tegelijk aanwezig kunnen zijn; iv. geen verkeersmaatregel(en) getroffen moet(en) worden. b. het een buurtbarbecue, een buurtfeest, een straatfeest, een muziekvoorstelling, een wedstrijd op of aan de weg, een optocht, een herdenkingsplechtigheid, een spelactiviteit en/of een open dag met een maximale duur van 1 dag en met minder dan 200 deelnemers/bezoekers waarbij: i. het evenement plaats vindt: - tussen 08.00 uur en 24.00 uur; en

Artikel 2:23 Evenement 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Onder een vergunningsplichtig evenement wordt verstaan een evenement dat een behoorlijk beslag legt op de openbare ruimte en/of een risico inhoudt voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en/of in enig opzicht hinder veroorzaakt of kan veroorzaken. De behandelingstermijn voor een vergunningsplichtig evenement is bij A evenementen 8 weken is en voor een B- C-evenement 14 weken. Deze termijn kan met maximaal 8 weken worden verlengd. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien: a. het een buurtbarbecue, een buurtfeest, een straatfeest, een muziekvoorstelling, een wedstrijd op of aan de weg, een optocht, een herdenkingsplechtigheid, een spelactiviteit en/of een open dag met een maximale duur van 1 dag en met minder dan 200 deelnemers/bezoekers waarbij: i.

het evenement plaats vindt: - tussen 08.00 uur en 24.00 uur; en - er geen (versterkte) muziek ten gehore wordt gebracht vóór 08.00 uur (op zondag vóór 13.00 uur) of na 24.00 uur; ii. geen (alcoholhoudende) drank en/of etenswaren tegen betaling word(t)(en) verstrekt; iii. waarbij geen feesttent wordt geplaatst of een feesttent waarin minder dan 100 personen tegelijk aanwezig kunnen zijn; iv. geen verkeersmaatregel(en) getroffen moet(en) worden. b. het een buurtbarbecue, een buurtfeest, een straatfeest, een muziekvoorstelling, een wedstrijd op of aan de weg, een optocht, een herdenkingsplechtigheid, een spelactiviteit en/of een open dag met een maximale duur van 1 dag en met minder dan 200 deelnemers/bezoekers waarbij: i. het evenement plaats vindt:

- er geen (versterkte) muziek ten gehore wordt gebracht vóór 08.00 uur (op zondag vóór 13.00 uur) of na 24.00 uur; ii. geen (alcoholhoudende)drank en/of etenswaren tegen betaling word(t)(en) verstrekt; iii. wel verkeersmaatregel(en) getroffen moet(en) worden, en waarvan de burgemeester tenminste 3 weken voorafgaand aan het evenement door de organisator schriftelijk in kennis is gesteld. c. Er geldt een meldplicht voor fiets- en wandelactiviteiten waarbij: i. gefaseerd wordt gestart; ii. minder dan 500 mensen aan deelnemen; iii. geen verkeersmaatregel(en) getroffen moet(en) worden; iv. geen wedstrijdelement is; v. geen (alcoholhoudende) drank en/of etenswaren tegen betaling word(t)(en) verstrekt; vi. geen feesttent wordt geplaatst of een feesttent waarin minder dan 100 personen tegelijk aanwezig kunnen zijn. vii. eendaagse 4. De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen, waarvoor het verbod in het eerste lid wel en/of niet geldt. 5. Aan een optocht als bedoeld in lid 3 kunnen maximaal 500 personen deelnemen. 6. De burgemeester kan binnen drie weken na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid onder b te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 7.

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de verkeersvrijheid of –veiligheid; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat d. de zedelijkheid of gezondheid. e. de vergunning voor een A-evenement niet ten minste 8 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd; f. de vergunning voor een B- of C-evenement niet ten minste 14 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd. 9. De burgemeester is bevoegd nadere regels te stellen voor het organiseren van evenementen als bedoeld in dit artikel. 10. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden plaatsen aanwijzen waar geluidsnormen gelden. 11. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

