CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026

Gemeenteraad 25 juni 2026, gemeente OssBij agendapunt: B Geactualiseerd uitvoeringsbeleid Wmo23.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 5.1 Algemene voorwaarden voor een pgb Lid 1 Artikel 2.3.6 van de wet regelt dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het biedt de inwoner keuzevrijheid, wat bijdraagt aan de wens om inwoners die een voorziening nodig hebben meer regie over hun eigen leven te geven. Daarmee is niet gezegd dat er ook altijd recht bestaat op een pgb. In artikel 2.3.6 van de wet staan de voorwaarden opgenomen waar een inwoner aan dient te voldoen. Naar dit artikel wordt verwezen en deze voorwaarden gelden onverkort. Aanvullend worden in artikel 5.3 een aantal concrete situaties benoemd waarbij geen pgb kan worden verstrekt. Zij volgen uit de voorwaarden die de wet aan de verstrekking van een pgb stelt en waarborgen dat hieraan wordt voldaan. Lid 2 De inwoner die een pgb voor diensten wenst, zal een pgb-plan moeten opstellen op basis van een door het college vastgesteld en aangereikt format pgb-plan. Het kan zijn dat de inwoner zelf al een pgb-plan opstelt om te motiveren waarom hij een pgb wenst. Deze informatie kan de inwoner in het format pgb-plan overnemen. Het pgb-plan wordt door het college beoordeeld in verband met de aanspraak op een pgb en dient als hulpmiddel bij het toetsen van de pgb-vaardigheid. Dit gebeurt in het pgb-gesprek gedurende het onderzoek na de melding.

In het pgb-plan beschrijft de inwoner de motivatie waarom hij een pgb wenst, welke diensten hij met het pgb wil inkopen, hoe de kwaliteit wordt gewaarborgd en 47

welke resultaten daarmee worden bereikt. Het pgb-plan maakt uiteindelijk ook onderdeel uit van de beschikking. Het college kan vooraf op basis van offertes de kwaliteit van hulpmiddelen, verplaatsingsvoorzieningen of woningaanpassingen genoegzaam vaststellen. De vereiste van het pgb-plan geldt hiervoor niet.

Artikel 5.2 Rechten en plichten budgethouder Lid 1 Het pgb is bestemd voor de inzet van de in de beschikking opgenomen maatwerkvoorziening. Het pgb is een all-in tarief. Dat wil zeggen dat alle kosten al zijn opgenomen in dit tarief. Het kan zijn dat er overige kosten worden gemaakt rondom de voorziening. In dit artikel is bepaald dat de hier genoemde kosten niet uit het pgb betaald kunnen worden. Lid 2 onder a Hieronder vallen ook de tussenpersonen zoals pgb-bureaus en administratiekantoren. Lid 2 onder e Reiskosten die noodzakelijk zijn om tot inzet van de voorziening te komen zijn een onderdeel van het all-in pgb-tarief. Overige reiskosten kunnen nadrukkelijk niet uit het pgb worden betaald. Lid 3 Het pgb is bestemd voor de inzet van de in de beschikking opgenomen maatwerkvoorziening. Het pgb moet doelmatig en rechtmatig worden besteed en volledig ten goede komen aan het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. Een vrij besteedbaar pgb is niet in lijn hiermee. Lid 4 Een pgb is bedoeld als een vergoeding voor de daadwerkelijk geleverde zorguren. De ondersteuning die nodig is kan per maand variëren, bijvoorbeeld door vakantie, ziekenhuisopname of variabele ondersteuningsbehoefte. Lid 6 Een inwoner kan zich laten ondersteunen door een pgb-vertegenwoordiger als de inwoner zelf niet in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

Dit vloeit voort uit artikel 2.3.6, tweede lid van de wet. Volgens de wetsgeschiedenis moet bij ‘aan persoonsgebonden budget verbonden taken’ gedacht worden aan bijvoorbeeld het sluiten van overeenkomsten en het aansturen van en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen (Tweede kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33841, nr. 3, blz. 38). ‘Op verantwoorde wijze uitvoeren’ betekent ook dat de inwoner in staat is toezicht te houden op de geleverde kwaliteit. Onder een wettelijke vertegenwoordiger wordt verstaan: curator, bewindvoerder en mentor. Een inwoner kan ook iemand anders machtigen om op te treden als zijn pgb-vertegenwoordiger.

