CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026

Gemeenteraad 25 juni 2026, gemeente OssBij agendapunt: B Geactualiseerd uitvoeringsbeleid Wmo23.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 Intitulé Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 De raad van de gemeente Oss; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 mei 2026, nr. 1056; gelet op artikel 2.1.1, 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8, eerste lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; gezien het advies van de Adviescommissie Sociaal Bestuurlijk; gelet op de doelstellingen zoals verwoord in de door de raad vastgestelde beleidskaders: •

Beleidskader Wmo Oss 2025-2029

•

Koersdocument Inwoners met een psychische kwetsbaarheid 2024-2028

•

Mantelzorgbeleid Oss 2025-2030

overwegende dat: •

inwoners een eigen verantwoordelijkheid hebben voor de manier waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan de maatschappij;

•

van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar, binnen hun netwerk, daarin naar vermogen bijstaan;

•

inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende in staat zijn tot participatie, of niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven in de samenleving in verband met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen, een beroep moeten kunnen doen op maatschappelijke ondersteuning, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

•

het noodzakelijk is om regels vast te stellen voor het verlenen van maatschappelijke ondersteuning;

•

dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de wijze waarop en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt en zo ja, op welke manier het college beoordeelt welke inhoud deze maatwerkvoorziening moet hebben.

besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026

1

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN In deze verordening staan de regels van de gemeente Oss die door de gemeenteraad zijn vastgesteld voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Artikel 1.1 Definities 1.

In deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving wordt verstaan onder: -

adequate voorziening: voorziening die passend, toereikend en effectief is om de inwoner voldoende in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven.

-

algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek is bedoeld voor mensen met een beperking en daadwerkelijk beschikbaar is en een passende bijdrage levert aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner zelfredzaam kan zijn of kan participeren en met een minimuminkomen financieel gedragen kan worden;

-

andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

-

budgethouder: de inwoner waaraan een persoonsgebonden budget is verstrekt, wordt houder van dat persoonsgebonden budget;

-

eigen bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

-

gemeenschappelijke ruimte: een ruimte die niet tot de woonruimte van een inwoner behoort, maar die door een inwoner, vaak samen met andere bewoners, kan worden gebruikt;

-

hoofdverblijf: de woonruimte bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven dan wel het feitelijk woonadres;

-

huisgenoot: de persoon die met de inwoner duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont, zonder dat er sprake is van een commerciële huurders- of kostgangersrelatie;

-

inwoner: ingezetene van de gemeente Oss;

-

melding: de mededeling aan het college, zoals beschreven in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet;

-

nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Oss;

-

natura-tarief: het bedrag dat een gemeente betaalt aan een door haar gecontracteerde zorgaanbieder voor de geleverde zorg of ondersteuning in natura;

-

ondersteuningsplan: het door de aanbieder van huishoudelijke hulp samen met de inwoner opgestelde plan van aanpak met daarin opgenomen welke concrete huishoudelijke activiteiten en met welke omvang;

-

onderzoeksverslag: een weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet;

-

pgb-gesprek: in het geval de inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor diensten wenst te ontvangen, vindt in de onderzoeksfase (en ook bij heronderzoek) een pgb-gesprek plaats tussen de inwoner, diens eventuele pgb-vertegenwoordiger en een consulent. In dit gesprek wordt het pgb-plan besproken en de pgb-vaardigheid getoetst.

2

-

pgb-plan: een plan waarmee de inwoner een persoonsgebonden budget aanvraagt om zelf ondersteuning in te kopen. In dit plan maakt de inwoner aan het college inzichtelijk welke ondersteuning hij wil inkopen voor het beschikbare budget, het te besteden bedrag per hulpverlener, de gewenste resultaten van deze hulpverlening en indien van toepassing wie de inwoner vertegenwoordigt voor welke taken;

-

pgb-tarief: het maximale bedrag dat een budgethouder (de persoon met een persoonsgebonden budget) mag betalen aan een zorgverlener voor geleverde zorg of ondersteuning;

-

pgb-vaardigheid: het vermogen van de inwoner die een pgb aanvraagt of ontvangt om zelf in te schatten welke ondersteuning nodig is, goede afspraken met hulpverleners te maken, de hulpverlener aan te sturen en een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

-

pgb-vertegenwoordiger: een door de inwoner gemachtigde natuurlijke persoon die, in samenspraak met de inwoner, de aan het pgb verbonden taken (zowel ondersteuningsinhoudelijk als financieel-administratief) op zich neemt;

-

regionale toegang: werkwijze waarbij gemeenten in de regio Brabant Noordoost-Oost samenwerken om de toegang tot specialistische voorzieningen te regelen en te financieren;

-

sociaal netwerk: personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt, zoals beschreven in artikel 1.1.1 lid 1 van de wet. Een sociaal netwerk kan bijvoorbeeld bestaan uit familieleden, vrienden, kennissen, collega’s en buren;

-

trajectplan: de door de zorgaanbieder opgestelde schriftelijke weergave van de in samenspraak met de inwoner vastgelegde doelen en stappen richting zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek volgens artikel 2.3.2 van de wet;

-

uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2025;

-

verhuiskostenvergoeding: financiële tegemoetkoming in de kosten voor verhuizing en inrichting.

2.

-

wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

-

zelfstandige woning: een woning met een eigen toegang, eigen keuken, toilet en sanitair.

Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet verder zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, de daarop gebaseerde regelgeving of de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.2 Reikwijdte van de maatschappelijke ondersteuning 1.

De door het college aangeboden maatschappelijke ondersteuning levert een bijdrage aan het realiseren van een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie.

2.

Maatwerkvoorzieningen zijn altijd gericht op de unieke situatie van de inwoner en zijn leefomgeving en de inzet wordt integraal (dus ook vanuit andere domeinen zoals jeugd, werk en inkomen en wonen) afgewogen.

3

HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1.

Inwoners die hulp nodig hebben, kunnen een melding doen bij het college. De inwoner of de vertegenwoordiger kan deze melding op de volgende manieren doen: telefonisch, mondeling, schriftelijk of digitaal.

2.

Het college zorgt dat inwoners eenvoudig een melding kunnen doen.

3.

Na ontvangst van de melding stelt het college vast of het een melding betreft die past binnen de wet. Als dit niet het geval is wordt de inwoner doorverwezen.

4.

Het college informeert de inwoner of de vertegenwoordiger, in duidelijke en begrijpelijke taal, over de rechten, plichten en de vervolgprocedure van de melding.

