CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

t NL IMRO 0828 BPtveldgff-VG02

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan 't Veld Geffen - 202226.144 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vanuit de ladder voor duurzame verstedelijking en de provinciale kaders is daarom een verdere verantwoording nodig waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan woningen kan worden voorzien. In het voorafgaande is aangegeven dat de concrete plancapaciteit voor woningbouw in de gemeente, en ook in de kern Geffen zeer beperkt is. Woningbouw in ’t Veld is vooral gericht op de behoefte vanuit de kern Geffen. Binnen het dorp zijn er nog maar weinig mogelijkheden voor inbreiding of herontwikkeling. Met name in de voorafgaande periode heeft er op grote schaal verdichting en herontwikkeling binnen de kern Geffen plaatsgevonden, met name in het centrum (Centrumplan Geffen). Andere concrete mogelijkheden binnen Geffen zijn in de eerder genoemde resterende plancapaciteit opgenomen (inventarisatie juli 2021). Onder andere zijn dit de herontwikkeling van het voormalige gemeentehuis en enkele winkels en de afronding van de woonwijk Verlengde De Run. Gezien de omvang van de woonopgave voor Geffen is uitbreiding buiten het bestaande dorp ook onvermijdelijk. Conform de regionale afspraken is deze uitbreidingslocatie ook afgestemd in een bestuurlijk regionaal overleg en passend bevonden (portefeuillehoudersoverleg Wonen Noordoost-Brabant-West, juli 2021).

Conclusie De ontwikkeling van circa 310 woningen aan de oostkant van Geffen in voorliggend plan sluit aan bij de woningbehoefte van gemeente Oss, en in het bijzonder het dorp Geffen, zowel naar omvang, als naar type woningen. Daarmee is het programma verantwoord vanuit de Ladder voor duurzame verstedelijking en sluit aan bij de Woonagenda van provincie, regio en de gemeente Oss.

’t Veld Geffen – 2022, pag. 31 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

4.4.5 Welstandsbeleid Op 24 september 2020 is “Samen bouwen aan een mooi Oss, Nota uiterlijk van bouwwerken Oss 2020” vastgesteld. Dit welstandsbeleid legt meer verantwoordelijkheid bij de inwoners en bedrijven van de gemeente Oss. Met deze nota geldt in principe voor het gehele grondgebied van de gemeente een welstandsvrij beleid. Nieuwe bouwaanvragen hoeven niet te worden voorgelegd aan het Adviesteam Architectuur om te worden getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’. Er gelden drie uitzonderingssituaties: - bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten; - monumenten en de panden in de directe omgeving van een monument (binnen een straal van 25 meter vanaf een monument); - bebouwing binnen gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. In deze gevallen is voor bebouwing een welstandadvies wél verplicht. In het welstandsvrije deel van de gemeente blijft de mogelijkheid bestaan om bouwplannen voor te leggen aan het Adviesteam Architectuur voor een vrijblijvend welstandsadvies. Planspecifiek Het plangebied ligt niet in een beschermd stads- en dorpsgezicht of in de nabijheid van een monument. Voor het plan is geen beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan de bebouwing zal worden getoetst. Daarmee gelden er vanuit het welstandsbeleid geen eisen voor het plan.

4.4.6 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten – Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen bij de regels.

Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2. Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen

’t Veld Geffen – 2022, pag. 32 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.

’t Veld Geffen – 2022, pag. 33 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

Hoofdstuk 5

5.1

Omgevingsaspecten

Landschap

5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. Planspecifiek Het plangebied ligt in het deelgebied ‘Dekzandrug’.

