Toelichting_NL.IMRO.0828.BPosseweg38abgh-VG02
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Osseweg 38a Berghem Toelichting
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
BESTEMMINGSPLAN OSSEWEG 38A, BERGHEM Toelichting 10 januari 2025
1/63
DATUM KENMERK
10 januari 2025 20230759/90783/
PROJECT PROJECTLEIDER
Osseweg 38a, Berghem R. Verkooijen
OPDRACHTGEVER Van Wanrooij Projectontwikkeling B.V. PROJECTNUMMER 20230759 AUTEUR STATUS
2/63
Vastgesteld
INHOUD Hoofdstuk 1. 1.1 1.2 1.3
Inleiding
5
Aanleiding Plangebied Geldende bestemmingsplannen
5 5 6
Hoofdstuk 2.
Bestaande situatie
7
Hoofdstuk 3.
Beoogde situatie
9
Hoofdstuk 4.
Ruimtelijk beleidskader
11
4.1 4.2 4.3 4.4
Wettelijk kader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 5.
3/63
11 13 14 17
Omgevingsaspecten
23
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Natuur Archeologie en Cultuurhistorie Mobiliteit en parkeren Water Defensie Milieuaspecten 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering 5.6.2 Bodem 5.6.3 Niet gesprongen explosieven 5.6.4 Externe veiligheid 5.6.5 Geurhinder: agrarisch 5.6.6 Geur: industrieel 5.6.7 Luchtkwaliteit 5.6.8 Straling 5.6.9 Weg-, spoor- en industrielawaai 5.6.10 Gezondheid 5.6.11 Spuitzones
23 26 30 31 35 35 35 38 39 39 42 44 44 45 45 47 50
5.7
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
51
Hoofdstuk 6. 6.1 6.2
Toelichting op de regels
Algemeen Regels
53 53 53
Hoofdstuk 7.
Handhaving
57
Hoofdstuk 8.
Economische uitvoerbaarheid
59
Hoofdstuk 9.
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
61
9.1 9.2 9.3 9.4
Omgevingsdialoog Vooroverleg Inspraak Zienswijzen
Bijlagen Bijlage 1. Stikstofdepositieberekening, Rho Adviseurs; Bijlage 2. Quickscan natuurwetgeving, Aeres Milieu; Bijlage 3. Nader onderzoek vleermuizen, Staro; Bijlage 4. Archeologisch bureauonderzoek, Aeres Milieu; Bijlage 5. Selectiebesluit archeologie, Gemeente Oss; Bijlage 6. Diverse (bodem)onderzoeken, Verhoeven Milieutechniek B.V.; Bijlage 7. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Tritium Advies; Bijlage 8. Locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen, Adromi; Bijlage 9. Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, Rho Adviseurs; Bijlage 10. Participatieverslag; Bijlage 11. Nota van zienswijzen en wijzigingen.
4/63
61 61 61 62
63
HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Aan de Osseweg 38a in Berghem is momenteel een sportcentrum aanwezig met sportzalen, waaronder padel en fitness. Initiatiefnemer is voornemens dit sportcentrum te slopen om plaats te maken voor een woningbouw ontwikkeling met 60 woningen. De voorgenomen ontwikkeling is op basis van het geldende bestemmingsplan “Zone Oss - Berghem - 2017” niet rechtstreeks mogelijk, omdat de ter plaatse geldende bestemmingen ‘Sport’ en ‘Verkeer’ geen woningen toestaan. Ook de bouwregels zijn niet toereikend. Het geldende bestemmingsplan bevat geen binnenplanse wijzigings- of afwijkingsbevoegdheid om de ontwikkeling mogelijk te maken. Daarom is herziening van het bestemmingsplan voor dit gebied nodig. Dit plan met de titel "Osseweg 38a, Berghem" voorziet hierin.
1.2
Plangebied
Het plangebied betreft het volledige bouwperceel van Sportcentrum Berghem aan de Osseweg 38a in Berghem. Het woonperceel ligt ten westen van Berghem in de oksel van de Reutstraat (ten oosten) en de Osseweg (ten zuiden). Het betreft de overgangszone van Berghem naar Oss, dat op ongeveer 500 meter ten westen van het plangebied ligt. In het bijzonder gaat het om de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Berghem, sectie D, nummers 922 en 1042 (gezamenlijk groot 13.200 m²).
Figuur 1.1 Luchtfoto met de ligging van het plangebied (plangebied rood omcirkeld) (Bron: https://app.pdok.nl/viewer/)
5/63
Figuur 1.2 Luchtfoto met kadastrale kaart. Het plangebied is blauw omlijnd. (Bron: https://app.pdok.nl/viewer/)
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Tot de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan “Osseweg 38a, Berghem” gelden binnen het plangebied verschillende bestemmingsplannen en herzieningen. Deze zijn opgenomen in onderstaande lijst: • Zone Oss - Berghem - 2017, vastgesteld d.d. 6 juli 2017; • Parapluplan Wonen - 2023, vastgesteld d.d. 15 juni 2023. Na de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan verliezen deze plannen, binnen het plangebied, hun rechtskracht.
