toelichting Kromstraat Oss-2021.PDF
Tekst van het document
bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. Spelen Het beleid voor speelvoorzieningen in de gemeente Oss is vastgelegd in het beleidsplan ‘Speelruimtebeleid in Oss’. De gemeente Oss wil met het speelruimtebeleid bereiken dat kinderen en jongeren vaak, goed en veilig in de openbare ruimte kunnen spelen of verblijven. Voor een bespeelbare openbare ruimte hanteert de gemeente een aantal uitgangspunten: spreiding en inrichting van formele speelplekken, nieuwe verdeling van speelplekken en het idee ‘meer met minder’. Daarbij gaat de gemeente ervan uit de speelruimte veilig, uitdagend en divers is, voor verschillende doelgroepen. Er moet voldoende ruimte zijn voor spel en initiatief. Niet alle ruimte wordt gedefinieerd, zodat er plaats is voor informele speelruimten. De gemeente grijpt natuurlijke momenten aan waarop dit beleid wordt vormgegeven in concrete projecten. In veel gevallen is er noodzakelijk groot onderhoud, een herinrichting, een nieuwe inrichting of een veranderde vraag.
4.4.7 Water Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: Veilig en bewoonbaar; Voldoende water en robuust watersysteem; Schoon water; Gezond en natuurlijk water; Het leveren van maatschappelijke meerwaarde. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels.
Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Het gemeentelijke beleid voor water is uitgewerkt in het ‘Plan Watertaken’. Volgens dit plan wordt voor de komende tijd ingezet op onderstaande ruimtelijk relevante zaken: - Duurzame instandhouding van het systeem waarbij beperking van overlast en schade voorop staan;
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 24 van 59 voorontwerp
- Doorzetten van anders omgaan met afstromend regenwater. Dit betekend voor nieuwe gebieden dat hemelwater niet wordt gemengd met afvalwater. In bestaand gebied wordt bij rioolvervanging waar mogelijk ook regenwater niet meer afgevoerd via de riolering maar lokaal verwerkt oftewel afgekoppeld; Op lange termijn is dit goed voor mens, milieu en portemonnee. Lokaal vasthouden van hemelwater draagt bij aan een gezonde leefomgeving, duurzaam omgaan met water en opvang van klimaatverandering; - Via het watertoetsproces wordt in ruimtelijke plannen noodzakelijke ruimte voor water en waterveiligheid verzekerd. Waterveiligheid en hydrologisch neutraal ontwikkelen zijn daarbij leidend; - In het landelijke gebied werkt de gemeente samen met het waterschap aan de invulling van de Ecologische verbindingszones (EVZ) langs waterlichamen als uitwerking van reconstructieafspraken en afspraken in het kader van de KaderRichtlijn Water (KRW). In het gemeentelijk Waterplan uit 2005 is een lange termijn visie op water in Oss opgenomen. Deze visie, een gezamenlijk product van gemeente en waterschap, is nog steeds de gewenste ontwikkeling en is daarom opnieuw in dit plan opgenomen als vertrekpunt voor beleid in de komende planperiode. .
Uitgangspunt van het beleid is dat er in Oss naar een duurzaam watersysteem wordt gestreefd, waarbij voorkomen wordt dat de problemen worden afgewenteld naar elders of naar later. Aan de hand van vier thema’s wordt het waterbeleid verder uitgewerkt. Beleving van water Oss streeft naar een functioneel, veerkrachtig en mooi watersysteem met zichtbaar en veilig water waardoor een prettige leefomgeving ontstaat. Water als ordenend principe De gemeente wil rekening houden met water tijdens het ontwerp van nieuwe wijken. Water is steeds meer ordenend. Er wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Herinrichting of nieuwbouw mag dus niet leiden tot een grotere afvoer uit het plangebied. Het beleid is erop gericht om veel meer en langer water vast te houden, te bergen en pas daarna af te voeren. Waterkwaliteit Oss streeft naar water dat helder en schoon is. De kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater moet op alle punten aan de vereiste ecologische en milieukwaliteitsmaatstaven voldoen. De vuiluitworp van overstorten en andere lozingen mogen het oppervlaktewater niet nadelig beïnvloeden. Voor de waterkwaliteit wordt de strategie gevolgd van schoon houden, schoon en vuil scheiden, zuiveren. Waterketen De gemeentelijke riolering moet op termijn volledig voldoen aan het waterkwaliteitsspoor.