Voor de dekzandrug geldt dat er gestreefd wordt naar het verduidelijken van de hoge ligging in het landschap. Dit kan met voorliggend plan door toepassing van opgaand groen, passend bij dit landschapstype (eik/beuk). Verder is het behoud van reliëfverschillen van belang. Bij de planontwikkeling voor onderhavig plan is gestart met een visie voor een groter gebied; het gebied tussen de Leiweg, Heesterseweg, Veldstraat en de bestaande dorpsrand, etc. De volledige gebiedsvisie is toegevoegd als bijlage 20. Daarbij is de centrale groenzone het leidende en verbindende element. De centrale groene zone strekt zich uit van het gebied rondom de molen, via de Middelveldsche Waterloop en het Ivo van Dintherpad tot aan het gebied rondom het bijenteeltmuseum-imkerij. Hier zal geen nieuwe bebouwing plaats vinden. Het gebied ten zuiden van het Ivo van Dintherpad is aangewezen als woningbouwlocatie. Door het leggen van verbindingen met omliggende percelen wordt het gebied verankerd met zijn omgeving en blijven ook de buitengebieden verbonden met de centrale groene zone. De verbindingen zijn niet alleen functioneel maar maken onderdeel uit van de hoofdstructuur. De deelgebieden passen zich hierop aan. Historisch gegroeide lijnen, percelen en verbindingen dienen als basis en inspiratie voor de verdere invulling.

De landschappelijk inrichting zal verder vorm krijgen bij de nadere uitwerking van voorliggend plan in het kader van de vergunningsfase.

’t Veld Geffen – 2022, pag. 34 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

5.1.2

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.

Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.

Planspecifiek De woningbouwontwikkeling Geffen ’t Veld betreft een planmatige, stedelijke ontwikkeling. Vanuit de grondexploitatie ’t Veld Geffen zal er door de gemeente Oss een storting worden gedaan in de Reserve fysieke verbetering kwaliteit leefomgeving van 1% van de uitgifteprijs (zie ook paragraaf 4.3.2).

’t Veld Geffen – 2022, pag. 35 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Soortenbescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus.

Veel van deze gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een nieuwe, structurele aanpak van de stikstofproblematiek. 5.2.2.1. Gebiedsbescherming Voor de Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld.

Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb.

’t Veld Geffen – 2022, pag. 36 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). 5.2.2.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn verkennende ecologische onderzoeken uitgevoerd. Het betrof drie onderzoeken in de periode 2020-2021 voor drie deelgebieden: het noordelijke, zuidelijke en oostelijke deel. Om een actueel volledig beeld te krijgen, is er door Blom Ecologie in juli 2022 voor het gehele gebied één nieuwe quickscan uitgevoerd waarin de eerdere rapporten zijn samengevoegd en een nieuw veldbezoek heeft plaatsgevonden. Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 17.

De belangrijkste conclusies ten aanzien van gebiedsbescherming en soortenbescherming worden hieronder beschreven. Gebiedsbescherming In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit gebied ligt op circa 10,2 km kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en de omvang van de ontwikkeling (realiseren woningen, gasloos gebouwd) en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten op het gebied van trillingen, licht en geluid, worden uitgesloten. Om het effect van stikstofuitstoot door het plan te bepalen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 3. Hierbij is uitgegaan van 310 woningen. Voor de volledigheid is het effect van de realisatiefase (aanlegfase) ook in beeld gebracht. Geconcludeerd wordt dat de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkelingen zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toeneemt. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project. Soortenbescherming Uit de nieuwe quickscan Wnb blijkt dat er aanvullend onderzoek plaats dient te vinden naar de aan- of afwezigheid van steenmarter, kleine materachtige, das, boom- en gebouwenbewonende vleermuizen, huismus en gierzwaluw.

Voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw geldt dat dit onderzoek enkel plaats dient te vinden ten behoeve van de sloop van de woningen aan de Veldstraat 30 en Heesterseweg 35. Meer specifiek geldt dat voor de houtwal aan de noordzijde van het plangebied een beoordeling is gemaakt in de nieuwe quickscan. Hieruit blijkt dat, doordat de aanwezige groenstrook behouden blijft, er enkel maatregelen getroffen dienen te worden om negatieve effecten op een mogelijk aanwezige essentiële vliegroute voor vleermuizen te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, dient hier aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Mogelijk blijkt hieruit dat de groenstrook een essentiële functie vervult voor vleermuizen en dient hiervoor een ontheffing te worden aangevraagd. Verder blijkt uit de nieuwe quickscan, waarin een uitgebreide beoordeling is gemaakt voor uilen en andere jaarrond beschermde roofvogelsoorten, dat er geen nest- of rustplaatsen aanwezig zijn van de steenuil of kerkuil en dat het aan geschikte habitatonderdelen binnen de planlocatie ontbreekt. Negatieve effecten op deze soorten kunnen derhalve uitgesloten worden.

