CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting ON BP Walstraat .PDF

Adviescommissie Ruimte 25 februari 2021, gemeente OssBij agendapunt: BI Ontwerpbestemmingsplan Graaf Alardstraat - Walstraat Megen17.478 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Alle bedrijven zijn op relatief grote afstand gelegen in het buitengebied aan de 'andere kant' van de bebouwde kom. Tussen deze bedrijven en onderhavige plangebied liggen reeds andere geurgevoelige objecten waardoor deze bedrijven reeds in de bedrijfsvoering worden belemmerd. Voor de rundvee- en paarden bedrijven gelden allen een vaste afstand van 25 meter. Deze contouren liggen niet over het plangebied. Voor de intensieve veehouderijen (de varkens en enkele vleesstieren) moeten de geurcontouren worden berekend. In het kader van de Geurgebiedsvisie zijn in 2013 geur(achtergrond)belastingen berekend waarin ter plaatse van het plangebied de normen niet worden overschreden. De berekende achtergrondbelasting wordt geclassificeerd als 'zeer goed' (zie figuur 4.1). Deze berekeningen zijn weliswaar enigszins verouderd. De agrarische bedrijven worden echter in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt door zowel de bestaande woningen in Megen als door de geurnormen op grond van de 'Verordening geurhinder en veehouderij' van de gemeente Oss. Hierdoor kunnen de geurnormen kan ter plaatse van het plangebied als gevolg van in tussentijd uitgebreide agrarische bedrijven de niet worden overschreden.

23

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Figuur 4.1: uitsnede kaart huidige geurbelastingen Geurgebiedsvisie 2013 4.3.3

Conclusie

De geurnormen worden niet overschreden. Het aspect geur en veehouderij vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.4

Gezondheid

Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele broneffect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.

24

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Geitenhouderijen Rondom geitenhouderij hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden die nu nadere onderbouwd zijn voor een langere perioden. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria:  het infomeren van de aanvragers over het risico  terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen  na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk worden ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij toegestaan. In dit geval ligt het plangebied binnen de invloedgebieden van twee verschillende geitenhouderijen. Het plangebied ligt in ieder geval op ongeveer 1.900 meter van een geitenhouderij aan de noordzijde van Haren en op circa 1.950 meter ten zuiden van een geitenhouderij in Appeltern. De geitenhouderij bij Appeltern houdt bovendien minder dan 50 geiten. Doordat de geitenhouderijen op bijna 2 km afstand van de bouwlocatie liggen is het risico beperkt.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);  Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en Regeling 'Niet in betekenende mate' Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 & PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn:  woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;  woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;  kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2, PM2,5 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig

25

bestemmingsplan Walstraat, Megen

4.5.2

Doorwerking in het onderhavige plan

In het onderhavige plan worden maximaal 13 woningen gerealiseerd. Dit betekent dat de ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast maakt onderhavig plan geen gevoelige bestemmingen mogelijk. Het Besluit gevoelige bestemmingen is daarom niet van toepassing op dit bestemmingsplan. Achtergrondwaarden Naast de effecten van het onderhavige plan op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat zijn verschillende bronnen onderzocht (RIVM, NSL en Atlas Leefomgeving). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Op basis van de Grootschalige Concentratiekaarten (zie figuur 4.2) blijkt dat de achtergrondconcentraties fijn stof PM10 en PM2,5 en stikstofdioxide NO² ter plaatse van het plangebied ver onder de wettelijke norm zit. In 2020 bedraagt de achtergrondbelasting van deze stoffen 18,2 µg/m³ en 11,3 voor respectievelijk PM10 en PM2,5 en 16,7 µg/m³ voor NOx. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke norm van 40 µg/m³ voor Pm10 en NOx en 25 µg/m³ voor PM2,5.

Figuur 4.2: achtergrondwaarden luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied 4.5.3

Conclusie

Gezien de bovengenoemde redenen vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

26

bestemmingsplan Walstraat, Megen

4.6

Erfgoed

4.6.1

Algemeen

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.6.2

Archeologie

Het archeologisch beleid is in de gemeente Oss vastgelegd in het 'Archeologiebeleid - Oss' uit 2010. Dit beleid is op haar beurt weer door vertaald in de bestemmingsplannen. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Negen Kernen' de volgende twee dubbelbestemmingen ten aanzien van archeologische verwachtingswaarden:  Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog;  Waarde - Archeologie historische kern. Ter plaatse van de 'hoge' archeologische verwachtingswaarde is het verplicht een archeologisch onderzoek uit te voeren indien bodemingrepen worden uitgevoerd over een oppervlak groter dan 100 m² en over dit gehele oppervlak dieper in de bodem reiken dan 30 cm. Ter plaatse van de zone 'historische kern' is een onderzoek verplicht indien de verstorende bodemingrepen groter zijn dan 50 m². In beide zones worden deze normen overschreden. Het is derhalve noodzakelijk een archeologisch onderzoek uit te voeren en is dan ook uitgevoerd. In deze paragraaf wordt uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als bijlage 8 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Inleiding Het plangebied ligt gedeeltelijk in de middeleeuwse kern van Megen dat is aangewezen als 'Terrein van hoge archeologische waarden' (zie ook figuur 4.3). Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied een hoge verwachting heeft voor resten vanaf de Bronstijd.