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 1.

Het college biedt gratis onafhankelijke cliëntondersteuning aan de inwoner of mantelzorger.

2.

Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.

Artikel 2.3 Onderzoek 1.

Naar aanleiding van een melding voert het college binnen zes weken, overeenkomstig artikel 2.3.2 van de wet, een onderzoek uit naar de ondersteuningsbehoefte van de inwoner.

2.

Een gesprek met de inwoner en zijn eventuele vertegenwoordiger maakt deel uit van het onderzoek. Aan het gesprek kunnen ook de partner, kinderen, mantelzorger en andere personen uit het sociaal netwerk en de cliëntondersteuner deelnemen.

Artikel 2.4 Onderzoeksverslag 1.

Het college stuurt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de inwoner of de vertegenwoordiger.

2.

De inwoner kan opmerkingen of aanvullingen op het onderzoeksverslag aangeven. Deze worden aan het onderzoeksverslag toegevoegd.

3.

In het onderzoeksverslag neemt het college ook op of er behoefte is aan maatregelen om de mantelzorger te ondersteunen.

4.

Het college kan nadere regels stellen over de methodiek en de procedure waarmee het onderzoeksverslag tot stand komt.

Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening 1.

Na een melding en het onderzoek, of zes weken na de melding, kan een inwoner een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen.

2.

De inwoner dient een aanvraag in met een door het college vastgesteld aanvraagformulier of door middel van het door de inwoner ondertekende onderzoeksverslag.

3.

Het college kan in dringende gevallen besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken als het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de inwoner een aanvraag wordt ingediend.

4

4.

Het college kan nadere regels stellen over de wijze van indiening van een aanvraag.

Artikel 2.6 Advisering Het college kan ervoor kiezen om, voor afhandeling van een melding en/of een aanvraag, door een externe deskundige advies te laten uitbrengen. Het deskundigenadvies wordt door het college betrokken bij de beoordeling van de melding en/of de aanvraag. Artikel 2.7 Inhoud van de beschikking 1.

Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken gemotiveerd vast in een beschikking.

2.

Bij verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: a.

wat de inwoner zelf kan oplossen;

b. welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt; c.

in welke vorm de maatwerkvoorziening wordt verstrekt;

d. wat het doel is van de voorziening en welk resultaat ermee behaald moet worden; e.

de ingangsdatum en de duur van de voorziening die wordt verstrekt, voor zover dit door het college wordt bepaald;

f.

door welke partij(en) de voorziening wordt geboden;

g. of een eigen bijdrage verschuldigd is; en h. welke voorwaarden en verplichtingen gelden voor de inwoner bij het ontvangen van de voorziening. 3.

Bij verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt aanvullend op lid 2 van dit artikel, in de beschikking in elk geval vastgelegd: a.

wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is;

b. hoe de hoogte van het persoonsgebonden budget is bepaald; c.

welke regels gelden ten aanzien van facturering en verantwoording van het persoonsgebonden budget.

4.

Bij verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt aanvullend op lid 2 van dit artikel, in de beschikking in elk geval vastgelegd: a.

wanneer de tegemoetkoming wordt betaald.

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE VOORZIENINGEN Artikel 3.1 Bepalingen rondom algemene voorzieningen 1.

Het college zorgt ervoor dat er voldoende algemene voorzieningen beschikbaar zijn die bijdragen aan de zelf- en samenredzaamheid en de participatie van inwoners.

2.

Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Oss of voor een specifieke doelgroep.

3.

De algemene voorziening geldt als preventief en voorliggend op de maatwerkvoorziening.

4.

Bij een algemene voorziening kan een eenvoudige toegangstoets toegepast worden. Onder andere om vast te stellen of:

5

a.

de algemene voorziening passend is bij de hulpvraag.

b. de inwoner tot de doelgroep behoort; en 5.

Het college kan nadere regels stellen over onder andere de doelgroep en de procedure voor het gebruik van een algemene voorziening.

Artikel 3.2 Welke ondersteuning is beschikbaar als algemene voorziening? 1.

Algemene voorzieningen zijn er onder andere in de vorm van: a.

Ondersteuning door de sociale gebiedsteams;

b. Zelfhulpgroepen en lotgenotencontact; c.

Onafhankelijke cliëntondersteuning;

d. Preventieve vormen van ondersteuning (bijvoorbeeld preventieve geestelijke gezondheidszorg en preventieve verslavingszorg); e.

Hulp bij huishouden;

f.

Time-out voorziening;

g. Het kortdurend opvangen van dak- en thuislozen. Artikel 3.3 Algemene Voorziening Hulp bij Huishouden 1.

Hulp bij huishouden in de vorm van een algemene voorziening is beschikbaar voor inwoners en die als gevolg van aantoonbare lichamelijke beperkingen of chronisch psychische of psychosociale problemen, niet in staat zijn (een deel van) de huishoudelijke taken uit te voeren.

2.

Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen ingezet in woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning.

3.

Hulp bij huishouden in de vorm van een algemene voorziening kan gericht zijn op de volgende resultaten: a.

schoon en leefbaar houden;

b. beschikken over schone kleding. 4.

Een inwoner komt niet in aanmerking voor de algemene voorziening hulp bij huishouden voor zover één of meer huisgenoten gebruikelijke hulp kunnen verlenen.

5.

Het college beoordeelt aan de hand van een lichte toegangstoets of een inwoner in aanmerking komt voor de algemene voorziening hulp bij huishouden.

6.

Hulp bij huishouden in de vorm van een algemene voorziening bestaat uit 52 uur hulp per jaar.

Artikel 3.4 Time-out voorziening 1.

De time-out voorziening is bedoeld voor: •

inwoners met een psychische kwetsbaarheid die zelfstandig wonen en tot rust moeten komen om escalatie of terugval te voorkomen en daarna weer terug naar huis kunnen;

•

inwoners met een psychische kwetsbaarheid die Beschermd wonen en tijdelijk uit de groep geplaatst moeten worden om escalatie/ terugval te voorkomen;

•

inwoners die tijdelijk opvang met toezicht nodig hebben voor en na intramurale behandeling of verplichte zorg (Wvggz);

•

inwoners die een time-out nodig hebben, maar tussen wal en schip dreigen te vallen tussen medisch domein (Wlz, Zvw, behandeling) en sociaal domein. 6

2.

De aanbieder biedt de inwoner tijdelijke opvang aan met 24-uurs toezicht (fysiek aanwezig slapende dienst) als algemene voorziening.

