CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.PDF

Adviescommissie Ruimte 24 juni 2021, gemeente OssBij agendapunt: BI Vaststelling bestemmingsplan Herinrichting uiterwaarden Demen - Dieden26.437 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 1 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Bestemmingsplan Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2020 Vastgesteld

Toelichting

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 2 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Gemeente Oss, Datum

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 3 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING Hoofdstuk 1 Inleiding ............................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en korte planbeschrijving ............................................................................................ 5 1.2 Begrenzing plangebied ................................................................................................................. 6 1.3 Geldende bestemmingsplannen ................................................................................................... 6 Hoofdstuk 2 Bestaande situatie en programma....................................................................................... 7 2.1 Historie van het gebied ................................................................................................................. 7 2.2 Bestaande situatie ........................................................................................................................ 8 2.3 Beoogde situatie ........................................................................................................................... 9 Hoofdstuk 3 Toelichting op de regels ....................................................................................................

13 3.1 Algemeen.................................................................................................................................... 13 3.2 Regels ......................................................................................................................................... 13 Hoofdstuk 4 Beleidskader ...................................................................................................................... 15 4.1 Wettelijk kader ............................................................................................................................ 15 4.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................. 17 4.3 Provinciaal beleid ....................................................................................................................... 21 4.4 Beleid Waterschap Aa en Maas ................................................................................................. 31 4.5 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................... 33 Hoofdstuk 5 Verantwoording..................................................................................................................

39 5.1 Milieueffectrapportage (M.e.r.) ................................................................................................... 39 5.2 Milieu- en omgevingsaspecten ................................................................................................... 39 5.3 Waarden ..................................................................................................................................... 47 5.4 Defensie...................................................................................................................................... 55 5.5 Niet gesprongen explosieven (NGE) .......................................................................................... 56 Hoofdstuk 6 Handhaving........................................................................................................................ 57 6.1 Beleidskader ............................................................................................................................... 57 6.2 Professionele handhaving en handhavingprogramma ............................................................... 57 6.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht .......................................................... 58 Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid ...........................................................................................

59 7.1 Kostenverhaal ............................................................................................................................. 59 7.2 Planschade ................................................................................................................................. 59 7.3 Conclusie .................................................................................................................................... 59 Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................. 60 8.1 Vooroverleg ................................................................................................................................ 60 8.2 Zienswijzen ................................................................................................................................. 60

REGELS VERBEELDING BIJLAGEN zie separaat bijlagenboek

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 4 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

TOELICHTING Bestemmingsplan Herinrichting Uiterwaarden Demen – Dieden – 2019

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 5 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en korte planbeschrijving

Natuurmonumenten heeft het initiatief genomen voor het natuurontwikkelingsproject Demen-Dieden dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het plan bestaat uit het verlagen van de uiterwaarden en het graven van nevengeulen waardoor natuur zich kan ontwikkelen en de waterveiligheid wordt vergroot. Natuurmonumenten investeert in het project vanuit haar programma MeerMaas 1 (zie onderstaande afbeelding), een investeringsfonds voor natuurontwikkeling voor de bedijkte Maas vanaf Ravenstein tot Heusden. Natuurmonumenten werkt samen met Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat investeert in het project vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) met als doel het ecosysteem van de Maas te herstellen. Hiervoor zijn opgaven en doelen voor de Maas geformuleerd (Richtlijn 2000/60/EG, in juni 2005 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving). Tevens is Rijkswaterstaat betrokken vanuit de eigendomssituatie van de oeverzone. De provincie Noord-Brabant investeert in het gebied vanuit het Groen Ontwikkelfonds Brabant met als doel realisatie van het NNB. De grondstoffen (keramische klei) die bij de natuurontwikkeling vrijkomen, worden afgezet op de markt ten behoeve van de baksteen- en dakpanindustrie. Deze delfstofwinning is daarbij ook één van de motoren achter het plan.

De herinrichting van de uiterwaarden Demen-Dieden is een project van Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat in samenwerking met Wetering en K3Delta. Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat hebben de wens uitgesproken de planvorming voor het natuurontwikkelingsproject integraal op te pakken. Natuurmonumenten heeft hierover afstemming met de andere terreineigenaren. De plannen worden zover uitgewerkt dat alle benodigde vergunningen kunnen worden aangevraagd en verkregen. Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat hebben nog geen afspraken gemaakt over de latere uitvoering van het project; in principe moet de uitvoering van de werkzaamheden in de uiterwaarden en in de oeverzone ook onafhankelijk van elkaar uitgevoerd kunnen worden.

