Toelichting+regels.PDF
Tekst van het document
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 54 van 72
De toevoeging van 3 extra kavels ten opzichte van het al vastgestelde plan uit 2011 zal slechts zeer beperkt verkeersbewegingen toevoegen. Op basis van kengetallen is de verwachting dat per woning maximaal 8,6 motorvoertuigbewegingen per woning per weekdagetmaal extra zal worden toegevoegd. Voor het totale plan van 12 woningen betekent dit afgerond 104 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal extra worden toegevoegd aan het bestaande verkeersbeeld (worst case-benadering). Dit wordt acceptabel geacht. Verkeer: ontsluitingswegen De Bellefleur, het rondweggetje in het plangebied, takt aan op de Valkappel. De Valkappel takt aan op de Valkseweg. Deze ontsluiting voldoet aan de normen van het Mobiliteitsplan Oss 2020. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen beperkende factor vormt voor het planvoornemen. Parkeren Er zijn geen extra parkeervoorzieningen nodig, op iedere kavel worden tenminste 2 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het aspect parkeren vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 5.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004).
Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied ligt niet binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. 5.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater.
De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. ‘Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 55 van 72
en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. Bij toename van meer dan 10.000 m2, of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding.” De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: • Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater. • Voorkomen van vervuiling van water. • Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer • Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied.
Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt. 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties. 4. (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Voor het planvoornemen is in 2019 (aangepast in 2021) door Sweco een watertoets opgesteld (Bijlage 3). Hieronder zijn de belangrijkste uitkomsten opgenomen. Grondwater Tijdens het veldonderzoek in maart 2006 bevond het grondwater zich op circa 1 meter minus maaiveld. Tijdens het veldwerk in 2017 is er geen grondwaterstand bepaald. De GHG is in het veld geschat tussen de 50-80 cm –mv (NAP +3,80-3,50 m). De GLG wordt geschat tussen de 120-170 cm –mv (NAP +2,60 m en +2,90 m). De veldschattingen komen hiermee overeen met de Bodemkaart van Nederland. In het Dinoloket peilbuizenarchief van TNO zijn er een aantal peilbuizen rondom Lith aanwezig waarmee GXG bepaald konden worden.
De peilbuizen bevatten metingen tot 2003, er zijn geen recentere metingen beschikbaar in het DINOloket. De peilbuizen bevinden zich op 750 tot 1.200 meter van de projectlocatie. De gemiddelde GLG komt uit op NAP +2,80 m en de GHG is gemiddeld NAP +3,30 m. Dit komt goed overeen met de waarden gevonden tijdens het veldonderzoek. In het onderzoek is uitgegaan van een GLG van NAP +2,80 m en een GHG van NAP +3,60 m.
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 56 van 72
Oppervlaktewater De locatie valt binnen het beheergebied van waterschap Aa en Maas. De planlocatie wordt omringd door watergangen (figuur 5-5). De waterpeilen van de watergangen is NAP +3,55 m (zomerpeil) en NAP +3,45 m (winterpeil).
Figuur 5-5
Overzicht watergangen
De watergang aan de zuid- en westzijde van de locatie (langs de Valkseweg) is een leggerwatergang. Bij een leggerwatergang die breder is dan 6 meter, moet aan weerszijden van die watergang een beschermings-en obstakelvrije zone van 5 meter aanwezig zijn. Deze beschermings-en obstakelvrije zone dient in principe obstakel vrij te blijven. Voor een aantal zaken, als verboden o.g.v. de keur, kan ontheffing wordt verleend. Binnen de zone van 5 meter van de leggerwatergang staat een perenhaag. Deze perenhaag was voor 2010 al aanwezig. De perenhaag is een kenmerkend onderdeel van de groenstructuur rond het plangebied. Doordat de perenhaag een groene overgang van toekomstig bebouwd gebied naar het buitengebied vormt, is behoud van deze haag belangrijk. De bescherming van de haag is in het bestemmingsplan geregeld. Voor obstakels die in 2010 al aanwezig waren, geldt dat deze onder de ‘Overgangsbepaling Obstakels’ vallen. Ze zijn daarmee (tijdelijk) vrijgesteld van de Keurregels. Bestaande obstakels die het onderhoud niet hinderen kunnen, volgens het Waterschap, blijven staan na het maken van afspraken in het kader van ‘Wijzer onderhoud’. In de bestaande situatie wordt de watergang onderhouden vanaf de Valkseweg. Deze situatie verandert niet.