Figuur 1.3 Uitsnede geldend bestemmingsplan (plangebied blauw omlijnd) (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
6/63
HOOFDSTUK 2. BESTAANDE SITUATIE Het plangebied omvat het volledige bouwperceel van het Sportcentrum Berghem. Het gaat om een Sportcentrum met diverse zalen voor binnensport, waaronder ook padel en fitness. Het sportcentrum is te bereiken vanaf de Osseweg. Hier is een groot parkeerterrein aanwezig. Het sportcentrum zelf ligt ruim 40 meter uit de Osseweg en gaat deels verscholen achter de rij woningen tussen het parkeerterrein en de Reutstraat. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Osseweg en de achterzijden van de woonpercelen aan de Osseweg. Het gaat om een rij vrijstaande woningen met afwisselende bouwstijl; van twee bouwlagen met zadeldak met de nok evenwijdig met de Osseweg, of één bouwlaag met zadeldak met de nok haaks op de weg, tot één bouwlaag met tweede laag in een mansardekap waarvan de nok haaks op de Osseweg staat. Ten zuiden hiervan liggen vanuit het dorp Berghem gezien achtereenvolgens enkele woonpercelen, bedrijfspercelen, sportvelden (voetbal en tennis) en opnieuw woonpercelen. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Reutstraat. Het gaat om een langzaamverkeerverbinding (geasfalteerd fietspad) tussen de Osseweg en de Spaanderstraat. Ten oosten hiervan ligt het dorp Berghem, met dicht tegen het plangebied woningen in diverse bouwtypen (rijen en halfvrijstaand van hooguit twee bouwlagen met kap en gestapeld in twee bouwlagen).
Ten noorden van het plangebied liggen als zodanig gebruikte agrarische gronden. Ten westen van het plangebied liggen eveneens gronden met een agrarische bestemming (Agrarisch met waarden – Landschap), maar deze gronden zijn op natuurlijke / parkachtige wijze ingericht en omvatten ook een halfverhard wandelpad (‘ommetje’).
Figuur 2.1 Obliekfoto het plangebied. Het plangebied is rood omkaderd (Bron: Cyclomedia).
7/63
Figuur 2.2 Foto van het plangebied vanuit het zuidwesten (Osseweg), met op de voorgrond de huidige entree van het plangebied en op de achtergrond de bestaande bebouwing. Rechts staat de rij woningen die het plangebied van de Osseweg (helemaal rechts) afschermt. (Bron: Cyclomedia).
Figuur 2.3 Foto van het plangebied vanuit het noordoosten (Reutstraat), met van links naar rechts de Reutstraat, de bestaande bebouwing en aanliggende agrarische gronden. (Bron: Cyclomedia).
8/63
HOOFDSTUK 3. BEOOGDE SITUATIE In de beoogde situatie wordt de bestaande bebouwing en erfverharding volledig gesaneerd om plaats te maken voor een nieuwe woonbuurt met 60 woningen. In onderstaande afbeelding is de beoogde verkaveling van het gebied weergegeven met daarin ook de verdeling van het programma. Het programma bestaat uit (kleuren corresponderen met afbeelding 3.1): • 18 appartementen (sociale huur) (gele bouwvlakken); • 30 rijwoningen (6 huur, 24 koop) (paarse, blauwe, groene, pastelkleurige en roze bouwvlakken); • 6 twee-onder-een-kapwoningen (koop, vrije sector) (rode en paarse bouwvlakken in het zuidwestelijke deel); • 6 twee-onder-een-kapwoningen (koop, senioren) (oranje bouwvlakken).
Figuur 3.1 Stedenbouwkundige verkaveling beoogde situatie (Bron: Quadrant Architecten BNA)
Het plangebied wordt ontsloten via de huidige in- en uitrit aan de Osseweg. Hier zijn twee uitritten aanwezig, waarvan de oostelijke komt te vervallen. Aan de oostzijde van het plangebied komt een doorsteek voor langzaamverkeer richting de Reutstraat en aanliggende woonbuurt. Dit is tevens een calamiteitenontsluiting. De wegenstructuur en verkaveling binnen het plangebied is eenvoudig. In de zuidelijke helft is de hoofdontsluiting van het perceel te vinden; verticaal op de Osseweg en vervolgens horizontaal richting de Reutstraat. De aanliggende woningen zijn met hun voorzijde op de weg georiënteerd. De twee-onder-een-kapwoningen krijgen één tot twee parkeerplaatsen op eigen kavel. Verder zijn hier vooral langsparkeerplaatsen in openbaar gebied aanwezig. In de noordelijke helft van het plangebied komen uitsluitend rijwoningen en appartementen. De noordelijke helft wordt in tweeën gedeeld door een verticale as met haaksparkeerplaatsen aan beide zijden. Halverwege is aan de rechterzijde nog een parkeerpocket voorzien. De rijwoningen in de noordelijke helft van het plangebied zijn met hun voorzijde op de buitenrand van het plangebied georiënteerd. Dat betekent dat ze met de achterzijde aan de parkeerpocket grenzen.
9/63
De stedenbouwkundige opzet en de aard en schaal van de nieuwe bebouwing sluit aan bij die van de naastgelegen woonbuurt. De bebouwing evenwijdig aan de Osseweg wordt met een twee-onder-een-kapwoning aan de Osseweg doorgezet tot aan entree van het plangebied. De straat Het Reut wordt als horizontale lijn (en fysiek met langzaamverkeersverbinding) doorgetrokken tot in het plan. Aan beide zijden worden woningen met de gevel aan deze straat gebouwd, net als bij het Reut het geval is. Net als bij Het Reut wordt een kleinschalig appartementengebouw in het ontwerp geïntegreerd. Door woningen niet met de achterzijde maar met de voorzijde richting de noordelijke rand van het plangebied en daarmee ook de rand van het stedelijk gebied te plaatsen, wordt voorkomen dat de grens van het stedelijk gebied verrommelt.