Om dit te bereiken wordt zoveel mogelijk regenwater afgekoppeld van het riool en worden de schoon- en vuilwaterstromen zoveel mogelijk gescheiden. Al het afvalwater moet worden gezuiverd. 4.4.8 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 25 van 59 voorontwerp
vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden. In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Parkeren Het ‘Parkeerbeleidsplan Oss’ is in oktober 2005 vastgesteld door de gemeenteraad van Oss. In de notitie ‘Parkeernormen 2017 gemeente Oss’ (in december 2016 door het college van B&W vastgesteld) zijn de parkeernormen geactualiseerd. Uitgangspunt is dat er voldoende parkeerplaatsen zijn voor bewoners en bezoekers. Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. De parkeervraag wordt bepaald op basis van de parkeernormen. In hoofdstuk 6 van deze toelichting wordt het plan getoetst aan de parkeernormen van de gemeente Oss. Het initiatief is gelegen in de nabijheid van een spoorlijn en op ca. 1.250 meter van het station, hetgeen stimuleert tot gebruikmaking van het openbaar vervoer. Ook het centrum van Oss is prima per fiets te bereiken. Verder zal het aantal benodigde parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen het plangebied.
Toekomstige bewoners zullen hun auto’s dus niet in de Kromstraat hoeven te parkeren. 4.4.9 Prostitutiebeleid Op 1 oktober 2000 is de opheffing van het bordeelverbod in werking getreden. Het gemeentelijk beleid inzake prostitutie heeft zijn juridische neerslag gevonden in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Oss. Het doel van het gemeentelijk prostitutiebeleid is door middel van een vergunningenstelsel invloed uit te oefenen op de aard en het aantal van prostitutiebedrijven en daarmee te voorkomen dat de aanwezigheid van deze bedrijven leidt c.q. kan leiden tot aantasting van de openbare orde en/of veiligheid, woon- en/of leefklimaat of andere vormen van overlast. Raam en straatprostitutie zijn verboden. De vestiging van seksinrichtingen en escortbedrijven is alleen mogelijk na vergunningverlening. Voor de vestiging van seksinrichtingen is een concentratiegebied aangewezen, waarbij het aantal inrichtingen is gemaximaliseerd. Het plangebied van dit bestemmingsplan valt niet binnen het concentratiegebied. 4.4.10 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld.
Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘Archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid (opnieuw) vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 26 van 59 voorontwerp
Verwachting/waarde
Vrijstellingsgrenzen
Archeologisch beschermd rijksmonument
0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Geen onderzoeksplicht
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
Vanuit het archeologiebeleid geldt voor het bestemmingsplangebied een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm – het maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 27 van 59 voorontwerp
Hoofdstuk 5
Verantwoording
5.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering (§ 5.1.1) - Bodem (§ 5.1.2) - Externe veiligheid (§ 5.1.3) - Geurhinder: agrarisch (§ 5.1.4) - Geur: industrieel (§ 5.1.5) - Luchtkwaliteit (§ 5.1.6) - Mobiliteit en parkeren (§ 5.1.7) - Straling (§ 5.1.8) - Trillingshinder (§ 5.1.9) - Water (§ 5.1.10) - Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 5.1.11) - Gezondheid (§ 5.1.12) 5.1.1
Bedrijven en milieuzonering
Rijkskader Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodemof luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Tabel Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien de richtafstand wel wordt overschreden, dan dient de feitelijke situatie te worden bezien en een afweging te worden gemaakt.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 28 van 59 voorontwerp
Doorvertaling bestemmingsplan Het plangebied grenst aan de oostzijde aan gronden die de bestemming ‘Gemengd – 4’ hebben (kadastraal bekend als gemeente Oss, sectie E, nummer 372). Ingevolge deze bestemming zijn bedrijven genoemd in de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan (met dien verstande dat geluidzoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen, vuurwerkbedrijven en zelfstandige kantoren zijn uitgesloten). Uitgegaan kan worden van het omgevingstype gemengd gebied. In de omgeving zijn immers meerdere functies naast elkaar gelegen in de nabijheid van het spoor. Dit betekent dat een richtafstand van 10 m van toepassing is. De afstand tussen kadastraal perceel 372 en de twee meest nabij gelegen woningen bedraagt minder dan 10 meter. De overige woningen liggen op een afstand van meer dan 10 meter. Wat betreft de twee meest nabij gelegen woningen wordt de richtafstand van 10 m dus niet gehaald. In dit geval moet de feitelijke situatie worden bezien en een afweging worden gemaakt. Aangezien het direct aangrenzende deel van het perceel met nummer 372 een grotendeels groene inrichting heeft met bomen en hier momenteel geen bedrijfsactiviteiten, behoudens opslag van materialen in een loods, plaatsvinden, kan, ondanks dat de richtafstand niet wordt gehaald, gesteld worden dat ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Omgekeerd kan worden gesteld dat het bedrijf ter plaatse van kadastraal perceel 372 niet in haar huidige bedrijfsvoering wordt beperkt. Aan de overzijde van het spoor is op het bedrijventerrein Euterpelaan ook een aantal gronden met bedrijfsbestemmingen te vinden. Deze gronden hebben de bestemmingen ‘Gemengd - 1’, ‘Gemengd – 2’ en ‘Gemengd – 3’. Ingevolge deze bestemmingen zijn bedrijven genoemd in de categorieën 1 en 2 van de milieuzoneringslijst toegestaan met dien verstande dat dat geluidzoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen, vuurwerkbedrijven en zelfstandige kantoren zijn uitgesloten. Bedrijven die voorkomen in een andere categorie dan de categorieën 1 en 2 (wederom met dien verstande dat geluidzoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen, vuurwerkbedrijven en zelfstandige kantoren zijn uitgesloten) zijn uitsluitend in de aangegeven categorie en lager toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en categorie’.
