CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting_NL.IMRO.0828.BPosseweg38abgh-VG02

Gemeenteraad 22 januari 2026, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit bestemmingsplan Osseweg 38a Berghem23.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Stikstof (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Grenswaarden 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³

Maximale waarden plangebied 13,98 µg/m³ 16,68 µg/m³ 9,55 µg/m³

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat gelet op de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 5.6.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Beoordeling plan Het plangebied is gelegen op ruim 500 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. Straling van bovengrondse hoogspanningslijnen vormt gelet op de afstand geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6.9 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en

45/63

een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Beoordeling plan Spoorweg- en wegverkeerslawaai Het plangebied ligt voor wegverkeerslawaai binnen de geluidzone van de Osseweg en Megensebaan (N329). Voor spoorweglawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de spoorlijn Oss – Nijmegen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd om het akoestische woon- en leefklimaat in beeld te brengen. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.

Uit het onderzoeksrapport blijkt dat voor de spoorlijn Oss – Nijmegen geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor spoorweglawaai nergens wordt overschreden. Daarom is een procedure hogere waarde ten gevolge van spoorweglawaai niet aan de orde. Voor de gezoneerde weg Megensebaan geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen en appartementen overschrijdt. Voor de Osseweg geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen en appartementen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 10 dB overschrijdt ter plaatse van de zuidgevel van de meest zuidelijk gelegen tweekapper. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Zodoende is het voor gemeente Oss mogelijk om een besluit tot vaststelling van hogere waarde te nemen, mits de toepassing van overdrachtsof bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.

Het aanleggen van een geluidscherm (overdrachtsmaatregel) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde is in deze situatie niet erg doeltreffend als maatregel en ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Om doelmatig te zijn dient het scherm namelijk dicht bij de bron of dicht bij de ontvanger te worden geplaatst. Tevens dient het scherm relatief hoog te zijn om doelmatig te zijn voor de eerste en

46/63

tweede verdieping. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in deze situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van een stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de Osseweg reeds is voorzien van SMA-NL 5. Het verder verbeteren van dit wegdek is derhalve niet realistisch. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” van de gemeente Oss. Onderhavig plan is gelegen in een gebied met de classificatie ‘landelijk gebied met hoge geluidsdruk’, waarvoor een ambitie geldt van 48 dB. Voor de meeste woningen en appartementen geldt dat de geluidbelasting op de gevels de ambitiewaarde van 48 dB niet overschrijdt. Enkel voor de twee meest zuidelijk gelegen tweekappers geldt dat de ambitiewaarde wordt overschreden. Aangezien de woningen worden gesitueerd ter vervanging van bestaande bouw, wordt aan tenminste één van de ontheffingscriteria voldaan. Tevens geldt voor beide tweekappers dat ze beschikken over ten minste een geluidluwe (noord)gevel. De buitenruimten dienen bij voorkeur aan de geluidluwe zijde gesitueerd te worden. Wanneer minimaal 50% van het aantal verblijfsruimten aan de zijde van de geluidluwe gevel wordt gerealiseerd, wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden conform het gemeentelijk geluidbeleid.

Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien voor de drie meest zuidelijk gelegen woningen sprake is van een procedure hogere waarde, is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Dit onderzoek zal echter plaatsvinden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen. Vaststelling van hogere waarden is noodzakelijk om het bouwplan te kunnen realiseren. Daarom heeft initiatiefnemer gemeente Oss verzocht om een hogere geluidbelasting (hogere waarde) toe te staan vanwege wegverkeerslawaai op de Osseweg. De zogenoemde hogere waardenprocedure loopt gelijktijdig met de procedure van dit bestemmingsplan. Industrielawaai Zowel bedrijventerreinen De Geer/Elzenburg als Moleneind/Landweer/Danenhoef zijn geluidgezoneerde industrieterreinen in de zin van de Wet geluidhinder en beschikken dan ook over een geluidzone. De geluidzone reikt niet tot over het plangebied. Zodoende is industrielawaai niet relevant voor dit plan. Conclusie De aspecten wegverkeer-, spoorweg- en industrielawaai vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Wel moet een hogere waarde vanwege wegverkeerslawaai worden aangevraagd. De besluitvorming hierover loopt gelijk op met de besluitvorming over dit bestemmingsplan. 5.6.10 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er

47/63

meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen).

Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Beoordeling plan Hierna volgt een toetsing aan het genoemde stappenplan. •

Stap 1. De endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming (alleen voor varkens- en pluimveehouderijen): Uit veehouderijen komen emissies van endotoxinen vrij. Door de Gezondheidsraad is voor wat betreft deze emissie een advieswaarde van 30 EU/m³ voorgeschreven. Aan de hand van de richtafstanden(grafiek) uit het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden bepaald of deze advieswaarde wordt overschreden. Voor individuele varkenshouderijen is overschrijding van de advieswaarde mogelijk tot op 200 meter. Bij individuele pluimveehouderijen is deze overschrijding in geval van legkippen tot op een afstand van 300 meter mogelijk en bij vleeskuikens tot op een afstand van 600 meter. De exacte richtafstand is gerelateerd aan de omvang van het bedrijf. Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van een varkenshouderij. Ook is het plangebied niet gelegen binnen 600 meter van een pluimveehouderij (legkippen of vleeskuikens). Nu aan de richtafstanden wordt voldaan is op basis van deze stap geen GGD-advies noodzakelijk.

48/63

•

Stap 2. Toename in de emissie voor geur, fijnstof of ammoniak: De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur of ammoniak. Voor wat betreft fijnstof is in paragraaf 5.6.7 reeds geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit (waaronder fijnstof). Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.

•

Stap 3a. Geur toetsen aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader: Uit paragraaf 5.6.5 blijkt dat in de beoogde situatie wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving voldaan. De gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming ligt op meer dan 50 meter (in het buitengebied) van een veehouderij waarvoor vaste afstanden gelden. Tevens is geen sprake van een overbelaste situatie voor geur vanwege voorgrondbelasting (10 ou/m³) of achtergrondbelasting (20 ou/m³). Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.

•

Stap 3b. Geur toetsen aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde: De afstand vanaf de rand van een agrarisch bedrijf met dieren zonder emissiefactor tot de gevel van de nieuwe woning bedraagt in de beoogde situatie ongeveer 340 meter. Daarbij moet worden opgemerkt dat deze afstand is gemeten vanaf de rand van het agrarisch bouwvlak, en niet vanaf de emissiebron (stal). In dat geval zou de afstand namelijk nog groter zijn. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.

•

Stap 4a Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden: Specifiek gaat het dan om de combinaties (1) varkens en pluimvee, (2) rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten), of (3) kleine herkauwers onderling. De combinatie rundveen en kleine herkauwers of kleine herkauwers onderling komt binnen 1 km van het plangebied niet voor. Aan de Burg. Van Erpstraat 5b komt wel de combinatie varkens en pluimvee voor. Deze veehouderij ligt echter op meer dan 340 meter van het plangebied en bovendien gaat het om slechts 15 legkippen, waardoor op basis van deze stap geen GGD-advies noodzakelijk is.

•

Stap 4b. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter: Hiervan is geen sprake. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.

•

Stap 5a. Een geitenhouderij komt voor binnen 2 km van het plangebied: Er komt geen geitenhouderij voor binnen 2 kilometer van het plangebied. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.

•

Stap 5b. Een pluimveehouderij komt voor binnen 1 km van het plangebied: Er komt geen pluimveehouderij voor binnen 1 kilometer van het plangebied. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.

•

Stap 5c. Een andere soort veehouderij komt voor binnen 250 meter van de bebouwde kom: Er komt geen andere soort veehouderij voor binnen 250 meter van het plangebied. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.

•

Stap 6 Er is sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige: Hiervan is geen sprake. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.

•

Stap 7 Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid: Hiervan is geen sprake. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling aanvaardbaar is gelet op het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen.

