Toelichting+regels
Tekst van het document
26/61
boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie voorgaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. 5.2.3 Archeologietoets In het geldende bestemmingsplan is geen archeologische dubbelbestemming aan het gebied toegekend. Wel beschikt gemeente Oss over een Archeologische Verwachtings- of Beleidsadvieskaart. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Verwachtingskaart in de bebouwde kern van Oss (hoge archeologische verwachting). Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Om die reden is voor dit bestemmingsplan een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen. Archeologisch bureauonderzoek Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek kan worden gesteld dat het plangebied op de overgang van een terrasvlakte naar dekzandwelvingen ligt. Nabij het plangebied zijn op deze overgang bij eerder archeologisch onderzoek bewoningssporen uit de latere prehistorie en Romeinse tijd aangetroffen.
Ook was nabij het plangebied een laatmiddeleeuwse ontginningshoeve gevestigd. Er geldt voor het plangebied een lage tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum en een hoge verwachting op archeologische waarden uit zowel de periode neolithicum tot de vroege middeleeuwen als voor de periode late middeleeuwen tot nieuwe tijd. De voormalige bijgebouwen en het huidige sportcomplex hebben de bodem naar verwachting minimaal verstoord. In de omgeving van het plangebied is op de hoogtekaart te zien dat er meerdere ontgrondingen hebben plaatsgevonden. In het plangebied hebben dergelijke bodem verstorende werkzaamheden niet plaatsgevonden. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Nadat de bestaande bebouwing is afgebroken kan er een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven plaatsvinden. Het proefsleuvenonderzoek dient op zijn laatst vóórafgaand aan de vergunningsaanvraag te worden uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek kan namelijk leiden tot aanvullende voorwaarden in de vergunning (archeologische begeleiding, opgraving, bescherming). Gravend onderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de gemeentelijk archeoloog.
De resultaten van dit onderzoek dienen te worden getoetst door de bevoegde overheid (Gemeente Oss), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor het plangebied geldt in de huidige situatie geen archeologische dubbelbestemming. Op basis van het uitgevoerde archeologische bureauonderzoek is in dit bestemmingsplan alsnog de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ opgenomen. Daarbij is aangesloten bij de geldende dubbelbestemming in de nabijheid van het plangebied. Naar aanleiding van het archeologisch bureauonderzoek wordt nader proefsleuvenonderzoek noodzakelijk geacht.
Met een algemene aanduiding ‘overige zone - voorwaardelijke verplichting archeologie’ is tevens de verplichting opgenomen dat de gronden niet eerder conform de toegekende bestemming mogen worden gebruikt dan nadat het nader
27/61
proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden. Daarmee zijn mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden beschermd. Archeologische toevalsvondsten Ten slotte geldt dat wanneer in dit gebied tijdens toekomstige grondwerkzaamheden archeologische vondsten en/of structuren worden aangetroffen, dit op basis van de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10 en 5.11) zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de gemeente Oss gemeld dient te worden. Op deze manier zijn ook toevalsvondsten tijdens de daadwerkelijke realisatie van het plan op een goede manier verzekerd. 5.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.
Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd.
Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen.
Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de
28/61
Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Figuur 5.1 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant Beoordeling plan Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van provincie Noord-Brabant en de Monumentenlijst van gemeente Oss blijkt dat er binnen het plangebied geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle objecten en elementen aanwezig zijn. De Osseweg is aangewezen als een historisch geografische lijn met redelijk hoge waarde. Met deze waarde is in het stedenbouwkundig ontwerp rekening gehouden door de woningen dicht tegen de Osseweg met de voorzijde aan deze weg te oriënteren. Het initiatief doet dan ook geen afbreuk aan de waarde van deze weg.
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.3.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden.