Ten aanzien van de bedrijven die vallen in de categorieën 1 en 2 kan worden uitgegaan van omgevingstype gemengd gebied, hetgeen betekent dat de richtafstand 10 m bedraagt. De betreffende bedrijven zijn alle gelegen op een afstand van meer dan 10 m van het plangebied. Direct aan de overzijde van het spoor is, op het bedrijventerrein Euterpelaan, aan de Willaertstraat 4 een perceel gelegen met de aanduiding milieucategorie 3.2. Hierbij geldt, uitgaande van omgevingstype gemengd gebied, een richtafstand van 50 m. De afstand tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de uiterste situering van de gevel van een woning die het bestemmingsplan mogelijk maakt bedraagt ongeveer 80 m. Hiermee wordt dus voldaan aan de richtafstand. Daarnaast is iets verder op het bedrijventerrein Euterpelaan, aan de Sweelinckstraat 8, nog een bedrijf in milieucategorie 3.2 gelegen, te weten Dalco Food. Ook hierbij geldt uitgaande van omgevingstype gemengd gebied, een richtafstand van 50 mDe afstand tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de uiterste situering van de gevel van een woning die het bestemmingsplan mogelijk maakt bedraagt ongeveer 175 m. Ook hier wordt dus voldaan aan de richtafstand. Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 29 van 59 voorontwerp
5.1.2 Bodem Rijkskader Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Doorvertaling bestemmingsplan In het kader van het onderhavige woningbouwinitiatief zijn drie bodemonderzoeken uitgevoerd: Verkennend bodemonderzoek Kromstraat 82 te Oss (NIPA Milieutechniek BV, 21 januari 2019); Verkennend bodemonderzoek Kromstraat 64 te Oss (NIPA Milieutechniek BV, 10 juni 2020); Aanvullend bodemonderzoek Kromstraat 64 (grondwater) en Kromstraat 82 (PFAS) te Oss (NIPA Milieutechniek BV, 21 oktober 2020). Deze onderzoeken zijn respectievelijk als bijlagen 1, 2 en 3 bij de toelichting gevoegd. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder weergegeven: Verkennend bodemonderzoek Kromstraat 82 te Oss Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet (noemenswaardig) verontreinigd zijn met de onderzochte parameters.
Verkennend bodemonderzoek Kromstraat 64 te Oss Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de zintuiglijk schone bovengrond licht verontreinigd is met PAK en DDD en een verhoogd gehalte aan PFAS bevat. De bijmenginghoudende bovengrond is licht verontreinigd met lood, PCB en PAK. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verontreinigingen zijn aangetoond. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek wordt niet zinvol geacht. Tegen de toekomstige bebouwing van de onderzoekslocatie zijn op grond van het onderzoek geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Opgemerkt dient te worden dat op basis van PFAS de grond niet toegepast mag worden in grondwaterbeschermingsgebieden. Indien grond afgevoerd moet worden van de locatie, dient rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen van de vrijkomende grond. Conform de Regeling bodemkwaliteit mag de grond slechts onder voorwaarden worden hergebruikt. Eventueel vrijkomende grond mag echter wel op de locatie worden hergebruikt. Grond die binnen de gemeente wordt hergebruikt kan, als de gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, op basis van dit rapport hergebruikt worden. Indien de gemeente niet over een bodemkwaliteitskaart beschikt of de grond buiten de grenzen van de bodemkwaliteitskaart toegepast zal worden, dient een partijkeuring conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001 uitgevoerd te worden.
