-OpinienotaParticipatie (def) (002).DOCX
Tekst van het document
E-mail gemeente@oss.nl www.oss.nl
Aan alle raadsleden
Postbus 5 5340 BA Oss
Wilt u bij uw reactie de datum van deze brief en ons kenmerk vermelden?
Geachte raadsleden, Wat vragen we van de raad? Datum
Ons kenmerk
Behandeld door
Aantal bijlagen
2 februari 2021
Kenmerk
Christa van Oorsouw
3
Onderwerp Opinienota over participatiekader Omgevingswet
N.a.v. de komst van de Omgevingswet dienen gemeenten participatiebeleid vast te stellen. De raadswerkgroep heeft ter voorbereiding hierop gevraagd om een opinienota. In deze opinienota leggen we 10 keuzes of dilemma’s voor aan de opiniecommissie. Daarmee kan de commissie richting geven aan het op te stellen participatiekader.
Aanleiding – Waarom een participatiekader? Participatie is vaak al een vast onderdeel van projecten en planvorming. Participatie levert een belangrijke bijdrage aan de plannen: -
Door participatie komen er meerdere invalshoeken in beeld, wat bijdraagt aan een betere afweging;
-
Participatie kan zorgen voor draagvlak, als inwoners zich gehoord voelen en zien dat hun belang meeweegt;
-
Betrokkenheid draagt bij aan eigenaarschap, wat van belang als we projecten samen met inwoners en/of anderen willen uitvoeren;
-
Participatie kan ervoor zorgen dat inwoners met elkaar in gesprek gaan over hun leefomgeving, en samen tot oplossingen komen.
Participatie kan dus verschillende doelen dienen, bijvoorbeeld het goed in beeld krijgen van alle belangen of het creëren van draagvlak. Participatie kan gaan over het “of” (Willen we dit?) of het “hoe” (We willen dit, hoe gaan we het doen? Of wat zijn belangrijke randvoorwaarden?). Het gesprek met inwoners en andere betrokkenen is daarmee belangrijk voor de gemeente.
Er gebeurt veel op dit vlak. Inwoners worden vaak gehoord, maar steeds vaker krijgen ze een meer actieve rol en kiezen we bijvoorbeeld voor co-creatie en gezamenlijke verantwoordelijkheid. Maar we hebben (nog) geen participatiebeleid, waardoor keuzes over de mate van participatie en de mate van invloed per project worden bekeken en soms ook in gelijksoortige projecten verschillende keuzes worden gemaakt. Omgevingswet nodigt uit tot participatie Per 1 januari 2022 wordt de Omgevingswet van kracht. De Omgevingswet vraagt overheden om een andere manier van werken: samenhangend, zorgend voor ketensamenwerking, en in samenspraak met de samenleving. Participatie is daar een onmisbaar onderdeel van. In bijlage 1 is beschreven welke eisen de Omgevingswet stelt ten aanzien van participatie. De Omgevingswet biedt ruimte voor de invulling van participatie De wet geeft het bevoegd gezag en de initiatiefnemer de vrijheid om eigen keuzes te maken voor de inrichting van het participatieproces. Zo kan per project of activiteit verschillen wat de locatie is, het soort besluit, de omgeving en wie de betrokkenen zijn. Ook kan het moment van participatie en de mate van inspraak per keer verschillen.
Er is bewust niet gekozen voor een gedetailleerde vastlegging van het participatieproces om te voorkomen dat het participatietraject een afvinklijst wordt en omdat de manier waarop je participatie vormgeeft ook afhankelijk is van lokale politieke keuzes. Het doel is om mensen te enthousiasmeren en mee te nemen in het proces waarbij participatie een middel is. Dit vergt dus een actieve houding van de gemeente en de initiatiefnemers. Gemeenten zijn verplicht om participatiebeleid op te stellen. Initiatieven van derden Wanneer een externe partij een initiatief ontwikkelt, is die initiatiefnemer zelf verantwoordelijk voor de participatie (de omgevingsdialoog). In 2019 heeft het college een notitie vastgesteld waarin is besloten hoe we hier het komende jaar mee om willen gaan. Deze notitie is in de raadswerkgroep en de raadscommissie besproken. We doen komend jaar ervaring op en kijken daarna of aanpassing nodig is. Deze opinienota gaat dan ook vooral om de situaties waarin de gemeente zelf initiatiefnemer is. Er is wel sprake van een grijs gebied, bijvoorbeeld projecten waarin de gemeente samenwerkt met derden of waarin gaandeweg het belang van de gemeente zodanig groot blijkt dat we een grotere rol pakken.