10/63
HOOFDSTUK 4. RUIMTELIJK BELEIDSKADER 4.1
Wettelijk kader
4.1.1 Wet ruimtelijke ordening De hoofdlijnen van de Wet ruimtelijke ordening zijn: • Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; • Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; • Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; • Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; • De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; • Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; • Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; • Er is een drempel voor planschade van 2%; • De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; • Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt. Onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is de Grondexploitatiewet (Grex-wet). De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen.
Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Het kostenverhaal heeft een verplichtend karakter. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen.
De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. 4.1.2 Besluit ruimtelijke ordening; “Ladder voor duurzame verstedelijking” Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wet ruimtelijke ontwikkeling. In het Bro staat onder meer dat gemeenten bij het opstellen van een bestemmingsplan rekening moeten houden met bijvoorbeeld cultuurhistorie of bodem. Verder staat in het Bro dat een plan moet voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
11/63
De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is een procesvereiste voor ruimtelijke plannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken (Bro art. 3.1.6 lid 2). “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen zijn ontwikkelingen, die nog niet eerder in een bestemmingsplan of ander juridisch verbindend ruimtelijk plan zijn opgenomen. Het mogelijk maken van meer dan 12 woningen wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan maakt de realisering van maximaal 60 woningen mogelijk. Het programma bestaat uit: • 18 appartementen goedkoop <sociale huur> [30%] • 6 rijwoningen middeldure huur <max. € 1.000,=> [10%] • 24 rijwoningen middelduur koop <tot € 355.000,=> [40%] • 12 rijwoningen/tweekappers vrije marktwaarde [20%] In totaal valt 80% in de categorie betaalbaar.
Het voorliggende plan is een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder en moet dus verantwoord worden vanuit de huidige behoefte. De planlocatie ligt binnen het bestaand stedelijke gebied. Het plangebied heeft namelijk al een stedelijke functie (sport en de functieaanduiding sporthal) die onderdeel uitmaakt van de kern Berghem. De ladderverantwoording is daarom alleen gericht op de beschrijving van de behoefte. Beschrijving behoefte In paragraaf 4.4.2 en 4.4.3 wordt toegelicht dat er kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is aan de woningen uit voorliggend plan. Het programma is daarmee verantwoord vanuit de Ladder voor duurzame verstedelijking. 4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug.
De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: • Rijksvaarwegen • Grote rivieren • Defensie • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen • Elektriciteitsvoorziening • Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen • Natuurnetwerk Nederland • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
12/63
De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. Beoordeling plan Voor dit bestemmingsplan zijn, gelet op de ligging, aard en omvang ervan, de regels uit het Barro niet van toepassing.
Het plangebied ligt weliswaar binnen het radarverstoringsgebied voor windturbines van zowel de radar van vliegbasis Volkel (114 meter) als de radar in Herwijnen (90 meter), het bestemmingsplan maakt geen windturbines of andere bouwwerken van deze hoogte mogelijk. Het Barro vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
De Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn: •
Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;
•
De verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsen;
•
De overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;
•
De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;
•
Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;
13/63
•
Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Beoordeling plan Het initiatief (transformatie van een bestaand bouwperceel van sportcentrum naar woonbuurt met 60 woningen) is dusdanig van aard en omvang dat de rijkbelangen uit de NOVI niet in het geding zijn. Het enige rijksbelang dat hier specifiek aan de orde is, is zorgvuldig ruimtegebruik. Voor dit aspect heeft het Rijk de ladder voor duurzame verstedelijking in het leven geroepen. In paragraaf 4.1.2 is hieraan getoetst. Daarnaast zal bij de verdere uitwerking op lokaal niveau rekening worden gehouden met een klimaatbestendige inrichting en een duurzame energievoorziening.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1 Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.
Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: • Werken aan de Brabantse energietransitie • Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant • Werken aan de slimme netwerkstad • Werken aan een concurrerende, duurzame economie Beoordeling plan De nieuwe woningen worden gerealiseerd op een bestaand bouwperceel binnen stedelijk concentratiegebied en zodoende is sprake van duurzame verstedelijking. De woningen voorzien in een actuele behoefte (zie paragraaf 4.1.2) en zullen voldoen aan hedendaagse duurzaamheidseisen. In het plangebied wordt rekening gehouden met klimaatadaptieve maatregelen zoals vasthouden en bergen van hemelwater binnen het plangebied en aanbrengen van groen om bijvoorbeeld hittestress tegen te gaan. Verderop in deze toelichting komen deze thema’s nog terug. De provinciale belangen uit de
14/63
Omgevingsvisie zijn in de Interim omgevingsverordening juridisch geborgd. In de volgende paragraaf vindt toetsing aan deze verordening plaats. Op deze plaats volstaat de conclusie dat het plan past binnen de beleidskaders van de Brabantse Omgevingsvisie. 4.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov) vastgesteld. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening zorgt voor kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. In april 2022 is de Interim Verordening Noord-Brabant gewijzigd. Deze wijzigingen zijn al doorgevoerd als voorloper op de Omgevingsverordening van de provincie die inwerking treedt als de Omgevingswet inwerking treedt. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen.
De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan regels voor: • Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo’n activiteit te mogen verrichten. Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf moet worden gegaan door een melding. • Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven Binnen het plangebied zijn voor de volgende werkingsgebieden rechtstreekse werkende regels van toepassing: • Diep grondwaterlichaam • Geen attentiezone waterhuishouding • Stalderingsgebied • Verbod uitbreiding veehouderij • Bescherming Natura2000 Diep grondwaterlichaam Dit werkingsgebied bevat rechtstreekse regels ten aanzien van milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen.