Oude stadskern van Megen De oude stadskern van Megen. Stadsrecht verkregen in 1357. Op de AMK-Noord Brabant zijn historische stads- en dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De selectie en begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 16e-eeuwse (Van Deventer) en vroeg 20e-eeuwse kaarten (Bonnebladen). Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de vroege en volle middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet persé hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning. Het plangebied ligt aan de 'Walstraat' waar vroeger ene wal c.q. stadsmuur heef gestaan. Daarom is behalve een bureau onderzoek ook een booronderzoek noodzakelijk om de verwachting te toetsen. Conclusie archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op de stroomgordel Huisseling – Demen ligt (nummer 75). Deze stroomgordel was actief tussen 1.050 tot 50 V. Chr.

en kan archeologische resten bevatten van de Bronstijd tot de Romeinse Tijd. In de oeverafzettingen van deze stroomgordel zijn kalkloze polder- en ooivaaggronden ontstaan. Door de ligging van het plangebied op deze stroomgordel wordt verwacht dat er een hoge trefkans is op archeologische resten vanaf het moment dat de stroomgordel actief werd. Voor resten ouder dan de stroomgordel geldt een lage verwachting, aangezien de stroomgordel deze resten geërodeerd kan hebben. Uit het cartografisch onderzoek blijkt dat het noordelijke deel van het plangebied in gebruik is geweest als stadsgracht van Megen in de Middeleeuwen. Door deze ligging tegen de

27

bestemmingsplan Walstraat, Megen

historische kern van Megen aan heeft het plangebied een zeer hoge verwachting voor resten van de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd. Indien er archeologische vindplaatsen (cultuurlagen of vondstlagen) aanwezig zijn in het plangebied, dan worden deze onder de huidige bouwvoor en in of direct onder de ophogingslaag verwacht vanaf de Vroege Middeleeuwen en in de top van de oeverafzettingen van de stroomrug tussen 5 en de 6,5 meter +NAP. Op basis van het bureauonderzoek wordt verwacht dat er in het plangebied nog intacte archeologische niveaus aanwezig kunnen zijn. De geplande werkzaamheden kunnen dan ook niet worden uitgevoerd zonder verder archeologisch onderzoek. Veldonderzoek Uit het booronderzoek is gebleken dat de verwachting uit het bureauonderzoek juist is. Het plangebied ligt op oever- en komafzettingen van de Maas (stroomgordel Huisseling – Demen). Hierop is in de Late Middeleeuwen een cultuurlaag (stadsophoging) ontstaan, met mogelijke resten van erven en de stadsverdediging van Megen (de gracht en voormalige vestingmuur). Hiermee is de hoge archeologische verwachting van het plangebied op de beleidskaart van gemeente Oss bevestigd.

Selectieadvies Op basis van de onderzoeksresultaten van het verkennend booronderzoek adviseert Hamaland Advies om twee proefsleuven van 4 x 25 meter aan te leggen in de middeleeuwse stadsophoging tot in de top van de natuurlijke oeverafzettingen (maximale aanlegdiepte 2 m-mv), waarvan 1 ter plaatse van het weitje en 1 ter plaatse van het verharde erf. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen opgesteld te worden dat getoetst wordt door gemeente Oss. Het gehele advies / besluit is als Bijlage 9 Selectie advies archeologie opgenomen. Besluit gemeente ten aanzien van het vervolgtraject De gemeente onderschrijft de uitkomst van het onderzoek en het daaruit volgende advies. In het plangebied is een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk. Hamaland advies heeft een proefsleuvenonderzoek geadviseerd met een dekkingsgraad van 6,2% (2 proefsleuven). Dat is voor een dergelijk onderzoek aan de magere kant. Vandaar dat wordt besloten dat 3 proefsleuven moeten worden aangelegd, waarvan 2 gelijkmatig verspreid over het weitje en 1 sleuf op het verharde erf haaks op de in boring 5 aangetroffen stadswal/stadsmuur (dekkingsgraad circa 9,3%). Op de kosten van het onderzoek zal dit nauwelijks van invloed zijn. Een sloopbegeleiding bij de huidige bebouwing wordt niet nodig geacht.