29/61
Het plangebied wordt ontsloten via de huidige in- en uitrit aan de Osseweg. Hier zijn twee uitritten aanwezig, waarvan de oostelijke komt te vervallen. Aan de oostzijde van het plangebied komt een doorsteek voor langzaamverkeer richting de Reutstraat en aanliggende woonbuurt. Dit is tevens een calamiteitenontsluiting. De wegenstructuur en verkaveling binnen het plangebied is eenvoudig. In de zuidelijke helft is de hoofdontsluiting van het perceel te vinden; verticaal op de Osseweg en vervolgens horizontaal richting de Reutstraat. De aanliggende woningen zijn met hun voorzijde op de weg georiënteerd. De twee-onder-een-kapwoningen krijgen één tot twee parkeerplaatsen op eigen kavel. Verder zijn hier vooral langsparkeerplaatsen in openbaar gebied aanwezig. In de noordelijke helft van het plangebied komen uitsluitend rijwoningen en appartementen. De noordelijke helft wordt in tweeën gedeeld met door een verticale as met haaksparkeerplaatsen aan beide zijden. Halverwege is aan de rechterzijde nog een parkeerpocket voorzien. De rijwoningen in de noordelijke helft van het plangebied zijn met hun voorzijde op de buitenrand van het plangebied georiënteerd. Dat betekent dat ze met de achterzijde aan de parkeerpocket grenzen. In onderstaande tabel is een berekening van de verkeersgeneratie opgenomen.
De norm is bepaald aan de hand van publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van kennisplatform CROW, op basis van het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ en stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’. Uit de tabel is af te lezen dat het plan in de nieuwe situatie ongeveer 489 motorvoertuigbewegingen per etmaal (werkdaggemiddelde) genereert. De Osseweg is heeft voldoende profiel en capaciteit om deze voertuigbewegingen te verwerken. Daarbij moet bovendien de opmerking worden gemaakt dat ook de huidige functie als sportcomplex (tennis- en sporthal, sportschool) al verkeer genereert en het dus niet om een toename van 489 mvt/etmaal gaat. Programma beoogde situatie # Woningtype A Appartementen goedkoop B Rijwoningen C Tweekappers D Tweekappers senioren
Aantal Eenheid 18 woningen 30 woningen 6 woningen 6 woningen Totaal 60 woningen
CROW-publicatie 381 Functiesoort Koop, appartement, goedkoop Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, twee-onder-een-kap
Norm 6,0 7,8 8,2 8,2 Totaal
Weekdaggemiddelde Aantal Eenheid 108 mvt/etmaal 234 mvt/etmaal 49,2 mvt/etmaal 49,2 mvt/etmaal 440,4 mvt/etmaal
Werkdaggemiddelde Aantal Eenheid 119,9 mvt/etmaal 259,7 mvt/etmaal 54,6 mvt/etmaal 54,6 mvt/etmaal 488,8 mvt/etmaal
5.3.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De ‘Nota Parkeernormen 2023’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘Berghem’. In de volgende tabel is de parkeerbehoefte berekend aan de hand van de woningtypen en de ‘Nota Parkeernormen 2023’. Programma toekomstige situatie # Woningtype Aantal Eenheid A Appartementen goedkoop (sociale huur) 18 woningen B Rijwoningen (middeldure huur) 6 woningen C Rijwoningen (middeldure koop) 24 woningen D Rijwoningen / tweekappers (vrije marktwaarde) 12 woningen Totaal 60 woningen
Nota Parkeernormen 2023 Functiesoort Appartementen, sociale en middenhuur, groter dan 75 m² gbo Grondgebonden woningen, sociale en middenhuur, groter dan 100 m² gbo Grondgebonden woningen, overige, 125-150 m² gbo Grondgebonden woningen, overige, groter dan 150 m² gbo
Parkeerbehoefte Aantal Eenheid 1,2 21,6 parkeerplaatsen 1,6 9,6 parkeerplaatsen 2,2 52,8 parkeerplaatsen 2,4 28,8 parkeerplaatsen Totaal 112,8 parkeerplaatsen Afgerond 113 parkeerplaatsen
Norm
Bezoekersaandeel Norm Eenheid 0,2 pp. per woning 0,3 pp. per woning 0,3 pp. per woning 0,3 pp. per woning
Aantal Eenheid 3,6 parkeerplaatsen 1,8 parkeerplaatsen 7,2 parkeerplaatsen 3,6 parkeerplaatsen 16,2 parkeerplaatsen 17 parkeerplaatsen
In totaal zijn 113 autoparkeerplaatsen benodigd, waarvan 17 beschikbaar voor bezoekers. In het stedenbouwkundig plan is uitgegaan van 101 parkeerplaatsen in de openbare ruimte (haaks en langsparkeren) en 19 parkeerplaatsen op eigen terrein. Omdat een aantal van deze parkeerplaatsen op eigen terrein (8 stuks) achter elkaar zijn gelegen, moet dit aantal nog worden gecorrigeerd. Rekenkundig worden zodoende 14,6 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein. In totaal wordt binnen het plangebied dan ook voorzien in (101+19=) 120 parkeerplaatsen (met rekenkundig correctie in totaal 115,6 parkeerplaatsen). Daarmee wordt voldaan aan de totale parkeerbehoefte en er zijn voldoende parkeerplaatsen beschikbaar voor bezoekers.
