Ruimtelijke motivering tijdelijke woningen Gewandeweg Oss_20221230
Tekst van het document
•
•
•
• •
Oppervlaktewater: Ten noorden van het plangebied is een A-watergang gesitueerd. Aan beide zijden van deze watergang geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter, gemeten vanaf de insteek ten behoeve van het doelmatig beheer en onderhoud. Binnen deze beschermingszone is onze Keur van toepassing. Deze stelt onder andere beperkingen aan het aanbrengen van obstakels, in welke vorm dan ook. Het realiseren van obstakels binnen de beschermingszone mag alleen als hiervoor door ons een (water)vergunning is verleend. Een vergunning hiervoor wordt alleen verleend indien het beheer en onderhoud van de watergang niet belemmerd wordt. In de beleidsregel de beleidsregel 3 “werken en objecten in de watergang en beschermingszone” is opgenomen aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Grondwater: Uit het in paragraaf 4.4 aangehaalde verkennend bodemonderzoek blijkt dat de gemiddelde stand van het freatisch grondwater ongeveer 7,0 m +NAP bedraagt, waardoor het grondwater zich op ongeveer 1,0 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in noordwestelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van het projectgebied die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van het projectgebied.
Hemelwater: Bij uitbreiding/toename van verhard oppervlak >500m2 geldt 60mm berging waarvan 25mm op eigen terrein. Uitgaande van de 10.700 m2 dient er minimaal 642 m3 hemelwater in het plangebied geborgen te worden. De benodigde bergingscapaciteit zal in een later stadium worden uitgewerkt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (omgevingsvergunning tweede fase). Het projectgebied biedt voldoende ruimte om te kunnen voorzien in de benodigde waterberging. Gelet op zowel het type bodem (zand) als de grondwaterstand (beiden ontleend aan het verkennend bodemonderzoek) is de bodem geschikt voor infiltratie. Vuilwater: Alleen aan de noordzijde van de Gewandeweg is een persleiding (HDPE 400mm) van het rioolgemaal Huizenbeemdweg gelegen. Verder ligt er een aan de zuidzijde van de Gewandeweg een Bergbezinkleiding (beton 1500mm) vanuit de Brabantstraat waar geen afvalwater op aangesloten mag worden. Het plangebied zal met een centraal gelegen pompgemaal het daar verzamelde afvalwater moeten verpompen. Waterkwaliteit en -kwantiteit: Het projectgebied ligt niet binnen een beschermd keurgebied of grondwaterwingebied of -beschermingsgebied; Waterveiligheid: Het projectgebied ligt niet op of nabij een waterkering.
46/57
4.11. Geur en veehouderijen 4.11.1.
Wettelijk kader
Wet geurhinder en veehouderij Voor de geurbeoordeling van agrarische bedrijven in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt een specifiek toetsingsregime. De Wgv schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten (zoals woningen) en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de ‘omgekeerde werking’ genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Voor wat betreft geurhinder en veehouderijen betekent dit enerzijds dat een goed woon- en leefklimaat moet worden gegarandeerd ten opzichte van geurgevoelige objecten, anderzijds mogen veehouderijen en derden niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Gemeentelijke geurgebiedsvisie en geurverordening Op basis van artikel 6 van de Wgv mag een gemeente in een gemeentelijke verordening binnen een bepaalde bandbreedte andere geurnormen vaststellen dan op basis van de Wgv gelden. Gemeente Oss heeft dat gedaan in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017’.
Deze geurverordening komt voort uit de Agrarische geurgebiedsvisie Oss 2013, die op 13 december 2012 op grond van artikel 8 van de Wgv is vastgesteld. Voor wat betreft de normstelling maakt de Wgv onderscheid in veehouderijen met diercategorieën waarvoor bij ministeriële regeling (Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) een geuremissiefactor is vastgesteld is (artikel 3) en diercategorieën waarvoor dat niet het geval is en daarom een vaste afstand geldt (artikel 4). In de gemeentelijke geurverordening is bepaald dat in afwijking van artikel 4 van de Wgv de afstand tussen een bedrijf met een geringe omvang en een geurgevoelig object minimaal 50 meter bedraagt voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en minimaal 25 meter voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Van een geringe omvang is sprake bij bedrijf waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld met een maximale omvang van 200 stuks melkrundvee en 140 stuks jongvee. In afwijking van artikel 3 van de Wgv zijn in de gemeentelijke geurverordening andere geurnormen opgenomen voor wat betreft de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen een aantal gebieden. Het projectgebied ligt in dit geval binnen het gebied ‘Bebouwde kom’.