48

Gemeenten mogen kritisch naar de rol van de vertegenwoordiger kijken. De vertegenwoordiger moet het belang van de inwoner dienen, en geen andere belangen. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2019:2803. Om die reden kan de pgb-vertegenwoordiger niet ook degene zijn die de ondersteuning levert. Artikel 5.3 Redenen om een pgb te weigeren Een pgb kan ook worden geweigerd als niet is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 2.3.6 van de wet zijn vastgelegd. Naar dit artikel wordt verwezen en deze voorwaarden gelden onverkort. Aanvullend zijn in artikel 5.3 een aantal concrete situaties benoemd waarbij geen pgb kan worden verstrekt. Zij volgen uit de voorwaarden die de wet aan de verstrekking van een pgb stelt en waarborgen dat hieraan wordt voldaan. Onder b en c Budgethouders die te maken krijgen met surseance van betaling, faillissement of schuldsanering op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: Wsnp) moeten dat aan het college melden. Als de budgethouder jonger is dan 18 jaar dan gelden deze eisen voor de ouders of de voogd. De aanvraag voor een pgb door een persoon die in de Wsnp zit, zal door het college worden afgewezen. Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan het college een pgb aan een minderjarige weigeren te verlenen als op zijn ouders de Wsnp van toepassing is verklaard.

Onder e en g In een spoedeisende situatie of als een maatwerkvoorziening ambtshalve wordt verstrekt, is een pgb niet passend. Het college kan dan immers niet beoordelen of de inwoner voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2.3.6 van de wet. Onder f In sommige situaties leent een voorziening zich niet voor een pgb, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een progressief ziektebeeld of een kindervoorziening waarbij op voorhand vaststaat dat de voorziening binnen korte tijd vervangen moet worden. Onder j Voor de maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, beschermd wonen en safehouses is zorg in natura de norm. De inwoners die deze voorzieningen nodig hebben zijn dermate kwetsbaar dat sprake is van een voorziening met een beschermend karakter. De doelgroep kenmerkt zich door (ernstige) psychische en psychiatrische beperkingen en/of omstandigheden, met verlies van zelfredzaamheid, zelfregie en risico's voor bestaanszekerheid. Daardoor is de inwoner meestal niet in staat om zijn of haar belangen te behartigen en taken uit te voeren die verbonden zijn aan het inkopen van zorg. De zorg moet daarnaast voldoen aan de kwaliteitseisen zoals die ook voor de gecontracteerde aanbieders geldt. Het pgb is minder geschikt als financieringsvorm voor deze groep.

49

Onder k Het is niet toegestaan een pgb in het buitenland te besteden. Een uitzondering kan gemaakt worden voor een pgb voor begeleiding als voortzetting van de ondersteuning op vakantie vanuit het pgb door noodzakelijk is. Er moet altijd eerst toestemming van het college worden gevraagd, alvorens het pgb in het buitenland ingezet kan worden. De kosten van de begeleiding moeten opgevangen worden binnen het verstrekte pgb. Artikel 5.4 Formele en informele hulp Als de inwoner in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget, dan moet gekozen worden uit één van de volgende twee varianten: •

De hulp wordt geleverd door een professionele hulp.