Hoewel eventuele archeologische resten door de sloopwerkzaamheden verstoord kunnen worden, leert de ervaring, dat er tijdens sloopwerkzaamheden vaak nauwelijks waarnemingsmogelijkheden zijn. Wel geldt een bepaling van zo min mogelijk verstoren van de bodem. Het is van belang dat tijdens de sloop ervoor zorg wordt gedragen, dat de bodem – buiten de te verwijderen funderingen – zo min mogelijk wordt verstoord (omringende grond zo min mogelijk verstoren/afvoeren). Bovendien mag na de sloop de boden niet meer betreden worden met zwaar materiaal. Ook mag de bodem na de sloop niet geëgaliseerd of geroerd worden. Voor de verdere (plan)procedure betekent dit het volgende:  Om versnippering te voorkomen, de totale kosten te beperken en de ambtelijke procedures te verkorten, is het wenselijk om het archeologisch vervolgonderzoek als 1 integraal onderzoek voor het gehele gebied uit te voeren. Liefst zo vroeg mogelijk in de planvorming-/uitvoering (idealiter al bij het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan/wijzigingsplan).  Het proefsleuvenonderzoek dient in ieder geval vóórafgaand aan de vergunningsaanvraag te worden uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek kan namelijk leiden tot aanvullende voorwaarden in de vergunning (archeologische begeleiding, opgraving, bescherming).

 Gravend onderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de gemeentelijk archeoloog. Eventueel kan dit PvE direct een doorstart naar een opgraving bevatten.  De aanvang van het archeologisch onderzoek dient twee weken voor de start aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email.  Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. Borging in het bestemmingsplan Omdat het plangebied nog niet is vrijgegeven en om het archeologische vervolgtraject te borgen is aan het gebied gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie historische kern' en gedeeltelijk 'Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog' toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 50 m² (historische kern) respectievelijk 100 m² (hoge verwachtingswaarde) en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch vervolgonderzoek nodig is.

28

bestemmingsplan Walstraat, Megen

4.6.3

Cultuurhistorie

Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In figuur 4.3 is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord Brabant opgenomen waaruit is af te leiden dat het centrum van Megen een rijke historie kent. Onderstaand wordt deze rijke historie en de invloed op het plangebied beschreven.

Figuur 4.3: cultuurhistorische waarden kaart provincie Noord Brabant

29

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Historische waardevolle stedenbouw De noordelijke helft van Megen is aangewezen als een 'historisch waardevolle stedenbouw' van 'zeer hoge waarde'. Het plangebied is gelegen binnen dit waardevolle gebied. Aan dit gebied is de onderstaande beschrijving gegeven. Megen is één van de veertien steden (stadsrechten en omwalling) binnen de huidige provinciegrenzen. Megen is een kleine, ook in aanleg gaaf gebleven bastidestad met rechthoekige plattegrond. Het stadje is gesticht op een zandige opduiking bij het verdwenen kasteel (gesloopt 1610), dat aan drie zijden omgeven werd door water. De oorspronkelijke situatie is gewijzigd door de bochtafsnijding van de Megense Ham (1932). De historische context met de uiterwaarden en dijken is echter behouden. Ten westen van de kern is ter plaatse van het schildvormig terrein de voormalige kasteellocatie terug te vinden. Hier ook de markante kloostercomplexen (1500-1900), die hier in de vrije gebieden na 1648 zijn gevestigd. Het bebouwingsbeeld in de stad wordt voornamelijk bepaald door een- en tweelaags woonhuizen (1600-1800, gevels 18001850) met noklijn evenwijdig aan de straat, vaak gescheiden door smalle watergangen en met diepe achtertuinen. Rijksbeschermd stadsgezicht. In het onderhavige plan wordt met dit bebouwingsbeeld rekening gehouden.

De bouwmassa en de gevelrooilijnen van de te realiseren woningen aan de Walstraat sluiten aan op de omgeving. Dat betekent dat de woningen op één lijn liggen met de naastgelegen hoekwoning aan Walstraat / Kapelstraat (nummer 1) en dat de bouwmassa bestaat uit één bouwlaag met kap. Beschermd stads- en dorpsgezicht Het centrum van Megen betreft een beschermd stads- en dorpsgezicht. Binnen dit beschermde gebied gelden restricties voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het onderhavige plangebied grenst aan dit gebied, maar ligt er buiten. Deze restricties gelden derhalve niet voor het onderhavige plan. Molenbiotoop molen van Megen Het plangebied an sich ligt binnen de molenbiotoop van de molen aan Molenstraat 2. Binnen deze molenbiotoop gelden restricties aan bouwhoogten van te realiseren gebouwen. Deze restricties zijn afhankelijk van de afstand tot het plangebied. Deze restricties zijn vastgelegd in het bestemmingsplan 'Negen Kernen'. In de onderstaande tabel zijn deze restricties weergegeven. Tabel 4: maximale bouwhoogten gebouwen in de omgeving van de molen van Megen Afstand bouwwerk – hart molen in Maximale bouwhoogte in meters ten opzichte van meters NAP 0-180 13,7 NAP 181-190 13,9 NAP 191-200 14,1 NAP 201-210 14,3 NAP 211-220 14,5 NAP 221-230 14,7 NAP