3.

Inwoners kunnen gebruik maken van deze algemene voorziening na een lichte toets door de regionale toegang.

4.

De tijdelijke opvang start op het moment dat de toegang de inwoner plaatst bij de aanbieder, is zo kort mogelijk en heeft een maximale duur van drie kalendermaanden.

5.

De time-out voorziening heeft een aantal plekken op een centrale plaats in de regio, die uitsluitend beschikbaar zijn voor inwoners die op het moment van toewijzing woonachtig zijn in de regio Brabant Noordoost-Oost.

Artikel 3.5 Kortdurende noodopvang, inloopvoorziening en winteropvang 1.

Het college draagt binnen het kader van de opvang voor dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief zorg voor de mogelijkheid van kortdurend verblijf, in elk geval met een bed, bad, brood voorziening waar men terecht kan van vijf uur 's-avonds tot tien uur de volgende ochtend. Overdag kan men gebruik maken van de inloopvoorziening.

2.

Kortdurende dak- en thuislozenopvang is beschikbaar voor personen die feitelijk dak- of thuisloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht, met gebruikelijk hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen in het sociale netwerk, te handhaven in de samenleving. Ze zijn beperkt zelfredzaam op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden.

3.

In de kortdurende dak- en thuislozenopvang wordt praktische ondersteuning geboden.

4.

Verblijf in de kortdurende noodopvang is mogelijk voor maximaal de duur van drie aaneengesloten maanden. Dit voorkomt dat deze opvang wordt ingezet als permanente verblijf- of woonplek.

5.

Het college draagt zorg voor winternoodopvang in de wintermaanden (1 november tot en met 31 maart) wanneer de minimum gevoelstemperatuur en/of feitelijke temperatuur lager is dan nul graden Celsius en/of andere extreme weersomstandigheden kunnen leiden tot ontoelaatbare gezondheidsrisico's.

6.

Voor deze opvang gelden de regels van de landelijke toegankelijkheid. Een inwoner kan alleen in aanmerking komen voor deze opvang als de regio Brabant Noordoost-Oost de regio is waarbinnen de opvang van de inwoner het meest kansrijk is.

7.

Het college stelt als voorwaarde aan de inwoner die gebruik maakt van de kortdurende noodopvang dat de leef- en gedragsregels binnen de voorzieningen worden nageleefd.

HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 4.1 Welke ondersteuning beschikbaar als maatwerkvoorziening 1.

Maatwerkvoorzieningen zijn er onder andere in de vorm van: a.

hulp bij huishouden;

b.

collectief en individueel vervoer;

c.

rolstoelen

d.

woonvoorzieningen;

7

e.

sportvoorzieningen;

f.

kortdurend verblijf;

g.

gespecialiseerde dagbesteding;

h.

individuele ondersteuning;

i.

safehouses;

j.

beschermd wonen;

k.

maatschappelijke opvang;

l.

vrouwenopvang.

Artikel 4.2 Algemene voorwaarden voor een maatwerkvoorziening 1.

Voor alle maatwerkvoorzieningen geldt dat het college een maatwerkvoorziening verstrekt als de inwoner als gevolg van een beperking of psychische of psychosociale problemen niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie en dit niet op te lossen is door gebruik te maken van: a.

de (versterking van de) eigen kracht; en/of

b. gebruikelijke hulp; en/of c.

mantelzorg; en/of

d. de inzet van het eigen netwerk of vrijwilligers; en/of e.

een oplossing die voor de inwoner als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd; en/of

f.

voorliggende voorzieningen; en/of

g. algemene voorzieningen; en/of h. andere voorzieningen. 2.

De inwoner is ingezetene van de gemeente Oss, met uitzondering van intramuraal beschermd wonen en maatschappelijke opvang.

3.

De voorziening is langdurig noodzakelijk om de inwoner in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang.

4.

Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening.

5.

De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is.

6.

Het college kan nadere regels opstellen ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

Artikel 4.3 Hulp bij huishouden 1.

In aanvulling op artikel 4.2 kan het college een maatwerkvoorziening hulp bij huishouden verstrekken als de inwoner als gevolg van aantoonbare lichamelijke beperkingen of chronische psychische of psychosociale problemen, niet in staat is zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren en de algemene voorziening hulp bij huishouden onvoldoende oplossing biedt.

2.

Het voeren van een gestructureerd huishouden houdt in ieder geval de zorg in voor: a.

het schoon en op orde houden van het huishouden; en

b. het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding. 3.

Hulp bij huishouden wordt alleen ingezet in woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning.

4.

Het college verstrekt geen hulp bij huishouden voor zover één of meer huisgenoten gebruikelijke hulp kunnen verlenen. 8

Artikel 4.4 Collectief en individueel vervoer 1.

In aanvulling op artikel 4.2 kan het college een maatwerkvoorziening collectief vervoer verstrekken als de inwoner niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer en van voorliggende verplaatsingsvoorzieningen (waaronder een eigen auto en fiets).

2.

Het college kan een maatwerkvoorziening individuele vervoersvoorziening verstrekken als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer de vervoersbehoefte onvoldoende dekt.

3.

Bij de verstrekking van collectief of individueel vervoer houdt het college rekening met verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag.

4.

Collectief en individueel vervoer maken maatschappelijke participatie mogelijk met een omvang tot 1.500 kilometer per jaar.

Artikel 4.5 Woningaanpassing 1.

In aanvulling op artikel 4.2 verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing als: a.

de woningaanpassing betrekking heeft op woonruimte die daadwerkelijk in gebruik is; en

b. de woningaanpassing betrekking heeft op woonruimte die behoort tot de elementaire woonfuncties; c.

de woningaanpassing betrekking heeft op woonruimte waarvan de aanpassing langdurig noodzakelijk is voor het normale gebruik van de woning; en

d. er aantoonbare beperkingen zijn bij het normale gebruik van de woning; en e.

de woonruimte geschikt is voor permanente bewoning; en

f.

er sprake is van een zelfstandige woning die als hoofdverblijf dient of zal dienen na een noodzakelijke verhuizing; en

g. de aan te passen woning in de gemeente Oss staat; en h. de kosten van noodzakelijke woningaanpassingen onder de €7.500,- blijven. 2.

Als de kosten van de noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dan €7.500,- en er aantoonbaar zwaarwegende redenen zijn waarom verhuizing niet kan plaatsvinden dan kan de woning worden aangepast.