Aanvullend bodemonderzoek Kromstraat 64 (grondwater) en Kromstraat 82 (PFAS) te Oss Uit de resultaten van het grondwateronderzoek (Kromstraat 64) blijkt dat hoewel de zuurgraad relatief laag is, de gemeten waarden relatief normaal te noemen zijn voor grondwater in de omgeving. Uit het grondwatermonster blijkt verder dat het grondwater licht verhoogde gehaltes aan cadmium en zink bevat. Minerale olie, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en/of overige parameters uit het standaard analysepakket zijn niet aangetoond in gehaltes boven de streefwaarden. Uit de resultaten van het PFAS onderzoek (Kromstraat 82) blijkt dat de gehaltes aan PFAS voldoen aan het van toepassing zijnde handelingskader en regelgeving. Zie het onderzoek voor een uitgebreidere analyse. Conclusie Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 30 van 59 voorontwerp
5.1.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.
Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Doorvertaling bestemmingsplan In het kader van het onderhavig woningbouwinitiatief zijn diverse onderzoeken op het gebied van externe veiligheid uitgevoerd: Quickscan Externe Veiligheid (BRO, 6 september 2019); Onderzoek Externe Veiligheid Spoor (Windmill, 18 november 2019); Verantwoording hoogte groepsrisico (Windmill, 20 november 2019). Deze onderzoeken, die respectievelijk als bijlagen 4, 5 en 6 aan de toelichting zijn toegevoegd, zijn op 3 februari 2020 beoordeeld door de Veiligheidsregio Brabant Noord (Brandweer) in het kader van het ingediende principeverzoek ‘Kromstraat Oss’. Ook deze beoordeling is als bijlage 7 aan de toelichting toegevoegd.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 31 van 59 voorontwerp
De belangrijkste bevindingen zijn hieronder weergegeven: Quickscan Externe Veiligheid In deze quickscan zijn op basis van de Risicokaart van Nederland de externe veiligheidsrisico’s ter plaatse van de nieuwe woningen geanalyseerd. In de (directe) omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen en buisleidingen waardoor een nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Wel is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van de spoorlijn Den Bosch – Oss – Nijmegen. Een verantwoording van het groepsrisico is daarom noodzakelijk. Gezien de zeer nabije afstand is tevens een RBMII-berekening noodzakelijk. Onderdeel van de verantwoordingsplicht is het wettelijke, door de gemeente aan te vragen, advies ten aanzien van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid door de regionale brandweer/veiligheidsregio. Externe Veiligheid spoor Uit het onderzoek blijkt dat voor het spoortraject Den Bosch Diezebrug aansl. – Nijmegen geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6/jaar) aanwezig is ter plaatse van het plangebied. Een plasbrandaandachtsgebied (PAG) is eveneens niet aanwezig. Het PR alsmede het PAG ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor vormen geen belemmering voor de planvorming.
Aangetoond is dat ter hoogte van het plangebied in de huidige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden, zelfs lager is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Als gevolg van de planontwikkeling wijzigt de personendichtheid binnen het plangebied. De gewijzigde populatieaantallen resulteren niet in een rekenkundige toe- of afname van de hoogte van het groepsrisico, en is ongewijzigd lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gelet op het feit dat de hoogte van het groepsrisico ongewijzigd blijkt, kan ingevolge artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) volstaan worden met een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Zie hieronder. Verantwoording hoogte groepsrisico In het rapport ‘Verantwoording hoogte groepsrisico’ worden de relevante scenario’s in relatie tot het plangebied, te weten een toxische wolk, een BLEVE (boiling liquid expanding vapor explosion) en een plasbrand worden beschreven. Op deze manier wordt een invulling gegeven aan de3 verantwoordingsplicht ingevolge het Bevt. Op 3 februari 2020 heeft de Veiligheidsregio Noord-Brabant (Brandweer) een advies uitgebracht over de externe veiligheid en de uitgevoerde onderzoeken. Zij adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen.
Geadviseerd wordt om de gevels van de woningen aan het spoor aan de spoorzijde minimaal 30 minuten brandwerend te zijn voor een hittestraling van 35 kw/m². Dit in combinatie met de beschreven keerwand uit bijlage 5 zorgt voor een veilige vluchtweg voor de aanwezigen in het plangebied. Een alternatief is de keerwand voldoende hoog maken en deze brandwerend uitvoeren waardoor de hittestraling het plangebied niet kan bereiken. De eis van de brandwerende keerwand en/of de brandwerende gevels zal als voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan worden opgenomen. Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.