49/63

5.6.11 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. Beoordeling plan De gronden direct ten noorden en ten westen van het plangebied hebben een agrarische bestemming en volgens het bestemmingsplan is er geen beperking om deze gronden te gebruiken voor gewassen die met gewasbeschermingsmiddelen worden bespoten. Dit is vooral aan de orde bij opwaarts spuiten van gewassen, bijvoorbeeld bij boom- of fruitteelt. Hierbij is het uitgangspunt een spuitzone van 50 meter aan te houden tussen gevoelige objecten als woningen en het terrein waar opwaarts wordt gespoten. Zodoende kan overlast door drift worden voorkomen. Hiervan kan volgens de jurisprudentie worden afgeweken indien uit een locatie specifiek onderzoek volgt dat een kortere afstand kan worden gehanteerd.

Aangezien in dit plan een kortere afstand wordt gehanteerd tussen het gebied met gevoelige functies en de agrarische percelen is een locatie specifiek onderzoek verricht. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In het locatiespecifiek onderzoek wordt geconcludeerd dat in dit geval gekozen kan worden voor een kortere afstand dan 50 meter. Uit de lijn van de jurisprudentie volgt immers dat gekozen kan worden voor een deugdelijke en planologisch geborgde afscherming waarbij de agrarische exploitatie geen belemmeringen ervaart en binnen het gevoelig gebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omwille van de afwegingen in dit plan zijn de conclusies van het locatiespecifiek onderzoek in deze paragraaf overgenomen. Gelet op de ter plaatse relevante teeltsituatie zal moeten worden gekozen voor een afscherming met een hoogte van 2 meter, te weten 1,5 meter gewashoogte + 0,5 meter overhoogte. De meeste akkerbouwgewassen blijven relatief laag (granen, aardappelen etc.). Opgaande akkerbouwgewassen zoals mais en zonnebloemen worden enkel vroeg in het groeiseizoen gespoten en niet als dit gewas eenmaal is opgekomen tot een hoogte van meer dan 1,5 meter. Met de realisatie en de instandhouding van een winterdichte groene afscherming kan in dit geval een kortere afstand worden gehanteerd.

Uit de verbeelding van dit bestemmingsplan volgt dat tussen de agrarische percelen en de eerstvolgende gevoelige objecten een afstand bestaat van 12,5 meter. Deze afstand is, zo volgt ook uit het locatiespecifiek onderzoek, aanvaardbaar in verband met de te realiseren maatregelen. Eveneens volgt uit de rechtspraak dat met het toepassen van een winterdichte haag een kortere afstand aanvaardbaar is. Gelet op de omstandigheid dat sprake zal zijn van eenjarige gewassen, zal er niet buiten het volbladseizoen worden gespoten. Hierbij kan in aanmerking worden genomen dat vroeg in het seizoen de bladeren van een afscherming mogelijk nog niet volledig tot wasdom zijn gekomen, maar tegelijkertijd zal het te behandelen gewas dan klein zijn, waardoor ook een zeer lage spuithoogte zal worden aangehouden. Daarnaast wordt geadviseerd om de alhier beoogde groenbestemming zodanig aan te passen dat deze gronden uitsluitend bestemd zullen zijn voor deze afscherming. Hiermee worden dan ook de achterliggende gronden met deze bestemming beschermd. Op figuur 5.6 is de locatie voor de verplicht te realiseren haag inzichtelijk gemaakt. In de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan is een gebiedsaanduiding opgenomen waarmee de voorwaardelijke verplichting voor de realisatie van deze haag juridisch-planologisch is vastgelegd. Daarmee is de aanleg én de instandhouding planologisch verzekerd.

50/63

Figuur 5.6: overzicht maatregelen (bron: Adromi)

5.7

Milieueffectrapportage (M.e.r.)

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een planm.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

51/63

Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Beoordeling plan Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is artikel 3.1.6, tweede lid, Bro niet van toepassing. Bij het beoordelen of iets wel of geen stedelijk ontwikkelingstraject is, moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het plan. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. In dit geval gaat het woningbouw (60 woningen) op een inbreidings- / herstructureringslocatie (bestaand bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied).