Volgens artikel 2.20 van de Interim omgevingsverordening is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden boven, in of onder een diep grondwaterlichaam. Dit bestemmingsplan maakt geen onconventionele winning van koolwaterstoffen mogelijk. Geen attentiezone waterhuishouding Dit werkingsgebied bevat rechtstreekse regels ten aanzien van milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen. Artikel 2.21 van de Interim omgevingsverordening regelt dat onder bepaalde voorwaarden geen vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, Waterwet, is vereist binnen de zone ‘Geen Attentiezone waterhuishouding’. De regels dienen dan ook, onverminderd de bepalingen uit dit bestemmingsplan, in acht te worden genomen bij het toepassen van bodemenergiesystemen.
15/63
Stalderingsgebied / Verbod uitbreiding veehouderij / Bescherming Natura2000 Deze werkingsgebieden zijn relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van landbouw. Binnen het plangebied is geen landbouwbedrijf aanwezig of toegestaan. Om die reden zijn deze werkingsgebieden voor dit plangebied niet relevant. Instructieregels voor gemeenten De instructieregels zijn gekoppeld aan aanduidingen op de verbeelding van de Iov. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende werkingsgebieden van belang: • Stedelijk gebied; Concentratiegebied • Stalderingsgebied Het werkingsgebied ‘Stalderingsgebied’ heeft betrekking op veehouderijen. Aangezien bij dit bestemmingsplan geen veehouderij betrokken is, is dit werkingsgebied voor dit bestemmingsplan niet relevant. Met dit bestemmingsplan wordt een stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. In de Iov is bepaald dat een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen, binnen ‘Stedelijk gebied’ dient te liggen. Dat is volgens de kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ het geval, aangezien het plangebied is gelegen binnen ‘Concentratiegebied’. In het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet verder onderbouwd worden dat het om een duurzame stedelijke ontwikkeling gaat en dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken.
In paragraaf 4.1.2 is dit al gemotiveerd. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In paragraaf 3.1.2 van de regels van de Iov zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de evenwichtige toedeling van functies. In de verordening is bepaald dat een bepaalde bestemming pas aan gronden mag worden toegekend als sprake is van een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Daarbij moet rekening worden gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering, en meerwaardecreatie. Van zorgvuldig ruimtegebruik is in dit geval duidelijk sprake. De ontwikkeling maakt gebruik van een bestaand bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Er vindt geen nieuw ruimtebeslag plaats. Bij de lagenbenadering komen de volgende lagen en thema’s aan de orde: • de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; • de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. • de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Al deze aspecten komen terug in deze toelichting bij het bestemmingsplan.
In het kort kan voor al deze aspecten geconcludeerd worden dat het plan voorziet in een duurzame ontwikkeling, waarbij voldoende rekening is gehouden met de thema’s binnen de lagen (zie hoofdstuk 5. Omgevingsaspecten). Vanuit de verschillende thema’s zijn er geen belemmeringen voor dit plan en het plan voorziet in een veilig en goed woon- en leefklimaat. De meerwaarde kan zitten in economische, ecologische en sociale aspecten die bij de ontwikkeling zijn betrokken. Ook de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In dit geval zit de meerwaarde met name in de omgevingskwaliteit. Een vrijkomend bouwperceel krijgt direct een nieuwe bestemming om woningbouw mogelijk te maken. Hiermee wordt voorkomen dat het sportcomplex leeg komt te staan en verpauperd. Met de nieuwe woningen wordt voldaan aan een actuele behoefte .
16/63
Conclusie Het plan past binnen de regels van de Iov. Er zijn geen provinciale belangen in het geding.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Structuurvisie Oss 2020 Op 1 maart 2006 is de structuurvisie voor de gemeente Oss vastgesteld. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente op de langere termijn (tot 2020). Het is de opvolger van het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan 1996 - 2015. In de visie zijn op het gebied van het wonen de volgende opgaven geformuleerd: 1. het versterken van de kwaliteit en de diversiteit van de woonmilieus; 2. het verhogen van de leefbaarheid in de wijken en de kernen; 3. het voorzien in de woningbehoefte, met name voor ouderen en jongeren; 4. het verhogen van de keuzemogelijkheden in het aanbod van woningen en woonmilieus; 5. het vasthouden van de huishoudens met de hogere inkomens. Ten aanzien van het voorzieningenniveau is in de visie neergelegd dat de gemeente Oss er naar zal streven een bereikbaar voorzieningenpakket voor de wijken en de kernen in stand te houden. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van 60 woningen op een bestaand bouwperceel binnen de gemeente. Het programma omvat diverse woningtypen (zowel goedkope koop als vrije sector) en specifiek ook levensloopbestendige woningen voor senioren. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan met name de 1, 3 en 4 zoals hierboven genoemd. Het plan past dan ook binnen de ambities van de Structuurvisie Oss 2020.
4.4.2 Wonen De Woonvisie Gemeente Oss 2020 formuleert de belangrijkste doelen en ambities voor het wonen in Oss voor de komende jaren. De woonvisie 2020 bestendigt de visie en ambities uit de Woonvisie 2013 en plaatst deze in het huidig tijdsgewricht. Daarbij geeft de Woonvisie 2020 de richting en focus op het gemeentelijk woonbeleid voor de komende jaren. Met de woonvisie wil de gemeente Oss aan vier ambities uitvoering geven: • Complete woongemeente. Aandacht voor de woonomgeving in bestaande wijken en kernen. Een flexibel en gedifferentieerd woningbouwprogramma. • Comfortabele woningvoorraad. Een woningvoorraad die aansluit bij de behoeften en wensen van de bewoners. De woningen zijn duurzaam en toekomstbestendig. • Een (t)huis van alle groepen inwoners. Aandacht voor de groep kwetsbare inwoners met een zorgbehoefte die in de toekomst in een reguliere woning moeten blijven wonen. Ook aandacht voor de inwoners met een middeninkomen en jongeren die in de koop- en huursector buiten de boot dreigen te vallen. • Versterking van de woonfunctie van Oss, ook in regionaal opzicht. 4.4.3 Portefeuillemanagement ‘Wonen’ Voor de bepaling van het woningbouwprogramma hanteert de gemeente Oss de systematiek van het Portefeuillemanagement Wonen (PFM Wonen Oss). Dit is ook vastgelegd in de Woonvisie 2020.