•

De hulp wordt geleverd door iemand uit het sociaal netwerk;

Professionele hulp: Er is sprake van professionele ondersteuning als de werkzaamheden beroepsmatig uitgevoerd worden, de persoon ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel en de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming aansluiten bij de te leveren diensten voor het pgb en als de professionele ondersteuner in het bezit is van relevante diploma’s en voldoet aan de overige kwaliteitseisen. Hulp uit het sociaal netwerk Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 van de wet). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociaal netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is van een relevant diploma. Artikel 5.5 De hoogte van het pgb In dit artikel zijn de kaders opgenomen waarmee de pgb-tarieven kunnen worden vastgesteld. Het college legt de pgb-tarieven vast in de nadere regels. Dit artikel bepaalt de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld (zoals verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt.

Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de inwoner in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet). Tot maximaal de hoogte van de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de wet). Het college is ook bevoegd een lager tarief te hanteren, mits dat tarief de inwoner maar in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Een grond om een lager tarief te hanteren zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de

50

maatschappelijke ondersteuning zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere aanbieders die namens het college de ondersteuning in natura verlenen. Lid 1 De hoogte van het budget voor diensten wordt gebaseerd op het tarief waarvoor het college (of – daar waar de gemeente lumpsum financiert en voor specifieke voorzieningen geen separate zintarieven kent – de gemeenten in de regio) de diensten heeft gecontracteerd. Bij de vaststelling van deze tarieven is rekening gehouden met alle vereisten uit de Algemene Maatregel van Bestuur en jurisprudentie. In alle gevallen geldt dat als de budgethouder met de zorgverlener een lager tarief overeenkomt, de hoogte van het pgb op basis van dat lagere tarief wordt vastgesteld. De hoogte van het pgb-tarief hangt af van het type zorgverlener. Niet iedere vorm van ondersteuning biedt bijvoorbeeld dezelfde deskundigheid. Bovendien kan de kostprijs van de ondersteuning variëren door lagere of hogere overheadkosten. Er wordt daarom onderscheid gemaakt tussen dienstverlening via een professionele zorgverlener, een zelfstandige zonder personeel of freelancer en dienstverlening door iemand uit het sociaal netwerk (informele hulp). Lid 2 Het college kan de hoogte van het pgb ook vaststellen op basis van een offerte.

Aan de hand van een programma van eisen wordt vastgesteld welk resultaat met de voorziening bereikt moet worden. Hierbij wordt, conform de verordening, uitgegaan van de verschuldigde huurprijs die de gemeente kwijt zou zijn aan de gemeentelijk leverancier. Woningaanpassing Bij een pgb voor een woningaanpassing gaat het om de kosten van de door het college goedgekeurde aanpassingen. Aan de hand van een programma van eisen wordt vastgesteld welk resultaat met de woningaanpassingen bereikt moet worden. Woningaanpassingen kunnen trapliften zijn, maar ook bijvoorbeeld onder meer aanpassingen aan keukens, badkamers, toiletten en de aanpassing van drempels binnen de woning. De hoogte van een pgb ten behoeve van een woningaanpassing wordt vastgesteld aan de hand van het programma van eisen en de tarievenlijst overeengekomen met de door het college gecontracteerde aanbieders of de Casadata Ergokostenwijzer. Wanneer nodig wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van het bedrag van de door het college geaccepteerde offerte van een erkende aannemer.

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR HET GEBRUIK VAN VOORZIENINGEN Inleiding De gemeente heeft ervoor gekozen aan haar inwoners een eigen bijdrage te vragen voor het gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb. Deze mogelijkheid is opgenomen in de wet.

51

Voor een aantal voorzieningen geldt het abonnementstarief (ten tijde van de vaststelling van deze verordening bedraagt deze € 21,80 per maand). De maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang en het collectief vervoer zijn hiervan uitgezonderd. Voor deze voorzieningen vindt de berekening van de bijdrage op andere wijze plaats. Het college legt de bijdrage voor deze voorzieningen vast in de nadere regels. Artikel 6.1 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Lid 1 Voor het gebruik van maatwerkvoorzieningen (zowel in natura als in de vorm van een pgb) en de bij verordening aangewezen algemene voorziening hulp bij huishouden is de inwoner een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd. Als een inwoner een maatwerkvoorziening in natura heeft aangevraagd en deze is verstrekt door het college, maar de maatwerkvoorziening niet daadwerkelijk gebruikt wordt, moet ook een eigen bijdrage worden betaald. De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen waarvoor het abonnementstarief geldt, wordt opgelegd en geïnd door het CAK volgens de regels van het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Lid 2 a Voor aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten is geen eigen bijdrage verschuldigd. Andere inwoners maken immers ook gebruik van de voorziening. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het gebruik van een elektrische deuropener in een appartementencomplex.