30/61
5.4
Water
5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 2023-2029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: a. schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; b. de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; c. de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; d. de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.
31/61
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: • Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; • Voorkomen van vervuiling van water; • Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2.
Infiltratie/bergen 3. Afvoer • Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.4.2 Watertoets Dit bestemmingsplan voorziet in het saneren van een bestaand sportcomplex met parkeergelegenheid om plaats te maken voor een woningbouwontwikkeling. Per saldo zal het verhard oppervlak drastisch afnemen. •
•
•
Oppervlaktewater: Direct ten oosten van het plangebied ligt een A-watergang met een beschermingszone van 5 meter breed aan beide zijden van de watergang. In het stedenbouwkundig ontwerp is hiermee rekening gehouden. Er zijn geen bouwwerken binnen die zone voorzien. Met een vrijwaringszone is het beheer en onderhoud van de watergang beschermd. Grondwater: Uitgaande van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in de directe omgeving van het plangebied bedraagt de GHG ongeveer 20 tot 80 cm beneden maaiveld. Hemelwater: Gemeente Oss hanteert het uitgangspunt dat binnen het plangebied 25 mm moet worden geborgen worden ten aanzien van verhard oppervlak openbaar gebied. Voor verhard oppervlak per perceel geldt eenzelfde eis, met een
32/61
•
• • •
oppervlakkige overloop naar openbaar gebied aan de voorzijde (openbare weg). In de huidige situatie is ongeveer 9.800 m² aan verhard oppervlak aanwezig (7.000 m² bebouwing en ruim 2.800 m² erfverharding (parkeerplaatsen en ontsluiting)) en bijna 3.400 m² is onverhard. In de beoogde situatie is ongeveer 3.000 m² bebouwing en bijna 4.500 m² verharding in de openbare ruimte voorzien. Worst-case wordt ervan uitgegaan dat 50% van de erven (exclusief bebouwing) wordt verhard, wat neerkomt op (50% x 3.038 m² =) 1.519 m². In totaal wordt in de nieuwe situatie dan ook (1.519 m² + 3.030 m² bebouwing + 4.470 m² openbare ruimte =) 9.019 m² verhard. Per saldo is er dan ook sprake van een afname van (9.800 minus 9.019 m² =) 781 m² verhard oppervlak. Uitgaande van de waterbergingseis van gemeente Oss dient ten aanzien van verhard openbaar gebied (25 mm x 4.470 m² = ) 111,75 m³ te worden geborgen. Voor de bouwpercelen geldt een gezamenlijke waterbergingsopgave van (1.519 plus 3.030 x 25 mm =) 113,73 m³. Initiatiefnemer is voornemens dit op te lossen met waterbergende kratjes per woning in de achtertuin 3m uit de achtergavel en infiltratieriool onder wegdek. De voorzieningen op kavelniveau worden gewaarborgd in de akte van levering (kwalitatieve verplichting en kettingbeding).
De voorzieningen in openbaar gebied gaan over naar gemeente en worden voorafgaand aan de realisatie van de civieltechnische werken nader uitgewerkt. Met een voorwaardelijke verplichting in de regels is dit juridisch gewaarborgd. Vuilwater: Vuilwater wordt per bouwkavel aan de perceelsgrens aangeboden en vervolgens via een vuilwaterriool richting Het Reut gebracht, alwaar het vuilwaterriool op het bestaande rioolstelsel zal aansluiten. De zuidelijke tweekapper die op de Osseweg is georiënteerd kan worden aangesloten op het rioolstelsel in de Osseweg; Waterkwaliteit en -kwantiteit: Het plangebied ligt niet binnen een beschermd keurgebied of grondwaterbeschermingsgebied; Waterveiligheid: Het plangebied ligt niet op of nabij een waterkering; Drinkwater: Parallel aan de Osseweg loopt drinkwaterleiding. Deze leiding is beschermd met een dubbelbestemming ‘Leiding - Water’. Op deze gronden mogen geen gebouwen gebouwd worden.