In de nadere uitwerking van het plan zal met dit advies rekening worden gehouden.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 32 van 59 voorontwerp
Tussenconclusie Het woningbouwinitiatief voldoet aan de eisen die uit het Rijkskader voortvloeien. Gemeentelijk kader Naast het rijkskader heeft de gemeente Oss ook een eigen gemeentelijke visie op externe veiligheid. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie externe veiligheid Oss vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Doorvertaling bestemmingsplan De woningen worden binnen 30 m van de spoorweg gerealiseerd. Hiermee vallen ze ingevolge het gemeentelijk beleid binnen zone I (‘plasbrandaandachtsgebied’). Woningen worden ingevolge Bijlage 1 bij de Beleidsvisie externe veiligheid Oss aangemerkt als kwetsbare objecten (KO). Binnen de pr-10-6-contour zijn woningen uitgesloten, daarbuiten dient te worden gemotiveerd (zwaarte 1) waarom er een noodzaak bestaat om de woningen binnen 30 m van de spoorlijn te realiseren. In onderhavig geval is voor het spoortraject Den Bosch Diezebrug aansl. – Nijmegen geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6/jaar) aanwezig ter plaatse van het plangebied. Dit vloeit voort uit het hierboven genoemde onderzoek Externe veiligheid spoor (Windmill, 18 november 2019). Wel dient de noodzaak om woningen op deze plek te realiseren te worden aangetoond.
Die noodzaak kunnen wij in dit geval als volgt onderbouwen: De afstand van zone 1 (0-30 m) is ingegeven vanuit een oorspronkelijk aanwezig plasbrandaandachtsgebied. Dit plasbrandaandachtsgebied ligt er nu feitelijk niet meer (zie ook het hierboven genoemde onderzoek Externe veiligheid spoor); Het plan maakt het mogelijk om woningen te bouwen waaraan een grote behoefte is; De locatie is ruimtelijk geschikt voor de bouw van dit soort woningen; Een alternatieve verkaveling is afgewogen. De indeling van het terrein maakt dit echter onmogelijk, vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van het spoor en de bestaande woningen alsmede de ontsluiting van de nieuw te bouwen woningen aan de Kromstraat (enige toegang tot het plangebied); Het woninginitiatief heeft een positieve functieverandering tot gevolg. Op dit moment zijn er in het plangebied op basis van het bestemmingsplan allerlei functies mogelijk (horeca, maatschappelijke voorzieningen, andere bedrijvigheid). Via dit bestemmingsplan zal de bestemming worden gewijzigd naar wonen waardoor het risico op overlast afneemt. Door de komst van het onderhavige initiatief zal tevens de verkeersveiligheid verbeteren.
Zo zal het aandeel zwaar transport (afkomstig van het te slopen transportbedrijf) verdwijnen; In de afweging is tot slot uiteraard van belang dat de Veiligheidsregio Brabant-Noord positief heeft geadviseerd over het plan en er een aantal maatregelen wordt genomen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. Tussenconclusie Het woningbouwinitiatief voldoet aan de eisen die uit het gemeentelijk beleid voortvloeien. Eindconclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.1.4 Geurhinder: agrarisch Rijkskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 33 van 59 voorontwerp
Gemeentelijk kader De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Doorvertaling bestemmingsplan Er zijn in de (directe) omgeving van het plangebied geen veehouderijen gelegen waardoor het aspect ‘agrarische geur’ geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief. Conclusie Het aspect 'agrarische geur' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 34 van 59 voorontwerp
5.1.5 Geurhinder: industrieel Rijkskader Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Provinciaal en gemeentelijk kader Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Doorvertaling bestemmingsplan In de nabijheid van het plangebied (op het bedrijventerrein Euterpelaan aan de overzijde van het spoor) is een industrieel geurveroorzakend bedrijf in milieucategorie 3.2 aanwezig, te weten Dalco Food. Ingevolge de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' geldt, uitgaande van omgevingstype gemengd gebied, een richtafstand van 50 m. De afstand tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de uiterste situering van de gevel van een woning die het bestemmingsplan mogelijk maakt bedraagt ongeveer 175 m. Hiermee wordt dus voldaan aan de richtafstand. Conclusie Het aspect 'industriële geur' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.1.6 Luchtkwaliteit Rijkskader Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 35 van 59 voorontwerp
Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. Gemeentelijk kader De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Doorvertaling bestemmingsplan NIBM-project De realisatie van 29 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ruim binnen de NIBM-regeling, zodat onderzoek op grond van de Wet milieubeheer niet noodzakelijk is. Zie hiervoor ook de onderstaande worstcase berekening. Dit betekent dat de ontwikkeling zelf geen onaanvaardbaar effect op de omgeving heeft.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 36 van 59 voorontwerp
Luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied
Afbeelding 5.1 NSL monitoringstool In het kader van artikel 5.16 Wm zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Uit de NSL monitoringstool (waarbij het nabij het plangebied gelegen rekenpunt 34825 aan de Doctor Saal van Zwanenbergsingel als uitgangspunt is genomen) blijkt dat voor 2020 de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar worden overschreden. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat ter hoogte van het meest nabij gelegen toetspunt 34825 aan de Doctor Saal van Zwanenbergsingel voor 2020 wat betreft het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 sprake is van minder dan 35 overschrijdingsdagen (te weten 7,003). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
5.1.7 Mobiliteit en parkeren Gemeentelijk kader De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie wordt uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg wordt de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 37 van 59 voorontwerp
Doorvertaling bestemmingsplan Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ (incl. kencijfers over verkeersgeneratie); De gemeente Oss heeft een stedelijkheidsgraad 3 (matig stedelijk); Het plangebied valt onder de categorie ‘rest bebouwde kom’; De kencijfers voor verkeersgeneratie worden uitgedrukt in aantal motorvoertuigen per weekdag. Voor het omzetten van deze cijfers naar aantal motorvoertuigen per werkdag wordt factor 1,11 gebruikt; Het plan omvat: o de bouw van 9 goedkope huurwoningen, de bijbehorende verkeersgeneratie bedraagt gemiddeld 4,9 voertuigbewegingen per weekdag per woning; o de bouw van 20 koopwoningen (tussen/hoek), de bijbehorende verkeersgeneratie bedraagt gemiddeld 7,1 voertuigbewegingen per weekdag per woning; o de sloop van gebouwen van een transportbedrijf aan de Kromstraat 82 (900 m²). De bijbehorende verkeersgeneratie bedraagt gemiddeld 4,8 voertuigbewegingen per weekdag per 100m²; o de sloop van een café/restaurant/zaal aan de Kromstraat 64 (700 m²). Van deze functie zijn geen kencijfers voor verkeersgeneratie bekend. Uitgangspunt is gemiddeld 50 voertuigbewegingen per weekdag.
Op basis van bovenstaande uitgangspunten resulteert dit in een toename van de verkeersgeneratie met 103 voertuigbewegingen per werkdag. Verkeersafwikkeling Uit het gemeentelijke verkeersmodel (basisjaar 2015) blijkt dat de geprognotiseerde intensiteiten voor de Kromstraat (tussen Hertogin Johannasingel en Heischeutstraat) 2.894 motorvoertuigen per werkdag bedraagt. Na realisatie van de geplande woningbouw neemt de intensiteit op de Kromstraat toe tot ca. 3.000 motorvoertuigen per etmaal. Het huidige profiel van de Kromstraat komt het meest overeen met een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom type 1. Dit wegtype kan een maximale verkeersintensiteit verwerken van 6000 mvt. per etmaal. De beperkte groei in de verkeersintensiteit zal dan ook geen effect hebben op de verkeersafwikkeling. Het huidige wegprofiel sluit weliswaar het meeste aan bij een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom type 1, maar heeft daarnaast ook nog een ontsluitende functie voor de wijk met het daarbij behorende snelheidsregime van 50 km per uur. Verkeerskundig is bij dit wegtype doorgaans sprake van een 30 km per uur regime met de daarbij behorende snelheidsremmende maatregelen. In het Mobiliteitsplan 2011 is dit ook als voornemen benoemd, hoewel de Kromstraat niet als knelpunt wordt gezien. Er zijn geen problemen met de doorstroming of de veiligheid.