Het plangebied ligt op ene afstand van circa 110 meter vanaf het hart van de molen. De maximale bouwhoogte bedraagt derhalve 13,7 m ten opzichte van NAP. Het maaiveld bevindt zich aan de zijde van de molen op circa 6,2 m boven NAP (zie figuur 4.4). Dat betekent dat de bouwhoogte aan deze zijde maximaal 7,5 meter boven maaiveld mag bedragen. De bouwhoogte van de woningen in het plangebied bedragen maximaal 10 meter boven maaiveld.

30

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Figuur 4.4: uitsnede 'Actueel Hoogtebestand Nederland' ter plaatse van het plangebied Afwijken van het bestemmingsplan Het bestemmingsplan bevat in artikel 37.2.2 echter een afwijkingsmogelijkheid om toch een hogere bouwhoogte te realiseren. Hieraan kan medewerking worden verleend mits: a. de vrije windvang en/of het zicht op de molen al is beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en/of het zicht op de molen niet verder wordt beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing en/of b. toepassing van het bepaalde in artikel 37.2.1 onder a de belangen van de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zou schaden. Onderhavig plan voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld onder a en b. Het plangebied wordt in de huidige situatie reeds geheel omsloten door bestaande bebouwing en bomen. De bebouwing in onderhavig plan vormt dus niet het eerste obstakel in het wind- en zichtveld. Bovendien bevinden zich tussen de molen en het plangebied reeds een twintigtal woningen en een bosje bestaande uit hoge volwassen bomen (zie figuur 4.5). De woningen aan Wielenstraat en Graaf Alardstraat bestaand reeds uit twee bouwlagen met kap (gelijk aan onderhavig bouwplan) en op basis van het bestemmingsplan mogen de bouw- en goothoogten van deze woningen respectievelijk 10 en 6 meter bedragen. Dat is gelijk aan de bouwhoogten van de hoogste woningen in onderhavig plan.

Deze elementen tezamen vormen tezamen een reeds een barrière die het wind- en zichtveld aan de zijde van de nieuwe woningen reeds volledig blokkeren. Daarnaast worden de belangen van de op te richten bebouwing onevenredig geschaad bij een maximale bouwhoogte van 7,5 meter. Met deze bouwhoogte zijn geen woningen met kap te realiseren met voldoende oppervlak en verdiepingshoogten.

31

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Figuur 4.5: wind- en zichtveld van de molen in relatie tot het bouwplan Conclusie Het onderhavige plan houdt rekening met de stedenbouwkundige waarden van het historische Megen bouwmassa aan de Walstraat en gevelrooilijnen af te stemmen op de omliggende woningen. De woningen liggen daarnaast binnen een molenbiotoop waarbinnen restricties gelden voor bouwhoogten. Echter door gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid voor het realiseren van hogere bouwhoogten vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

32

bestemmingsplan Walstraat, Megen

4.7

Natuur

De Wet natuurbescherming vormt het toetsingskader op het gebied van de ecologische soorten- en gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. 4.7.1

Soortenbescherming

Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. 4.7.1.1

Doorvertaling in het plangebied

Het plan behelst het slopen van enkele bijgebouwen, verwijderen van groen en het oprichten van nieuwe woningen. Als gevolg van deze werkzaamheden kan niet bij voorbaat worden uitgesloten dat (leefgebied van) beschermde soorten verloren gaat of wordt geschaad. Om deze reden is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, inclusief veldbezoek. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. Het onderzoek is als bijlage 4 Quickscan flora en fauna opgenomen.