Figuur 1 De visie van Natuurmonumenten voor meer riviernatuur langs de bedijkte Maas is samengebracht onder de noemer MeerMaas.

K3Delta trekt in opdracht van Natuurmonumenten, Rijkswaterstaat en Wetering de gehele uitwerking en (al dan niet) gedeeltelijke uitvoering van het voorgenomen plan. Dit omvat de planvorming, de benodigde onderzoeken, milieueffectrapportage, de vergunningaanvragen en het omgevingsmanagement en 1 https://www.natuurmonumenten.nl/projecten/meer-maas, natuurontwikkeling voor de bedijkte Maas

vanaf Ravenstein tot Heusden.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 6 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

coördinatie. Zij worden hierbij ondersteund door het advies- en ingenieursbureau Lievense, Jos Rademakers (ontwerpend rivierecoloog), Adri Voorwinden (landschapsarchitect), Acacia Water en Landmeetkundig en adviesbureau Meet B.V. 1.2

Begrenzing plangebied

Het plangebied Demen-Dieden omvat de Maasuiterwaarden van dijkteen tot rivieroever ter hoogte van Demen en Dieden, vanaf Neerlangel (dijkpaal 401) tot aan de Diedensche Uiterdijk (dijkpaal 448). Het plangebied is ongeveer 110 ha groot en omvat 4,5 kilometer rivieroever (rivierkilometer 183,7 t/m 188,2). Het te verwachten af te graven oppervlak beslaat circa 80 hectare. Zie onderstaande figuur.

Figuur 2 Globale begrenzing plangebied en ligging in omgeving

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Tot de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan ‘Herinrichting uiterwaarden Demen-Dieden’ geldt binnen het plangebied het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2010’. Na de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan verliest dit plan, binnen het plangebied, zijn rechtskracht. Relatie met bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2019 (in procedure) Op dit moment werkt de gemeente Oss ook aan een nieuw bestemmingsplan voor het hele buitengebied. Het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Oss – 2019 heeft eind 2018 ter inzage gelegen. Er is gekozen om voor het gebied Demen - Dieden een separaat bestemmingsplan op te stellen, specifiek toegesneden op de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling is wel in lijn met de gewenste ontwikkelrichting zoals die in het bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2019 is opgenomen.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 7 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande situatie en programma

Historie van het gebied

De Maas is een regenrivier met van oorsprong vele meanders (zie figuur 3). De rivier heeft bij elk hoogwater klei en zand afgezet. De dorpen zijn gebouwd op relatief hoge zandige koppen van de oeverwal. De kleilaag in de uiterwaarden varieert sterk in dikte. Ter hoogte van Demen is het kleidek tussen de 2,5 en 3,5 meter dik. Ter hoogte van Dieden zijn in de ondergrond twee oude beddingen van de Maas herkenbaar, hier is het kleipakket dikker dan 4 meter (tot 6 meter).

Figuur 3 Afbeelding van de meanderende Maas in 1980 (bron: www.topotijdreis.nl).

Er was sinds de bedijking vanaf de Middeleeuwen al wateroverlast bij grote afvoeren. Te veel water door het smalle stroombed maakte het risico op dijkdoorbraak groot. Eeuwenlang was om die reden de “Beerse Maas”, een groene rivier dwars door het Maasland, een uitweg. Ondanks de Beerse Maas waren er nog steeds dijkdoorbraken, zoals in 1925 bij Overasselt. Daarom werd de Maas in de jaren ‘30 van de vorige eeuw gekanaliseerd (en genormaliseerd): bochten werden rechtgetrokken, een strakke hoofdgeul gegraven en er kwam een stuw met sluizencomplex bij Grave en bij Lith. De rivier heeft sindsdien een vast peil. De zandondergrond ligt hierdoor deels boven en deels onder het stuwpeil van de Maas (4,9 m +NAP). Nagenoeg de hele uiterwaard bij de Maaswerken is in de vorige eeuw afgevlakt. In het plangebied Demen-Dieden is geen oude Maasmeander aanwezig. Een deel van het traject ligt tegenover de meander van Batenburg. Destijds is dwars door de uiterwaard van Demen niet alleen een nieuwe Maasbedding gegraven; een deel van de Maasoevers is destijds (30 tot 70 meter) verschoven. Over ongeveer 2 kilometer lengte zijn hier de oude bekribde oeverzones aangevuld met zand en klei. De Lelyzone is een relict van de vroegere kanalisatie door ingenieur C.W. Lely. In de uiterwaarden bij Demen en Dieden is deze verlaagde Lelyzone nog slechts als een subtiele terreinsprong zichtbaar.