Het planvoornemen valt ver beneden de drempelwaarde van 2.000 woningen en de oppervlakte van het plangebied blijft ver beneden de 100 ha. Echter, gezien de lokale impact van dit plan is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. In de aanmeldnotitie is geconcludeerd dat het project geen belangrijke nadelige gevolgen heeft op het milieu. Op basis van de aanmeldnotitie is geen milieueffectrapportage noodzakelijk. De aanmeldnotitie is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

52/63

HOOFDSTUK 6. TOELICHTING OP DE REGELS 6.1

Algemeen

De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. Het bestemmingsplan ‘Osseweg 38a, Berghem’ is een gedetailleerd bestemmingsplan afgestemd op deze specifieke situatie. Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan.

6.2

Regels

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Groen Deze bestemming is opgenomen voor de openbare groenvoorzieningen. Artikel 4: Tuin Deze bestemming regelt de onbebouwde gronden behorende bij de woningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, enkel bouwwerken, geen gebouw zijnde. Artikel 5: Verkeer-Verblijf Deze bestemming is opgenomen voor het openbare gebied en de nieuw aan te leggen ontsluiting. Artikel 6: Wonen - Halfvrijstaand Binnen deze bestemming zijn zowel vrijstaande als halfvrijstaande woningen toegestaan. In de regels wordt onderscheid gemaakt tussen bouwregels voor het hoofdgebouw, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Ook is bepaald welke aan-huis-gebonden activiteiten rechtstreeks zijn toegestaan en onder welke voorwaarden middels een afwijkingsbevoegdheid ook andere aan-huis-gebonden activiteiten zijn toegestaan.

53/63

Artikel 7: Wonen – Rijen Binnen deze bestemming zijn zowel vrijstaande als halfvrijstaande woningen toegestaan. In de regels wordt onderscheid gemaakt tussen bouwregels voor het hoofdgebouw, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Ook is bepaald welke aan-huis-gebonden activiteiten rechtstreeks zijn toegestaan en onder welke voorwaarden middels een afwijkingsbevoegdheid ook andere aan-huis-gebonden activiteiten zijn toegestaan. Artikel 8: Wonen – Woongebouw Binnen deze bestemming zijn woongebouwen toegestaan. In de regels wordt onderscheid gemaakt tussen bouwregels voor het hoofdgebouw, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Artikel 9: Leiding – Water Binnen deze bestemming zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en bescherming van ondergrondse watertransportleidingen. Artikel 10: Waarde - Archeologie Deze dubbelbestemming bepaalt dat bepaalde bodemingrepen pas mogen plaatsvinden als vooraf archeologische onderzoek heeft plaatsgevonden. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende gebruikelijke algemene regel: Artikel 11: Anti-dubbeltelregel Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen.

Dit artikel regelt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Artikel 21: Algemene bouwregels Dit artikel geeft een aantal bouwregels die algemene werking hebben en dus niet in één of meerdere specifieke bestemmingen worden gegeven, waaronder ondergronds bouwen en parkeervoorzieningen. Artikel 13: Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft aan wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. Artikel 14: Algemene aanduidingsregels Dit artikel gaat in op de voorwaardelijke verplichting die de archeologische dubbelbestemming juridisch borgt. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren en in stand houden van een haag, ten behoeve van de afschermende werking vanwege eventuele drift bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het naastgelegen agrarische perceel. Ten slotte is een vrijwaringszone opgenomen ten behoeve van het beheer en onderhoud van een naastgelegen A-watergang. Artikel 15: Algemene afwijkingsregeling Dit artikel geeft een algemene afwijkingsregeling van de bouwregels. Artikel 16: Algemene wijzigingsregels Dit artikel geeft een algemene wijzigingsregeling van de bouwregels.

54/63

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 17: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 18: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

55/63

56/63

HOOFDSTUK 7. HANDHAVING 7.1

Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.

7.2

Professionele handhaving en handhavingsprogramma

De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.

57/63

7.3

Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht

De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.

Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee meer recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.

Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.