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 57 van 72
De watergangen aan de noord- en oostzijde van de locatie betreffen schouwwatergangen. Voor deze watergangen zijn de aangrenzende eigenaren onderhoudsplichtig. Dat houdt in dat de eigenaar de begroeiing tijdig moet maaien en het talud en oever in stand moet houden, zodat het water goed kan stromen. Eén maal per jaar (najaar) voert het waterschap daarop een controle/schouw uit. Riolering In het stedelijk gebied ten noordwesten van de locatie ligt een vrijverval gemengd rioolstelsel. Eén rioolstreng loopt tot aan de Valkseweg en heeft een diameter van 200 mm. De andere strengen hebben een diameter van 300 mm. In de wijkontsluitingsweg De Woerd ligt een riool van Ø700 mm. In de zuidrand van de locatie, parallel aan de leggerwatergang, ligt een persleiding Ø250 mm van het waterschap. Aan weerszijden van deze persleiding geldt een zakelijk recht van 3,5 meter. Ter bescherming van de leiding en in verband met calamiteiten geldt binnen de zakelijk rechtstrook een verbod op een groot aantal ingrepen, waaronder het aanbrengen van gebouwen, wijzigen van het bodemniveau en aanbrengen van gesloten verhardingen. Watercompensatie Voor het inpassen van watercompensatie is op basis van het stedenbouwkundig ontwerp en de randvoorwaarden van Waterschap Aa & Maas het ruimtebeslag voor de watercompensatie bepaald.
Voor het tijdelijk bufferen en afvoeren van hemelwater gaat de voorkeur uit naar bovengrondse (infiltratie)voorzieningen, zoals vijvers, greppels en wadi’s. Deze voorzieningen kunnen beter onderhouden, gecontroleerd en gehandhaafd worden. Daarnaast zijn ondergrondse voorzieningen, vanwege de hoge grondwaterstanden, minder goed toepasbaar. Zonder aanvullende maatregelen staan de voorzieningen namelijk geregeld vol met (grond)water. De bodem bestaat uit kleiig materiaal en daarom is de doorlatendheid niet genoeg om al het hemelwater te infiltreren, daarom dienen de infiltratievoorzieningen voorzien te worden van leegloopmogelijkheden naar het openbaar gebied. De kavels zijn allemaal relatief groot (>600 m2). Voor de bepaling van het verhard oppervlak is daarom, uitgegaan van 40% verharding per kavel. Deze 40% is in overleg met het waterschap bepaald. Voor het bepalen van de benodigde berging is gerekend met een gevoeligheidsfactor van 1 en een bui van 60 mm, conform de voorschriften van het waterschap. In onderstaande tabel zijn de toenamen in verhard oppervlak en de daarbij benodigde bergingscapaciteit weergegeven. Binnen het plangebied zijn twee locaties voor waterberging beschikbaar. Uit de berekening in tabel 5-2 blijkt dat er ruim voldoende capaciteit in de bergingsvoorzieningen beschikbaar is.
In de berekeningen is nog geen rekening gehouden met de taluds van de bergingsvoorzieningen. Hierdoor zal de uiteindelijke bergingscapaciteit iets hoger uitvallen dan weergegeven in tabel 5-2. Tabel 5-1
Toename verhard oppervlak en benodigde berging
Locatie
m2
Verhard opp [m2]
Benodigde berging [m3]
Kavels
10388
4155
250
Weg
1205
1205
72
Totaal
11593
5360
322
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 58 van 72
Tabel 5-2
Beschikbare berging
Beschikbare berging [m2] Midden NW hoek Totaal
690 230 920
Inhoud bij bergingsdiepte van 0,4 m [m3] 240 115 355
5.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Wegverkeerslawaai Voor het planvoornemen is in 2019 door Sweco een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van het wegverkeer op de Valkseweg, de bouwvlakken aan de Heilig Kempke zich buiten de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB (geluidbelastingklasse van 0 – 48 dB) bevinden. Daarmee wordt voldaan aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Het is niet nodig om maatregelen te treffen aan de weg, in de overdracht of aan de gevels van de nieuwe woningen. Ook een aanvraag van hogere grenswaarden is niet nodig. Geluidsbelasting Sportpark Het berekenen van de geluidsniveaus ten gevolge van activiteiten op het sportpark van voetbalvereniging NLC ’03 (zuidzijde) is uitgevoerd conform de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai’, uitgave 1990. Er is gebruik gemaakt van kentallen en informatie uit andere akoestische onderzoeken.