3.

Het college kan in plaats van een woningaanpassing een verhuiskostenvergoeding verstrekken als er een noodzaak is voor het aanpassen van de woning, maar verhuizen naar een geschikte woning de goedkoopst adequate oplossing is. Het college past dit primaat van verhuizen alleen toe als: a.

de kosten voor het aanpassen van de woning hoger zijn dan €7.500,-; en

b. er binnen een medisch aanvaardbare termijn een geschikte woning beschikbaar is; en c.

na beoordeling van de individuele omstandigheden en persoonlijke belangen geconcludeerd kan worden dat verhuizen een adequate oplossing is.

4.

In aanvulling op lid 3 kan de inwoner die niet wil verhuizen, de verhuiskostenvergoeding gebruiken om de woning waarin de beperkingen worden ondervonden adequaat aan te passen.

5.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het verstrekken van woningaanpassingen aan woongebouwen en/of instellingen ten behoeve van haar bewoners, die specifiek gericht zijn op ouderen en/of mensen met beperkingen, voor zover het betreft: a.

voorzieningen die tot de basisoutillage gerekend kunnen worden;

9

b. voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. 6.

De aanvraag voor een woningaanpassing wordt geweigerd als: a.

de noodzaak tot het treffen van de woningaanpassing het gevolg is van een verhuizing die niet noodzakelijk was vanwege belemmeringen in het normale gebruik van de woning als gevolg van beperkingen, en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;

b. de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen – op dat moment beschikbare – meest geschikte woning, tenzij hiervoor vooraf toestemming is verleend door het college; c.

de inwoner verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden;

d. de ondervonden problemen in het normale gebruik van de woning het gevolg zijn van de aard van de in de woning gebruikte materialen; e.

de noodzaak tot het treffen van een woningaanpassing het gevolg is van achterstallig onderhoud of bedoeld is ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld in deze tijd;

f.

het gaat om woningaanpassingen in een gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van: a.

het verbreden van toegangsdeuren;

b.

het aanbrengen van elektrische deuropeners;

c.

het nivelleren van hoogteverschillen;

d.

het realiseren van een stallingsplaats voor hulpmiddelen.

Tenzij deze woningaanpassingen in een gemeenschappelijke ruimte om veiligheids- en/of uitvoeringstechnische redenen niet geplaatst kunnen worden. Artikel 4.6 Woningaanpassing bij verblijf in een instelling 1.

Het college kan aan een inwoner die in een Wet langdurige zorg (Wlz)-instelling in de gemeente Oss verblijft een hulpmiddel en/of een woningaanpassing voor het bezoekbaar maken van één woonruimte verstrekken, onder voorwaarde dat deze woonruimte regelmatig wordt bezocht en dat het bezoekbaar maken noodzakelijk is om in aanvaardbare mate te participeren, d.w.z. medemensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan.

2.

Onder het bezoekbaar maken van de woonruimte wordt uitsluitend verstaan dat de inwoner deze woning kan betreden en de woonkamer en het toilet kan bereiken en gebruiken.

Artikel 4.7 Verhuiskostenvergoeding 1.

In aanvulling op artikel 4.2 kan het college een verhuiskostenvergoeding verstrekken als: a.

de inwoner vanwege onverwachte medische redenen genoodzaakt is te verhuizen naar een andere zelfstandige woning; en

b. de inwoner de verhuizing niet op eigen kracht kan realiseren; en c.

de verhuizing plaatsvindt naar een woning, die het hele jaar mag worden bewoond; en

d. de woning binnen Nederland staat; en e.

de nieuwe woning voldoet aan het pakket van eisen dat is afgegeven door het college;

f.

er binnen een termijn van 12 maanden een geschikte woning is gevonden.

10

2.

Het college kan een verhuiskostenvergoeding verstrekken als er een noodzaak is voor het aanpassen van de woning, maar verhuizen naar een geschikte woning de goedkoopst adequate oplossing is zoals bepaald in artikel 4.5 lid 3.

3.

De hoogte van de verhuiskostenvergoeding is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor verhuizing en de Nibud-normen voor stoffering. Het college legt de hoogte vast in de nadere regels.

4.

De verhuiskostenvergoeding wordt uitbetaald nadat door het college is vastgesteld dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan.

Artikel 4.8 Financiële tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een sportvoorziening 1.

In aanvulling op artikel 4.2 kan het college een sportvoorziening verstrekken wanneer sporten zonder hulpmiddel niet mogelijk is, sporten nodig is om te kunnen participeren en het gaat om structureel sporten en bewegen (wekelijkse sport- en/of beweegdeelname).

2.

Een sportvoorziening wordt uitsluitend verstrekt in de vorm van een gemaximeerde financiële tegemoetkoming.

3.

Een financiële tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf en instandhouding (onderhoud, reparatie en verzekering) van een sportvoorziening wordt alleen verstrekt als: a.

het beoefenen van de sport waarvoor de sportvoorziening wordt aangevraagd, nodig is om in voldoende mate in staat te zijn tot het ontmoeten van mensen, contacten te onderhouden en aan maatschappelijke activiteiten deel te nemen; en

b. het beoefenen van de sport uitsluitend mogelijk is met de aangevraagde sportvoorziening; en c.

er sprake is van meerkosten bij de sportbeoefening ten gevolge van de beperking; en

d. er sprake is van aantoonbare sportbeoefening; en e. 4.

het niet gaat om topsport of sporten op hoog niveau.

De hoogte van de financiële tegemoetkoming is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor de aanschaf van sportvoorzieningen. Het college legt de hoogte vast in de nadere regels.

Artikel 4.9 Kortdurend verblijf 1.

In aanvulling op artikel 4.2 kan het college kortdurend verblijf inzetten voor inwoners die gezien hun zorgbehoefte aangewezen zijn op zorg met intensief toezicht en waarbij gedurende langere tijd mantelzorg nodig is en tijdelijke ontlasting van de mantelzorger noodzakelijk is;

2.

Kortdurend verblijf kan worden geboden op twee niveaus, basis en extra.

Artikel 4.10 Gespecialiseerde dagbesteding 1.

In aanvulling op artikel 4.2 kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van gespecialiseerde dagbesteding bieden aan inwoners met een sterk verminderde zelfregie als gevolg van psychiatrische, psychogeriatrische, verstandelijke of lichamelijke beperkingen en die hierdoor problemen ervaren op het gebied van een zinvolle invulling van de dag, het hebben van sociale contacten en/of maatschappelijke deelname én waarbij de dagbestedingsactiviteiten in de wijk niet voldoende oplossing bieden.