Er vindt periodiek een strategische afweging en prioritering van woningbouwprojecten plaats. De provinciale prognoses en de gemeentelijke doelstellingen voor woningbouw zijn de basis voor deze afweging. De systematiek van de PFM wordt steeds toegepast bij de afweging van nieuwe plannen voor woningbouw, telkens tegen de achtergrond van de meest actuele ontwikkelingen op de Osse woningmarkt.
17/63
De uitgangspunten van het portefeuillemanagement Wonen worden jaarlijks bijgesteld. Daarmee wordt aangesloten op de actuele behoefte en ontwikkelingen. De systematiek van de PFM werkt met een bandbreedte van de actuele provinciale woningbehoefteprognose en het model Oss met een verhoogde ambitie. Daarmee wordt ingespeeld op de oplopende tekorten op de woningmarkt, de ambitie om de woonfunctie van Oss te versterken en de noodzaak om tussentijdse vertraging bij planontwikkeling of planuitval op te kunnen vangen. Enkele uitgangspunten van de woningbouwprogrammering zijn: • Met het portefeuillemanagement bepalen we het woningbouwprogramma van Oss, zowel naar omvang als kwalitatieve samenstelling. Dit programma stemmen we af op de bestaande woningvoorraad en de behoefte van de verschillende doelgroepen qua woningtype, eigendomsvorm en woonmilieus. • PFM Wonen maakt het mogelijk om nieuwbouwprojecten in de hele gemeente strategisch af te stemmen in planning en prioriteit. De keuzen en prioritering maken we op basis van een afweging van beleidskeuzes uit de woonvisie. Maar ook de ruimtelijk-functionele meerwaarde voor een gebied, de verplichtingen uit het verleden en de financiën wegen we mee. • Voor de omvang van de woningbouwopgave wordt uitgegaan van een bandbreedte. De basisopgave is afgeleid van de meest recente prognose van de provincie Noord-Brabant (september 2020).
Het Osse model gaat uit van een extra inspanning voor de ontwikkeling van woningbouwplannen gezien de grote tekorten op de woningmarkt. Deze bandbreedte geeft de noodzakelijke flexibiliteit om planuitval en planvertraging op te vangen. Tegelijkertijd wil Oss de woningbouw op korte termijn versnellen gezien de oplopende tekorten op de woningmarkt en tegelijkertijd de woonfunctie van Oss versterken. De bandbreedte van de woningbouwopgave en de kwalitatieve doelstellingen vanuit de woonvisie is het kader waarbinnen we woningbouw in dit bestemmingsplan afwegen. • De provinciale prognose is berekend op het niveau van de totale gemeente. We vertalen deze prognose door naar de woningbehoefte in de verschillende gebiedsdelen van Oss. Voor het landelijke gebied is de opgave voor woningbouw gericht op de behoefte vanuit de natuurlijke bevolkingsontwikkeling in de kernen. Voor Geffen en Ravenstein wordt uitgegaan van extra programmering, gezien hun strategische ligging in de stedelijke zone Den Bosch – Nijmegen, in combinatie met de goede bereikbaarheid, voorzieningen en specifieke woonmilieus. Het zwaartepunt van stedelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouw, ligt in de stedelijke zone Oss-Berghem. Dit is ook het uitgangspunt van het provinciale beleid.
• De kwalitatieve samenstelling van het woningbouwprogramma is afgestemd op de behoefte vanuit de verwachte ontwikkeling van de bevolkingssamenstelling en de bevindingen uit verschillende onderzoeken1. De kwalitatieve opgave verschilt per gebiedsdeel (stedelijk gebied - landelijk gebied). Gezien de vergrijzing van de bevolking en de toename van kleinere huishoudens zijn starters en ouderen belangrijke doelgroepen. In de programmeringen liggen de hoofdaccenten bij toegankelijkheid, betaalbaarheid en duurzaamheid van de nieuwe woningen. Aandachtspunt blijft ook de verbreding naar toekomstgerichte woonmilieus en de versterking van Oss als woongemeente. • Voor de afweging en prioritering in het woningbouwprogramma zijn de mogelijkheden voor woningbouw in Oss in beeld gebracht. Op de eerste plaats is dit de zogenaamde harde plancapaciteit. Woningbouw is op deze plekken al rechtstreeks mogelijk op basis van de bestaande bestemmingsplannen en bouwvergunningen. Daarnaast hebben we ook de zachte plancapaciteiten in beeld gebracht. Dit zijn concrete initiatieven voor woningbouw, die al dan niet al in procedure zijn, globale plannen die in gebiedsvisies zijn opgenomen en mogelijkheden voor woningbouw door herontwikkeling of transformatie van bestaande gebouwen of functies.
Verantwoording Wonen Deze paragraaf geeft de verantwoording van de woningbouw in dit bestemmingsplan vanuit het gemeentelijke beleid, de provinciale bepalingen, regionale afspraken en de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De ontwikkeling van het programma voor woningbouw in dit bestemmingsplan is nadrukkelijk afgestemd op de uitgangspunten van de Woonvisie Oss
1 Onder andere de regionale woondeal Noordoost-Brabant (2023) ,de Regionale Woningmarktmonitor 2022, het Regionale Woonwensenonderzoek (2023).