Op basis van de ervaringen van de afgelopen jaren is er geen concrete aanleiding om de weginrichting en het snelheidsregime aan te passen. Met deze kostbare ingreep is in de meerjarenbegroting dan ook geen rekening mee gehouden. Vooralsnog dient daarom uit te worden gegaan van de huidige wegfunctie met een snelheidsregime van 50 km per uur. Verkeersveiligheid Als gevolg van het woningbouwinitiatief en de sloop van de gebouwen behorende bij het transportbedrijf zal het aandeel zwaar transport dat afkomstig was van het transportbedrijf verdwijnen, hetgeen de verkeersveiligheid ten goede komt. De huidige ontsluiting van het transportbedrijf krijgt in het plan een functie voor langzaam verkeer en kan tevens dienen als calamiteitenontsluiting.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 38 van 59 voorontwerp
Ter hoogte van de bestaande uitrit van het parkeerterrein van Tivoli zal het plangebied, een 30 km per uur gebied, door middel van een inritconstructie aangesloten worden op de Kromstraat. Dit betekent dat zowel bestuurders als voetgangers op de Kromstraat voorrang krijgen op verkeer uit het plangebied. Zowel oostelijk als westelijk van de voorgestane uitrit staan twee bomen. Deze staan op een kortere afstand dan theoretisch gezien gewenst zou zijn voor een optimaal uitzicht op het verkeer op de Kromstraat. In de praktijk wordt hier echter pragmatisch mee omgegaan en maatwerk geleverd. Het is niet de verwachting dat in dit geval sprake is van een onveilige situatie. Er zijn veel vergelijkbare situaties die geen problemen opleveren. Om het zicht te optimaliseren, zouden bomen weggehaald kunnen worden. Omdat deze deel uitmaken van een waardevolle bomenstructuur, heeft dat niet direct onze voorkeur. De huidige ontsluiting van het transportbedrijf krijgt in het plan een functie voor langzaam verkeer en kan tevens dienen als calamiteitenontsluiting. Ter hoogte van de bestaande uitrit van het parkeerterrein van Tivoli zal het plangebied door middel van een inritconstructie aangesloten worden op de Kromstraat. Conclusie Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Parkeren Voor het bepalen van de parkeervraag als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zijn de volgende aanvullende2 uitgangspunten gehanteerd: Het document ‘Parkeernormen 2017’ van de gemeente Oss; Het plan omvat: o de bouw van 9 goedkope huurwoningen, de bijbehorende parkeernorm bedraagt 1,5 parkeerplaats per woning; o de bouw van 20 koopwoningen (tussen/hoek), de bijbehorende parkeernorm bedraagt 1,8 parkeerplaats per woning; o de sloop van gebouwen van een transportbedrijf aan de Kromstraat 82 en een café/restaurant/zaal aan de Kromstraat 64. Aangezien er geen cijfers beschikbaar zijn van de parkeerdruk op de Kromstraat, wordt geen rekening gehouden met de parkeervraag die hieruit voortvloeide. Op basis van bovenstaande uitgangspunten resulteert dit in een totale parkeervraag van (afgerond) 50 parkeerplaatsen. In het ontwerp van het woningbouwplan zijn in totaal 50 parkeerplaatsen opgenomen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeervraag. Hoewel wordt afgeweken van het uitgangspunt dat parkeren op het eigen bouwperceel dient te gebeuren, wordt op deze manier voorzien in voldoende parkeergelegenheid in het openbaar gebied binnen het plangebied. Aangezien alle parkeerplaatsen in het openbaar gebied binnen het plangebied komen te liggen, wordt tevens voldaan aan de eis van minimaal 0,3 parkeerplaats per woning in de openbare ruimte voor bezoekers.
2 ten opzichte van de uitgangspunten met betrekking tot verkeersgeneratie.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 39 van 59 voorontwerp
Afbeelding 5.2 Stedenbouwkundig plan met 50 ingetekende parkeerplaatsen Conclusie Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.1.8 Straling Rijkskader Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. Gemeentelijk kader De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Doorvertaling bestemmingsplan Het onderhavige woningbouwinitiatief is niet gelegen binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn waardoor straling geen beperkende factor voor het initiatief is. Conclusie Het aspect 'straling' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 40 van 59 voorontwerp
5.1.9 Trillingshinder Rijkskader In Nederland bestaat geen wet voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Het aspect trillingshinder is echter wel een aandachtspunt in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ in de zin van artikel 3.1, lid 1 Wro. Hiervoor wordt een aantal richtlijnen en beleidsregels gebruikt. Voor dit plan is de richtlijn van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 van belang: Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet-en beoordelingsrichtlijn” (SBR B). Onderstaande tabel toont de van toepassing zijnde streef- en grenswaarden conform de SBR B (nieuwe situaties, herhaald voorkomende trillingen).