Dit betekent dat de geurbelasting van een veehouderij met diercategorieën waarvoor wettelijke emissiefactoren zijn vastgesteld niet meer mag bedragen dan 1,0 ouE/m³ (odour units per kubieke meter lucht). Dit wordt getoetst bij een aanvraag omgevingsvergunning van de veehouderij (milieuspoor ). Voor ruimtelijke procedures zijn de door de gemeente Oss vastgestelde streef- en toetswaarden ten aanzien van de achtergrondbelasting uit de Geurgebiedsvisie Oss 2013 relevant (zie onderstaande tabel). Volgens de Geurgebiedsvisie ligt het projectgebied binnen het gebied ‘Bebouwde kom, geurnorm 1, 2 en 3’.
47/57
4.11.2. Toets project Voor dit project moet beoordeeld worden of ter plaatse van het projectgebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en of de flexwoningen een belemmering opleveren voor omliggende agrarische bedrijven. Op basis van de actuele kaart Achtergrondbelasting geur van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving. De geurnorm bedraagt immers 0-3 ouE/m³. Gelet op de Geurgebiedsvisie Oss 2013 is een norm tussen 0 en 10 ouE/m³ goed.
Achtergrondbelasting Geur, met blauw omcirkeld het projectgebied (Bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant)
Daarnaast moet worden voldaan aan de vaste afstanden voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Zoals in paragraaf 4.1 al is aangegeven bedraagt de kortste afstand tot een veehouderij met diercategorie waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld ruim 112 meter. Aan de vaste afstanden uit de Wgv en Gemeentelijke geurgebiedsvisie en geurverordening wordt dan ook voldaan. Gelet op het voorgaande vormt geur van veehouderijen geen belemmering voor dit project.
4.12. Gezondheid Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid en dat de ontwikkeling op de betreffende locatie verantwoord is gelet op het aspect gezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor in de omgeving van agrarische bedrijven Het betreft specifiek de aspecten geitenhouderijen, endotoxinen en spuitzones. In deze paragraaf wordt het project aan deze aspecten getoetst. 4.12.1. Veehouderijen Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende
48/57
manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico; b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen; c.
na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Toets project Hierna volgt een toetsing aan het genoemde stappenplan. •
Stap 1. De endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming (alleen voor varkens- en pluimveehouderijen): Uit veehouderijen komen emissies van endotoxinen vrij. Door de Gezondheidsraad is voor wat betreft deze emissie een advieswaarde van 30 EU/m³ voorgeschreven. Aan de hand van de richtafstanden(grafiek) uit het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden bepaald of deze advieswaarde wordt overschreden. Voor individuele varkenshouderijen is overschrijding van de advieswaarde mogelijk tot op 200 meter. Bij individuele pluimveehouderijen is deze overschrijding in geval van legkippen tot op een afstand van 300 meter mogelijk en bij vleeskuikens tot op een afstand van 600 meter. De exacte richtafstand is gerelateerd aan de omvang van het bedrijf.
49/57
Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van een varkenshouderij. Ook is het plangebied niet gelegen binnen 600 meter van een pluimveehouderij (legkippen of vleeskuikens). Nu aan de richtafstanden wordt voldaan is op basis van deze stap geen GGD-advies noodzakelijk. •
Stap 2. Toename in de emissie voor geur, fijnstof of ammoniak: De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur of ammoniak. In paragraaf 4.7.2 is reeds geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit (waaronder fijnstof). Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.