Het “Lelyprofiel” ter hoogte van de Meanderende Maas verwijst naar het plan van ingenieur Lely, Verbetering van de Maas voor groote afvoeren, waarmee na 1926 een verkorting en verruiming van de Maas, benedenstrooms van Grave is uitgevoerd. Ter markering van de hoofdgeul heeft Rijkswaterstaat in de jaren 1930 de bakenbomen geplant. In het traject Demen-Dieden zijn de meander van Batenburg en de oude Maasarm bij Dieden herkenbaar in het landschap aanwezig. Binnendijks zijn nog oude dijkdoorbraken zichtbaar en het kronkelige dijktracé toont dat er nog meer dijkdoorbraken hebben plaatsgevonden, maar bij de Maaswerken zijn verdwenen.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 8 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Aan de Maasdijk van Dieden staan de markante korenmolen Stella Polaris (1865) en de SintLaurentiuskerk uit de 12e eeuw. Op de westelijke grens van het plangebied en de Diedensche Uiterwaarden, liggen binnendijks de restanten van de gracht van kasteel Eerbosch. Het kasteel stond hier tot 1875 (zie figuur 4). Oorspronkelijk zal dit kasteel direct aan een – inmiddels dichtgeslibde – rivierarm hebben gelegen.

Figuur 4 Links: uitsnede kadastrale kaart 1811-1832 (bron: wat was waar, rechts: Schets van 't slot “Eerbosch te Dieten in 1616”. Getekend door J. Stellingwerf rond 1723, naar een onbekend voorbeeld

2.2

Bestaande situatie

2.2.1

Landschap

De landschappelijke hoofdstructuur van dit gebied wordt gevormd door het meanderend stroombed van de Maas met haar oeverwallen. De dorpen zijn op de oeverwallen nabij de rivier gesitueerd op en achter de dijken. De oeverwallen zijn tussen de dorpen relatief grootschalig, open, als gevolg van het agrarisch gebruik, met aangeplante wegen en verspreid enkele kleine bosschages. In dit traject van de Maas liggen de uiterwaarden hoog, vaak hoger dan het land achter de dijk. In de uiterwaarden ontwikkelt zich steeds meer natuur waardoor deze minder strak en open worden zodat een meer begroeid en gevarieerd landschap ontstaat. Zo ontstaan uiterwaarden met afwisselend grazige en kruidige begroeiing met spontane ruigten en struwelen en zelfs plaatselijk ooibos. Het landgebruik in het plangebied Demen-Dieden wordt anno 2018 gekenmerkt door het agrarisch gebruik. Door de hoge ligging leent het buitendijkse land zich voor het verbouwen van bieten en mais. Nabij Demen is de uiterwaard als grasland in gebruik. De actuele natuurwaarden van de uiterwaarden zijn daardoor zeer beperkt. Alleen op de deels zandige, aangevulde oeverzones komen hier en daar enigszins soortenrijkere vegetaties voor. De uiterwaard is in de loop der tijd hoog opgeslibd en overstroomt in de huidige situatie nog maar heel zelden (eens per 10 jaar).

Cultuurhistorische waarden worden gevormd door de oorspronkelijke rivier, de oude dijken, de veerweg en de bakenbomen. De dijk bij Demen-Dieden is voorzien van een tuimelkade, dit is een smalle hogere kade op de dijk langs het water, en van een onderbroken markante laanbeplanting, zowel één- als dubbelzijdig. Binnendijks tegen de dijk ligt een tweetal rabatbosjes. Het dijktracé is licht slingerend, tot de scherpe bocht bij Dieden, die de oude Maasmeander markeert. Bij Demen ligt, haaks op de stroomrichting van de Maas, de veerweg naar het voet- en fietsveer naar Batenburg. Deze veerpont vaart alleen in het toeristenseizoen (van mei tot oktober). Aan weerszijden van de veerstoep liggen gegraven laagten met water, achter de stenen rivieroever. Op enkele plaatsen is de Lelyzone nog zichtbaar, maar door het intensieve gebruik als akker, vaak niet meer als zodanig te herkennen. De bakenbomen zijn voor het grootste deel nog aanwezig. De rivieroever is met stenen versterkt.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 9 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Het plangebied Demen-Dieden start aan de oostzijde met de oude rivieroever, van toen de Batenburgse meander nog bestond. Aan de westzijde van het plangebied ligt het reeds in uitvoering zijnde project Natuurontwikkeling Oeverzone Diedensche Uiterdijk. Ook hier wordt reliëfvolgend ontkleid. Op een hoog deel van dit project is recent een bos aangelegd waar een dassenburcht aanwezig is (die wordt gehandhaafd). De binnendijks gelegen kasteellocatie hier is tegenwoordig een agrarisch bedrijf. Vanaf de dijk bij de kasteellocatie ligt een (landbouwkundige) ontsluiting in de uiterwaard. De kasteellocatie, ook wel bekend als Heerlijkheid Dieden, ligt overigens buiten het bestemmingsplan. 2.2.2