18/63
2020 en PFM Wonen Oss, zoals eerder weergeven. Ook is rekening gehouden met de kaders vanuit de provincie en de regionale afspraken. Het plan Dit bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van 60 woningen, deels grondgebonden en deels appartementen. Er is sprake van een gedifferentieerde samenstelling in lijn met de Woonagenda Oss 2022-2024: • 18 appartementen sociale huur [30%] • 6 rijwoningen middeldure huur [10%] • 24 rijwoningen middeldure koop [40%] • 12 rijwoningen/tweekappers vrije marktwaarde [20%] In totaal valt 80% in de categorie betaalbaar. De capaciteiten voor woningbouw in dit bestemmingsplan hebben we afgewogen en beoordeeld volgens de systematiek van Portefeuillemanagement Wonen Oss (PFM Wonen). Met het PFM Wonen wordt zowel kwantitatief als kwalitatief sturing gegeven aan het totale woningbouwprogramma van de gemeente Oss. Regionaal kader woningbouw De gemeentelijke woningbouwplanning- en programmering is opgenomen in de Woondeal van de Regio Noord Oost Brabant (RNOB) en volgt de meest actuele provinciale prognose. De prognose van de provincie is gebaseerd op de verwachte ontwikkeling van de bevolking en huishoudens per gemeente. Hieruit is de verwachte behoefte aan woningen afgeleid. De meest actuele provinciale prognose is van september 2020. Over plannen voor wonen door inbreiding, herstructurering en transformatie wordt regionaal niet afgestemd.
Deze worden jaarlijks met elkaar gedeeld. Kwalitatieve woningbehoefte gemeente Oss Per 1 januari 2020 zijn er ongeveer 40.300 woningen in de gemeente Oss. Op basis van de provinciale woningbehoefteprognose 2020 moeten er tot 2030 nog circa 5.300 woningen toegevoegd worden (exclusief vervangende nieuwbouw). Tot 2040 is volgens de prognose een totale toevoeging van circa 8.500 woningen nodig. De gemeentelijke programmering gaat uit van een verhoogde opgave. Deze bandbreedte geeft de noodzakelijke flexibiliteit om planuitval en planvertraging op te vangen. Tegelijkertijd wil Oss de woningbouw op korte termijn versnellen gezien de oplopende tekorten op de woningmarkt en de ambitie om de woonfunctie van Oss te versterken. In onderstaande tabel is de bandbreedte van de woningprogrammering afgezet tegen de plancapaciteit in Oss.
bandbreedte opgave woningvoorraad prognose 2020 2023 t/m 2032 5.270 2032 t/m 2039 2.561 Totaal 7.381 Totaal 2022 - 2032 5.270 * inventarisatie augustus 2023 periode
gemeente Oss model Oss 5.985 2.371 8.356 5.985
concrete capaciteit* 5.012 0 5.012 5.012
De totale concrete capaciteit in woningbouwplannen voor de hele gemeente Oss bedraagt circa 5.000 woningen. Dit is niet alleen de harde plancapaciteit (juridisch bindende plannen, opgenomen in vastgestelde bestemmingsplannen of bouwvergunningen), maar ook woningbouw in concrete plannen, die nog in procedure zijn. Ook de concrete mogelijkheden tot
19/63
herontwikkeling of transformatie van bestaande bebouwing zijn hierin opgenomen. Duidelijk is dat Oss nog een opgave heeft om plancapaciteit voor woningen voor de hele gemeente uit te breiden. Daarom werkt Oss aan de (versnelde) planontwikkeling voor meerdere locaties in het stedelijk gebied en de landelijke kernen. De woningbehoefte in het stedelijk gebied Oss-Berghem De woningprogrammering in Oss is gebiedsgericht, zodat ingespeeld wordt op de woonbehoefte in de verschillende delen (kernenclusters) van de grote gemeente. Het zwaartepunt van de woningbouw ligt in de stedelijke zone van Oss langs de A59. Naast het stedelijke gebied Oss-Berghem zijn dit ook de kernen Geffen en Ravenstein. Voor het stedelijk gebied wordt uitgegaan van een behoefte met een bandbreedte van 5.900-6.600 woningen voor de periode 2023-2040. Uitgaande van een capaciteit van circa 4.500 woningen, is het nodig om nieuwe woningen toe te voegen om in de woningbehoefte te voorzien. Onderstaande tabel geeft dit weer (de concrete capaciteit is inclusief voorliggend plan). De kwalitatieve behoefte In de Woonvisie Oss 2020 en PFM Wonen Oss is een indicatieve raming gemaakt van de behoefte aan verschillende kwaliteiten, met een onderscheid naar woningtype, eigendomsvorm, woonmilieus en prijssegmenten2.