•
Stap 3a. Geur toetsen aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader: Uit paragraaf 4.11.2 blijkt dat in de beoogde situatie wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving voldaan. De gevels van de nieuwe woningen liggen allen op meer dan 50 meter (in het buitengebied) van een veehouderij waarvoor vaste afstanden gelden. Tevens is geen sprake van een overbelaste situatie voor geur vanwege voorgrondbelasting (10 ou/m³) of achtergrondbelasting (20 ou/m³). Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.
•
Stap 3b. Geur toetsen aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde: De afstand vanaf de rand van een agrarisch bedrijf met dieren zonder emissiefactor tot de gevels van de nieuwe woningen bedraagt in de beoogde situatie ruim 100 meter. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.
•
Stap 4a Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden: Specifiek gaat het dan om de combinaties (1) varkens en pluimvee, (2) rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten), of (3) kleine herkauwers onderling. Deze combinaties komen binnen 1 km van het plangebied niet voor. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.
•
Stap 4b. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter: Hiervan is geen sprake. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.
•
Stap 5a. Een geitenhouderij komt voor binnen 2 km van het plangebied: Op circa 500 meter ten noordoosten van het plangebied is aan de Mikkeldonkweg 17 een geitenhouderij gevestigd. Deze geitenhouderij ligt dus binnen 2 kilometer afstand van het plangebied, waardoor het bevoegd gezag (gemeente Oss) GGD-advies zou moeten opvragen. Het college van B&W van gemeente Oss besloot echter op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Bij voorliggend plan is hier sprake van. De volgende overwegingen zijn daarvoor van belang: o Het betreft een project van algemeen belang om op korte termijn en voor een tijdelijke periode in een acute woningbehoefte te voorzien; o De woningen zijn is niet specifiek bedoeld voor een kwetsbare doelgroep;
•
Stap 5b. Een pluimveehouderij komt voor binnen 1 km van het plangebied: Er komt geen pluimveehouderij voor binnen 1 kilometer van het plangebied. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.
•
Stap 5c. Een andere soort veehouderij komt voor binnen 250 meter van de bebouwde kom: Deze stap heeft betrekking op het vestigen van een veehouderij binnen 250 meter van de bebouwde kom. Het plangebied ligt in het buitengebied en heeft zelf geen betrekking op de vestiging van een andere soort veehouderij. Deze stap is dan ook niet relevant. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.
•
Stap 6 Er is sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige: Hiervan is geen sprake. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.
50/57
•
Stap 7 Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid: Hiervan is geen sprake. Op basis van deze stap is geen GGD-advies noodzakelijk.
Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling aanvaardbaar is gelet op het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen. 4.12.2. Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. Toets project Ten zuiden, westen en noorden van het plangebied liggen gronden met een agrarische bestemming. Deze gronden zijn niet in gebruik voor teelten waar opgaand wordt gespoten met gewasbeschermingsmiddelen en zijn ook afgelopen jaren niet als zodanig in gebruik geweest. Dat het gebruik zal wijzigen de komende jaren is op voorhand niet voorzienbaar. Planologisch gezien is een dergelijk gebruik echter wel mogelijk. In het stedenbouwkundig plan is daarom een ruimtelijke scheiding opgenomen ten aanzien van de omliggende agrarische gronden, zodat de woningen op voldoende afstand van de agrarische gronden komen te liggen. Spuitzones vormen dan ook geen belemmering voor het project. 4.12.3.
Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Toets project Het projectgebied is gelegen op ruim 100 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. Straling van bovengrondse hoogspanningslijnen vormt gelet op de afstand geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13. Landschap 4.13.1. Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid 2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar.
51/57
In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. Het plangebied is gelegen op de overgang van het deelgebied ‘Komgebied naar ‘Dekzandrand’. De komgronden beslaan een groot gedeelte van het grondoppervlak van de gemeente Oss. Deze kleiige, relatief laaggelegen polders, worden begrensd door de oeverwal in het noorden en de dekzandrand in het zuiden. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. De ruimtelijke opbouw wordt bepaald door de openheid, de smalle slagenverkaveling, waterlopen, enkele kades, boerderijen al dan niet met erfbeplanting, een aantal eendenkooien en laanbeplanting. De dekzandrand is een overgangszone van het lagergelegen kleigebied naar de hoger gelegen dekzandrug. De dekzandranden zijn van oudsher de meest geschikte bewoningsplaatsen; vrijwel de gehele kern Oss ligt op deze rand. De dekzandranden kenmerken zich van oorsprong door een kleinschalige opbouw, met een halfopen tot besloten karakter en met nabij de kernen een onregelmatig verkavelingspatroon.