Voor de das, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en de steenmarter is in de periode mei – juli 2022 aanvullend onderzoek uitgevoerd naar hun aanwezigheid in het zuidelijke en oostelijke deel van het plangebied.(zie bijlage 1 en 2 Aanvullend onderzoek ecologie Geffen ’t Veld Zuidoost door Blom

’t Veld Geffen – 2022, pag. 37 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

Ecologie, 22 juli 2022 projectnummer 2022-0562). Hieruit komt naar voren dat tijdens het onderzoek geen individuen en/of sporen van deze soorten zijn aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt derhalve niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming en een ontheffing in het kader van die wet is derhalve niet nodig. Voor het noordwestelijk deel dient er nog aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Indien uit het vervolgonderzoek zou blijken dat er een ontheffing Wnb aangevraagd dient te worden, komt uit genoemd onderzoek van Blom Ecologie naar voren dat er geen reden is om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen van de Wet natuurbescherming niet verkregen zouden kunnen worden. De uitvoerbaarheid van het plan voor ecologie is hiermee aangetoond. 5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en

’t Veld Geffen – 2022, pag. 38 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument

Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord

Geen onderzoeksplicht

5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen Met voorliggend plan wordt de drempelwaarde voor onderzoek overschreden. Daarom is een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor deelgebied 1 (grotendeels) en deelgebied 2. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 4. Hierin wordt geconcludeerd dat de archeologische verwachting in deelgebieden met een hoge en lage verwachting is onder te verdelen. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt aanbevolen om in de gebieden met een hoge verwachting een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase uit te voeren (in de vorm van een proefsleuvenonderzoek). Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 5. Naar aanleiding van het proefsleuvenonderzoek is het in bijlage 4 onderzochte gebied vrijgegeven. De dubbelbestemming voor archeologie komt hier te vervallen. Gezien de beperkte omvang van deelgebied 3 en de ligging tegen het gebied waarvoor een lage verwachtingswaarde is geconstateerd in het onderzoek, is de lage verwachtingswaarde ook van toepassing voor deelgebied 3.

De archeologische dubbelbestemming vervalt in de gebieden met lage verwachting. Hierover heeft de gemeente Oss een selectiebesluit genomen en het advies uit het proefsleuvenonderzoek overgenomen. Archeologisch vervolgonderzoek is daarmee niet noodzakelijk. In het gebied geldt echter wel een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. Dit zal als voorwaarde worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Voor deelgebied 4 van het plangebied, en het aangrenzende perceel D342, wordt de archeologische dubbelbestemming overgenomen, omdat hier door de aanwezige bebouwing en bedrijfsvoering in de huidige situatie geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische

’t Veld Geffen – 2022, pag. 39 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect archeologie. 5.3.4

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in de Erfgoedvisie Oss 2021 ‘Toekomst voor O(n)ss Erfgoed. Om zuinig en trots op te zijn en om door te vertellen”. In deze visie beschrijven we onze ambitie met betrekking tot erfgoed. We benoemen daarbij vijf actielijnen: beschermen, beheren, behouden, beleven en betrekken, waarlangs we onze ambitie willen realiseren. Ook lichten we toe welke rol(len) we per actielijn zien voor de gemeente en welke voor het erfgoedveld. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim

’t Veld Geffen – 2022, pag. 40 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied betreft in de huidige situatie een paardenweide en agrarische maisakker en de bestaande bebouwing van de bedrijven is niet cultuurhistorisch waardevol. In het plangebied liggen geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Het plangebied ligt voor een deel wel binnen de Molenbiotoop van de molen Zeldenrust (grondzeiler) aan de Elzendreef 5A. Deze molen staat op circa 290 meter afstand ten noordwesten van de dichtstbijgelegen grens van het plangebied. Met de waarde van deze molen dient vanuit historisch perspectief rekening gehouden te worden.