11

2.

Gespecialiseerde dagbesteding is gericht op het hebben van een zinvolle dagbesteding buitenshuis.

3.

Gespecialiseerde dagbesteding kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen.

4.

Gespecialiseerde dagbesteding wordt aangeboden in een groep en kent twee niveaus, te weten basis en extra.

5.

Wanneer een inwoner niet in staat is de dagbestedingslocatie te bereiken kan vervoer naar de dagbestedingslocatie worden geboden.

Artikel 4.11 Individuele ondersteuning 1.

In aanvulling op artikel 4.2 kan het college individuele ondersteuning bieden aan inwoners die beperkingen hebben bij het zelfstandig functioneren en zonder ondersteuning het risico lopen om minder zelfredzaam te worden en/of hulp nodig hebben bij participatie.

2.

Het doel van individuele ondersteuning is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie.

3.

Individuele ondersteuning is gericht op het bereiken van de volgende resultaten: a.

grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren;

b. opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk; c. 4.

deelnemen aan het maatschappelijk leven.

Individuele ondersteuning kan geboden worden op vijf niveaus; waakvlam, basis, extra, beschermd thuis en eerst een thuis.

Artikel 4.12 Safehouses 1.

De gemeente Oss is centrumgemeente voor safehouses in de regio Brabant Noordoost-Oost.

2.

Een safehouse biedt intensieve ondersteuning aan herstelgerichte volwassenen met verslavingsproblematiek, die hiervoor meerdere behandelingen in de vorm van een klinische opname hebben gehad volgens de professionele standaard en zover hersteld zijn dat ze abstinent kunnen blijven.

3.

De intensieve ondersteuning wordt geboden in een beschutte woonvoorziening van de aanbieder. Het biedt een veilige, gezonde en abstinente leefomgeving in een kleinschalige huiselijke setting waar een sterke nadruk ligt op groepsdynamiek en onderlinge steun.

4.

Het bevorderen van zelfregie en het vergroten van de kwaliteit van leven staan centraal. Inwoners leren vaardigheden en gedrag aan die essentieel zijn voor duurzaam herstel. De intensieve ondersteuning is gericht op het bieden van integrale ondersteuning op verschillende levensgebieden om te leren abstinent te blijven en zo zelfstandig mogelijk te wonen afgestemd op het individu.

5.

Er wordt passende zorg en ondersteuning geboden voor inwoners met een psychische kwetsbaarheid die recent succesvol zijn afgekickt van een verslaving en die nog niet in staat zijn om zelfstandig met individuele ondersteuning abstinent te blijven en thuis te wonen.

6.

De indicatie wordt afgegeven door de regionale toegang, is zo kort mogelijk en heeft een maximale duur van een jaar.

7.

Verblijf in een safehouse is een bijzondere vorm van beschermd wonen. Het betreft een tijdelijke plaatsing en de regels van ‘landelijke toegankelijkheid beschermd wonen’ zijn niet van toepassing. Bij aanvang van de plaatsing dient de inwoner te beschikken over een 12

uitstroomadres. Een safehouse wordt niet ingezet om een woonprobleem op te lossen en na afloop of bij voortijdige beëindiging van de safehouseplaatsing heeft de inwoner geen recht op beschermd wonen. Artikel 4.13 Beschermd wonen 1.

De gemeente Oss is centrumgemeente voor beschermd wonen in de regio Brabant NoordoostOost.

2.

Beschermd wonen biedt wonen in een beschermde leefomgeving met daarbij behorend toezicht en ondersteuning. Deze ondersteuning is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing en maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de burger of anderen.

3.

In aanvulling op artikel 4.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a.

de inwoner 18 jaar of ouder is; en

b.

er sprake is van een één of meerdere van de onderstaande problemen: •

psychische/psychiatrische problematiek;

•

verslavingsproblematiek;

•

gedrags-/agressiereguleringsproblematiek;

•

licht verstandelijke beperking (er is sprake van aanzienlijke beperkingen op het gebied van adaptieve en cognitieve vaardigheden in relatie tot wat door leeftijd en cultuur verwacht mag worden. IQ ligt tussen 50 en 70);

•

forensisch (uitbehandeld bij Justitie);

•

meervoudige problematiek (meerdere problematieken bij één specifieke inwoner, bijvoorbeeld LVB in combinatie met verslaving).

c.

er sprake is van een noodzaak tot bescherming van de inwoner of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel b; en

d.

de inwoner geen hulpvraag kan stellen of een hulpvraag niet kan uitstellen; en

e.

niet zelfstandig kan wonen en er een noodzaak is tot 24-uurs ondersteuning en toezicht; en

f.

er geen sprake is van een acute situatie (crisisdienst en maatschappelijke opvang zijn voorliggend).

4.

Beschermd wonen wordt aangeboden in twee vormen: Geclusterd Beschermd Thuis en Beschermd Wonen met 24-uurs ondersteuning.

5.

De indicatie voor beide vormen van beschermd wonen wordt afgegeven door de regionale toegang. Voor zowel Geclusterd Beschermd Thuis als Beschermd Wonen met 24-uurs ondersteuning is de indicatie zo kort mogelijk, met een maximale duur van twee jaar.

Artikel 4.14 Maatschappelijke opvang 1.

De gemeente Oss is centrumgemeente voor maatschappelijke opvang in de regio Brabant Noordoost-Oost.

2.

Maatschappelijke opvang biedt tijdelijk opvang en/of ondersteuning (met inbegrip van screening en advisering) aan volwassenen en gezinnen die, door meerdere problemen, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben of dreigen te verlaten en niet in staat zijn zich op

13

eigen kracht te handhaven in de samenleving en waarvoor geen andere oplossing mogelijk of beschikbaar is. 3.

In aanvulling op artikel 4.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als: a.

de inwoner 18 jaar of ouder is of ouder(s) met kinderen waarbij ouder(s) tenminste 18 jaar of ouder zijn; en

b. de inwoner dak- of thuisloos is en uit onderzoek blijkt dat de inwoner geen vast verblijfadres heeft en beperkt zelfredzaam is; en c.

woonproblematiek op de voorgrond staat en er ondersteuning nodig is om een duurzame woonplek te krijgen; en

d. Er sprake is van complexe en veelomvattende problematiek op meerdere leefgebieden als psychische problematiek en/of psychosociale problematiek, en/of verslaving en/of (licht) verstandelijke beperking; en e.

wordt voldaan aan de regels voor landelijke toegankelijkheid volgens het Convenant Landelijke Toegankelijkheid van de VNG.