Lid 2 b Voor rolstoelen is geen eigen bijdrage verschuldigd. Dit is wettelijk zo bepaald om de essentiële mobiliteit van personen te waarborgen. Een rolstoel om dagelijks in te kunnen verplaatsen wordt gezien als een basisvoorziening om zelfstandig te kunnen leven. Dit geldt echter niet voor sportrolstoelen. Voor sportrolstoelen is daarom wel een eigen bijdrage verschuldigd. Lid 2 d Voor verblijf in de maatschappelijke opvang is de uniforme werkwijze in regio Brabant NoordoostOost dat men een vrijstelling van de eigen bijdrage - zoals beschreven bij lid 1 - heeft bij kortstondig verblijf. Vanwege de korte duur, de financiële situatie van inwoners die gebruik moeten maken van de maatschappelijke opvang en de administratieve afhandeling heeft de regio BNOO ervoor gekozen bij beschikkingen voor maatwerkvoorzieningen kleinschalige opvang en maatschappelijke opvang met 24-uurs ondersteuning de eigen bijdrage niet op te leggen. Wel is er een bijdrage verschuldigd in de gebruikskosten voor drie maaltijden per dag – indien de inwoner daar gebruik van wil maken - bij de maatschappelijke opvang met 24-uurs ondersteuning, die geïnd wordt door de aanbieder. Zie artikel 6.3. Lid 2 e en f In de wijken Ruwaard en Ussen is ondersteuning vanuit de Wmo op een andere wijze georganiseerd. Inwoners en beroepskrachten bedenken samen oplossingen die de leefbaarheid en

52

gezondheid in de wijk versterken. Het niet opleggen van een eigen bijdrage voor ondersteuning in de vorm van individuele ondersteuning en dagbesteding draagt bij aan deze werkwijze. Lid 3 Wanneer sprake is van problematische schulden kan de inwoner worden vrijgesteld voor het betalen van een eigen bijdrage. Voorwaarde is dat de inwoner een schuldhulpverleningstraject volgt bij de gemeente. Lid 4 Voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van een inwoner die jonger is dan 18 jaar mag het college geen bijdrage in de kosten opleggen. Er is een uitzondering voor woningaanpassingen. De bijdrage in de kosten is verschuldigd door de in artikel 2.1.5 van de wet genoemde persoon of personen. De kosten worden aan het adres van de wettelijke ouder(s) of verzorger(s) doorberekend. Lid 5 De gemeente wijst op grond van artikel 2.1.4 van de wet in de verordening de algemene voorzieningen aan waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. Voor de gemeente Oss geldt dit alleen voor de algemene voorziening hulp bij huishouden. Bij deze voorziening is sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie, zodat is aangesloten bij het bepaalde in artikel 2.1.4, derde lid van de wet. De eigen bijdrage voor hulp bij huishouden valt onder het abonnementstarief. Artikel 6.2 Hoogte bijdrage in de kosten Lid 1 De hoogte van de eigen bijdrage wordt bepaald op grond van de wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Daaruit volgt dat de hoogte van de eigen bijdrage voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budgetten of algemene voorzieningen tezamen gelijk is aan het geldende abonnementstarief. Als een inwoner meerdere van deze voorzieningen gebruikt is de totale eigen bijdrage niet hoger dan € 21,80 per maand (tarief ten tijde van vaststelling van de verordening). Deze kan wijzigen als gevolg van aanpassing van de wet of hierop gebaseerde regelgeving). Dit artikel bepaalt wat onder de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, een persoonsgebonden budget en een algemene voorziening wordt verstaan. De kostprijs van een voorziening is van belang omdat de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening nooit hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening (zie artikel 2.1.4, zesde lid en artikel 2.1.4a zesde lid van de wet). De gemeente is om deze reden verplicht de wijze van berekening van de kostprijs in de verordening vast te leggen. De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen (waarbij wonen en zorg niet zijn gescheiden), maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en het collectief vervoer zijn uitgezonderd van het abonnementstarief en vallen ook niet onder de artikelen 2.1.4, zesde lid en 2.1.4a, zesde lid van de wet. De hoogte van de eigen bijdrage voor deze voorzieningen komt op andere wijze tot stand.