Uitgangspunten nodig Om te zorgen dat het participatieproces in de toekomst goed verloopt zijn er heldere uitgangspunten en richtlijnen nodig in de vorm van een participatiekader. Het participatiekader wordt geen blauwdruk, maar zal bestaan uit een aantal uitgangspunten en een afwegingskader waarmee we per project/situatie bepalen hoe participatie wordt vormgegeven.
2
Met deze opinienota vragen wij de raad om richting te geven bij een aantal dilemma’s en keuzes. In de meeste gevallen zal het antwoord zijn: “dat hangt af van het project”. Daarom is het van belang bij de beantwoording steeds aan te geven in welke gevallen voor de ene keuze wordt gegaan, en in welke gevallen voor de andere, waar nodig met concrete voorbeelden. Bijvoorbeeld: bij projecten met alleen een lokale impact (bv Dorpshart Geffen, MFA Ravenstein) weegt de inbreng van inwoners zwaar mee, bij projecten met een gemeentebrede impact (bv windmolens, transformatie raadhuislaan) raadplegen we inwoners, maar maakt de gemeenteraad een eigen afweging. Keuzes/dilemma’s 1. Welke uitgangspositie kiezen we als gemeente? Onderstaand schema is gepresenteerd door Twijnstra & Gudde tijdens de raadsavond over participatie op 2 december jongstleden. Het geeft weer welke positie je kunt kiezen als gemeente en hoeveel zeggenschap je neer kunt leggen bij inwoners en samenwerkingspartners.
Je kunt als overheid kiezen voor verschillende verhoudingen met inwoners en samenwerkingspartners. Is de gemeente de beslissende partij, die op grond van alle inbreng beslist wat er gebeurt? Of zien we de inwoners als gelijkwaardige partner of zelfs als degenen die de regie en het laatste woord hebben? Optie a: We kiezen zo veel mogelijk rechts in het schema:
3
I.
Bij initiatieven van bewoners ondersteunen we (overheidsparticipatie) als het niet strijdig is met gemeentelijke doelen
II.
Bij onze eigen projecten kiezen we waar mogelijk voor co-creatie
III.
Alleen als co-creatie niet mogelijk is kiezen we voor de linkerkant van het schema (bijvoorbeeld: ‘Not in my backyard’)
Optie b: We kiezen standaard links in het schema en alleen bij een meerwaarde voor cocreatie of rechterkant van het schema, kiezen we daarvoor. Afweging: In optie a houd je als overheid de beslissing aan jezelf. Je weegt mee wat inwoners en stakeholders vinden, maar maakt een eigen afweging. Dat betekent dat je de uitkomst van participatie altijd nog kan toetsen en anders kunt besluiten. Daar moet je dan wel duidelijk over zijn in de communicatie. In optie b, als we kiezen voor zoveel mogelijk zeggenschap in de samenleving, leg je (een deel van) de zeggenschap neer bij anderen. In gevallen waar we voor de uitvoering afhankelijk zijn van anderen kan dat bijdragen aan de kans van slagen. Ook draagt het bij aan eigenaarschap en betrokkenheid van inwoners. Tegelijkertijd betekent het dat de overheid moet loslaten. Je kunt toetsen aan vooraf gestelde kaders, maar niet achteraf de spelregels wijzigen. Wel kunnen ervaringen aanleiding zijn om te besluiten het in toekomstige gevallen anders te doen.