Bij deze bescherming behoort ook het garanderen van een bepaalde hoeveelheid windvang voor deze molens (vrije wind toetreding), zodat de molen kan blijven draaien. Het opnemen van een vrijwaringszone rondom de molen waarbinnen maximale bebouwingshoogten worden voorgeschreven, zorgt voor een bescherming van de wind toetreding tot de molen. Voor de exacte bepaling van de maximale bouwhoogten is de in het boekwerk ‘De Hollandsche Molen 1999’ van de gelijknamige vereniging opgenomen formule gehanteerd. Aan de hand van enkele variabelen, waaronder de afstand tot de molen, kan door middel van deze formule berekend worden wat de maximale bouwhoogten binnen de molenbiotoop zijn. De molenbiotoop geldt, volgens voornoemd boekwerk, voor een gebied met een straal van 400 meter rond de molen, omdat daarbuiten de invloeden van bebouwing op de windvang van de molen minimaal zijn. Extreem hoge bebouwing direct buiten deze invloedscirkel van 400 meter kan toch voor extra hinder in de windvang zorgen, maar wordt hier verder buiten beschouwing gelaten aangezien dergelijke bouwhoogten in dit plan niet voorkomen. De toegestane maximale bouwhoogte hangt af van de afstand tot de molen, het onderste punt van de verticale wiek en de met de molenbiotoopformule bepaalde biotoopnorm. De hoogte van het onderste punt van de verticale wiek is de ondergrens.

Afhankelijk van het type molen en de hoogte van de askop (kruispunt van de wieken) strekt deze ondergrens zich minimaal 100 meter rond de molen uit. Bij hoge stellingmolens is deze zone waar de ondergrens geldt groter. Hoe hoger de stelling is, hoe verder van de molen het punt ligt waar bebouwing hoger mag zijn dan de stellinghoogte (ondergrens). Na de zone waar de ondergrens van toepassing is, geldt een opgaande lijn die met de molenbiotoopformule wordt bepaald waarbij bebouwing geleidelijk hoger mag zijn. Afhankelijk van het type molen zijn er twee of drie criteria waaruit de toegestane bouwhoogte binnen de molenbiotoop wordt bepaald: 1. 100 meter bebouwingsvrije zone rond een molen. In geval van een stellingmolen mag wel gebouwd worden en geldt het stellingniveau van de molen als maximale bouwhoogte (ondergrens); 2. Vanaf 100 meter de met de molenbiotoopformule berekende norm; 3. In afwijking van criteria 1 en 2 kan het in geval van een hoge stellingmolen zijn dat de biotoopformule een hogere bouwhoogte dan de stellinghoogte (ondergrens) pas toelaat die verder dan 100 meter van de molen begint.

’t Veld Geffen – 2022, pag. 41 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

Ter verduidelijking van het voorgaande volgt een nadere toelichting in woord en beeld. Volgens de molenbiotoopnormen van de Hollandsche Molen moet de eerste 100 meter rond een molen vrij zijn van obstakels. Dit is het eerste criterium. In het geval van een verhoogde molen, zoals een stellingmolen, geldt dat obstakels de eerste 100 meter lager moeten zijn dan het niveau van het laagste punt van de onderste wiek in verticale stand, ofwel kort, de ondergrens. Bij grondzeilers zal het maaiveld deze ondergrens vormen, bij stellingmolens is dit het stellingniveau. Zie (1) in de navolgende figuren. Het tweede criterium is een toegestane hoogte berekend op basis van een bepaalde afstand van de molen, de lengte van de wieken en de eventueel aanwezige stelling. Met de molenbiotoopformule van de Hollandsche Molen kan de toegestane hoogte op een bepaalde afstand van de molen worden berekend en vormt een opgaande lijn vanuit de molen gezien. Zie (2) in de navolgende figuren. Bij toepassing van het tweede criterium kan een complicatie optreden in geval van verhoogde molens zoals stellingmolens. Afhankelijk van de hoogte van het stellingniveau en de lengte van de wieken, begint deze norm onder het niveau waarop de wieken draaien en komt deze op een bepaalde afstand van de molen pas boven het stellingniveau uit.