53

Artikel 2.1.4a, 7e lid van de wet geeft aan dat voor de bijdragen voor beschermd wonen (waarbij wonen en zorg niet zijn gescheiden) en opvang regels worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Lid 2 In lid 2 wordt uitvoering gegeven aan artikel 3.8, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voor het collectief vervoer. De gemeenteraad kan voor een voorziening voor vervoer de hoogte van de bijdrage in de verordening bepalen, in een dergelijk geval geldt niet het abonnementstarief. Artikel 6.3 Compensatie gebruikskosten De compensatie voor de kosten van het gebruik van een algemene voorziening is nooit meer dan een kostendekkende –dus niet commerciële- bijdrage. Het gaat hier om een kostenbijdrage die wordt betaald aan de aanbieder van de voorziening, en niet om de eigen bijdrage zoals geregeld in artikel 6.1 en 6.2. Instellingen hebben er belang bij de toegang tot hun voorzieningen en activiteiten zo laagdrempelig mogelijk te houden. De instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de kosten die zij in rekening brengen voor deelname aan hun activiteiten. Deze deelnemersbijdragen zijn kostendekkend en betreffen normale ‘gebruikskosten’ (bijv. maaltijden).

HOOFDSTUK 7 BEËINDIGING, HERZIENING, INTREKKING, OPSCHORTING EN TERUGVORDERING Ter uitvoering van artikel 2.1.3 lid 4 van de wet worden in deze verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 7.1 Beëindiging In dit artikel is een aantal situaties opgenomen waarbij het college de aanspraak op een maatwerkvoorziening kan beëindigen. Artikel 7.2 Herziening en intrekking In dit artikel is een aantal situaties opgenomen waarbij het college de aanspraak op een maatwerkvoorziening kan herzien of intrekken. Artikel 7.3 Opschorting betaling uit het pgb In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Door opschorting kan ruimte worden geboden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Het is aan de SVB om te beslissen om over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits

54

dit met toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt (artikel 2b, zesde lid onder g, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Voor de termijn van dertien weken is gekozen op verzoek van de Sociale Verzekeringsbank: een landelijk uniforme regeling komt de praktische uitvoerbaarheid ten goede. Artikel 7.4 Terugvordering In dit artikel is bepaald dat het college een ten onrechte betaald pgb of de geldwaarde van een ten onrechte genoten maatwerkvoorziening kan terugvorderen.

HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 8.1 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid voorzieningen Het college heeft het recht om de inzet van een maatwerkvoorziening in natura of van een pgb te controleren. Het is aan het college om te bepalen op welke wijze de verantwoording en controle wordt ingericht. De door het college aangewezen toezichthouder is belast met het toezicht op de naleving van de wet (artikel 6.1 Wmo 2015). Volgens de MvT gaat het ook om toezicht op de kwaliteit van de geleverde zorg, het zogenaamde kwaliteitstoezicht. Het toezicht heeft vooral betrekking op de naleving van de kwaliteitseisen die worden gesteld aan voorzieningen. Hieronder vallen ook de deskundigheideisen voor beroepskrachten. De toezichthouder kan een onderzoek instellen na klachten of signalen of een incident (reactief) of uit eigen beweging (proactief). In dit artikel wordt ook beschreven welke maatregelen de toezichthouder kan nemen naar aanleiding van de bevindingen. Artikel 8.2 Toezichthouder Het college stelt een toezichthouder aan die is belast met het toezicht op de naleving van de wet (artikel 6.1 Wmo 2015). In dit artikel is bepaald welke bevoegdheden de toezichthouder heeft. Lid 1 onder h De besteding van het pgb kan door het college worden gecontroleerd.