Figuur 5.2 Uitsnede kaart Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) Kaartbank provincie Noord-Brabant
33/61
5.5
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het plangebied is niet gelegen binnen een radarverstoringsgebied, obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. Wel ligt het plangebied binnen een gebied waarvoor beperkingen gelden ten aanzien van de bouwhoogte van windturbines. Dit bestemmingsplan maakt echter geen windturbines of andere bouwwerken van een dergelijke bouwhoogte mogelijk.
5.6
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: • Bedrijven en milieuzonering • Bodem • Niet-gesprongen explosieven • Externe veiligheid • Geurhinder: agrarisch • Geur: industrieel • Luchtkwaliteit • Straling • Weg-, spoor-, en industrielawaai • Gezondheid • Spuitzones 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Omgevingstype De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’.
Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij ‘gemengd gebied’ is er sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook
34/61
lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. Die richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verlaagd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verlaagd naar 0 meter. Beoordeling plan Omgevingstype In dit geval kan de omgeving worden aangemerkt als zijnde ‘gemengd gebied’. Daarbij spelen de volgende overwegingen: • Er is sprake van lintbebouwing vanuit het dorp Berghem richting Oss, met binnen dat lint diverse bedrijfsbestemming, een groothandel, sportpark en parkeerterrein. Dit zijn stuk voor stuk functies waarvoor een bepaalde milieuzonering vanwege met name het aspect geluid in acht moet worden genomen; • De lintbebouwing en functies liggen aan de Osseweg.
Dit is één van de belangrijkste gebiedsontsluitingswegen van het dorp Berghem. Vanwege het intensieve gebruik van deze weg heeft de Osseweg een bepaalde geluiduitstraling op de omgeving (zie paragraaf 5.6.9 voor het onderdeel wegverkeerslawaai); • De voor dit plangebied relevante functies liggen aan de overzijde van deze druk bereden weg. Voor zover geluid van die functies (bedrijfsbestemmingen, sportpark, parkeerterrein) uitstraling op het plangebied heeft, is het aannemelijk dat dit geluid opgaat in het omgevingslawaai ter plaatse dat vooral door de verkeer op de Osseweg wordt veroorzaakt. Vanwege het bovenstaande is het gerechtvaardigd om uit te gaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, waardoor ook de richtafstanden met één afstandsstap mogen worden teruggebracht. Dit geldt overigens niet voor de afstandsstap voor gevaar. Milieuzonering bedrijvigheid Voor dit plan zijn de volgende (bedrijfs)functies relevant: • Osseweg 43, Berghem: autoservice bedrijf en handel in automaterialen en gereedschappen; • Osseweg 47, Berghem: bedrijfsbestemming; • Osseweg 48, Berghem: aanduiding ‘groothandel’ binnen woonbestemming; • Zonnebloemenpark N329, Oss: energiepark; • Sportpark Koppelsteeg. Osseweg 43, Berghem Op deze locatie is feitelijk een autobedrijf gevestigd met zowel reparatie van personenauto’s, handel in personenauto’s als handel in automaterialen en gereedschappen.
Een dergelijke activiteit is deels aan te merken als ‘Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven’ (SBI2008-code 451, 452, 454). Hierbij hoort een richtafstand van 30 meter voor geluid en 10 meter voor geur en gevaar, in gemengd gebied terug te brengen tot 10 meter voor geluid en gevaar en 0 meter voor geur. Handel in automaterialen kan worden aangemerkt als ‘Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires’ (SBI2008-code 453). Hierbij hoort een richtafstand van 30 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar, in gemengd gebied terug te brengen tot 10 meter voor geluid en gevaar. Planologisch gezien zijn ook andere bedrijven in milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. Conform de VNG-publicatie hoort hier een richtafstand van 30 meter bij, in gemengd gebied terug te brengen tot 10 meter (richtafstand van 30 meter voor gevaar komt niet voor binnen die milieucategorieën). De kortste afstand tussen deze bedrijfsbestemming en het plangebied bedraagt hemelsbreed 53 meter. Aan de richtafstanden van zowel de feitelijk aanwezige als planologisch toegestane functies wordt voldaan.