4.7.1.2

Conclusie quickscan flora en fauna

Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland in Noord-Brabant geen externe werking kent. Vanwege de ligging op enige afstand van Natura2000-gebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied (invloed door emissie van stikstof wordt in de volgende paragraaf behandeld). De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten. Soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Resumé Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

33

bestemmingsplan Walstraat, Megen

4.7.2

Gebiedsbescherming

Ter invulling van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan de Minister van Economische Zaken gebieden als Natura 2000-gebied of als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen. Voor deze gebieden geldt op basis van de Wet natuurbescherming een zorgplicht, en voor Natura 2000-gebieden geldt bovendien een vergunningsplicht voor het uitvoeren van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Dit wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermd gebied. De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten daarnaast op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. 4.7.2.1

Doorvertaling plangebied

Het plangebied ligt in het 'stedelijk' gebied van de kern Megen en ligt daarbij niet in, of in de nabijheid van, een Natura 2000-gebied. Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken, dat ruim 10 kilometer ten noorden van Megen is gelegen. Overige Natura 2000-gebieden liggen op nog grotere afstand. Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van deze Natura 2000-gebieden en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden, voor wat betreft de effecten vernietiging, verstoring, verdroging / vernatting en versnippering. Het enig mogelijke effect op de Natura 2000 is het effect van stikstofdepositie op de Natura 2000. Voor dit plan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van Aerius Calculator. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. Het onderzoek is als Bijlage 5 Stikstofdepositie onderzoek opgenomen. 4.7.2.2

Conclusie gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op ruime afstand van de Natura 2000 en het NNN. Op deze afstand is geen negatieve invloed te verwachten op deze beschermde gebieden. Op basis van het stikstofdepositie onderzoek blijkt dat als gevolg van onderhavig plan geen sprake van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr op de Natura 2000. Dit geldt zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase. Er zijn daarmee geen negatieve gevolgen te verwachten voor de instandhoudingsdoelstellingen. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Hiermee is een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet niet nodig.

34

bestemmingsplan Walstraat, Megen

4.8

Water

4.8.1

Algemeen

De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), vormt het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving in het wijzigingsplan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf gaat daar nader op in. Via de 'De Digitale Watertoets' (www.dewatertoets.nl) kan een automatisch gegenereerd advies worden opgevraagd waaruit blijkt of overleg met het waterschap noodzakelijk is. Wanneer het plan uit deze toets het advies 'geen belang' krijgt, hoeft het plan niet meer aan het waterschap voorgelegd te worden. Ten behoeve van het onderhavige plan is een watertoets uitgevoerd. De belangrijkste bevindingen staan onderstaand beschreven. De volledige watertoets is als Bijlage 7 Watertoets bijgevoegd. 4.8.2

Onderzoek

Het plan voorziet in de sloop van bestaande bebouwing en herbouw van 13 woningen. Waterveiligheid Het plangebied ligt op beperkte afstand van de primaire waterkering langs de zuidzijde van de Maas. De kern- en beschermingszones van deze primaire waterkering reiken echter niet tot aan de plangrenzen Oppervlaktewater In het plangebied, of direct aangrenzend aan het plangebied, is geen oppervlaktewater aanwezig. Wat betreft bouwen nabij oppervlaktewateren gelden dan ook geen beperkingen binnen het plangebied. Verhard oppervlak / compensatie Voor plannen van dergelijke omvang met extra verharding in stedelijk gebied tot gevolg is compenserende waterberging nodig. Dit is op basis van de nu voorliggende plannen berekend in de bijgevoegde waterparagraaf. Op basis van de nu in te schatten verhardingstoename van circa 1.500 m² dient een compenserende waterberging met een capaciteit van 109 m³ worden gerealiseerd. Indien een sloot langs de oostgrens met een gemiddelde breedte van 2,5 m wordt gegraven wordt voldoende capaciteit gerealiseerd. Riolering De bestaande riolering in de omgeving zal worden aangevuld met gescheiden riolering in de nieuw aan te leggen weg. Hemelwater en afvalwater vanuit de woningen zullen gescheiden worden aangeboden op de perceelsgrens. De riolering in de omgeving is van voldoende capaciteit voor de extra aan te sluiten woningen. 4.8.3

Watertoets

Voor dit plan is de online watertoets doorlopen waardoor het plan formeel is 'aangemeld' bij het waterschap. Het toetsresultaat en de samenvatting zijn als bijlagen gevoegd bij de toelichting. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met het automatisch gegeneerde wateradvies, welke in de bijlage bij deze toelichting is opgenomen. 4.8.4

Conclusie

Zoals hierboven beschreven heeft het plan een gering invloed op de waterhuishouding. De belangen van de waterhuishouding en het waterschap worden daarom niet geschaad. Het aspect water werkt daarom niet belemmerend voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

35

bestemmingsplan Walstraat, Megen

4.9

Bodem

4.9.1

Kader

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de voorgenomen bestemming al dan niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op ruimtelijke plannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodemkwaliteit dient geschikt te zijn voor de beoogde functie, in dit geval de functie 'wonen'. Bovendien is in het kader van het Bouwbesluit noodzakelijk een bodemonderzoek uit te voeren voor oprichten nieuwe gebouwen waarin mensen gaan verblijven. In onderhavig plan is sprake van beide situaties. Onderstaand is uitsluitend de conclusie opgenomen. De rapportage is als bijlage 10 Bodemonderzoek opgenomen. 4.9.2