Natuurnetwerk Brabant

Het plangebied is onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant. Gebieden binnen dit netwerk zijn bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Zolang het Natuurnetwerk nog niet is gerealiseerd, zijn de bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteit toegelaten. Het gebied wordt nu voornamelijk agrarisch gebruikt. De herinrichting tot natuur, na de tijdelijke kleiwinning, betekent dat het Natuurnetwerk in dit gebied fysiek wordt gerealiseerd. In aansluiting op (deels) gerealiseerde natuur langs de bedijkte Maas is hier de ontwikkeling van het natuurbeheertype N01.03 Rivier- en moeraslandschap gewenst. Met de herinrichting van de uiterwaarden bij Demen en Dieden wordt hieraan invulling gegeven. 2.3

Beoogde situatie

De basis van het ontwerp is het realiseren van natuurontwikkeling door een deel van de uiterwaard af te graven en nevengeulen aan te leggen (zie figuur 5). Het ontwerp is in afstemming met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Oss tot stand gekomen en vastgelegd in een ‘ontwerptoelichting Demen - Dieden’ van 7 oktober 20192. Het ontwerp wordt hierna kort beschreven. De vrijkomende klei wordt afgezet bij de keramische industrie. Hierdoor ontstaat ter hoogte van Demen een brede mee stromende ondiepe zandige oevergeul. Deze geul is tweezijdig aangetakt aan de rivier, met een instroomdrempel vlak onder stuwpeil. Tussen de geul en de Maas ontstaan zandige platen en eilanden daar waar de zandspiegel hoger ligt dan het stuwpeil. De geulen zijn zo vormgegeven dat er door het rivierwater steile buitenbochten en flauwe binnenbochten ontstaan. In de buitenbocht ontstaan steilranden, dit is gunstig voor bijvoorbeeld oeverzwaluwen. In de flauwe binnenbochten zijn de stroomsnelheden beperkt, waardoor zich hier oever- en watervegetaties ontwikkelen. De flauwe binnenbochten zijn bovendien gunstig met het oog op de bescherming van de huidige bakenbomen in het gebied. Een zone van tenminste 75 meter uit de huidige dijkteen blijft onvergraven, om de stabiliteit van de dijk niet aan te tasten en een toename op het pipingrisico te voorkomen.

Ter plekke van de oeveraanvullingen worden de oude kribben (aangelegd rond 1854-1891) zo mogelijk ingepast in het ontwerp. De bakenbomen zijn van landschappelijke waarde en zijn dan ook ingepast in het ontwerp. De nieuwe Demense geul grenst in het oosten aan de hoger liggende oever, die verwijst naar de oude oever van de Batenburgse Maasmeander. Het fiets- en voetveer naar Batenburg behoudt zijn toegang in de vorm van een brede vlonder. Na ontkleien wordt de vlonder ondersteund door een landhoofd op een eilandje. Doordat de Demense geul relatief breed is en dat de bestaande laagten nabij de veerstoep in het ontwerp worden opgenomen, behoudt Demen de visuele relatie met de rivier. Naar verwachting wordt de Maas vanaf de omgeving van de Veerweg zelfs beter zichtbaar.

2 Bijlage 19 bij de toelichting: Ontwerptoelichting Adri Voorwinden, namens initiatiefnemers

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 10 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Figuur 5 Ontwerp Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden

Tussen Demen en Dieden wordt geen klei gewonnen. De uiterwaard is hier zo smal dat verlagen binnen de dijkbschermingszone zou vallen. Wel wordt hier voorzien in een pad dat berijdbaar is voor rolstoelgebruikers. Dit pad sluit aan op bestaande dijkafritten, zodat een ommetje ontstaat.