35/61
Osseweg 47, Berghem Op deze locatie ligt een bedrijfsbestemming, maar is volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel op dit moment geen bedrijf ingeschreven. Het geldende bestemmingsplan staat uitsluitend bedrijven in milieucategorieën 1 en 2 toe. Conform de VNG-publicatie hoort hier een richtafstand van maximaal 30 meter bij, in gemengd gebied terug te brengen tot 10 meter (richtafstand van 30 meter voor gevaar komt niet voor binnen die milieucategorieën). De kortste afstand tussen deze bedrijfsbestemming en de gevels van nieuwe woningen binnen het plangebied bedraagt hemelsbreed 26 meter. Aan de richtafstand wordt dan ook voldaan. Bovendien bevinden zich reeds bestaande woningen op kortere afstand van dit bedrijfsperceel. De nieuwe woningen zullen daarom geen belemmering vormen voor de gebruiksmogelijkheden van de bedrijfsbestemming en andersom is geen hinder te verwachten voor de nieuwe woningen. Osseweg 48, Berghem Op deze locatie is feitelijk een groothandel in mineralen en edelstenen aanwezig. Volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel gaat het om een ‘Groothandel in juweliersartikelen en uurwerken’ (SBI2008-code 46.48), maar gezien de website van het bedrijf is eerder sprake van ‘Groothandel in overige consumentenartikelen (non-food) n.e.g. (SBI2008code 46.49.99).
Beide gevallen zijn conform de milieuzoneringslijst van het geldende bestemmingsplan aan te merken als ‘Grth in overige consumentenartikelen’ (SBI2008-code 464) en zodoende aan te merken als milieucategorie 2. De richtafstand die bij deze milieucategorie hoort is 30 meter, in gemengd gebied terug te brengen tot 10 meter. Aan de richtafstand van het feitelijk gevestigde bedrijf wordt dan ook voldaan. Planologisch geldt ter plaatse een woonbestemming met functieaanduiding ‘groothandel’. Hier is conform het geldende bestemmingsplan een groothandel toegestaan, zonder dat het type groothandel verder is afgebakend. Bij de regels van het geldende bestemmingsplan zit een milieuzoneringslijst waarin groothandels worden genoemd tot en met milieucategorie 5.2. Hier hoort een richtafstand van 700 meter bij, binnen gemengd gebied terug te brengen tot 500 meter. Het bedrijfsperceel ligt op een afstand van 75 meter tot het plangebied. Aan die richtafstand wordt dan ook niet voldaan. Voorliggend bestemmingsplan zal de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de groothandel echter niet beperken, omdat er woningen van derden direct tegen het bedrijfsperceel zijn gelegen en daarom maatgevend zijn. Wanneer er zich een nieuw bedrijf op dit perceel wil vestigen die binnen de bestemmingsplanregeling past, dan zal dit bedrijf eveneens aan de milieuwetgeving moeten voldoen.
De direct aangrenzende woningen zijn in dat geval maatgevend. Dat zich op deze plaats een bedrijf van een hogere milieucategorie vestigt (bijvoorbeeld 4.1 t/m 5.2) is daardoor niet aannemelijk. Gelet op het voorgaande kan ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Zonnebloemenpark N329 Ten westen van het plangebied ligt een klein energiepark. Een zonnepark is niet in de VNG-publicatie opgenomen. Van zonnepanelen is geen milieuhinder te verwachten maar dit geldt mogelijk wel voor bijbehorende transformatoren en opslagsystemen. Voor deze onderdelen kan een vergelijking worden gemaakt met de categorie ‘Elektriciteitsdistributiebedrijven van < 10 MVA’. Deze functie valt onder categorie 2 en heeft een richtafstand van 30 meter, in gemengd gebied terug te brengen tot 10 meter. Het zonnepark ligt op circa 115 meter afstand en vormt dus geen belemmering voor het planvoornemen. Sportpark Koppelsteeg Ten zuiden van het plangebied ligt een sportpark met tennis-, handbal- en voetbalvelden. Het gaat om een veldsportcomplex (met verlichting) (SBI2008-code 931) met een richtafstand van 50 meter vanwege geluid, in gemengd gebied terug te brengen tot 30 meter. Geluid is afkomstig van sporters en toeschouwers op en rondom de sportvelden, dan wel via verkeersbewegingen van en naar het sportpark.