Wanneer de afstand van het punt waarop de met de molenbiotoopformule berekende norm boven het stellingniveau komt verder dan 100 meter van de molen ligt, dan wordt in het gebied vanaf 100 meter tot dit punt ook het stellingniveau als ondergrens aangehouden. Zou men dit criterium niet toepassen, dan zou de formule een maximale bouwhoogte kunnen opleveren die onder het stellingniveau zou kunnen liggen terwijl bouwen tot aan de stellinghoogte met het oogpunt ter bescherming van de windvang altijd aanvaardbaar is. Zie (3) in het navolgende figuur en de stippellijn “biotoopnorm”.

Samenstelling van de toegestane hoogte voor de beoordeling van de biotoop (grondzeiler)

’t Veld Geffen – 2022, pag. 42 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

Samenstelling van de toegestane hoogte voor de beoordeling van de biotoop (stellingmolen) De formule die gebruikt wordt voor de bepaling van de maximale bouwhoogte luidt als volgt: H(max) = (X/n) + c * z + NAP(maaiveld molen). Daar het plaatselijk maaiveld van de molen kan verschillen met dat van het maaiveld van het te bouwen object, wordt de uitkomst opgeteld met de NAP hoogte van het plaatselijk maaiveld van de molen. Deze formule kan ook als volgt geschreven worden; X = n(H – c * z). Waarbij geldt dat: H(max): Maximale bebouwingshoogte ten opzichte van NAP (de bebouwingshoogte wordt uitgedrukt in meters ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil vanwege voorkomend verschil in maaiveldhoogte van de molen in relatie tot de maaiveldhoogte van het te bouwen object) X: Hemelsbrede afstand van het te bouwen object tot het hart van de molen n: Invloedsfactor terreingesteldheid (open gebied: n=140; ruw gebied: n=75; gesloten gebied: n=50) c: Constante = 0,2 z: Askophoogte (kruising van de wieken) = helft vlucht + stellinghoogte (inclusief belt) NAP(maaiveld Hoogte maaiveld molen ten opzichte van NAP molen) Voor de molen nabij het plangebied gelden de volgende waarden; Molen

Invloedsfactor terrein n

Vlucht (diameter molenwieken) 24,8 m

NAP hoogte plaatselijk maaiveld molen 6,3 m NAP

Zeldenrust 50 (grondzeiler) Elzendreef 5a, Geffen Bron: AHN, Hollandsche Molen, Molendatabase.

Stellinghoogte (inclusief belt), t.o.v. plaatselijk maaiveld 0m

Askophoogte z, t.o.v. plaatselijk maaiveld 12,4 m

Aan de hand van voorgaande gegevens zijn de maximale bouwhoogten bepaald. De eerste 100 m dient vrij te zijn van bebouwing ( 0 m) = maaiveld = 6,3 m NAP

’t Veld Geffen – 2022, pag. 43 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

H(max 101-110) = (101/50) + 0,2 * 12,4 = 4,5 m. In NAP hoogte is dat + 6,3 m = 10,8 m NAP Etc. Met onderhavig plan is voor het bepalen van de maximale bouwhoogtes rekening gehouden met de uitkomsten van de formule van de molenbiotoop. Met de uitvoering van het plan komen geen cultuurhistorisch waardevolle aspecten in het geding. 5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1

Verkeer

De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen en ontsluitingswegen Met het plan zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. Het plangebied wordt ontsloten via de Veldstraat en Heesterseweg. Er is een onderzoek uitgevoerd om de verkeerseffecten, verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling als gevolg van de ontwikkeling in beeld te brengen. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 6. In het onderzoek is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen aanleiding geeft tot aanpassing van het wegprofiel van de Veldstraat en de Heesterseweg waarop het plangebied ontsluit. De intensiteiten op deze wegen leiden niet tot verkeersonveiligheid. Bovendien kunnen de nieuwe en bestaande kruispunten de toename aan verkeersbewegingen goed verwerken. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden.