Op grotere afstand van de kernen en buurtschappen zijn later ontstane nieuwere, grootschaliger, rationele en lineaire ontginningen te vinden. Kenmerkend zijn de opgaande elzensingels op de kavelgrenzen. De delen van de dekzandrand die niet bebouwd zijn, zijn voornamelijk in agrarisch gebruik. Ze bestaan uit grootschalige land(- en tuin)bouwlanden die meestal een grote mate van openheid hebben. Zo ook ten westen van de stad Oss. De zogenaamde groene lobben (of vingers), die vanuit het buitengebied de stad ‘inprikken’ bevinden zich ook op de dekzandrand. Toets project In paragraaf 2.2 is aangegeven op welke wijze bij het ontwerp rekening is gehouden met de kernkwaliteiten van de dekzandrand en overgang naar komgebied. Dit is gebeurd aan de hand van de landschappelijke uitgangspunten en ontwerprichtlijnen die leidend zijn geweest voor het daadwerkelijk ontwerp zelf. Op deze plaats volstaat de conclusies dat in het ontwerp voldoende rekening is gehouden met de Nota Landschapsbeleid. 4.13.2. Kwaliteitsverbetering van het landschap De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan (i.c. omgevingsvergunning) dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening.
In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling
52/57
ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.
Toets project Bij dit project is sprake van een planmatige stedelijke ontwikkeling. Ten aanzien van de investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap is er een verschil in de wijze waarop in het buitengebied voor planmatige stedelijke ontwikkelingen en niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage wordt bepaald. Bij planmatige stedelijke ontwikkelingen wordt uitgegaan van een minimumbijdrage per m² uit te geven grond. De minimumbijdrage is een vaste afdracht per m², te stellen op 1% van de uitgifteprijs. Deze bijdrage moet worden gestort in het landschapsfonds of moet in natura worden geïnvesteerd in landschapsversterking. In dit geval wordt echter geen grond verkocht. De gronden zijn in eigendom van gemeente Oss. Gemeente Oss wil hier samen met BrabantWonen tijdelijk flexwoningen plaatsen. Daartoe zal de grond worden verhuurd aan BrabantWonen. Er wordt dan ook geen bouwrijpe grond verkocht, maar de grond wordt door gemeente Oss aan BrabantWonen verhuurd voor een periode van maximaal 30 jaar. Bovendien wordt het onderliggende bestemmingsplan niet gewijzigd en wordt de nieuwe stedelijke ontwikkeling (woningen plus infrastructuur) slechts tijdelijk vergund, terwijl de landschapselementen (watergangen, beplanting en extensieve recreatieve voorzieningen) permanent zijn.
Zonder berekening kan dan ook worden gesteld dat de fysieke landschapsmaatregelen zoals gepresenteerd in paragraaf 2.2 in verhouding staan tot de planmatige tijdelijke ontwikkeling. Zodoende wordt voldaan de notitie toepassingsbereik en artikel 3.9 uit de Iov.
53/57
HOOFDSTUK 5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1. Omgevingsvergunning Onderhavig project is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Om medewerking te kunnen verlenen aan het project is een omgevingsvergunning nodig op basis van artikel 2.1 lid 1 sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omdat het project in strijd is met het geldende bestemmingsplan, dient de omgevingsvergunning een goede ruimtelijke onderbouwing te bevatten. Dit staat in artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo. Dit document vormt de ruimtelijke onderbouwing en maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Het betreft een gefaseerde aanvraag omgevingsvergunning, waarbij in de eerste fase het afwijkend gebruik wordt vergund en later in de tweede fase de bouw- en aanlegactiviteiten. Met deze vergunning wordt het planologisch kader gegeven voor de flexwoningen en daarbij behorende voorzieningen (omgevingsvergunning voor de activiteit planologisch strijdig gebruik). Aan deze omgevingsvergunning wordt een instandhoudingstermijn verbonden van 30 jaar (op grond van artikel 23 lid 1 Wabo). De woningen moeten na 30 jaar dus verwijderd worden. Gekozen is voor een termijn van 30 jaar, omdat o.a. de omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘bouwen’ gefaseerd kunnen worden aangevraagd gedurende de komende jaren.