58/63

HOOFDSTUK 8. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). Het verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Beoordeling plan Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

59/63

60/63

HOOFDSTUK 9. OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

9.1

Omgevingsdialoog

Op 1 november 2023 heeft een informatieavond plaatsgevonden waarbij ongeveer 25 bezoekers aanwezig waren. Van de avond is een verslag opgemaakt dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. In het algemeen is het plan positief ontvangen door omwonenden. Tijdens de inloopavond en uit de eerder ontvangen schriftelijke reacties kwamen echter nog een aantal meningen, ideeën en vragen boven tafel. Een aantal omwonenden wenst mee te denken over een erfafscheiding tussen particulieren percelen aan de Osseweg en de projectlocatie. Een enkele omwonende wenst een particulier perceel, tegen de projectlocatie aan, middels een achterpad te ontsluiten. Op basis van deze inbreng uit het participatieproces wordt het stedenbouwkundig plan op een aantal punten herzien: • Erfscheiding: waar voor het project grenst aan belendende percelen wordt extra aandacht besteed aan een meer kwalitatieve en privacy biedende afscheiding. Tevens zullen de erfafscheidingen goed worden ingepast in de huidige omgeving. Deze wensen worden verwerkt in een nieuwe situatie. • Ontsluiting: Belendende particuliere percelen worden daar waar mogelijk voorzien van een achterom via de projectlocatie. Beide aanpassingen aan het stedenbouwkundig plan hebben geen gevolgen voor voorliggend bestemmingsplan.

9.2

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan (c.q. bestemmingsplan) daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Daarom wordt het concept-ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, het Waterschap Aa en Maas en Veiligheidsregio Brabant-Noord. Op deze plaats in de toelichting wordt kort ingegaan op de verschillende vooroverlegreacties en de gevolgen ervan voor dit bestemmingsplan.

9.3

Inspraak

De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om de herontwikkeling van een bestaand bouwperceel waarbij een sportcomplex (tennis- en sporthal en sportschool) ruimte maakt voor een woningbouwontwikkeling met 60 wooneenheden. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplan gemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd.

61/63

9.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen voor 6 weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke blad, in het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. Iedereen kon zijn zienswijze schriftelijk of mondeling over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. De gemeenteraad heeft vier zienswijzen ontvangen. Deze zijn beantwoord via een nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen (bijlage 11 bij deze toelichting). Daarin ook is opgenomen of de zienswijzen hebben geleid tot wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan en welke ambtshalve wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan hebben plaatsgehad. Het gaat om: • De nokhoogte op de verbeelding van de drie meest zuidoostelijk gelegen bouwvlakken zal worden gewijzigd van 11 meter naar 9 meter; • Aanpassing van de verkaveling/verbeelding, zodat de beschermingszone t.b.v.

het beheer en onderhoud van de betreffende A-watergang (in het noordoosten en zuidoosten van het plangebied) wordt gewaarborgd; • Naar aanleiding van een locatiespecifiek onderzoek naar gewasbeschermingsmiddelen is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren en in stand houden van een afschermende haag. Op de verbeelding is een gebiedsaanduiding opgenomen waar deze haag moet komen. In de toelichting is dit tekstueel toegelicht. • In de Toelichting van het ontwerpbestemmingsplan wordt in de waterparagraaf enkel beschreven dat het verhard oppervlak ‘drastisch’ zal afnemen, maar dit is niet onderbouwd. In de Toelichting is deze stelling onderbouwd met een berekening; • In Toelichting is opgenomen dat de langzaamverkeerroute in het oosten van het plangebied richting Reutstraat en aanliggende woonbuurt, tevens een calamiteitenroute zal zijn. Naar aanleiding hiervan is het bestemmingsplan op 27 februari 2025 door de gemeenteraad gewijzigd vastgesteld.

62/63

BIJLAGEN Bijlage 1. Stikstofdepositieberekening, Rho Adviseurs; Bijlage 2. Quickscan natuurwetgeving, Aeres Milieu; Bijlage 3. Nader onderzoek vleermuizen, Staro; Bijlage 4. Archeologisch bureauonderzoek, Aeres Milieu; Bijlage 5. Selectiebesluit archeologie, Gemeente Oss; Bijlage 6. Diverse (bodem)onderzoeken, Verhoeven Milieutechniek B.V.; Bijlage 7. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Tritium Advies; Bijlage 8. Locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen, Adromi; Bijlage 9. Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, Rho Adviseurs; Bijlage 10. Participatieverslag; Bijlage 11. Nota van zienswijzen en wijzigingen.

63/63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=1772f90c-fd61-4ca1-9533-9f737c14f077