Op basis van de nota ‘Parkeernormen 2017’ is bij het maken van het stedenbouwkundig plan onderzocht of er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd kan worden. Uit het stedenbouwkundig plan voor deelgebied 1 blijkt dat in het plangebied aan de gemeentelijke parkeernormen kan worden voldaan. Voor de andere deellocaties is er ook voldoende ruimte om aan de parkeernormen te voldoen (zie hoofdstuk 3). In de regels van dit plan is geborgd dat er aan de gemeentelijke parkeernormen moet worden voldaan. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten verkeer en parkeren. 5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast,

’t Veld Geffen – 2022, pag. 44 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld.

In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid.

De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels.

’t Veld Geffen – 2022, pag. 45 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; - Voorkomen van vervuiling van water; - Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer - Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1.

De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.5.2

Watertoets

Planspecifiek Ten behoeve van onderhavig plan is een waterparagraaf opgesteld inclusief geohydrologisch onderzoek. Onderdeel hiervan is ook de digitale watertoets. De volledige rapportage is toegevoegd als bijlage 7. Ten noorden van het plangebied ligt een A-watergang, waarbij in het beheer van het waterschap aan weerszijden een obstakelvrije zone geldt van 5 meter. Het plangebied heeft een bruto oppervlak van circa 11 ha (verhard en onverhard). Op basis van het verkavelingsplan is het totaal verhard oppervlak circa 72.143 m². Het plangebied bestaat uit 24.733 m² verhard oppervlak openbare ruimte en 47.410 m² verharding uitgeefbaar terrein. De gemeente gaat uit van minimaal 10 mm berging op eigen terrein. Voor toename van verhard oppervlak groter dan 500 m² eist het waterschap een berging van 60 mm per m². De bergingsopgave op particulier terrein is 492 m³ en de bergingsopgave voor het openbare terrein is 3.947 m³. De benodigde waterberging van 492 m3 wordt op particulier terrein gerealiseerd. De 3.947 m3 wordt binnen het plangebied (verkavelingsplan) in voorzieningen met een overloop naar de A-watergang gerealiseerd. De gemeente is voornemens om het water van de toekomstige verharding zichtbaar te bergen en te infiltreren in wadi’s of oppervlaktewater in de noordelijk en noord-zuid gelegen groenstroken.

Op basis van figuur 3.4 uit het rapport (bijlage 7) is het wadi of wateroppervlak bepaald. Op basis van de indicatieve grondwaterstand en het regelmatig droogvallen van de A-watergang, wordt aangeraden om

’t Veld Geffen – 2022, pag. 46 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

een wadi aan te leggen in plaats van oppervlaktewater te realiseren. De bodem is goed doorlatend en hemelwater kan hier infiltreren. Voor de noordelijke wadi’s is gerekend met een totale diepte van 0,7 m, een talud van 1:3 en een maximale waterdiepte van 0,5 m. Voor de wadi’s in de noord-zuid gelegen groenstroken is gerekend met een totale diepte van 0,5 m, een talud van 1:3 en een diepte van 0,3. Er is circa 1,5 m afstand tot verharding en bebouwing aangehouden. Er is circa 3.150 m3 berging in het noordelijke deel beschikbaar en circa 1.560 m3 berging in de noord-zuid gelegen groenstroken beschikbaar. De totale waterberging is circa 4.710 m3. Hiermee voldoen de wadi’s aan de bergingseis. Voor het overige (omcirkelde) deel van het plangebied geldt dezelfde bergingseis. Er is daar voldoende ruimte om aan de bergingseis te voldoen. De exacte uitwerking hiervan vindt plaats bij de omgevingsaanvraag voor het bouwen. Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van water. 5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

’t Veld Geffen – 2022, pag. 47 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Planspecifiek Direct ten westen van het plangebied ligt een woonwijk.