De geluidsniveaus ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zijn berekend met behulp van een computerprogramma (software: Geonoise V5.41). Vervolgens is de overdracht van geluidbronnen naar de omgeving berekend conform methode II.8 van genoemde handleiding.
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 59 van 72
In de huidige situatie zijn ten westen (aan de Ravenshof en de Melkdam) en ten noorden (aan de Elsbergen en het Heilig Kempke) van het sportpark woningen gelegen. De geluidsniveaus zijn berekend op concrete plaatsen (ter plaatse van woningen) en als contouren (lijnen van gelijke geluidniveaus). De rekenresultaten voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidsniveaus ter plaatse van de woningen zijn opgenomen in onderstaand tabel. De geluidsniveaus zijn ter plaatse van de nieuwe woningen berekend op 1,5 meter (dag) en 5 meter (avond) boven lokaal maaiveld en als contouren in (de omgeving van) het sportpark en het Heilig Kempke op meter boven lokaal maaiveld.
Het aantal potentiële geluidgehinderden zal op basis van het aantal woningen, ongeacht de afstand tot, de positie ten opzichte van en de geluidbelasting ten gevolge van deze vereniging, door de realisatie van woningen in het plangebied toenemen. De geluidsniveaus ter plaatse van de nieuwe woningen in het plangebied zullen als gevolg van reguliere activiteiten op het sportpark niet meer dan 48 dB(A) etmaalwaarde bedragen. De geluidruimte van het sportpark wordt niet beperkt en als zodanig wordt de bedrijfsvoering (akoestisch) niet belemmerd. In het akoestisch onderzoek uit 2008 van Jansen Raadgevend Ingenieursbureau (bijlage 4A) zijn de toekomstige bouwvlakken voor de woning in plangebied Heilig Kempke meegenomen. Er vinden geen overschrijdingen plaats op grond van Activiteitenbesluit. De bedrijfsvoering van voetbalclub NLC is nagenoeg ongewijzigd ten opzichte van 2008. De woningen in het plangebied worden niet belemmerd door geluid van activiteiten in het sportpark.
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 60 van 72
5.1.11 Gezondheid In Brabant bestaat ongerustheid over mogelijke gezondheidsrisico’s van veehouderijbedrijven voor omwonenden. Discussies over eventuele gezondheidsrisico’s zijn in het recente verleden in een stroomversnelling gekomen door de Q-koorts epidemie rond 2007-2009. Sindsdien is onderzoek gedaan naar de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. De gemeente Oss heeft beleid voor geitenhouderijen. Volgend op het RIVM-onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden – aanvullende studies’ (VGO2) en het provinciale moratorium in de Verordening ruimte, is door het college van burgemeester en wethouders gesproken over een werkwijze. Het college is van mening dat een standstill van het aantal geiten binnen bestaande stallen wenselijk is, tenzij er op basis van gezondheidskundige redenen geen aanleiding is de ontwikkeling te weigeren. Zo besloot het college op 5 december 2017. Daarnaast stelt het college criteria vast hoe om te gaan met ontwikkelingen binnen de straal van 2 km rond een geitenhouderij. Dit betreffen tijdelijke maatregelen totdat het lopende onderzoek van het Rijk bekend en beoordeeld is. Op 1 december 2017 heeft de kopgroep Intensieve Veehouderij van Agrifood Capital uitgesproken achter het hier verwoorde standpunt te staan.