- tussen 08.00 uur en 24.00 uur; en - er geen (versterkte) muziek ten gehore wordt gebracht vóór 08.00 uur (op zondag vóór 13.00 uur) of na 24.00 uur; ii. geen (alcoholhoudende)drank en/of etenswaren tegen betaling word(t)(en) verstrekt; iii. wel verkeersmaatregel(en) getroffen moet(en) worden, en waarvan de burgemeester tenminste 3 weken voorafgaand aan het evenement door de organisator schriftelijk in kennis is gesteld. c. Er geldt een meldplicht voor fiets- en wandelactiviteiten waarbij: i. gefaseerd wordt gestart; ii. minder dan 500 mensen aan deelnemen; iii. geen verkeersmaatregel(en) getroffen moet(en) worden; iv. geen wedstrijdelement is; v. geen (alcoholhoudende) drank en/of etenswaren tegen betaling word(t)(en) verstrekt; vi. geen feesttent wordt geplaatst of een feesttent waarin minder dan 100 personen tegelijk aanwezig kunnen zijn. vii. de activiteit maximaal één dag duurt. 4. De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen, waarvoor het verbod in het eerste lid wel en/of niet geldt. 5. Aan een optocht als bedoeld in lid 3 kunnen maximaal 500 personen deelnemen. 6. De burgemeester kan binnen drie weken na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het derde lid onder b te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 7.

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de verkeersvrijheid of –veiligheid; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat d. de zedelijkheid of gezondheid. e. de vergunning voor een A-evenement niet ten minste 8 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd; f. de vergunning voor een B- of C-evenement niet ten minste 14 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd. 9. De burgemeester is bevoegd nadere regels te stellen voor het organiseren van evenementen als bedoeld in dit artikel. 10. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden plaatsen aanwijzen waar geluidsnormen gelden. 11. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26 Exploitatievergunning openbare inrichting

Artikel 2:26 Exploitatievergunning openbare inrichting

1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester a. een openbare inrichting te exploiteren; b. één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor zover deze onder de uitzonderingscategorie van artikel 2:28 van lid 5. 2. De behandelingstermijn is 8 weken. Deze termijn kan met maximaal 8 weken worden verlengd. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de wet die hiervoor in de plaats treedt is verleend. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende van de inrichting overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; c. niet voldaan is aan de ingevolge deze afdeling voor de leidinggevenden geldende eisen; d.

redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 5. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 6. Het eerste lid geldt niet voor: a. de openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. b. de openbare inrichting als bedoeld in lid 6, sub a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. c. een openbare inrichting in zorginstellingen; d. een openbare inrichting in musea; d. een openbare inrichting in buurthuizen; f. een openbare inrichting in verenigingsgebouwen. g. een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant. 7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.

1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester a. een openbare inrichting te exploiteren; b. één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor zover deze valt onder de uitzonderingscategorie van lid 6. 2. De behandelingstermijn is 8 weken. Deze termijn kan met maximaal 8 weken worden verlengd. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de wet die hiervoor in de plaats treedt is verleend. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag heeft met betrekking tot de leidinggevende van de inrichting overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; c. niet voldaan is aan de geldende eisen voor leidinggevende voor deze afdeling; d.

redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 5. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 6. Het eerste lid geldt niet voor: a. de openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. b. de openbare inrichting als bedoeld in lid 6, sub a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. c. een openbare inrichting in zorginstellingen; d. een openbare inrichting in musea; d. een openbare inrichting in buurthuizen; f. een openbare inrichting in verenigingsgebouwen. g. een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant. h. bed & breakfast bestaande uit max. 3 slaapkamers en voor in totaal max. 6 personen. 7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 2:26a Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning 1. De burgemeester vermeldt in een vergunning:

Artikel 2:26a Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning 1. De burgemeester vermeldt in een vergunning:

a. de vergunninghouder; b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c. de plaats waar de openbare inrichting zich bevindt; d. de situering en de oppervlakte van het (de) terras(sen) van de openbare inrichting; e. de voorschriften en/of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden. 2. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. 3. De vergunning en het daarvan deel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, van deze verordening, en de ontvangstbevestiging, als bedoeld in artikel 2:28c derde lid, van deze verordening of een afschrift daarvan, zijn in de openbare inrichting aanwezig.

a. de vergunninghouder; b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c. de plaats waar de openbare inrichting zich bevindt; d. de situering en de oppervlakte van het (de) terras(sen) van de openbare inrichting; e. de voorschriften en/of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden. 2. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. 3. De vergunning en het daarvan deel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, als bedoeld in artikel 2:26c, eerste lid, van deze verordening, en de ontvangstbevestiging, als bedoeld in artikel 2:26c, derde lid, van deze verordening of een afschrift daarvan, zijn in de openbare inrichting aanwezig.