Conclusie bodemonderzoek

Uit de resultaten van het bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er zonder het nemen van maatregelen belemmeringen zijn voor het beoogde gebruik van de locatie. De belemmeringen worden veroorzaakt door de aangetoonde verontreinigingen met asbest. Aanbevolen wordt om de aangetoonde bodemverontreinigingen met asbest te saneren. Voorafgaand aan de sanering zal een BUS-melding moeten worden opgesteld. Deze dient voor uitvoering van de werkzaamheden goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Provincie Noord-Brabant). Hierbij dient rekening gehouden te worden met een proceduretijd van vijf weken. De saneringswerkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een BRL SIKB 7000 erkende aannemer en milieukundig begeleid te worden door een BRL SIKB 6000 erkend bureau. Na sanering vormt de bodemkwaliteit geen belemmeringen meer voor het gebruik van de locatie. De gestelde hypothese dat de locatie als "verdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan zware metalen in grond. De (tussentijds) gestelde hypothese dat de locatie ten aanzien van de parameter asbest in bodem als ‘verdacht’ kan worden aangemerkt is juist gebleken. Analytisch is op twee plaatsen asbest boven de interventiewaarde aangetoond.

4.10

Externe veiligheid

4.10.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:  het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers;  het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag / verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

36

bestemmingsplan Walstraat, Megen

4.10.2

Doorwerking in het onderhavige plan

Om te beoordelen of in het plangebied of de nabijheid sprake is van relevante risicobronnen, is de provinciale risicokaart geraadpleegd (risicokaart.nl). Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart blijkt dat rondom dit deel van de kern Megen geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Ruim ten zuiden van Megen is een LPG tankstation aanwezig. De afstand tot deze inrichting is zeer ruim, waardoor de risicocontouren ver van het plangebied blijven. Vervoer van gevaarlijke stoffen Binnen de kern Megen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De Maas is wel een route voor gevaarlijke stoffen over het water. De Maas is echter op zeer ruime afstand van het plangebied gelegen (groter dan 300 m). Verantwoording groepsrisico De locatie ligt niet binnen een 10-6-contour, enkel binnen het invloedsgebied van de transportroute over het water (de Maas) zoals hieronder aangegeven in figuur 4.6.

Figuur 4.6: Uitsnede signaleringskaart EV Oss 2016 Voor de verantwoording kan in dit geval worden volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico bij grotere afstand. Deze is hieronder opgenomen: Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat:  vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident,  de aard van incident (blootstelling van toxisch gas) Het groepsrisico kan mogelijk toenemen (al dan niet significant). Vanwege de beperkte toename van het aantal inwoners in verhouding tot het bestaande aantal inwoners in de omgeving dit echter zeer beperkt. Onderhavig plan zal geen significant invloed uitoefenen op het groepsrisico.

37

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item:  Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico.  De kans op overleiden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein (vele malen kleiner dan één op één miljoen). De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheid tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar.

Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene rampenbestrijding. 4.10.3

Conclusie

De beoogde woningen worden op ruime afstand van risicobronnen gebouwd. Het plangebied ligt dan ook buiten de PR- en GR-contouren van enige risicobron. Externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

38

bestemmingsplan Walstraat, Megen

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1

Verkeer

Interne en externe ontsluiting Het plangebied wordt via een te realiseren woonstraat aangesloten op de Walstraat in het noorden en de Graaf Alardstraat in het zuiden. De woningen langs de Walstraat worden direct op de Walstraat ontsloten. Via de Walstraat en de Graaf Alardstraat kan de rest van het dorp en de N329 worden bereikt . Extra verkeersgeneratie Het onderhavige plangebied kent in de huidige situatie nauwelijks een verkeersaantrekkende werking. In de beoogde situatie wordt derhalve extra verkeer gegenereerd. Om de verkeersgeneratie als gevolg van het onderhavige plan te berekenen kan gebruik worden gemaakt van kencijfers van de CROW publicatie '381'. Onderstaand zijn de berekeningen weergegeven. Tabel 4: verkeersgeneratie berekening

In totaal worden maximaal per dag 104 extra auto's verwacht. Omdat het plangebied in meerdere richtingen wordt ontsloten is wordt het verkeer verspreid over de straten Walstraat (in twee richtingen) en de Graaf Alardstraat (in twee richtingen). Per straat worden grofweg 52 auto's extra verwacht en grofweg 26 auto's in de 4 verschillende richtingen. De bestaande wegen kan dit extra verkeer eenvoudig verwerken en het omliggende wegennetwerk wordt niet onevenredig veel belast. 4.11.2