Figuur 6 Dwarsprofiel bij Demen (bron: ontwerptoelichting Demen – Dieden d.d. 7 oktober 2019)

Figuur 7 Dwarsprofiel tussen Demen en Dieden (bron: ontwerptoelichting Demen – Dieden d.d. 7 oktober 2019)

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 11 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Figuur 8 Dwarsprofiel bij Dieden (bron: ontwerptoelichting Demen – Dieden d.d. 7 oktober 2019)

Figuur 9 Dwarsprofiel bij Diedensche Uiterdijk (bron: ontwerptoelichting Demen – Dieden d.d. 7 oktober 2019)

Landschapsversterking: Het streven is het landschap goed beleefbaar te maken en de samenhang tussen rivier en uiterwaarden te versterken. De ontstaansgeschiedenis wordt waar mogelijk, door de vormgeving van de ingrepen, zichtbaar gemaakt. Rivierverruiming: Rivierverruiming is niet het primaire doel, maar het project beoogt wél een proportionele bijdrage te leveren aan de verruiming van de afvoercapaciteit bij hoogwater. Het plan levert een waterstandsdaling van ca. 5 cm voor een dijktraject van 4,5 km lengte. Dat is een significante bijdrage aan de opgave voor het hele traject Meanderende Maas (totaal 25 km dijk). Dijkzone Het plangebied omvat de Maasuiterwaarden vanaf de rivieroever tot de teen van de waterkering. Het zomerbed, de dijk en het binnendijks gebied zijn géén onderdeel van het plangebied. Dijkverbetering is géén onderdeel van het project. Het project anticipeert waar mogelijk wel op de aanstaande dijkversterking (ruimte voor verbreding, voorlandverbetering, strategische voorraadvorming) mits dit de voortgang van het project niet beperkt. Recreatie Het gebied wordt vrij toegankelijk voor extensieve natuurgerichte recreatie (struinen, wandelen, vissen). Er worden slechts spaarzaam recreatieve voorzieningen aangelegd (toegangen, informatieborden).

Het gebied wordt niet toegankelijk voor ruiters (en menners) teneinde conflicten met de grazende dieren bij voorbaat te vermijden. De aan te leggen wateren worden toegankelijk voor activiteiten als kanoën, maar niet voor gemotoriseerde watersport. Het toeristische fiets- en voetveer Batenburg-Demen blijft bestaan en wordt in overleg met de eigenaar/beheerder ingepast in het ontwerp. Verder is het de bedoeling om een rolstoelpad in het gebied te realiseren. Terreinbeheer en eigendommen: Natuurmonumenten blijft terreinbeheerder van haar eigendom binnen het plangebied. Rijkswaterstaat blijft terreinbeheerder van haar eigendom binnen het plangebied. Conform de natuurvisie MeerMaas van Natuurmonumenten is een integraal beheer en natuurgerichte seizoensbegrazing het uitgangspunt voor het beheer. Jaarrondbegrazing is in de toekomst mogelijk.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 12 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Figuur 10 Eigendomssituatie (groen = Natuurmonumenten, oranje = Rijkswaterstaat)

Uitvoering: Het moet mogelijk zijn om de uitvoering van het project in de oeverzone (gedeelte Rijkswaterstaat) en het overige plangebied (gedeelte Natuurmonumenten), respectievelijk 1/3 en 2/3 van het totale oppervlak, los van elkaar te realiseren (zie figuur 10). Niet-vermarktbare vrijkomende specie (onder meer bovengrond, onbruikbare kleilagen en zand) wordt in principe binnen het gebied toegepast (dit heeft mogelijk alleen betrekking op het deel van Natuurmonumenten vanwege gescheiden aanbesteding van de uitvoering tussen de percelen van Rijkswaterstaat en Natuurmonumenten). Er wordt in principe geen zand afgevoerd. Binnen het gebied is uitwisseling van zand tegen vermarktbare klei mogelijk, maar alleen waar dat bijdraagt aan de projectdoelen. De werkzaamheden worden, voor het gedeelte van Natuurmonumenten, in pas met de afzetmogelijkheden van de klei, gefaseerd uitgevoerd. Ontgraven terreindelen worden waar mogelijk binnen 3 jaar definitief opgeleverd, passend binnen het bestemmingsplan en de vergunningen. De werkrichting is in principe van west naar oost. De uitvoering vindt gefaseerd plaats. De fasering is afgestemd met het Waterschap Aa en Maas.De uitvoeringssnelheid wordt afgestemd op de jaarlijks beschikbare ruimte om de vrijkomende klei direct af te zetten. De totale uitvoering neemt een periode van circa 7-10 jaar in beslag; een en ander is afhankelijk van de markt.