Het beleid houdt voor nieuwe ontwikkelingen het volgende in: Een goede ruimtelijke afweging bij het bouwen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij moet voldoen aan de volgende criteria: a. Het informeren van aanvragers over het risico; b. Terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen; c. We staan, na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk, wenselijke ontwikkelingen toe binnen een straal van 2 km rondom een geitenhouderij. In dit geval ligt het plangebied binnen de invloedgebieden van enkele geitenhouderijen. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 500 meter van de geitenhouderij Valkseweg 36 in Lithoijen. Voor de ontwikkeling geldt: • De aanvrager c.q. de toekomstige bewoner van de woning moet op de hoogte worden gesteld dat dit risico bestaat. • De op de locatie te realiseren woning is niet bedoeld voor de huisvesting van een kwetsbare groep. • Er moet een motivering worden toegevoegd. Voor het plangebied is sprake van een verhoogd risico op het voorkomen van longontsteking. Omdat de reden van het verhoogd voorkomen van longontsteking niet bekend is, is het niet mogelijk om preventief maatregelen te nemen. De GGD adviseert om het verhoogd voorkomen van longontsteking als één van de parameters mee te wegen in de besluitvorming van dit plangebied.
Volledigheidshalve wordt ook verwezen naar het geitenmoratorium. Naar aanleiding van het aanvullende VGO-rapport (VGO 3) heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 juli 2017 besloten om het uitbreiden van geitenhouderijen en het omschakelen naar geitenhouderijen tegen te gaan, waarmee het moratorium geitenhouderij een feit was. Het moratorium is een voorzorgmaatregel en verwerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Het doel van het moratorium is te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Bij de bestuurlijke afweging om toch binnen 2 km te bouwen, kunnen de volgende aspecten betrokken worden:
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 61 van 72
• • • • •
locatiespecifieke zorgvuldige afweging door het benoemen van andere (milieu-)factoren die gunstig danwel ongunstig zijn; cumulatie, wat is er meer aan belastende milieufactoren in de omgeving; verblijflocaties specifiek bedoeld voor gevoelige groepen (zieken, ouderen, kinderen e.d.); VGO III: het risico wordt kleiner naarmate de afstand tot de geitenhouderij groter is; het betrekken van deskundigen (GGD, Kennisplatform veehouderij en humane gezondheid)
Voor de locatie Heilig Kempke geldt dat het volgende in overweging is genomen: • • • •
Er bevindt zich één geitenhouderij in de buurt van het plangebied, er is geen sprake van cumulatie-effecten; Toekomstige bewoners worden op de hoogte gesteld van het risico; Er komen geen kwetsbare doelgroepen in het plangebied, zoals voorzieningen voor kinderen, ouderen of zieken; Andere milieufactoren in de omgeving hebben een relatief beperkte invloed.
Gelet op bovenstaande overwegingen en de kanttekening dat de achterliggende oorzaak van de associatie tussen de aanwezigheid van geitenhouderijen en longontstekingen niet bekend is, wordt het plan Heilig Kempke aanvaardbaar geacht. De noodzaak om te voorzien in woningbouw voor de kern Lith en deze locatie en de belangen afwegend, wordt de locatie geschikt geacht ook al ligt deze binnen 2 km van een geitenhouderij. 5.2 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 5.3.1) - Natuur (§ 5.3.2) - Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 5.3.3) 5.2.1
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid (opnieuw) vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport ‘Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss’. Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zelf zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. De wijzigingen zijn per deelgebied in het rapport uiteengezet . Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden. Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen.
Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 18 m² of
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 62 van 72
meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt. In gebied met een middelhoge verwachtingswaarde is het criterium een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 30 cm roering. Voor bepaalde ook anderszins waardevolle gebieden, zoals historische stadskernen en beschermde stadsgezichten, gelden weer andere criteria. Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings-)waarde beschermd wordt door borging in de planregels. Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld.
Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Archeologie: bestemmingsplanregels en regels in provinciale Verordening ruimte Zoals hierboven ook al kort aangestipt vertaalt de gemeente Oss de wet (Wamz) en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook de provinciale Verordening ruimte bevat regels ter bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen.