Parkeren

Parkeren van auto's als gevolg van de realisatie van de woningen vindt zoveel mogelijk plaats op het eigen perceel. Voor de overige percelen dienen parkeerplaatsen in het openbare gebied te worden gerealiseerd. Gemeente Oss heeft zelf parkeernormen vastgesteld. Deze normen zijn onderstaand weergegeven. Tabel 5: parkeerbehoefte

In totaal moeten 27,1 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De gemeente Oss beschouwt alle parkeerruimte op eigen terrein die voldoet aan de richtlijnen, als volwaardige parkeerplaatsen. Dit betekent bijvoorbeeld dat een lange oprit (minimaal 10 meter) als twee parkeerplaatsen gezien wordt. Wanneer parkeerproblemen in de praktijk ontstaan, kunnen bewoners eerst worden gewezen op het juiste gebruik van de parkeerplaatsen op eigen terrein (optimaal benutten lange oprit). Hiermee worden de bewoners zelf verantwoordelijk voor het juiste gebruik van de beschikbare parkeerplaatsen.

39

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Bij de vrijstaande woningen moeten 2 parkeerplaatsen op het eigen perceel worden gerealiseerd. Daarnaast wordt bij de 8 hoek- en de twee-onder-een-kap woningen een garage met oprit gerealiseerd. Alle opritten aan de 'woonstraat' in het plangebied worden 10 meter lang. De opritten van de twee gelijkvloerse woningen aan de Walstraat zijn 6 meter lang. In totaal kunnen op de opritten 16 auto's worden geparkeerd. In het openbaar gebied worden de overige 11 parkeerplaatsen gerealiseerd in de vorm van langsparkeerplaatsen aan de woonstraat.

4.12

Kabels en leidingen

Bij ontwikkelingsgericht plannen kan de aanwezigheid van (planologisch relevante) kabels en leidingen een belemmering opleveren. In het plangebied, of in de directe nabijheid daarvan, bevinden zich geen leidingen met bijbehorende beschermingszones die planologisch relevant zijn. Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.13.1

Algemeen

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan mer-plichtig, project mer-plichtig of mer-beoordeling plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. Per 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. aangevuld. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. 4.13.2

Doorwerking in het onderhavige plan

Omdat sprake is van een stedelijke ontwikkeling (categorie 'D 11.2 uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen') is het noodzakelijk een vormvrije m.e.r.beoordelingsprocedure te doorlopen. In het kader van onderhavig plan is een aanmeldnotitie opgesteld. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De rapportage is als bijlage 6 Aanmeldnotitie vormvrije-m.e.r.-beoordeling 4.13.3

Conclusie

De activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het (ontwerp) bestemmingsplan voor Walstraat te Megen zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om de gemeenteraad van de gemeente Oss op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

40

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Hoofdstuk 5

Juridische planopzet

Vormgeving Dit bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een korte toelichting op deze regels. Het bestemmingsplan bestaat uit:  een toelichting;  regels;  een digitale verbeelding, die ook een analoge versie heeft. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden weergegeven. Naast een bestemming worden er ook aanduidingen en dubbelbestemmingen op de verbeelding weergegeven. Deze bestemmingen, aanduidingen en dubbelbestemmingen zijn nader uitgewerkt in de regels. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt gemotiveerd hoe de keuze van de bestemmingen tot stand is gekomen en waarom de regels zijn opgenomen. De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Niet alle begrippen worden verklaard. Slechts die begrippen waarover interpretatiekwesties kunnen ontstaan en die daardoor een eenduidige toepassing van de regels kunnen verhinderen worden toegelicht. Ook is de wijze van meten in dit hoofdstuk bepaald (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In het tweede hoofdstuk zijn de bestemmingsregels opgenomen. Per bestemming is aangegeven welke functies tot de bestemming worden gerekend en wat de specifieke bouw- en gebruiksregels van de gronden zijn. 3.

Algemene regels. Het derde hoofdstuk bevat bepalingen met een algemeen karakter. Hierin is de antidubbeltelbepaling opgenomen, alsmede de algemene bouw- en gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels en de algemene wijzigingsregels. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en de slotbepaling opgenomen. Hoewel het hier ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Hieronder worden de regels, voor zover dat nodig is voor een juiste interpretatie van de juridische regeling in het plan, nader toegelicht. Het bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een toelichting op deze regels. Begrippen Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Het begrip bestaand is in een aantal regelingen opgenomen en verklaard in de begripsomschrijving.

Bij de bepaling van de bestaande situatie kan worden teruggevallen op de (veld)inventarisatiegegevens, alsmede de gemeentelijke bouw- en milieudossiers, de luchtfoto's, de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ-gegevens), zoals deze bij de gemeente bekend waren bij de inwerkingtreding van het wijzigingsplan. Specifiek voor de woonschepen, aanlegsteigers, recreatiewoningen en stacaravans zijn rapportages en/of inventarisaties beschikbaar. Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van onder meer de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Ook is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreffen ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen en masten en dergelijke. Bestemmingen De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.