2. Hoeveel zeggenschap hebben de deelnemers bij participatie? Een andere manier van kijken naar de mate van zeggenschap is de participatieladder, een veel gebruikt instrument om aan te geven wat de invloed van participatie is. Naarmate je op een hogere trede zit, heeft de buitenwacht meer invloed op het uiteindelijke besluit.
4
a.
We nemen als gemeente altijd het uiteindelijke besluit, dus we gaan nooit hoger op de ladder dan raadplegen/adviseren.
b.
We bepalen vooraf per project op welke trede van de participatieladder we zitten. Afhankelijk van de bijdrage en het belang van stakeholders kan dit per partij verschillen (bv bij een woningbouwproject raadplegen we inwoners maar cocreëren we samen met de ontwikkelaar)
Afweging: Hoeveel invloed heeft iedere partij op het uiteindelijke projectbesluit? Dit hangt natuurlijk samen met de rol die elke partij aan het begin van het participatieproces heeft. Wanneer de gemeente alles controleert en goed moet keuren, krijgen de andere partijen per definitie een minder grote rol. Wanneer er gekozen wordt voor optie a (het uiteindelijke besluit ligt altijd bij de gemeente) houd je als gemeente de controle in handen, maar het kan zijn dat inwoners zich dan minder betrokken voelen bij het project en het idee krijgen dat ze geen echte invloed hebben. Wanneer er voor optie b (per project bepalen) gekozen wordt kan er per project ruimte worden geboden voor een verschillende mate van participatie. Hierbij hangt vervolgens ook samen hoe veel tijd en geld er beschikbaar is, wat de doorlooptijd van het project is en waarover nog beslist kan worden door de deelnemers. 3.
Hoe gaan we om met bewonersinitiatieven? We krijgen steeds meer te maken met initiatieven van inwoners. Gemeenten horen daarbij een faciliterende rol te pakken. Dat is nog redelijk nieuw voor ons, en de vraag is hoe proactief we ons daarbij opstellen. Zijn we terughoudend, en beperken we ons tot onze traditionele rol, bijvoorbeeld als een vergunning nodig is? Of vinden we bewonersinitiatieven zo belangrijk dat we ons actief en pro-actief opstellen, meedenken, hulp bieden? nb we bedoelen met bewonersinitiatieven mn niet-commerciële initiatieven van groepen bewoners. Het gaat dus niet om de situaties waarin een individu of bedrijf iets wil bouwen, dan gelden de afspraken over de omgevingsdialoog bij een vergunningaanvraag. a.
Bij initiatieven van bewoners stellen wij ons als gemeente terughoudend op. We geven de ruimte die mogelijk is, maar laten het verder over aan de bewoners zelf.
b.
Bij initiatieven van bewoners die aansluiten bij de gemeentelijke doelen pakken we een actieve ondersteunende rol waarbij we helpen zonder de regie over te nemen.
Afweging: In optie a (overlaten aan de inwoners) laten we alles zoveel mogelijk over aan de bewoners. Zij houden de regie maar ook de verantwoordelijkheid voor het initiatief. Als hulp nodig is, verwijzen we naar bijvoorbeeld adviesbureaus en maatschappelijke organisaties die kunnen
5
helpen. In deze optie is het belangrijk om duidelijk te zijn over wat inwoners kunnen verwachten, en wat ook niet. In optie b (een actieve ondersteuning) kiezen we ervoor om die initiatieven die passen bij de gemeentelijke koers actief te ondersteunen en vooruit te helpen. Vergelijkbaar met bijvoorbeeld het accountmanagement voor bedrijven. Dit vraagt een andere houding tov die initiatieven dan tot nu toe (niet toetsend of beoordelen, maar ondersteunen), maar kan de kans van slagen vergroten. Wel vraagt deze optie om meer inzet (dus kosten). En misschien ook wel om het toevoegen van extra deskundigheid binnen de organisatie. 4. Wat zijn de kaders vooraf? De gemeenteraad stelt vooraf de kaders vast, maar waar gaan die kaders over? In de pilot Dorpshart Geffen hebben we geworsteld met de vraag wat we vooraf vast willen leggen als kader voor een project. Vooral omdat het na een intensief interactief traject lastig is om alsnog anders te beslissen. Duidelijkheid vooraf in plaats van achteraf is ook belangrijk om vertrouwen in de overheid niet te schaden. Bij het project Dorpshart Geffen is duidelijk geworden dat in ieder geval duidelijkheid over het beschikbare budget vooraf gegeven moet worden. Maar stellen we ook inhoudelijk grenzen? a.