Bij de controle beoordeelt het college of de inwoner nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen en wordt de kwaliteit van de geboden diensten beoordeeld en of hiermee de beoogde resultaten worden behaald. Deze beoordeling vindt plaats tijdens evaluatiemomenten. Dit is maatwerk: bij de ene inwoner kan dit halfjaarlijks zijn en bij de andere inwoner éénmaal in de vijf jaar of zelfs helemaal niet.

55

Artikel 8.3 Terugvordering bij aanbieder Derdenbeding Het college kan ook rechtstreeks de aanbieder of zorgverlener die vanuit een pgb wordt betaald aanspreken. Bij een pgb moet in de zorgovereenkomst tussen de inwoner en de zorgverlener een zogenaamd derdenbeding staan. Hiermee heeft het college een contractuele mogelijkheid om zorgverleners aan te spreken tot terugbetaling van het bedrag dat ten onrechte uit het pgb is betaald aan die aanbieder. De mogelijkheid om de zorgverlener contractueel aan te spreken bestaat naast de mogelijkheid om deze aan te spreken op grond van artikel 2.4.1 van de wet. De gemeente heeft op grond van dit artikel ook de mogelijkheid om terug te vorderen van degene die opzettelijk zijn of haar medewerking heeft verleend aan het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens. Dat kan ook de zorgverlener zijn. Er zijn twee voorwaarden voor een beroep op het derdenbeding: •

het college heeft het pgb ingetrokken of herzien;

•

de intrekking of herziening is het gevolg van het toerekenbaar handelen van de zorgverlener.

Civiele vordering Het is ook mogelijk om een aanbieder of zorgverlener aan te spreken op terugbetaling van pgbgelden wegens een onrechtmatige daad. Het gaat dan om een civiele vordering. Het moet gaan om onrechtmatig handelen door de aanbieder richting de gemeente. Daarvan is alleen sprake als het laten uitbetalen van pgb-gelden zo onzorgvuldig of opzettelijk onjuist heeft plaatsgevonden, dat het gaat om fraude of ander misbruik waardoor pgb-gelden oneigenlijk zijn besteed.

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT VAN DE ONDERSTEUNING Artikel 9.1 Kwaliteitseisen Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet moeten gemeenten regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. De raad legt in ieder geval de hoofdregel vast in de verordening; detailafspraken kunnen daarnaast desgewenst gemaakt worden via de contracten en afspraken met aanbieders. De wet maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. Er is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen in dit artikel uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek (art. 2.5.1. van de wet) en de mogelijkheid om toezicht te laten uitvoeren door de daarvoor aangewezen toezichthouder (art. 6.1.) dragen eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit.

56

Artikel 9.2 Inkoop en aanbesteding Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Bij verordening moeten regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten, de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere regels. Dat artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Met de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) 'Reële prijs Wmo 2015’ is aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een artikel 5.4 toegevoegd. Dit artikel definieert de kostprijselementen van een reële prijs en regelt de plaats van een reële prijs in de aanbestedingsprocedure. Het artikel heeft tot doel dat een gemeente een reële prijs vaststelt voor een Wmo-dienst. De AMvB bevat geen landelijke kwantitatieve normering van de verschillende kostprijselementen en stelt geen vaste minimumprijs of een prijs die voor alle gemeenten gelijk moet zijn vast.