41

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Wonen - Woonhuizen De nieuw te realiseren woningen worden mogelijk gemaakt binnen de woonbestemmingen. De hoofdgebouwen van de woningen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Bijgebouwen mogen ook daarbuiten worden gebouwd. Op de verbeelding is aangegeven hoeveel woningen per bouwvlak gerealiseerd mogen worden daarnaast is op de verbeelding de maximale goot- en nokhoogte mag bedragen. 'Tuin' De bestemming 'Tuin' is bedoeld voor voor- en zijtuinen van de beoogde bebouwing, alsmede voor in- en uitritten voor woningen. 'Groen' Deze bestemming is van toepassing op het structureel en openbaar toegankelijke groen ten westen van de beoogde bebouwing. Binnen deze bestemming zijn uiteraard groenvoorzieningen toegelaten, met daarbij bijbehorende waterlopen en -bergingen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen. Op deze gronden mag, met uitzondering van bouwwerken geen bebouwen zijnde, niet worden gebouwd. 'Verkeer - Verblijfsgebied' De bestemming geldt voor de toe te voegen wegen en parkeervoorzieningen. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:  Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen.

Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.  algemene bouwregels In dit artikel staan regels voor ondergronds bouwen.  Algemene gebruiksregels In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan.  Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn aanduidingen opgenomen die over meerdere bestemmingen vallen. In dit geval betreft het een geluidszone - industrie die is gelegen rondom De Heus Veevoeders.  Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.  Algemene wijzigingsregels In dit artikel is in aanvulling op de wijzigingsbevoegdheden uit de bestemmingen nog een aantal algemene wijzigingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid geregeld kunnen worden. Bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens.

Overgangs- en slotregels In dit hoofdstuk van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

42

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om kostenverhaal toe te passen bij: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het kostenverhaal is anderszins geregeld als de gemeente Oss met ontwikkelaar(s) een anterieure overeenkomst heeft gesloten. De gemeente Oss en de initiatiefnemer hebben in het kader van dit plan een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot de financiële afhandeling van het plan. In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt aangaande de realisatie van de plannen en het verhalen van ambtelijke kosten.

Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet meer nodig; het kostenverhaal is namelijk anderszins verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie op het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Wettelijk (voor)overleg Het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het onderhavige plan worden in het kader van het vooroverleg in de gelegenheid gebracht een reactie in te dienen op het plan. De volgende instanties zijn in de gelegenheid gesteld om tot en met 30 november 2020 te reageren op het conceptontwerpbestemmingsplan: 1.

Provincie Noord-Brabant

2.

Waterschap Aa en Maas

3.

Regionale Brandweer Brabant-Noord

Overlegreactie 1: Provincie Noord-Brabant Het wettelijk overleg met de Provincie heeft via het formulier “Inventarisatie ruimtelijke aspecten” plaatsgevonden. Uit de inventarisatie kwam naar voren dat het plan voor de Provincie geen aanleiding vormt om opmerkingen te maken. Antwoord burgemeester en wethouders Burgemeester en wethouders nemen dit antwoord voor kennisgeving aan. Overlegreactie 2: Waterschap Aa en Maas Het Waterschap geeft aan dat er geen ruimtelijke waterbelangen van toepassing zijn in het plangebied. Het Waterschap wijst in zijn reactie wel op het waterschapsbeleid in de toelichting bij het bestemmingsplan. De toelichting verwijst niet naar het actuele waterschapsbeleid. Antwoord burgemeester en wethouders De toelichting bij het bestemmingsplan wordt aan het meest actuele waterschapsbeleid aangepast. 43

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Overlegreactie 3: Regionale Brandweer Brabant-Noord De regionale brandweer geeft aan dat zij, het in de toelichting bij het bestemmingsplan beschreven, aspect externe veiligheid onderschrijft. De Regionale brandweer ziet af van het geven van een nader advies. Antwoord burgemeester en wethouders Burgemeester en wethouders nemen dit antwoord voor kennisgeving aan. Inspraak De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om te toevoeging van dertien woningen binnen een bestaand stedelijk gebied. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplan gemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd. Ontwerp Het ontwerp wordt voor 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode heeft één ieder de mogelijkheid om zijn of haar zienswijze met betrekking tot onderhavig plan kenbaar te maken.

44

bestemmingsplan Walstraat, Megen

Hoofdstuk 7 7.1

Handhaving

Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria:  het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels;  het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken;  zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien:  het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes;  nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=ded471b1-02a1-483b-897b-5bbb556a1896