Het parkeerterrein van het sportpark ligt op meer dan 200 meter van het plangebied en vormt zodoende geen belemmering. De grens van de sportbestemming is op ongeveer 32 meter van de gevel van de nieuwe woningen aan de Osseweg gelegen. De sportvelden (daar waar de belastende activiteiten plaatsvinden) liggen in alle gevallen op meer dan 50 meter van de gevel van de nieuwe woningen. Gezien de afstand tussen het
36/61
sportcomplex / sportveld en de gevels van de nieuwe woningen is het aannemelijk dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen niet wordt aangetast als gevolg van activiteiten op dat sportcomplex of -veld. Andersom zullen de nieuwe woningen geen effect hebben op de gebruiksmogelijkheden van het sportcomplex, vooral omdat er andere woningen dichterbij het sportcomplex staan en daardoor maatgevend zullen zijn. Aan de richtafstanden wordt voldaan. Conclusie Gelet op het voorgaande zijn er vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen voor het plan. Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. 5.6.2
Beoordeling plan Voor dit bestemmingsplan zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen. De onderzoeken zijn in twee fasen uitgevoerd. In fase 1 (november 2021) zijn de verkennende onderzoeken uitgevoerd inclusief historisch onderzoek. Uit dit onderzoek is gebleken dat op het centrale noordelijke gedeelte van het parkeerterrein in de ondergrond sterk verhoogde gehalten voor PAK zijn aangetoond. In de overige grondmonsters zijn hoogstens licht verhoogde gehalten voor kobalt, lood en/of mineralen aangetoond. Op basis van de aangetroffen verhoogde gehalten voor PAK is nader onderzoek benodigd. De aangetroffen licht verhoogde gehalten voor kobalt, lood en/of mineralen in de grond betreffen overschrijdingen van de achtergrondwaarden. Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn hiervoor geen vervolgstappen nodig. Naar aanleiding van de uitkomsten van het verkennend bodemonderzoek is in fase 2 (december 2021) een nader grondonderzoek naar PAK uitgevoerd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat op de locatie een grondverontreiniging met PAK aanwezig is. Deze is middels nader onderzoek afgeperkt. De sterk verontreinigde grond is ingeschat op totaal circa 100 m³ (circa 170 ton) grond.
Aangezien het een immobiele verontreiniging van de ondergrond betreft, wordt verwacht dat deze niet spoedeisend is. Saneren zal plaatsvinden na de sloopwerkzaamheden en voorafgaand aan de bouw van de nieuwe woningen. De kosten hiervoor komen voor rekening van initiatiefnemer, zodat deze geen economische consequenties heeft voor de gemeente Oss. In de onderzochte grondwatermonsters zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochten parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. Tijdens het verkennend onderzoek naar asbest zijn zowel op het maaiveld als in het opgeboorde/opgegraven materiaal zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Ook is in de onderzochte mengmonsters van de bovengrond analytisch geen asbest aangetoond. Het asbestonderzoek is uitgevoerd voorafgaand aan het nader bodemonderzoek. Tijdens het nader bodemonderzoek is de meest verdachte grondlaag opgeboord. Dit betreft het bodemtraject van 30 – 80 cm-mv ter plaatse van boring 106. Hier is sprake van een matige betonhoudende grondlaag waarin daarnaast meer bodemvreemd materiaal is vastgesteld. Ter plaatse is geen inspectiegat gegraven en is geen analyse op asbest ingezet. Daarnaast is niet bekend wat de omvang van deze bodemlaag is. Het kan zijn dat de laag over een groter oppervlak aanwezig is. Voor dit bestemmingsplan is deze
37/61
tekortkoming geen groot bezwaar. Voor een toekomstige omgevingsvergunning bouw leidt het wel tot een verplichting om aanvullend verkennend asbestonderzoek uit te voeren. Daarom is een voorwaardelijke verplichting voor dit onderzoek opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. 5.6.3 Niet gesprongen explosieven Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen conventionele explosieven (CE) in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen en beroeren van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane conventionele explosieven vondsten kunnen resulteren in meerwerkkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. De gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch hebben samen een vooronderzoek laten uitvoeren naar de aanwezigheid van conventionele explosieven. Daarmee is in beeld gebracht op welke plekken een verhoogd risico op het aantreffen van conventionele explosieven aanwezig is. Beoordeling plan Uit de Bodembelastingskaart CE van gemeente Oss blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen een gebied dat bekend dan wel verdacht is vanwege het (mogelijk) voorkomen van niet-gesprongen explosieven.