Artikel 2:26b Eisen aan leidinggevenden 1. De leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen: a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. zij staan niet onder curatele. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de openbare inrichting niet aanwezig is: a. een op de vergunning of het aanhangsel vermelde leidinggevende, of - indien de openbare inrichting wordt geëxploiteerd door een para commerciële rechtspersoon - een barvrijwilliger; b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28c, eerste lid, van deze verordening is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. 3. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op exploitatievergunningen, als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, aanhef en onder b., van deze verordening, die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras.

Artikel 2:26b Eisen aan leidinggevenden 1. De leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen: a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. zij staan niet onder curatele. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de openbare inrichting niet aanwezig is: a. een op de vergunning of het aanhangsel vermelde leidinggevende, of - indien de openbare inrichting wordt geëxploiteerd door een para commerciële rechtspersoon - een barvrijwilliger; b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:26c, eerste lid, van deze verordening is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. 3. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op exploitatievergunningen, als bedoeld in artikel 2:26, eerste lid, aanhef en onder b., van deze verordening, die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras.

Artikel 2:26c Wijziging aanhangsel exploitatievergunning 1.Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten beschrijven. 2. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 3. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. 4. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in artikel 28c, eerste lid, van deze verordening niet voldoet aan de in artikel 2:28b van deze verordening gestelde eisen.

Artikel 2:26c Wijziging aanhangsel exploitatievergunning 1.Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten beschrijven. 2. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 3. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. 4. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in artikel 2:26c, eerste lid, van deze verordening niet voldoet aan de in artikel 2:26b van deze verordening gestelde eisen.

Artikel 2:26d Wijziging exploitatievergunning openbare inrichting Indien een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien aan de ten aanzien van de openbare inrichting gestelde eisen wordt

Artikel 2:26d Wijziging exploitatievergunning openbare inrichting Indien een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien aan de ten aanzien van de openbare inrichting gestelde eisen wordt

voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 2:28a van deze verordening vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.

voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge 2:26a van deze verordening vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.

Artikel 2:26e Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, wijzigen of schorsen indien: a. de vergunninghouder en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden; b. aannemelijk is dat de vergunninghouder en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; c. de vergunninghouder en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; d. de vergunninghouder en/of leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook; e. zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting. f.

een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste driemaal op grond van artikel 2:28c, eerste lid van deze verordening om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28c, vierde lid van deze verordening.

Artikel 2:26e Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, wijzigen of schorsen indien: a. de vergunninghouder en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden; b. aannemelijk is dat de vergunninghouder en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; c. de vergunninghouder en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; d. de vergunninghouder en/of leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook; e. zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting. f.

een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste driemaal op grond van artikel 2:26c, eerste lid van deze verordening om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:26c, vierde lid van deze verordening.

Artikel 2:26f Terrassen 1. Indien een aanvraag om een exploitatievergunning mede of uitsluitend betrekking heeft op een bij de inrichting behorend terras, kan de burgemeester aan de ingebruikname van het terras voorschriften en/of beperkingen verbinden, onder andere ten aanzien van: a. de inrichting, situering en het gebruik van het terras; b. gedragsregels die op het terras in acht moeten worden genomen; c. de aanwezigheid en inrichting van tappunten op het terras; d. de brandveiligheid. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28 van deze verordening kan de burgemeester de ingebruikname van het terras weigeren: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer, gebruik en onderhoud van de weg;

Artikel 2:26f Terrassen 1. Indien een aanvraag om een exploitatievergunning mede of uitsluitend betrekking heeft op een bij de inrichting behorend terras, kan de burgemeester aan de ingebruikname van het terras voorschriften en/of beperkingen verbinden, onder andere ten aanzien van: a. de inrichting, situering en het gebruik van het terras; b. gedragsregels die op het terras in acht moeten worden genomen; c. de aanwezigheid en inrichting van tappunten op het terras; d. de brandveiligheid. 2. Onverminderd het bepaalde in 2:26 van deze verordening kan de burgemeester de ingebruikname van het terras weigeren: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer, gebruik en onderhoud van de weg; c. als dat gebruik afbreuk doet aan een publieke functie van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