Bescherming van deze laatste categorie geschiedt doordat de ‘vlakken’ met aanduiding archeologisch landschap overeenkomen met de aanduiding aardkundig waardevolle gebieden in de Verordening ruimte. In het kader van de planvorming in 2011 is reeds archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat in het grootste deel van het gebied geen archeologische waarden aanwezig zijn. In het zuidoosten is aardewerk uit de Romeinse tijd aangetroffen en een greppel uit dezelfde periode. Waarschijnlijk ligt hier de rand van een nederzetting die zich uitstrekt ten zuidoosten van het plangebied. De in het plan aangetroffen sporen en vondsten hebben een lage waardering volgens de normering van de KNA, wat leidt tot het selectieadvies dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht wordt. Cultuurhistorie: wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 63 van 72
verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten.
Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Verordening ruimte provincie Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang.
Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Verordening ruimte Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Verordening ruimte bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. De ‘vlakken’ die opgenomen zijn op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010 komen overeen met de ‘vlakken’ zoals opgenomen in de Verordening ruimte. De systematiek is hetzelfde als met betrekking tot de archeologische waarden. Waarden en karakter van het gebied worden omschreven in de Verordening ruimte en er zijn regels aan de bescherming er van gekoppeld. Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) blijkt dat het plangebied valt in de Beerse en Baardwijkse Overlaat en de Maaskant. De dragende structuren van de regio moeten zoveel mogelijk in samenhang versterkt worden. Dit geldt in het bijzonder voor het cultuurhistorisch landschap “Beerse en Baardwijkse overlaat”. Het gebied van de Beerse Overlaat weerspiegelt 700 jaar waterstaatgeschiedenis. Het systeem van de Beerse Maas was het meest uitgebreide overlaatstelsel van ons land.
De inrichting en het gebruik van het gebied waren geheel op deze functie afgestemd. De vele landschapselementen vertellen het verhaal van deze bijzondere vorm van waterbeheer. De bijhorende ontwikkelstrategie bestaat uit: - Zoveel mogelijk behouden van open landschap; - Behoud en beleefbaar maken van eendenkooien, dijken, waterlopen, wielen en terpen;
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 64 van 72
-
Natuurontwikkeling, waterberging en stedelijke uitbreiding afstemmen op de cultuurhistorische identiteit; Vergroten cultuurhistorische waardering door vergroting van beleving.
De belangrijke landschappelijke elementen in het plangebied (de groenstructuren en de waterloop) worden behouden. Het plangebied vormt de afronding van Lith, dit wordt gekenmerkt door de perenhaag die het open landschap markeert dat start vanaf het plangebied. Op de planlocatie zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen of elementen aanwezig. 5.2.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Bescherming van plant- en diersoorten moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Voor het planvoornemen is in 2019 door Sweco een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Hieronder worden de belangrijkste conclusies opgesomd: Wet natuurbescherming- onderdeel Natura 2000-gebieden Gelet op de grote afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden en kleinschalige aard van de ontwikkeling, zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische verstoring, licht- en geluidsverstoring op voor hand uitgesloten. Er is geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Voor het planvoornemen is een stikstofberekening uitgevoerd om effecten uit te kunnen sluiten (Bijlage 6). Tijdens de gebruiksfase van het plan treden er geen toenamen van de stikstofdepositie op.
Tijdens de aanlegfase van de planontwikkeling treden er ook geen toenamen van de stikstofdepositie op zolang wordt voldaan aan de voorwaarden voor de maximale aantallen transportbewegingen per jaar en maximale emissies per jaar van de mobiele werktuigen. Dit betreft maximaal 20 vervoersbewegingen per dag voor licht verkeer, maximaal 10 vervoersbewegingen per dag voor vrachtverkeer en een maximale emissie van de mobiele werktuigen binnen het plangebied van 140 kg NOx/jaar. Indien gebruik wordt gemaakt van materieel dat voldoet aan de emissienorm Stage IV kunnen per werkdag meer mobiele werktuigen worden ingezet dan wanneer gebruikt wordt gemaakt van materieel dat voldoet aan de emissienorm Stage III. Bij de bouwaanvraag dient een herberekening gemaakt te worden van de werkelijke emissies gebaseerd op de gebruikte mobiele werktuigen en vervoersmiddelen. Wet natuurbescherming- onderdeel soortenbescherming De Wet natuurbescherming biedt vanuit het onderdeel soortenbescherming géén belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van woonkavels. Tijdens de uitvoeringsfase dient men rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels. Alle broedgevallen zijn gedurende deze periode beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen.