De tijdelijke termijn van 30 jaar is nodig om een kostendekkende exploitatie mogelijk te maken voor tijdelijke modulaire woningen. Er is een groot tekort aan betaalbare woningen in Oss. Van belang is dat op korte termijn betaalbare woningen worden gerealiseerd. Dit project voorziet hierin. De termijn van 30 jaar is vooral ingegeven door het feit dat het project dan financieel haalbaar is. Er zijn veel investeringen nodig om het gebied bouw- en woonrijp te maken en de om de nodige ingrepen in de infrastructuur te realiseren. Omdat de woningen demontabel zijn, kunnen de woningen na een termijn van 30 jaar weer eenvoudig elders neergezet worden. Na de termijn van 30 jaar kunnen de gronden in oude staat hersteld worden. Met deze vergunning is het mogelijk om in afwijking van de geldende bestemmingsplannen het volgende te realiseren: • maximaal 112 woningen; • parkeervoorzieningen; • verkeervoorzieningen;
54/57
HOOFDSTUK 6. FINANCIËLE UITVOERBAARHEID Op grond van de Wet ruimtelijke ordening dient bij nieuwe ontwikkelingen tegelijk met een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken een exploitatieplan te worden vastgesteld, tenzij de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. In dit geval zijn de kosten anderszins verzekerd. Het plan bestaat uit de ontwikkeling van tijdelijke woningen op een locatie van de gemeente, in samenwerking met woningcorporatie Brabant Wonen. Er is sprake van een negatief financieel resultaat. De door de gemeente gemaakte en nog te maken kosten kunnen niet worden betaald uit de opbrengsten door gronduitgifte. Er zal sprake zijn van een tijdsgebonden gronduitgifte. Met Brabant Wonen is afgesproken dat bouw- en woonrijpe grond door de gemeente voor de gebruiksperiode in gebruik wordt gegeven. Hier staan geen opbrengsten tegenover. Het project zal van gemeentewege worden ingericht als een investeringsproject. Getracht wordt om (een deel van) het tekort te dekken uit subsidies (provincie en rijk). Vooralsnog moet ervan uit worden gegaan dat de gemeente € 640.492, -- bij zal dragen aan de totaalexploitatie voor 30 jaar.
55/57
HOOFDSTUK 7. OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Op grond van artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht juncto artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is overleg nodig met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het project in het geding zijn. In het ambtelijk voortraject is het project twee keer eerder met de provincie Noord-Brabant besproken tijdens het reguliere casusoverleg. Daarbij heeft de provincie aangegeven de ontwikkeling voorstelbaar te vinden.
7.2. Inspraak Voor dit project is een participatieproces opgestart. De buurt (Gewandeweg) is uitgenodigd om deel te nemen aan informatiebijeenkomsten inzake het voorgenomen project. De informatiebijeenkomsten en klankbordbijeenkomsten zijn een belangrijk onderdeel van de omgevingsdialoog. Dit is in een verslag gerapporteerd die als bijlage deel uit maakt van deze onderbouwing.
56/57
BIJLAGEN Bijlage 1. Onderzoek wegverkeerslawaai, Rho Adviseurs; Bijlage 2. Rapportage verkennend bodemonderzoek, Econsultancy; Bijlage 3. Memo stikstofdepositieberekening, Rho Adviseurs; Bijlage 4. Quickscan Wet natuurbescherming, Econsultancy; Bijlage 5. Ecologisch inrichtingsplan, Rho Adviseurs; Bijlage 6. Inspectie das en kleine marterachtigen, Econsultancy; Bijlage 7. Archeologisch evaluatierapport, Archol; Bijlage 8. Selectieadvies archeologie, Gemeente Oss; Bijlage 9. Verslag omgevingsdialoog
57/57