Op enig moment zal niet meer dan 30% van het plangebied in uitvoering zijn.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 13 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Hoofdstuk 3 3.1

Toelichting op de regels

Algemeen

Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is gekozen voor een gedetailleerde regeling, omdat in dit geval geen flexibiliteit is vereist. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de regel uit het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied 2019”, dat op het moment van het schrijven van deze toelichting nog in voorbereiding is. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 9), de algemene regels (artikelen 10 tot en met 15) en de overgangs- en slotregels (de artikelen16 en 17). In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 3.2

Regels

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Omdat het plan een beperkte bestemmingsregeling bevat, is het aantal relevante begripsomschrijvingen teruggebracht ten opzichte van het bestemmingsplan Buitengebied dat in procedure is. Veel van die begrippen komen niet in dit plan voor. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde maten moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Natuur Deze bestemming geldt voor het gehele plangebied; het maakt de tijdelijke ontgravingen mogelijk en de herinrichting tot natuurgebied daarna. Enkele specifieke onderdelen van de natuurinrichting, zoals een vlonderbrug naar het fiets- en voetveer, parkeergelegenheid en een rolstoelpad worden in deze bestemming rechtstreeks mogelijk gemaakt. Ook de waterpartijen in het gebied vallen onder deze bestemmingsregeling. Gebouwen zijn niet toegestaan en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, slechts beperkt. Verder is een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden. Aan de regels is een bijlage gekoppeld met het technisch ontwerp van de maatregelen.

Artikel 4 en 5: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog en middelhoog Deze dubbelbestemmingen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020 en aangevuld op basis van archeologisch beleid.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 14 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Artikel 6: Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor de uiterwaarden van de rivier en voor de berging, afvoer en doorstroming van water. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 7:

Anti-dubbeltelregel

Artikel 8: Algemene gebruiksregels Hierin zijn enkele gebruiksactiviteiten als strijdig gebruik aangemerkt. Deze opsomming is niet limitatief. Artikel 9: Algemene aanduidingsregels; In dit artikel zijn de volgende aanduidingen opgenomen en van een regeling voorzien: • Overige zone – beperking veehouderij; • Overige zone – kleiwinning; in deze gebieden is tijdelijk ontgraving ten behoeve van kleiwinning mogelijk. • Overige zone – uiterwaarden; • Vrijwaringszone Dijk; deze zone ziet op de beschermingszone van de dijk • Vrijwaringszone Molenbiotoop; De aanduidingsregels zijn overgenomen uit het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Buitengebied 2019. Artikel 10: Overige regels Hierin is een regel opgenomen over de verwijzing naar wettelijke regelingen. Hoofdstuk 4:

Overgangs- en slotregels

Artikel 13: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 14: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 15 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Hoofdstuk 4

Beleidskader

4.1

Wettelijk kader

4.1.1

Wet ruimtelijke ordening

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de wet zijn samengevat: Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; Rijk en provincie kunnen zaken voor de gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde niet digitaal beschikbare bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; Er is een drempel voor planschade van 2%; De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt. 4.1.2

Grondexploitatiewet

Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste onderdelen, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig.

Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 16 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook niet van toepassing. Voor het in procedure brengen van dit bestemmingsplan moet de initiatiefnemer legeskosten betalen. 4.1.3

Erfgoedwet

In de Erfgoedwet (2016) is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. 4.1.4

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden: • De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden. • De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten. • De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen. Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.

Meer informatie over vergunningen en ontheffingen Wet natuurbescherming staat op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 4.1.5

Erfgoedwet

De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: • Monumentenwet 1988; • Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; • Wet tot behoud van cultuurbezit; • Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; • Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; • Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 17 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Het beschermingsregime voor archeologische rijksmonumenten wordt net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen zoals de Wabo en het Bro. 4.2

Rijksbeleid

4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. In de SVIR zijn tot 2028 drie Rijksdoelen geformuleerd: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: de Nota Ruimte; de Structuurvisie Randstad 2040; de Nota Mobiliteit; de MobiliteitsAanpak; de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.

Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 18 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7.

Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. 4.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: • Rijksvaarwegen • Grote rivieren • Defensie • Hoofdwegen en hoofdspoorwegen • Elektriciteitsvoorziening • Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen • Ecologische hoofdstructuur • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 19 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd (gewijzigd per 1 juli 2017). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Overheden moeten nieuwe stedelijke ontwikkelingen op de volgende manier motiveren: De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Met stedelijk gebied is bedoeld een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De ladder is van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Hieronder wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. De ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zijn niet te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling en de ladder hoeft niet te worden doorlopen. 4.2.4

Nationaal Waterplan

Op 22 december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld. Het plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid, waaronder waterveiligheid en overstromingsrisicobeheerplannen. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende zes jaar met een vooruitblik richting 2050. In het Nationaal Waterplan staan vijf ambities centraal: • Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen; • Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics) zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoetwater is; • Nederland klimaatbestendig en waterrobuust inrichten. Bijvoorbeeld met verdiepte pleinen in een stad die bij veel regenval volstromen met water; • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement en –innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen; • Nederlanders leven waterbewust. Schoon, veilig en voldoende water zijn niet vanzelfsprekend. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Over de grote rivieren, waaronder de Maas, zijn in het plan de volgende beleidskeuzes gemaakt:

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 20 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

• • • • • 4.2.5

Huidige afvoerverdeling handhaven; Bestaande buitendijkse ruimte behouden, beschermen en beheren; Ruimte voor de rivier om het riviersysteem op orde te brengen; Anticiperen op hogere rivierafvoeren en een hogere zeespiegel; Duurzaam behouden van bevaarbaarheid voor scheepvaart. Waterbesluit

Het Waterbesluit vormt samen met de Waterregeling een uitwerking van de bepalingen van de Waterwet. De Waterwet maakt het mogelijk of schrijft voor dat bepaalde onderwerpen worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur (bijvoorbeeld het Waterbesluit), een ministeriële regeling (bijvoorbeeld de Waterregeling) of in regelgeving van decentrale overheden. Dit waarborgt de samenhang tussen verschillende aspecten van het waterbeheer en bevordert ook de overzichtelijkheid van de waterbeheerregelgeving. Bij het opstellen van het Waterbesluit is prioriteit gegeven aan die gevallen waarin de wet nadere regeling voorschrijft. Daarnaast is voor de gevallen waarin nadere regeling kan plaatsvinden het uitgangspunt gekozen om het accent vooral te leggen op "codificeren", in plaats van "modificeren" van bestaande regelgeving. Hierbij is het uitgangspunt uiteraard dat gestreefd wordt naar zo min mogelijk regels met een zo laag mogelijke regeldruk.

Belangrijke onderwerpen in het Waterbesluit zijn: • De landelijke rangorde bij watertekorten, de zogenaamde verdringingsreeks: verdringingsreeks bij watertekorten; • De toedeling van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen in beheer bij het Rijk: rijkswateren en regionale wateren; • De procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren: beheerplannen; • Enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's; • De vergunningsplicht en algemene regels voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken: gebruik maken van een waterstaatswerk; • De wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan: een watervergunning aanvragen. 4.2.6

Beleidsregels grote rivieren

De beleidsregels berusten op artikel 6.12 van het Waterbesluit. Het toepassingsbereik van de beleidsregels wordt grotendeels gevormd door de rivieren de Maas, de Rijn, de Waal en de IJssel. In aanvulling op artikel 6.12 van het Waterbesluit bepalen de beleidsregels de voorwaarden waaronder toestemming voor diverse activiteiten in het rivierbed kan worden verkregen. Toestemming moet daarbij gezien worden als de toelaatbaarheid vanuit rivierkundig oogpunt bezien, nodig voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet en artikel 6.12 van het Waterbesluit. Voortvloeiend uit de Waterwet en het Waterbesluit wordt in de Beleidsregels grote rivieren binnen het rivierbed een nader onderscheid gemaakt tussen een bergend regime en een stroomvoerend regime. In de beleidsregels, met bijbehorende kaarten, wordt de exacte begrenzing van deze regimes vastgelegd. Vervolgens wordt de toelaatbaarheid van diverse soorten activiteiten beschreven waarbij onderscheid wordt gemaakt in: • activiteiten bergend regime; • riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime; • niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime; • overige activiteiten. De onderscheiden regimes en de toelaatbaarheid van verschillende activiteiten dienen in bestemmingsplannen te worden doorvertaald. Het plangebied ligt in het stroomvoerend rivierbed.