4.

De maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang wordt aangeboden in twee vormen: kleinschalige opvang (algemeen en voor gezinnen) en maatschappelijke opvang met 24-uurs ondersteuning.

5.

De maatwerkvoorziening kleinschalige opvang wordt in beginsel verstrekt voor 6 maanden, waarbij uitgegaan wordt van zo kort als mogelijk, zo lang als noodzakelijk.

6.

De maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang met 24-uurs ondersteuning wordt in beginsel verstrekt voor 3 maanden. Dak- en thuisloze personen verblijven zo kort mogelijk op de maatschappelijke opvang. In overleg met de regionale toegang kan een verlenging van maximaal 3 maanden aan de orde zijn. Daarbij wordt uitgegaan van zo kort als mogelijk, zo lang als noodzakelijk.

7.

Het college weigert een aanvraag voor verlenging van de maatwerkvoorziening als de inwoner niet meer voldoet aan de omschrijving van het eerste lid of wanneer een inwoner aantoonbaar niet meewerkt aan begeleiding en het vinden van onderdak.

Artikel 4.15 Aanvullende voorwaarden safehouses, beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1.

Het college stelt aanvullende voorwaarden aan inwoners aan wie maatschappelijke opvang of beschermd wonen wordt geboden, verband houdende met het bereiken van een als noodzakelijk vastgesteld ondersteuningsdoel. Deze voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op: a.

de medewerking van de inwoner aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte;

b. de medewerking van de inwoner aan de uitvoering van de ondersteuningsdoelen en het opgestelde ondersteuningsplan; c.

het door de inwoner naleven van de leef- en gedragsregels binnen de voorzieningen;

d. het betalen van de eigen bijdrage; e.

volledige medewerking van de inwoner bij het toewerken naar uitstroommogelijkheden.

14

Artikel 4.16 Vrouwenopvang 1.

In aanvulling op artikel 4.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor de vrouwenopvang als die: a.

slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, dan wel slachtoffer is van mensenhandel, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien er sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is; en

b. 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen; en c.

geen mogelijkheid heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien.

2.

De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert deze opvang uit voor de gemeente Oss. Vrouwenopvang wordt verstrekt overeenkomstig de vigerende raadsverordening van centrumgemeente 's-Hertogenbosch, en de hierop gestoelde nadere regels en/of beleidsregels van deze centrumgemeente.

3.

De eigen bijdrage voor vrouwenopvang wordt vastgesteld en geïnd door centrumgemeente ’sHertogenbosch.

Artikel 4.17 Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren Het college weigert een maatwerkvoorziening als: a.

de inwoner geen ingezetene is van de gemeente Oss, tenzij het om beschermd wonen of maatschappelijke opvang gaat; of

b.

de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met een algemene of algemeen gebruikelijke voorziening, met een voorliggende voorziening, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie; of

c.

de voorziening: i.

niet langdurig noodzakelijk is om de beperkingen van de inwoner te compenseren; of

ii.

niet specifiek op een individu is gericht; of

iii.

niet de goedkoopst adequate voorziening is; of

iv.

enkel een therapeutisch doel heeft en niet (direct) bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie; of

v.

anti-revaliderend werkt, dat wil zeggen dat de voorziening de situatie van de inwoner niet verbetert, maar in stand houdt of verslechtert.

d.

de inwoner onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn ondersteuningsbehoefte; of

e.

de maatwerkvoorziening, gezien de beperkingen van de inwoner, voor zichzelf of anderen onveilig is, niet passend is en/of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt; of

f.

het college van oordeel is dat een inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met een redelijkerwijs genomen beslissing had kunnen voorkomen; of

15

g.

er sprake is van een verzoek tot vervanging van een eerder geboden voorziening terwijl de eerder geboden voorziening nog voldoende ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de inwoner en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven, tenzij: i.

de eerder verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen;

ii. h.

de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; of

de afschrijvingstermijn van een eerder verstrekte passende maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, is verstreken, maar deze door het verstrekken van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt; of

i.

de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie zoals gesteld in artikel 2.3.3 van de wet waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

j.

de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór de datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;

k.

de inwoner niet of onvoldoende meewerkt aan behandelingen die in redelijkheid gevraagd kunnen worden, en hierdoor onnodig een beroep of een te zwaar beroep op maatschappelijke ondersteuning doet; of

l.

er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland.

HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB) Artikel 5.1 Algemene voorwaarden voor een pgb 1.

Als de inwoner dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget wanneer er recht is op een maatwerkvoorziening en voldaan is aan de voorwaarden die de wet en de verordening stellen.

2.

Als de inwoner een maatwerkvoorziening voor diensten in de vorm van een pgb wil ontvangen, stelt de inwoner een pgb-plan op en verstrekt hij dat plan tijdens het onderzoek aan het college. Hiervoor maakt de inwoner gebruik van een door het college verstrekt formulier. Dit pgb-plan wordt besproken tijdens een apart pgb-gesprek.

3.

Een pgb wordt alleen verstrekt als tijdens het onderzoek naar aanleiding van de melding is vastgesteld dat de inwoner of zijn eventuele vertegenwoordiger voldoende pgb-vaardig is.

4.

Een pgb voor diensten wordt voor maximaal twee jaar afgegeven als het gaat om ontwikkelingsgerichte ondersteuning en maximaal vijf jaar als het gaat om stabiliserende ondersteuning.

Artikel 5.2 Rechten en plichten budgethouder 1.

Het pgb is bedoeld voor het inkopen van ondersteuning zoals in de beschikking is opgenomen.

2.

Het pgb kan niet besteed worden aan:

16

a.

kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b. het voeren van een pgb-administratie; c.

ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie;

d. eenmalige uitkeringen of feestdagenuitkeringen; e.

reis- en parkeerkosten.

3.

Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.

4.

Betaling van de ondersteuning met een vaste maandvergoeding is niet toegestaan. Een budgethouder mag zijn hulpverlener alleen de daadwerkelijk geleverde ondersteuning bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) laten declareren (facturering achteraf, per uur).

5.

Declareren door- of namens de budgethouder kan tot drie maanden nadat de dienst is geleverd aan de budgethouder.

6.