In dit kader zijn dan ook geen aanvullende handelingen nodig. 5.6.4 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.
38/61
Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.
Figuur 5.4 Uitsnede kaart ‘Veilige omgeving’ (plangebied blauw omcirkeld) (Bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten) Beoordeling plan Op bovenstaande kaart ‘Veilige omgeving’ is te zien dat het plangebied niet direct nabij een risicobron is gelegen, maar dat er wel meerdere risicobronnen in de omgeving aanwezig zijn. Hierna volgt een opsomming van de meest relevante risicobronnen. Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op ruim een kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Het gaat om een hogedrukaardgasleiding (Z-516-06) van N.v. Nederlandse Gasunie. Het plangebied bevindt zich niet binnen het 100%-letaliteitsgebied van de buisleiding. Zodoende is externe veiligheid vanwege deze buisleiding niet relevant voor dit bestemmingsplan. Verder zijn geen buisleidingen in de nabijheid van het plangebied aanwezig of relevant voor dit bestemmingsplan. Inrichtingen Op ongeveer 580 meter ten noordwesten van het plangebied is een benzineservicestation met CNG aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen de PR10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of invloedsgebied van deze inrichting (CNG-vulpunt, afleverzuil of reservoir). Ten zuidwesten en noordwesten van het plangebied zijn meerdere inrichtingen met gevaarlijke stoffen aanwezig op respectievelijk de bedrijventerreinen Moleneind en Elzenburg/De Geer.
De relevante inrichtingen zijn allen gelegen op meer dan 1 kilometer afstand. Het plangebied ligt zodoende niet binnen de PR10-6-contouren voor het plaatsgebonden risico van
39/61
deze bedrijven. Voor zover het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van (een van) deze inrichtingen kan, vanwege de afstand, voor verantwoording van het groepsrisico de standaardtekst van gemeente Oss worden gebruikt. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen Voor dit plangebied zijn de rijksweg A59, spoorlijn ’s-Hertogenbosch-Nijmegen en de provinciale weg N329 van belang: • Rijksweg A59: Het plangebied is gelegen op ongeveer 3,6 kilometer van de rijksweg, waarover verschillende typen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Zodoende ligt het plangebied niet binnen de PR10-6-contour voor het plaatsgebonden risico, plasbrandaandachtsgebied of invloedsgebied van deze weg. • Provincialeweg N329: Deze weg is door gemeente Oss aangewezen als route voor transport van gevaarlijke stoffen. De weg ligt op ongeveer 420 meter van het plangebied. • Spoorlijn: De spoorlijn heeft geen plaatsgebonden risicocontour of plasbrandaandachtsgebied. Het invloedsgebied van de spoorlijn bedraagt 995 meter. Dit volgt uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART), aangezien volgens de Regeling Basisnet de stofcategorie B2 over de spoorlijn wordt vervoerd en deze stofcategorie maatgevend is. Het plangebied ligt op ongeveer 320 meter ten noorden van de spoorlijn en ligt dus binnen het invloedsgebied van het spoor.