Van belang is dat broedende volgens niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt. Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten alsmede voor hun directe leefomgeving. Via deze wet wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 65 van 72
bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen aantasten. Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het plangebied maakt geen deel uit van gebieden die onderdeel zijn van het NNB of overige beleidsmatig aangewezen beschermde natuurgebieden. Effectindicatoren zoals verstoring, versnippering dan wel overige direct effectindicatoren, gelet op de relatief groet afstand tot het nabijgelegen NNB en buffering van reeds aanwezige infrastructuur en bebouwing, niet plaats. Een nadere uitwerking van een ‘nee, tenzij-toets’ wordt niet noodzakelijk geacht. 5.3 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend.
Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 5.4 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r.
of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 66 van 72
Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit. De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is. Onderliggend plan maakt 3 nieuwe woningen mogelijk.
Dit wordt derhalve niet gezien als stedelijk ontwikkelingsproject. Wel zijn alle milieuaspecten getoetst in het kader van het bestemmingsplan, nadelige gevolgen voor het milieu zijn uit te sluiten.
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 67 van 72
Hoofdstuk 6
Handhaving
6.1 Beleidskader Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de voorschriften en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 6.2 Professionele handhaving en handhavingsprogramma De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd.
Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 68 van 72
6.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik.
Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk. Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.
Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 69 van 72
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de economische uitvoerbaarheid bedoeld. In de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat het kostenverhaal van de gemeente verplicht gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan verzekerd moet zijn. Op grond van artikel 6.12 lid 1 in samenhang met artikel 6.12 lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad verplicht voor het verhaal van kosten een exploitatieplan op te stellen en vast te stellen gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan. De gemeente en de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte C.V. zijn een anterieure overeenkomst aangegaan. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is geborgd.
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 70 van 72
Hoofdstuk 8
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.1 Inspraak De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om te toevoeging van drie woningen binnen een bestaand plangebied. Het aantal bouwkavels binnen het gebied stijgt van 9 naar 12 kavels. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplangemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd. 8.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. De relevante instanties zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het conceptontwerpbestemmingsplan. De volgende instanties zijn in de gelegenheid gesteld om vóór 13 augustus 2020 te reageren op het concept-ontwerpbestemmingsplan: 1. Provincie Noord-Brabant 2. Waterschap Aa en Maas 3.
Regionale Brandweer Brabant-Noord Overlegreactie 1: Provincie Noord-Brabant De Provincie geeft in haar reactie aan dat zij zich kan vinden in de voorgenomen ontwikkeling. In het plan zijn zes titelnummers voor ruimte-voor-ruimte woningen opgenomen. De Provincie verzoekt wel om de titelnummers van de overige zes kavels in de plantoelichting op te nemen. Antwoord burgemeester en wethouders De Ruimte voor Ruimte Ontwikkelingsmaatschappij C.V. ontwikkelt met dit bestemmingsplan twaalf bouwkavels. Daarvoor zet de Ruimte voor Ruimte Ontwikkelingsmaatschappij C.V. zes titelnummers in. De ander zes woningen ontwikkelt de Ruimte voor Ruimte Ontwikkelingsmaatschappij C.V. als reguliere woningen. Daarvoor zet de Ruimte voor Ruimte Ontwikkelingsmaatschappij C.V. geen ruimte-voorruimtetitels in. Dit wordt in de plantoelichting niet voldoende duidelijk gemaakt. De plantoelichting wordt op dit onderdeel aangepast. Overlegreactie 2: Waterschap Aa en Maas Het Waterschap heeft opmerkingen over obstakels langs de watergang aan de Valkseweg en over de toename van het verharde oppervlakte. Watergang Volgens het Waterschap is de tekst over het onderhoud van de watergang aan de Valkseweg, op pagina 56 van de toelichting, niet correct. In de tekst staat dat de watergang, met een breedte van 7 meter, vanaf één zijde onderhouden kan worden.