Volgens de SBR dient de maximale trillingssterkte Vmax in eerste instantie getoetst te worden aan A1. Indien hieraan voldaan wordt is sprake van een acceptabele situatie. Indien niet wordt voldaan aan A1 dient de maximale trillingssterkte getoetst te worden aan A2. Bij overschrijding van A2 is sprake van een conform de SBR hinderlijke situatie. In het geval dat wordt voldaan, dient de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor de betreffende ruimte (Vper) getoetst te worden aan A3. Bij overschrijding van A3 is wederom sprake van een conform de SBR hinderlijke situatie. Opgemerkt wordt dat de streefwaarden van de SBR in principe geen wettelijke grenswaarden zijn. Volledigheidshalve nog de kanttekening dat het voldoen aan de streefwaarden van de SBR niet inhoudt dat geen sprake zal zijn van voelbare trillingen. De waarde van 0,1 wordt normaliter gezien als de voelbaarheidsgrens. Een streefwaarde van Vmax van 0,2 in woningen sluit derhalve niet uit dat bepaalde passages voelbaar kunnen zijn. Doorvertaling bestemmingsplan Onderhavig plangebied ligt nabij de spoorlijn Den Bosch – Oss – Nijmegen. Het treinverkeer kan gepaard gaan met trillingen. Onderhavig plan betreft woningen, die worden aangemerkt als trillingsgevoelige bestemmingen.
Er is het kader van onderhavig plan ter plaatse een trillingsonderzoek uitgevoerd: Woningbouw Kromstraat Oss, Te verwachten trillingniveaus als gevolg van railverkeer (Peutz, 31 augustus 2020) Dit onderzoek is als bijlage 8 bij de toelichting gevoegd. Op basis van de uitgevoerde trillingsmetingen en de verkregen meetresultaten kan worden geconcludeerd dat hoewel sprake is van overschrijdingen, op basis van ervaring, de situatie beoordeeld dient te worden als technisch oplosbaar (in de vloeren). Daarbij moet worden gedacht aan een vloersysteem met een eigenfrequentie boven de 8-10Hz (omdat dit de frequentie is die de meeste overlast geeft) komt. De exacte maatregelen kunnen pas in een later stadium worden gedimensioneerd. Een aanvullend onderzoek is benodigd. In het bestemmingsplan is hiertoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Conclusie Het aspect 'trillingshinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 41 van 59 voorontwerp
5.1.10 Water Rijkskader De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Gemeentelijk kader De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm.
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; - Voorkomen van vervuiling van water; - Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer - Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 42 van 59 voorontwerp
Doorvertaling bestemmingsplan Het plan Kromstraat maakt de realisering van 29 grondgebonden woningen mogelijk op een locatie waar voorheen twee bedrijven waren gevestigd. Om inzicht te krijgen in de hoeveelheid verharding is een vergelijking gemaakt tussen de bestaande situatie en de nieuwe situatie (zie onderstaande afbeelding). Met de nieuwe inrichting met woningen neemt de verharding af ten opzichte van de bestaande situatie met de twee bedrijfslocaties. Volgens het beleid van het waterschap Aa en Maas heeft het waterschap geen belangen wanneer de verharding met niet meer dan 2.000 m² toeneemt. Voor dit initiatief gelden dan ook vanuit het waterschap geen nadere eisen met betrekking tot de waterhuishouding. Dit is bevestigd in het overleg dat heeft plaatsgevonden op 28 mei 2020 met het waterschap. Zie ook de uitkomst van de digitale watertoets (toetsresultaat en samenvatting) die als bijlage 9 bij deze toelichting is gevoegd.
Afbeelding 4.1.:vergelijking oppervlak verharding bestaande situatie (links) en nieuwe situatie (rechts) De nadere uitwerking van de afkoppeling van het regenwater zal in samenspraak met de gemeente worden bepaald. Uitgangspunt hierbij is 10 mm berging op eigen perceel en minimaal 60 mm berging binnen het plangebied voor de piekbuien. Conclusie Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.1.11 Weg-, spoor- en industrielawaai 1. Algemeen Rijkskader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden.
Gemeentelijk kader Op 20 mei 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de “Geluidsnota Oss - Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische
Kromstraat - Oss - 2021, pag. 43 van 59 voorontwerp
inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Doorvertaling bestemmingsplan Op het gebied van geluid zijn een tweetal onderzoeken uitgevoerd: Akoestisch onderzoek spoorweglawaai (Windmill, 23 november 2020) Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Windmill, 3 augustus 2020) Deze onderzoeken zijn als bijlagen 10 en 11 aan de toelichting toegevoegd. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder weergegeven. 2.