Gelet op de afstanden van het plangebied tot de diverse transportroutes met gevaarlijke stoffen is het plangebied volgens de ‘Beleidsvisie externe veiligheid Oss’ gelegen binnen ‘Zone IV: > 300 meter’. Bij zone IV, vanaf 300 meter wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ‘ramen en deuren te sluiten’. Voor verantwoording van het groepsrisico mag zodoende gebruik worden gemaakt van de standaardtekst van gemeente Oss. Verantwoording groepsrisico Gebieden waar de standaard verantwoording van toepassing is zijn onder andere ontwikkelingen gelegen in ‘Zone IV > 300 meter’ en toxische scenario's bij bedrijven vanaf 200 meter. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, • de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico.
• De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke hier bijzonder klein (hier is de kans op overlijden van een persoon ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen vele malen kleiner dan één op één miljoen) De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
40/61
Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Conclusie Gelet op het voorgaande gaat de voorgenomen ontwikkeling niet gepaard met onaanvaardbare risico’s vanwege externe veiligheid van risicobronnen in de omgeving. 5.6.5 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen.
De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: • de burger beschermen tegen geurhinder; • de veehouderijen niet onnodig beperken; • ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1.
Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
41/61
Beoordeling plan Met dit bestemmingsplan worden nieuwe geurgevoelige objecten (woning) mogelijk gemaakt. Daarom moet worden afgewogen of ter plaatse het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of met de ontwikkeling omliggende veehouderijen in hun gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. De dichtstbijzijnde veehouderijen zijn de melkveehouderijen aan de Spaanderstraat 162 en 150 in Berghem. Voor de diercategorie rundvee (waartoe melkvee behoort) gelden volgens de Wet geurhinder en veehouderij vaste afstanden. In artikel 4 Wgv is bepaald dat de afstand tussen een rundveehouderij en een geurgevoelig object ten minste 100 meter moet bedragen indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. In de geurverordening van gemeente Oss is dit bijgesteld naar 50 meter. Het plangebied ligt op ongeveer 340 meter van de betreffende melkveehouderijen. Zodoende wordt ruimschoots aan de vaste afstand voldaan. Binnen 500 meter van het plangebied komen geen veehouderijen voor met andere diercategorieën. Navolgende afbeelding geeft de achtergrondbelasting voor geur vanwege veehouderijen weer. Uit de kaart is op te maken dat de geurbelasting ter plaatse van het plangebied ongeveer 0 tot 3 odour units per kubieke meter lucht bedraagt.
Volgens de kaart ‘Geurnormen Verordening 2017’ behorend bij de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 ligt het plangebied binnen het gebied ‘B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij’. Volgens bovenstaande tabel mag de geurbelasting derhalve maximaal 2 odour units per kubieke meter lucht bedragen. Gelet op de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant wordt hieraan voldaan. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat dit bestemmingsplan geen omliggende veehouderijen beperkt en dat ter plaatse van de verruimde woonbestemming een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd gelet op het aspect geur.
Figuur 5.5 Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ (plangebied blauw omlijnd) (Bron: https://atlas.odzob.nl/)
42/61
5.6.6 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Beoordeling plan Het plangebied valt niet binnen de richtafstanden voor het aspect geur van industriële bedrijven gevestigd op de bedrijventerreinen De Geer, Elzenburg, Moleneind of solitaire bedrijfslocaties. Het aspect industriële geurhinder vormt geen beperkende factor voor dit bestemmingsplan. 5.6.7 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit.
Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
43/61
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Beoordeling plan Gelet op de aard en omvang van deze ontwikkeling draagt deze niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Bovendien wordt geen ‘gevoelige bestemming’ conform het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden gemotiveerd dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dat kan met behulp van de kaarten ‘Stikstofdioxide 2020 (NO2)’, ‘Fijn stof 2020 (PM10)’ en ‘Fijn stof 2020 (PM2,5)’ van het RIVM, te raadplegen via Atlas Leefomgeving. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied de luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties bevindt:
Stikstof (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Grenswaarden 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³
Maximale waarden plangebied 13,98 µg/m³ 16,68 µg/m³ 9,55 µg/m³
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat gelet op de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 5.6.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Beoordeling plan Het plangebied is gelegen op ruim 500 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. Straling van bovengrondse hoogspanningslijnen vormt gelet op de afstand geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.