Volgens het waterschap moet bij een leggerwatergang die breder is
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 71 van 72
dan 6 meter, aan weerszijden van die watergang een beschermings-en obstakelvrije zone van 5 meter aanwezig zijn. Het Waterschap verzoekt de tekst hierop aan te passen. Binnen de zone van 5 meter van de leggerwatergang staat een perenhaag. Het Waterschap constateert op basis van een luchtfoto dat deze perenhaag er al sinds 2010 staat. Voor obstakels die in 2010 al aanwezig waren, geldt dat deze onder de ‘Overgangsbepaling Obstakels’ vallen. Ze zijn daarmee (tijdelijk) vrijgesteld van de Keurregels. Bestaande obstakels die het onderhoud niet hinderen kunnen, volgens het Waterschap, blijven staan na het maken van afspraken in het kader van ‘Wijzer onderhoud’. Toename verhard oppervlakte De ruimte voor een bovengrondse waterberging lijkt beperkt omdat het hele bestemmingsplangebied voornamelijk uit particuliere woningbouw bestaat. Het waterschap vindt dat het beoogde hemelwatersysteem in de toelichting onvoldoende is onderbouwd. Ook vindt het waterschap het uitgangspunt van 30% verhard oppervlakte per kavel onredelijk. Particuliere gronden worden over het algemeen meer verhard, volgens het Waterschap. Verder verzoekt het Waterschap een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan op te nemen om de hemelwatercompensatie op de particuliere terreinen op langere termijn te borgen.
Antwoord burgemeester en wethouders Watergang De tekst in de toelichting over het onderhoud van de watergang wordt aangepast. Zoals het Waterschap constateert, staat er binnen de 5-meterzone van de leggerwatergang een perenhaag. Deze haag is al geruime tijd aanwezig. De perenhaag is een kenmerkend onderdeel van de groenstructuur rond het plangebied. Doordat de perenhaag een groene overgang van toekomstig bebouwd gebied naar het buitengebied vormt, is behoud van deze haag belangrijk. De bescherming van de haag is in het bestemmingsplan geregeld. In het oorspronkelijke bestemmingsplan “Heilig Kempke” uit 2010 was deze haag ook al beschermd. In de bestaande situatie wordt de watergang onderhouden vanaf de Valkseweg. Deze situatie verandert niet. Toename verhard oppervlakte Het Waterschap geeft niet aan wat wel een acceptabel verhardingspercentage is voor de berekening van de bergingscapaciteit. De adviseur van de Ruimte voor Ruimte Ontwikkelingsmaatschappij C.V. heeft daarom met het Waterschap overlegd over de berekening van de benodigde bergingscapaciteit. De adviseur adviseert om uit te gaan van een verhardingspercentage van 40%, in plaats van 30%. Dit is een realistisch percentage omdat het hier gaat om (zeer) ruime kavels van gemiddeld 800 m2, met uitschieters naar ruim 1000 m2.
Het Waterschap heeft aangegeven dat in dit geval de toepassing van een verhardingspercentage van 40% aannemelijk is. Dit betekent dat er een grotere bergingscapaciteit in het plangebied nodig is. De toelichting bij het bestemmingsplan en de bijlage Notitie ‘Waterparagraaf RvR Lith’ worden op de nieuwe berekening van de bergingscapaciteit aangepast. Het nieuwe bestemmingsplan gaat uit van een grotere bergingscapaciteit, op basis van een berekening met het grotere verhardingspercentage. Voor de hemelwatercompensatie op particulier terrein worden regels gesteld in de vergunning voor de bouw van de woning. De bergingsvoorzieningen in het plangebied zorgen voor de berging van het
Heilig Kempke Lith – 2021, pag. 72 van 72
hemelwater van verharde deel de kavels en het openbaar gebied. Hiermee is de hemelwatercompensatie op termijn geborgd. Voorwaardelijke verplichtingen in het bestemmingsplan zijn daarom niet nodig. Overlegreactie 3: Regionale Brandweer Brabant-Noord Volgens de regionale brandweer bestaat er vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. De regionale brandweer wijst in haar reactie wel op een verwijzing naar oude wetgeving op het gebied van vervoer van gevaarlijke stoffen: de in paragraaf 5.1.3 van de toelichting beschreven circulaire is vervallen en vervangen door het Bevt. Antwoord burgemeester en wethouders De verwijzing naar de wetgeving in de toelichting wordt aangepast.