De pgb-vertegenwoordiger mag niet ook de ondersteuning leveren die met het pgb wordt ingekocht en mag ook niet werkzaam zijn voor de organisatie, of anderszins een relatie hebben met de organisatie waar deze ondersteuning wordt ingekocht.

7.

Een pgb voor ondersteuning mag niet in het buitenland worden besteed, tenzij het college daartoe toestemming heeft verleend.

8.

Een pgb voor hulp bij het huishouden mag niet buiten Oss worden besteed.

9.

Het college kan beleidsregels opstellen met betrekking tot de vorm en inhoud van het pgbplan.

Artikel 5.3 Redenen om een pgb te weigeren In de volgende situaties verstrekt het college geen pgb: a.

als niet is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt;

b.

als de inwoner, of de wettelijk vertegenwoordiger(s) van de inwoner jonger dan 18 jaar is, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;

c.

als ten aanzien van de inwoner of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van de ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

d.

als de pgb-vertegenwoordiger ook de ondersteuning levert die met het pgb wordt ingekocht of werkzaam is voor de organisatie waar de ondersteuning wordt ingekocht, of anderszins een relatie heeft met de organisatie waar deze ondersteuning wordt ingekocht;

e.

als er sprake is van een spoedeisend geval, zoals benoemd in de wet;

f.

als de voorziening zich niet leent voor een persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een progressief ziektebeeld of een kindervoorziening waarbij op voorhand vaststaat dat de voorziening binnen korte tijd vervangen moet worden;

g.

als er sprake is van ondersteuning die door het college ambtshalve is verleend;

h.

als uit het door de inwoner ingediende pgb-plan en het pgb-gesprek blijkt dat de kwaliteit van de ondersteuning onvoldoende gewaarborgd is;

i.

voor de algemene voorzieningen beschreven in artikel 3 van deze verordening;

j.

voor de maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, beschermd wonen en safehouses is de norm zorg in natura;

k.

als het pgb bedoeld is voor besteding in het buitenland.

17

Artikel 5.4 Formele en informele hulp 1.

Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

2.

Van formele hulp is sprake als de hulp wordt verleend door onderstaande personen: a.

Personen werkzaam bij een professionele instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 8.5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken.

b. Personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 8.5 Handelsregisterwet 2007), en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3.

Als de hulp wordt geboden door een andere persoon dan beschreven in lid 2 is er sprake van informele hulp.

4.

Als de hulp wordt geboden door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp.

5.

Informele hulp kan niet worden ingekocht voor gespecialiseerde dagbesteding, kortdurend verblijf, individuele ondersteuning extra, beschermd thuis, eerst een thuis en beschermd wonen.

6.

Informele hulp kan alleen worden ingekocht als de persoon die de hulp biedt: a.

een verklaring omtrent het gedrag (VOG) kan overleggen als het college dit nodig acht in het kader van de veiligheid van de ondersteuning. De VOG is niet eerder afgegeven dan drie maanden voordat gestart wordt met de ondersteuning; en

b. beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; en c.

niet zelf een pgb heeft; en

d. heeft aangegeven dat de ondersteuning aan de inwoner hem niet te zwaar valt; en e.

de relatie tussen deze persoon en de inwoner het adequaat werken aan de doelen van de ondersteuning niet in de weg staat; en

f.

als het gaat om een eerste- of tweedegraads familielid van de budgethouder, deze niet het pgb beheert.

Artikel 5.5 De hoogte van het pgb 1.

De hoogte van het pgb voor diensten: a.

wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld en door het college goedgekeurd plan over de besteding van het pgb;

b. wordt berekend op basis van een tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om een veilige, doeltreffende en kwalitatief goede ondersteuning van derden te betrekken; c.

verleend door een formele hulp als bedoeld in artikel 5.4 lid 2a, is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het pgb-plan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht;

18

d. verleend door een formele hulp als bedoeld in artikel 5.4 lid 2b, bedraagt 85 procent van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het pgb-plan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht; e.

verleend door een informele hulp als bedoeld in artikel 5.4 lid 3, bedraagt 50 procent van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het pgb-plan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. De hoogte van het pgb voor informele hulp bedraagt minimaal de hoogte van het minimumloon (inclusief vakantiegeld).

2.

De hoogte van het pgb voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen: a.

wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgevraagde en door het college goedgekeurde offerte; en

b. bedraagt maximaal de huur- dan wel aanschafprijs van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door het college aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd. 3.

De specifieke bedragen van de tarieven voor het pgb worden door het college op basis van dit artikel vastgesteld in de nadere regels.

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR HET GEBRUIK VAN VOORZIENINGEN Artikel 6.1 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen 1.

Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

2.

De inwoner is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor maatwerkvoorzieningen in de vorm van: a.

woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten;

b.

rolstoelen (niet zijnde sportrolstoelen);

c.

voorzieningen voor minderjarige inwoners, met uitzondering van woningaanpassingen;

d.

kleinschalige opvang en maatschappelijke opvang met 24-uurs ondersteuning;

e.

individuele ondersteuning wanneer deze wordt geleverd vanuit de wijken Ruwaard en Ussen;

f.

gespecialiseerde dagbesteding wanneer deze wordt geleverd vanuit de wijken Ruwaard en Ussen.

3.

Het college kan de inwoner vrijstellen voor de eigen bijdrage, bijvoorbeeld wanneer sprake is van problematische schulden. Het college kan hier nadere regels over stellen.

4.

Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, is de bijdrage in de kosten verschuldigd door de in artikel 2.1.5 van de wet genoemde persoon of personen.

5.

Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van de algemene voorziening hulp bij huishouden.

19

6.

Inwoners met een laag inkomen en weinig vermogen kunnen via de gemeentepolis Azoss de eigen bijdrage vergoed krijgen.

Artikel 6.2 Hoogte bijdrage in de kosten 1.

Tenzij anders bepaald, is de hoogte van de eigen bijdrage het landelijk vastgestelde bedrag op grond van art. 2.1.4, derde lid van de wet en het Uitvoeringsbesluit. De eigen bijdrage is niet hoger dan de kostprijs van de voorziening.

2.

De hoogte van de ritbijdrage voor het gebruik van het collectief vervoer bestaat uit een instaptarief en een tarief per gereden kilometer, gelijk aan het kilometertarief dat in het openbaar busvervoer verschuldigd is. Het college stelt jaarlijks de hoogte van het starttarief vast.

3.