Met een conservatief gekozen begroeiingscontour vormt het plan geen belemmering voor de dubbelbestemming 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed'. De begroeiingscontour wordt vastgelegd op de vegetatiekaart als onderdeel van de vergunning op grond van de Waterwet.

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 21 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

4.2.7

Integrale Verkenning Maas – 2 en Deltaprogramma

Integrale Verkenning Maas In 2003 is het rapport Integrale Verkenning Maas uitgebracht. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de wijze waarop rivierverruimende maatregelen kunnen bijdragen aan de hoogwaterbescherming op lange termijn. Op verzoek van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is een vervolg aan het traject gegeven, waarbij een advies is afgegeven voor mogelijkheden van toekomstige veiligheid met ruimtelijke kwaliteit: Integrale Verkenning Maas – 2. (IVM-2). In het vergunningenspoor van de Waterwet worden alle nieuwe ontwikkelingen onder meer getoetst aan het mogelijke ruimtebeslag, zoals aangegeven in het IVM-2 projectenplan. Deltaprogramma In het kader van het Deltaprogramma wordt samen met de regio een integrale lange termijnopgave voor de Maas geformuleerd waarin de integrale (ruimtelijke) opgaven en oplossingsrichtingen voor het rivierengebied voor lange termijn (tot 2100) zijn benoemd en sleutelkeuzes voor de inrichting zijn vastgelegd. Waterveiligheid en afvoerverwachtingen van 4.600 m³ /s voor de Maas zijn hierbij de randvoorwaarden.

4.2.8

Meanderende Maas

Meanderende Maas, verkenning Ravenstein – Lith, is een samenwerkingsverband van 10 verschillende partijen: de waterschappen Aa en Maas en Rivierenland, de provincies Noord-Brabant en Gelderland, gemeenten Oss, West Maas en Waal en Wijchen, Natuurmonumenten, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en Rijkswaterstaat. Waterschap Aa en Maas is de trekker van de verkenning. Meanderende Maas maakt deel uit van het nationale hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) en het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). De projectorganisatie Meanderende Maas gaat de dijk tussen Ravenstein en Lith verbeteren, de Maas meer ruimte geven en het gebied ontwikkelen. Het project richt zich op beide kanten van de Maas, tussen de A50 en de sluis bij Lith. Het gebied voldoet dan aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, die sinds 2017 van kracht zijn. Met de versterking van de 25 km lange dijk tussen Ravenstein en Lith, in combinatie met verruiming van de Maas, worden in de toekomst zo’n 270.000 mensen beschermd tegen overstromingen. De noodzaak om maatregelen aan de rivier en dijk te treffen biedt tegelijkertijd kansen voor de regio rondom de Meanderende Maas: kansen voor natuur, recreatie, cultuurhistorie, leefomgeving en economie. De planontwikkeling verloopt via fasen van divergeren en convergeren. Eerst zijn alle mogelijke (reële) alternatieven verkend.

Hieruit zijn twee kansrijke alternatieven gevormd, als een eerste trechtering. Vervolgens moet binnen de bandbreedte van deze kansrijke alternatieven een voorkeursalternatief ontwikkeld worden. Eind 2019 moet dat voorkeursalternatief worden vastgesteld door de stuurgroep. De projectorganisatie vindt het erg belangrijk om in deze eerste fase intensief in gesprek te gaan met belanghebbenden, bedrijven, grondeigenaren, inwoners en andere partijen. Dit gebeurt in allerlei informatie- en samenwerkingsvormen. Na het vaststellen van het voorkeursalternatief wordt het plan verder uitgewerkt. In 2023 start de uitvoering. De werkzaamheden zijn naar verwachting in 2028 afgerond. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014

Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 22 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. In deze paragraaf is rekening gehouden met de meest recente versies van de Structuurvisie en de Verordening Ruimte (eind oktober 2019). Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie.

Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk. - Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. - Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. - Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. - Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid.

Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; er rekening wordt houden met de omgeving; de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de

Herinrichting Uiterwaarden Demen - Dieden – 2019, pag. 23 van 60 Vastgesteld 12 april 2021

best mogelijke plek. Naast zorgvuldig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen.

Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. De groenblauwe structuur Het landelijk gebied De stedelijke structuur De infrastructuur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=dd33ccce-1c08-4a8b-9527-2f5b689a3ed0