Ten zuiden van het plangebied ligt een bedrijventerrein met kleinschalige bedrijven en een veehouderij. Ten oosten van de planlocatie liggen woningen, bedrijven en agrarische gronden. Ten noorden van de locatie liggen voornamelijk agrarische gronden. De menging van functies in de omgeving, in combinatie met de drukte op de Heesterseweg en de Veldstraat, zorgt ervoor dat het gebied nabij de Heesterseweg en de Veldstraat aan te merken is als het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Het deel van het plangebied op grotere afstand van de Heesterseweg en Veldstraat is in de beoogde situatie aan te merken als omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Zie als toelichting hierop ook de memo in bijlage 8. Voor het gemengd gebied kunnen de richtafstanden op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG met 1 stap/categorie worden verkleind. Op het bedrijventerrein ten zuiden van het plangebied zijn grotendeels bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan, waarvoor een richtafstand van 100 meter geldt voor het omgevingstype van een rustige woonwijk en een gereduceerde richtafstand van 50 meter voor het omgevingstype gemengd gebied. In het westelijk deel van het bedrijventerrein zijn plaatselijk maximaal milieucategorie 3.1 en 2 toegestaan. Hiervoor gelden gereduceerde richtafstanden van 30 m (categorie 3.1) en 10 m (categorie 2).

’t Veld Geffen – 2022, pag. 48 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

Op navolgende afbeelding zijn de contouren voor een gemengd gebied over het stedenbouwkundig plan gelegd. Hierop is te zien dat aan de westkant van de nieuwe woonwijk enkele woningen binnen de contour van 50 meter liggen van het deel van het bedrijventerrein waar categorie 3.2 is toegestaan. Gelet op de werkelijke situatie ter plaatse op het bedrijventerrein, zal het woon- en leefklimaat binnen deze woningen echter aanvaardbaar zijn. Op de hoek van het bedrijventerrein tegenover deze woningen, waar nog categorie 3.2 geldt, zijn namelijk twee burgerwoningen aanwezig (aan de Veldstraat 45, niet bestemd, maar wel feitelijk aanwezig). Het is niet realistisch dat hier nog bedrijfsactiviteiten van de hoogst toegestane milieucategorie uitgevoerd gaan worden, mede aangezien op dit perceel ook rekening gehouden moet worden met de bedrijfswoning aan de Veldstraat 43. Hoewel voor de woningen in deze hoek van het plangebied niet aan de richtafstand wordt voldaan, is er op basis van de feitelijke situatie in combinatie met het feit dat bedrijven op basis van het Activiteitenbesluit al rekening moeten houden met bestaande naderbij gelegen woningen, te concluderen dat het woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen aanvaardbaar zal zijn. Hiermee kan worden geconcludeerd dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen.

Uitsnede stedenbouwkundig plan met contouren milieuzonering voor een gemengd gebied

’t Veld Geffen – 2022, pag. 49 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

Om te bepalen of de bedrijven op het bedrijventerrein niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd, is bekeken of er al woningen aanwezig zijn die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven. Bedrijfswoningen aan de Veldstraat 43, Heesterseweg 16 en 20 en de burgerwoningen aan de Veldstraat 38b en 45 zijn voor de bedrijven aan de westzijde van het bedrijventerrein bepalend voor de uit te voeren bedrijfsactiviteiten. Voor de bedrijven aan de Bedrijvenweg 7 en 10 en de Heesterseweg 18 zijn er geen omliggende woningen die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering. In navolgende tabel is weergegeven welke bedrijven op deze adressen feitelijk aanwezig zijn. Hieruit blijkt dat voor de bedrijven aan de Bedrijvenweg 7 en de Heesterseweg 18 al aan de richtafstand voor een rustige woonwijk wordt voldaan, waardoor deze bedrijven door de voorgenomen ontwikkeling niet worden belemmerd. Het bedrijf aan de Bedrijvenweg 10 is een categorie 3.2 bedrijf, aan de richtafstand voor een rustige woonwijk wordt niet voldaan. Aangezien de bedrijfsvoering inpandig wordt gevoerd en er aan de zijde gelegen aan de Heesterseweg enkel geparkeerd wordt en het bedrijfsgebouw hier voorzien is van dichte wanden zonder ingangen wordt dit bedrijf in de praktijk redelijkerwijs niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Adres