De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen waarbij wonen en zorg niet zijn gescheiden, wordt vastgesteld volgens het uitvoeringsbesluit.

4.

De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is maximaal de prijs waarvoor het college de voorziening in natura afneemt van een leverancier/aanbieder, inclusief de reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten.

5.

De kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening in natura, anders dan voor dienstverlening, opvang of beschermd wonen, wordt als volgt berekend: a.

als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt gehuurd, wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is die gelijk aan de huur die de gemeente voor de voorziening over die periode verschuldigd is;

b. als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt ingekocht, wordt de kostprijs vastgesteld op de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is aan de leverancier. 6.

De kostprijs van een eenmalig pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb dat is verstrekt.

7.

De kostprijs van een periodiek verstrekt pgb is per periode gelijk aan de hoogte van het pgb dat over deze periode is verstrekt.

Artikel 6.3 Compensatie gebruikskosten 1.

De aanbieder van een algemene- of een maatwerkvoorziening kan aan de inwoner een compensatie vragen voor de kosten die de aanbieder maakt voor diensten of producten die aanvullend op de voorziening worden aangeboden en waarvan de inwoner gebruik maakt. Het gaat hierbij in elk geval om kosten voor het gebruik van consumpties en maaltijden.

2.

Voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang met 24-uurs ondersteuning rekent de aanbieder verblijfskosten voor drie maaltijden per dag wanneer de inwoner hier gebruik van wil maken.

20

HOOFDSTUK 7 BEËINDIGING, HERZIENING, INTREKKING, OPSCHORTING EN TERUGVORDERING Artikel 7.1 Beëindiging Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen als uit onderzoek blijkt dat: a.

niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij krachtens de wet of verordening;

b.

de inwoner zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik, verantwoording en administratie van de voorziening;

c.

de inwoner is overleden;

d.

de inwoner geen ingezetene meer is van de gemeente (tenzij het beschermd wonen of opvang betreft).

Artikel 7.2 Herziening en intrekking 1.

Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken als: a.

niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de wet of deze verordening;

b.

de inwoner de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening is getroffen.

2.

Het college kan een beslissing tot verlening van een pgb intrekken als blijkt dat de inwoner het pgb binnen zes maanden na toekenning niet heeft ingezet,

Artikel 7.3 Opschorting betaling uit het pgb 1.

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d, of e, van de wet.

2.

Het college stelt de inwoner schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste lid.

Artikel 7.4 Terugvordering Het college kan, onverminderd, artikel 2.4.1 van de wet, als de aanspraak op een voorziening is herzien of ingetrokken: a.

het ten onrechte betaalde pgb terugvorderen;

b.

de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.

21

HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 8.1 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid voorzieningen 1.

Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

2.

Het college kan het gebruik van pgb’s onderzoeken met het oog op de beoordeling van rechten doelmatigheid daarvan.

3.

De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoek vast in een toezichtrapport.

4.

Het college kan naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder onder meer de volgende maatregelen nemen: a.

een verbetertraject met een schriftelijke aanwijzing waarin wordt aangegeven: i.

op welke punten voorschriften niet of onvoldoende worden nageleefd;

ii.

de in verband daarmee te nemen maatregelen;

iii.

de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen.

b. opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom; c.

privaatrechtelijke maatregelen op grond van contractuele afspraken;

d. het toekenningsbesluit aan de budgethouder van het persoonsgebonden budget intrekken. 5.

Het college kan gedurende het verbetertraject een cliëntenstop en/of verscherpt toezicht instellen.

6.

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van het toezicht.

Artikel 8.2 Toezichthouder 1.

De toezichthouder die het college op grond van artikel 6.1, eerste lid van de wet aanwijst, is belast met: a.

de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen;

b. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; c.

de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder;

d. vorderen van identificatie; e.

inzage van documenten en toegang tot gegevens;

f.

het betreden van plaatsen en het betreden van woningen (dat laatste met toestemming van de bewoner en met in achtneming van de Algemene wet op binnentreden);

g. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft; h. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie. 2.

Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

22

Artikel 8.3 Terugvordering bij aanbieder 1.

Het college kan tot terugvordering van een maatwerkvoorziening, al dan niet verstrekt in de vorm van een pgb, bij de aanbieder overgaan, als: a.

de aanbieder geld heeft ontvangen voor ondersteuning die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend; of

b. de ondersteuning door de aanbieder voor een ander doel is ingezet dan waarvoor het is toegekend. 2.

In geval van terugvordering stuurt het college een factuur naar de aanbieder.

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT VAN DE ONDERSTEUNING Artikel 9.1 Kwaliteitseisen 1.

Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Dat betekent dat de maatwerkvoorziening: a.

is afgestemd op de persoonlijke situatie en behoeften van de inwoner en zijn omgeving;

b. is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg, waaronder informele zorg; c.

wordt geleverd door beroepskrachten die voldoen aan de professionele standaard;

d. wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren; e.

veilig doeltreffend, doelmatig en inwonergericht wordt gerealiseerd;

f.

beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk voor zover dit noodzakelijk/ gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en voortvloeiend uit de professionele standaard;

g. voldoet aan alle kwaliteitseisen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de organisatie dit ook controleerbaar maakt voor de gemeente. 2.

Het college kan aanvullend op lid 1 nadere eisen vaststellen met betrekking tot de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning.

3.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 9.2 Inkoop en aanbesteding 1.

Het college zorgt dat de kwaliteit van de voorzieningen in het kader van deze verordening een doorslaggevende rol speelt bij het inkopen en contracteren van aanbieders en houdt zich aan de bepalingen in de wet en de geldende Aanbestedingswetgeving.

2.

Het college houdt, in het belang van een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a.

reële kosten voor beroepskrachten gebaseerd op de geldende Collectieve Arbeidsovereenkomst en andere wettelijke bepalingen;

23

b. redelijke overheadkosten; c.

kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

d. eis- en opleidingskosten; en e. 3.

indexatie van lonen binnen de overeenkomsten.

Het college houdt, in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren producten, in ieder geval rekening met: a.

een marktconforme prijs; en

b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals: i.

aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

ii.

instructie over gebruik van de voorziening;

iii.

onderhoud en keuring van de voorziening.

Artikel 9.3 Regeling voor klachtafhandeling 1.

Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van inwoners die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

2.

Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van alle aangeboden maatwerkvoorzieningen in het kader van deze verordening.

3.

Het college controleert op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=b99fbb4f-75d6-4cec-82b5-29e6fcf819b5