De raming is gebaseerd op recente woningmarktonderzoeken en ontwikkelingen in de woningmarkt van Oss en de regio. Hierbij is ook rekening gehouden met de wisselwerking met de bestaande woningvoorraad en de behoefte vanuit de verschillende doelgroepen (starters, gezinnen, ouderen, inkomensklassen e.d.). Gezien de verwachte bevolkingsontwikkeling wordt er een toenemende behoefte aan woningen voor kleinere huishoudens en ouderen voorzien, als gevolg van vergrijzing van de samenleving en gezinsverdunning. In de kwalitatieve raming is dit vertaald naar een toenemend aandeel appartementen of levensloopbestendige woningen. Belangrijk is ook de betaalbaarheid van wonen, met een blijvende behoefte aan betaalbare woningen (zowel koop als huur) en vrije sector huur. Dit is onder andere het gevolg van de sterk gestegen woningprijzen, de beperkte toegankelijkheid van de sociale sector en de toenemende behoefte aan kleinere woningen. Opgave tot 2040 versus capaciteit stedelijk gebied 3.000
2.000 1.000 0
sociale huur vrije sector goedkope middeldure dure koop huur koop koop prognose 2020
model Oss
concrete capaciteit*
2 De prijssegmenten 2023 zijn als volgt: huur goedkoop, kale huur < liberalisatiegrens; huur middelduur, kale huur > liberalisatiegrens; koop goedkoop < €
240.000; koop middelduur, > € 240.000 < €405.000, koop duur > € 405.000. Deze prijsgrenzen zijn gekoppeld aan landelijke standaarden zoals de liberalisatiegrens, de NHG grens en de consumentenprijsindex en zullen daarom per jaar meebewegen met deze landelijke standaarden.
20/63
Tot 2040, stedelijk gebied appartementen grondgebonden 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 prognose 2020
model Oss
appart./levensloopbestendig
concrete capaciteit* Grondgebonden
Bovenstaande figuren geven de indicatieve behoefte voor het stedelijk gebied Oss-Berghem weer versus de concrete capaciteit (bron: PFM Wonen Oss, 2023). Zichtbaar is een tekort in o.a. het betaalbare koopsegment en de sociale huur. Bij de programmering van het plan aan de Osseweg is rekening gehouden met bovenstaande behoefteraming. Dit heeft geleid tot een gevarieerd woningprogramma met een diverse soorten huur en koopwoningen, zoals eerder bij de planbeschrijving weergegeven. Met de geschetste samenstelling voorziet het plan in de behoefte van verschillende doelgroepen, zowel in de huur als koop in verschillende woningtypen. Ook wordt er ingezet op zowel grondgebonden programma als levensloopbestendige/gelijkvloerse appartementen. Hiermee wordt ingespeeld op de toenemende behoefte van oudere en kleinere huishoudens. Conclusie De ontwikkeling van circa 60 woningen aan de Osseweg in Berghem in voorliggend plan sluit aan bij de woningbehoefte van gemeente Oss en in het bijzonder het stedelijk gebied Oss-Berghem – zowel naar omvang als naar type woningen. Daarmee is het programma verantwoord vanuit de Ladder voor duurzame verstedelijking en sluit het plan aan bij de Woonagenda van provincie, regio en de gemeente Oss.
4.4.4 Visie Stedelijk gebied Oss-Berghem De Visie Stedelijk gebied Oss-Berghem vormt samen met de gebiedsvisies voor het Buitengebied en voor Stadjes & Kernen de bouwstenen voor de integrale omgevingsvisie voor de gemeente Oss. De omgevingsvisie is een van de belangrijke beleidsinstrumenten onder de Omgevingswet die op 1 januari 2024 wordt ingevoerd. In de gebiedsvisie geeft gemeente Oss aan wat de visie en voorstellen zijn voor de ontwikkeling van het stedelijk gebied Oss-Berghem. Dit wordt gedaan aan de hand van verschillende thema’s: gezond & veilig, duurzaam (energie, klimaat & biodiversiteit), ondernemen, wonen en mobiliteit. Ook zijn een aantal bijzondere deelgebieden binnen het stedelijk gebied onderscheiden die nu al in ontwikkeling zijn en waaraan ook de komende jaren nog wordt gewerkt, maar ook nieuwe gebieden waarmee komende jaren aan de slag wordt gaan. In de visie Stedelijk gebied Oss-Berghem is de specifiek een visie opgenomen voor ‘Berghem: dorp binnen het stedelijk gebied’. In Berghem wordt ingezet op het behoud van de ruimtelijke identiteit en eigenheid van Berghem als dorp binnen het stedelijke gebied Oss-Berghem. Grootschalige uitleglocaties zijn niet voorzien de komende jaren.
Wel blijft er ruimte voor kleinschalige toevoegingen die passen bij de aard en schaal van het dorp, vooral door ‘verdichting’ van percelen en herontwikkeling van verouderde panden of een enkele kleinschalige ontwikkeling aan de rand van het dorp. Bij nieuwe woningbouw is het belangrijk dat er wordt ingespeeld op de behoefte aan betaalbare en kwalitatief goede woningen voor kleinere huishoudens, waaronder ouderen en starters.
21/63
Beoordeling plan Voorliggend plan past binnen de Visie Stedelijk gebied Oss-Berghem. Het betreft namelijk geen grootschalige uitleglocatie, maar herontwikkeling van een bestaand bouwperceel binnen het stedelijk gebied. Daarbij zal de sporthal plaatsmaken voor een woningbouwontwikkeling die stedenbouwkundig aansluit bij de naastgelegen woonbuurt en de aard en schaal van het dorp. Er is geen hoogbouw voorzien, maar hoofdzakelijk grondgebonden woningen en een kleinschalig appartementencomplex met 18 wooneenheden (drie bouwlagen). In het programma is rekening gehouden met de ambitie om betaalbare en goede woningen voor kleinere huishoudens te realiseren. Zo bevat het plan appartementen binnen de sociale huursector, grondgebonden huurwoningen, middeldure koopwoningen en seniorenwoningen.
22/63
HOOFDSTUK 5. OMGEVINGSASPECTEN 5.1
Natuur
5.1.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.1.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen.
Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie van de regels en criteria voor een bijzondere boom is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. Binnen of rondom het plangebied zijn geen bijzonder waardevolle bomen aanwezig. Bestaand groen Op 28 juni 2018 heeft de Gemeenteraad van Oss de motie ‘Consequenties voor groen in ruimtelijke plannen duidelijker in beeld’ aangenomen. In de motie wordt uitgesproken dat bij ruimtelijke plannen duidelijker naar de gemeenteraad en de inwoners moet worden gecommuniceerd wat de consequenties zijn voor het groen. Op 10 november 2022 is de motie “Behoud bestaand groen” door de gemeenteraad aangenomen.
De motie geeft aan dat groen behouden zou moeten blijven, ook als er bijvoorbeeld sprake is van nieuwbouw, en dat waar groen toch moet wijken compensatie zou moeten plaatsvinden. De beide moties krijgen invulling in het programma Klimaatadaptatie via de “koersnota klimaatrobuust Oss” die op het moment van schrijven van deze toelichting in voorbereiding is. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels bebouwd of verhard. Aan de randen (westen en noorden) is het plangebied groen omzoomd met gras en bomen. In het parkeerterrein aan de voorzijde van het perceel bevinden zich enkele kleine groen/boomvakken. Aan de oostzijde van het plangebied ligt gazon.
23/63
In de beoogde situatie wordt blijft het plangebied groen omzoomd. Ook blijft groen van een soortgelijke omvang behouden aan de oostzijde van het plan. Dit groen wordt in tegenstelling tot de huidige situatie openbaar groen, waardoor dit groen kan uitnodigen tot spelen en ontmoeten. Tot slot wordt ook groen het plangebied ingebracht, door het toepassen van groenstroken en aanplant van bomen in de woonstraten. Bomen en openbaar groen zijn onder andere belangrijk vanwege het tegengaan van hittestress en de mogelijkheid om water te infiltreren in de bodem. Hoewel een aantal bomen voor dit plan zal moeten verdwijnen (zoals eerder uit deze paragraaf blijkt gaat het niet om waardevolle bomen), blijft een deel van het groen behouden, worden nieuwe bomen aangeplant en zal het plangebied per saldo vergroenen ten opzichte van de huidige situatie. 5.1.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Soortenbescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van deze gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie.
Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Gebiedsbescherming Voor de Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Om die reden is voor dit bestemmingsplan een stikstofdepositieberekening gemaakt, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.
Uit het onderzoeksrapport blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de gebruiksfase en aanlegfase kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen.
24/63
Quickscan natuurwetgeving Om die reden is voor dit bestemmingsplan quickscan natuurwetgeving uitgevoerd, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. In het onderzoeksrapport zijn de volgende conclusies getrokken: • Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën: In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. • Vleermuizen: Het sportcomplex bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze bebouwing kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Daarom is nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd in de hiervoor meest geschikte periode (zie verderop in deze subparagraaf).
• Vogels: In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Nader onderzoek vleermuizen De quickscan natuurwetgeving gaf aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek naar vleermuizen. Er is onderzoek verricht naar foerageergebieden, zomerverblijfplaatsen, winterverblijfplaatsen en kraam- en paar verblijfplaatsen: • Foerageergebieden: Gedurende het onderzoek is een foerageergebied van gewone dwergvleermuizen vastgesteld.
De groenstructuren grenzend aan het gebouw gaan mogelijk verloren bij het slopen van het sportcentrum, waardoor het niet meer zal functioneren als foerageergebied voor vleermuizen. Echter, in de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied in de vorm van groenstroken en bomenrijen. De voorgenomen plannen hebben daarom geen invloed op het foerageergebied van de vleermuizen. Wel is het belangrijk om werkzaamheden in de daglichtperiode uit te voeren, zodat geen verstoring op foeragerende en langsvliegende vleermuizen door kunstlicht plaats kan vinden. Indien verlichting gedurende de avond noodzakelijk is, wordt geadviseerd om verlichting met afschermde armatuur te gebruiken, de ledlampen naar beneden te richten en/of amber/rode verlichting te gebruiken. • Verblijfsplaatsen: In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. De werkzaamheden hebben geen invloed op verblijfplaatsen van vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op vleermuizen zolang de werkzaamheden overdag worden uitgevoerd. Het uitvoeren van de werkzaamheden gedurende de avonduren met bouwlampen kan foeragerende vleermuizen verstoren. Zorgplicht De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb.
In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan
25/63
vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Zo dient het plangebied tijdig onaantrekkelijk gemaakt te worden als leefgebied voor kwetsbare soorten die mogelijk in het plangebied kunnen voorkomen en dienen werkzaamheden bij voorkeur plaats te vinden buiten kwetsbare perioden van deze soortengroepen. Als tijdens de bouw- en aanlegwerkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, dienen dusdanige maatregelen te worden genomen dat de schade aan deze soorten zo veel mogelijk wordt beperkt. Conclusie Dit plan heeft geen significant nadelige effecten voor beschermde soorten en gebieden. Bij realisatie van het plan dient de algemene zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van de bescherming van eventueel aanwezige soorten. Daarbij dient specifiek aandacht te zijn voor foeragerende en langsvliegende vleermuizen. Daarom wordt geadviseerd om werkzaamheden zo veel mogelijk in de daglichtperiode uit te voeren.
Indien verlichting gedurende de avond noodzakelijk is, wordt geadviseerd om verlichting met afschermde armatuur te gebruiken, de ledlampen naar beneden te richten en/of amber/rode verlichting te gebruiken.
5.2
Archeologie en Cultuurhistorie
5.2.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.