De bevoegdheid hiervoor ligt bij het college. Het college is niet verplicht aan iedere aanbieder de specifieke kostprijs die de aanbieder zelf hanteert te betalen. Uitvoering Het college moet tot een reële prijs komen in relatie tot de kwaliteit en deskundigheid die de aanbieder aanbiedt. Dit vraagt om een zorgvuldig proces vanuit de gemeente en openheid vanuit de aanbieders over de kosten die zij maken bij het leveren van een dienst. Het college kan de aanbieders vragen om in hun offertes/ bestek toe te lichten hoe zij invulling geven aan kwaliteits-, deskundigheids-, en continuïteitseisen en normering van de kostprijselementen door de aanbieder. Verantwoordelijkheid aanbieders Van aanbieders wordt verwacht dat zij op een reële wijze inschrijven voor de opdracht, daarbij een reële kostprijs hanteren waarmee ze kwalitatief goede hulp of voorzieningen kunnen bieden en handelen in de lijn van goed werkgeverschap en de geldende wet- en regelgeving. Artikel 9.3 Regeling voor klachtafhandeling Lid 1 Dit lid is opgenomen om een meer volledig beeld te schetsen van de mogelijkheden om een klacht in te dienen. Deze bepaling staat al in de wet. Lid 2 In dit lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet. Gekozen is om

57

voor alle aangeboden voorzieningen de klachtenregeling bij de aanbieder verplicht te stellen. De gemeente laat de aanbieders vrij hoe de regeling vorm te geven. In de Memorie van Toelichting staat dat inwoners in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. Dat kan dan bijvoorbeeld gaan over de deskundigheid van een medewerker, een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder. Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Lid 3 In het derde lid is aangegeven hoe het college de uitvoering van de klachtregeling door aanbieders controleert. Artikel 9.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld Dit artikel regelt dat er door het college wordt voorzien in een regeling voor het doen van meldingen en dat de door het college aangestelde toezichthoudend ambtenaar (artikel 6.1 van de wet) deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

HOOFDSTUK 10 MANTELZORGONDERSTEUNING Het college heeft aandacht voor de situatie van de mantelzorger en ziet het belang van goede ondersteuning van de mantelzorger. Er zijn daarom voorzieningen gericht op de mantelzorger. Ook worden afspraken gemaakt met aanbieders van maatwerkvoorzieningen om de positie van de mantelzorger te versterken. In samenwerking met een aantal bij mantelzorg betrokken organisaties en adviesraden, is de Klankbordgroep Mantelzorg opgericht. Deze klankbordgroep met ervaringsdeskundigen, denkt mee over het mantelzorgbeleid van de gemeente Oss.

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN Artikel 11.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid In de gemeente Oss is de inspraak zoals bedoeld in artikel 2.1.3 derde lid van de wet en artikel 10.1 van deze Verordening, geregeld via de Adviesraad Sociaal Domein (ASD). Zie ook de Verordening Cliëntenparticipatie Sociaal Domein gemeente Oss.

58

Artikel 11.2 Hardheidsclausule Er kunnen omstandigheden zijn die vragen om afwijking van een bepaling in de verordening. Te verwachten is dat een beroep op de hardheidsclausule sporadisch zal voorkomen. Er vindt immers -op basis van artikel 2.3.2 van de wet standaard al een zorgvuldige beoordeling plaats waarbij met alle persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden, en waarbij maatwerk wordt geleverd. De hardheidsclausule wordt in deze verordening niettemin gehandhaafd als vangnet voor al die situaties waarbij toepassing van de verordening leidt tot een onbillijke situatie. Het afwijken van de verordening kan alleen ten gunste en nooit ten nadele van de inwoner. De inwoner dient te onderbouwen dat zijn situatie zo bijzonder is, dat een beroep op de hardheidsclausule is gerechtvaardigd. Artikel 11.3 Indexering Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. De daarbij te hanteren index kan per voorziening door het college worden bepaald.

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=b99fbb4f-75d6-4cec-82b5-29e6fcf819b5