Bedrijf

Categorie VNG

Milieucategorie

Richtafstand rustige woonwijk

Bedrijvenweg 10

Bekkers Metaalspuitwerken

Metaaloppervlaktebehandeling

3.2

100 m

Handel in auto's en motorfietsen,

2

30 m

3.1

50 m

BV Bedrijvenweg 7

VOF Autobedrijf D’n Bart

Heesterseweg 18

Van Oort Tegelwerken

reparatie- en servicebedrijven bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m² Tabel meest relevante bedrijven voor milieuzonering

Geconcludeerd kan worden dat bij de nieuwe woningen sprake is van een acceptabel tot goed woon- en leefklimaat en dat er met het plan geen bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Planspecifiek Voor het plan zijn een aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. In het westelijk deel van het plangebied is op het perceel Veldstraat 30 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 10. Hierin wordt geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren bestaan tegen de voorgenomen ontwikkeling. Rekening dient te worden gehouden met het teerhoudend asfalt ter plaatse van het Brempad. Indien in de toekomst asfalt vrijkomt dient rekening gehouden te worden met afvoer van teerhoudend asfalt.

In het noordelijk deel van het plangebied is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 11. Hierin wordt geconcludeerd dat in de grond en het grondwater enkele lichte verontreinigingen zijn aangetoond welke geen aanleiding geven voor nader onderzoek. In het grondwater zijn enkele verhoogde gehalten zware metalen aangetroffen. Deze zijn naar alle waarschijnlijkheid toe te schrijven aan van nature aanwezig verhoogde concentraties. Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

’t Veld Geffen – 2022, pag. 50 van 74 Vastgesteld bestemmingsplan, 14 december 2023

De rapportage van het (water)bodemonderzoek dat in het zuidelijk deel van het plangebied is uitgevoerd, is toegevoegd als bijlage 12. Hierin wordt geconcludeerd dat in de grond en het grondwater enkele lichte verontreinigingen zijn aangetoond. Deze geven geen aanleiding voor nader onderzoek. In het grondwater zijn enkele verhoogde gehalten zware metalen aangetroffen. Deze zijn naar alle waarschijnlijkheid toe te schrijven aan van nature aanwezig verhoogde concentraties. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. Voor het oostelijk deel van het plangebied (deelgebied 4) zijn twee bodemonderzoeken uitgevoerd, voor de Heesterseweg 35 en de Heesterseweg 35A. In het rapport voor het bodemonderzoek aan de Heesterseweg 35 (bijlage 18) wordt geconcludeerd dat er in de grond en het grondwater enkele lichte verontreinigingen zijn aangetoond welke geen aanleiding geven voor nader onderzoek. De bodemkwaliteit in dit deel van het plangebied vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In de rapportage van het bodemonderzoek aan de Heesterseweg 35A (bijlage 19) wordt geconcludeerd dat in het middenterrein één mengmoster matig verontreinigd bleek met PAK (als gevolg van opgebracht zeefzand). Eén boring ligt binnen de contour van de matige en sterke PAK-verontreiniging.

Hiervoor dient een BUS-melding opgesteld te worden en de verontreiniging moet gesaneerd worden. Voor de afvoer van dit materiaal zal ook een PFAS-analyse uitgevoerd moeten worden. Verder zijn er enkel lichte en matige (gangbare verhogingen) verontreinigingen aangetoond welke geen aanleiding geven voor nader onderzoek. Na de sloop dient nog een asbestonderzoek in de bodem uitgevoerd te worden daar waar tijdens het bodemonderzoek in lichte mate puinbestanddelen zijn aangetroffen (boringen 23, 25 en 27) en daar waar de twee voormalige vloeren van kippenschuren gelegen zijn (deels onder de loods en deels onder het buitenterrein naast de loods). Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de bodem op een groot deel van het terrein geen belemmering of beperking vormt voor de toekomstige functies. Voor deelgebied 3 van het plangebied is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee geborgd is dat er een bodemonderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan het realiseren van de woningen. Ook voor het perceel D342 is deze voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=41223f29-257b-45b8-a527-a2d1438fcb33