Heilig Kempke - Lith - 2021
Heilig Kempke - Lith - 2021 pag 2 van 39 vastgesteld
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1
Begrippen
4
Artikel 2
Wijze van meten
10
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
12
Artikel 3
Groen
12
Artikel 4
Tuin
13
Artikel 5
Verkeer - Verblijf
14
Artikel 6
Water
15
Artikel 7
Wonen - Vrijstaand
16
Artikel 8
Leiding - Riool
19
Hoofdstuk 3
Algemene regels
21
Artikel 9
Anti-dubbeltelregel
21
Artikel 10
Algemene bouwregels
22
Artikel 11
Algemene gebruiksregels
24
Artikel 12
Algemene aanduidingsregel
25
Artikel 13
Afwijken van de bouwregels algemeen
26
Artikel 14
Algemene wijzigingsregels
27
Artikel 15
Overige regels
28
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
29
Artikel 16
Overgangsrecht
29
Artikel 17
Slotregel
30
Bijlagen bij de regels
31
Bijlage 1: Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten
33
Bijlage 2: Milieuzoneringslijst
35
Bijlage 3: Inrichtingsschets
37
Bijlage 1
38
Inrichtingsschets
Heilig Kempke - Lith - 2021 pag 3 van 39 vastgesteld
Regels
Heilig Kempke - Lith - 2021 pag 4 van 39 vastgesteld
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan Heilig Kempke - Lith - 2021 met identificatienummer NL.IMRO.0828.BPhlgkempkelth2021-VG02 van de gemeente Oss. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanbouw:
een aan een hoofdgebouw toegevoegde, afzonderlijke ruimte die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.4
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar volgens de regels regels worden gesteld over het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5
aan huis gebonden activiteit:
een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit die in of bij een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.6
achtergevelrooilijn:
de achterste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd; als er niet sprake is van een achterste grens van een bouwvlak dan wel geen bouwvlak is aangegeven: de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw - zonder aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen - alsmede het verlengde daarvan. 1.7
bebouwing:
gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn. 1.8
bed en breakfast:
een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, gevestigd in een woonhuis of bijbehorende aan- of uitbouw of bijgebouw en volledig gedreven door de bewoner van het betreffende woonhuis. 1.9
bedrijf/bedrijfsactiviteit:
de uitoefening van opslag-, handels-, transport- en industriële en ambachtelijke bedrijven, een en ander met uitsluiting van agrarische bedrijven, detailhandel, horeca, dienstverlening, zelfstandige kantoren, maatschappelijke voorzieningen en voorzieningen op het gebied van cultuur en ontspanning.
Heilig Kempke - Lith - 2021 pag 5 van 39 vastgesteld
1.10
bedrijfsvloeroppervlakte (bvo):
de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een bouwwerk en/of op een terrein die wordt gebruikt voor de uitoefening van een activiteit, zoals een winkel, bedrijf, kantoor, dienstverlenende instelling of een aan huis gebonden activiteit, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke. 1.11 bestaand: a. over bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden overeenkomstig de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wetten gegeven voorschriften; b. over gebruik: gebruik van gronden en opstallen zoals dat aanwezig is op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.12
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak. 1.13
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming, met dien verstande dat geometrisch bepaalde bestemmingsvlakken die aan elkaar zijn gekoppeld met de figuur 'relatie' als één bestemmingsvlak gelden. 1.14
bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.15
bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.16
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.17
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak. 1.18
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 1.19
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop volgens de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
Heilig Kempke - Lith - 2021 pag 6 van 39 vastgesteld
1.20
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar volgens de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.21
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.22
carport:
een dakconstructie, vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, bestemd voor het overdekt stallen van auto's. 1.23
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.24