c. als dat gebruik afbreuk doet aan een publieke functie van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. 3. Alle voorzieningen ten behoeve van het terras moeten semipermanent zijn. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, zijn de vergunninghouder en de leidinggevenden verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, op eigen kosten te verwijderen. 4. Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het bepaalde in het eerste en tweede lid is toegestaan. 5. Buiten de openingstijden van het terras zoals bepaald in artikel 2:29, eerste en tweede lid en artikel 2:30, eerste lid, van deze verordening dient al het meubilair van het terras verwijderd te zijn, dan wel op zodanige wijze onderling met elkaar verbonden dat het niet te verplaatsen is. 6. De burgemeester is bevoegd tot het stellen van nadere regels ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.

3. Alle voorzieningen ten behoeve van het terras moeten semipermanent zijn. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, zijn de vergunninghouder en de leidinggevenden verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, op eigen kosten te verwijderen. 4. Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het bepaalde in het eerste en tweede lid is toegestaan. 5. Buiten de openingstijden van het terras zoals bepaald in 2:27, eerste en tweede lid en artikel 2:28, eerste lid, van deze verordening dient al het meubilair van het terras verwijderd te zijn, dan wel op zodanige wijze onderling met elkaar verbonden dat het niet te verplaatsen is. 6. De burgemeester is bevoegd tot het stellen van nadere regels ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 2:28 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. De burgemeester kan een inrichting – als dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren: a. indien de inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; b. indien de inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; c. indien één van de in artikel 1:6 genoemde situaties, waarbij intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet. 3. Een gesloten verklaring, als bedoeld in lid 2, wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht. 4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:28 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:27 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. De burgemeester kan een inrichting – als dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren: a. indien de inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; b. indien de inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; c. indien één van de in artikel 1:6 genoemde situaties, waarbij intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet. 3. Een gesloten verklaring, als bedoeld in lid 2, wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht. 4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:29 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting 1. Het is bezoekers verboden in een openbare inrichting: a. De orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:29 ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:29 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting 1. Het is bezoekers verboden in een openbare inrichting: a. De orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:27 of ingevolge een op grond van artikel 2:28 genomen besluit gesloten dient te zijn; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:31 Ordeverstoring

Artikel 2:31 Ordeverstoring

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:26, 2:27 en 2:28 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:32 Het college als bevoegd bestuursorgaan De Alcoholwet is van overeenkomstige toepassing op afdeling 8 van de APV.

Artikel 2:32 Het college als bevoegd bestuursorgaan De Alcoholwet is van overeenkomstige toepassing op afdeling 7 van de APV.

Artikel 2:32a Schakelbepaling De Alcoholwet is van overeenkomstige toepassing op afdeling 8 van de APV.

Artikel 2:32a Schakelbepaling De Alcoholwet is van overeenkomstige toepassing op afdeling 7 van de APV.

Artikel 2:41 Vervoer plakgereedschap e.d. 1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:41 Vervoer plakgereedschap e.d. 1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:40.

Artikel 2:42 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, vermommingsmiddelen, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2. Het verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de verboden handelingen genoemd in artikel 2:44.

Artikel 2:42 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, vermommingsmiddelen, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2. Het verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de verboden handelingen genoemd in artikel 2:42.

Artikel 2:55 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd; d. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met cd, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

Artikel 2:55 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd; d. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met cd, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:57 Gevaarlijke honden 1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. 5.

Het Uitvoeringsbesluit gevaarlijk honden en de daarop gebaseerde regels zijn bij dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:57 Gevaarlijke honden 1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:55, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. 5.

Het Uitvoeringsbesluit gevaarlijk honden en de daarop gebaseerde regels zijn bij dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:57a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid: 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:57a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:57, eerste lid: 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:62 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel

Artikel 2:62 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel

hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:66 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: 1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: a. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; b. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; c. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; d. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; 2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; 3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; 4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste werkdrie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:66 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: 1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: a. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; b. van een verandering van de onder 1 sub a, bedoelde adressen; c. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; d. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; 2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; 3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; 4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste werkdrie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:68 Handel in horecabedrijven Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32.

Artikel 2:68 Handel in horecabedrijven Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:30.

Artikel 2:71a Carbidschieten 1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een bus / container / opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. 2. Het is verboden met carbid te schieten. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften: a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 18.00 uur;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4501/documents/25224