We kiezen ervoor om zo veel mogelijk ruimte te geven aan goede ideeën, dus zo min mogelijk kaders.
b.
Bij projecten, ook met veel participatie, wordt het kader altijd gevormd door het door de gemeenteraad vastgestelde beleid (en uiteraard de wet en regels van het rijk). De gemeenteraad stelt ook vooraf vast welk budget beschikbaar gesteld wordt. Als oplossingen zich binnen deze grenzen bevinden zal de gemeenteraad het voorstel over nemen.
Afweging: Bij optie a geven we maximale ruimte aan de participanten en stellen alleen financieel grenzen. Dat betekent voor de gemeente loslaten: oplossingen binnen het budget zijn op voorhand goed en alleen bij zeer zwaarwegende argumenten kan daarvan afgeweken (want anders schaden we het vertrouwen in de gemeente) of moeten minstens vroeg in het traject worden aangegeven. Het betekent ook dat we de ruimte geven om af te wijken van het Oss beleid, bijvoorbeeld parkeernormen of uitgangspunten op het gebied van duurzaamheid. Kanttekening hier bij is dat de gemeente zich wel moet houden aan wettelijke grenzen en te allen tijde het algemeen belang moet bewaken. Het is zaak hier vooraf duidelijk over te zijn en grenzen aan te geven. Bij optie b (bestaand beleid is kader tenzij anders beslist) nemen we als uitgangspunt het bestaande beleid als kader voor nieuwe projecten. Dat betekent dat oplossingen buiten dat kader altijd aan de raad worden voorgelegd. Dat geeft de gemeente de mogelijkheid om
6
oplossingen te toetsen aan de algemene beleidsuitgangspunten bv op het gebied van duurzaamheid of gezondheid. 5. In hoeverre is de raad betrokken bij participatie? Er is al veel participatie en overleg met inwoners en samenwerkingspartners. Meestal wordt dit door college en organisatie georganiseerd en uitgevoerd. Het is ook ondoenlijk om in alle gevallen de raad te betrekken. Maar wanneer is de raad wel aan zet? a.
Participatie is een zaak van het college en de organisatie, zolang dit binnen het participatiekader wordt uitgevoerd. De gemeenteraad toetst achteraf. Voorstellen aan de gemeenteraad gaan vergezeld van een rapportage over de participatie die heeft plaatsgevonden, de uitkomsten en wat ermee gedaan is.
b.
Bij grote projecten, waarbij de raad vooraf de kaders vaststelt, stelt de raad ook het participatieplan vast.
Afweging: Bij plannen en trajecten die onder de bevoegdheid van de raad vallen zal de raad aan de hand van het participatieverslag (onder de omgevingswet verplicht) ook de participatie kunnen toetsen. Bij optie a toetst de raad achteraf op basis van het komende participatiekader. Bij optie b is de raad ook vooraf betrokken: de raad en niet het college stelt vooraf het participatieplan vast. Het is ondoenlijk om dat bij alle plannen en projecten te doen, maar zijn er projecten te definiëren waarbij de raad ook op het onderdeel participatie vooraf sturing wil geven, bijvoorbeeld projecten met grote impact op de omgeving en belanghebbenden? En ziet de raad dan ook een grotere rol voor zichzelf om achteraf te kunnen toetsen (bv aanwezig zijn bij bijeenkomsten)?
6. Wanneer vinden we dat het participatieproces goed is gedaan? Het is een illusie om te willen dat iedereen meedoet en meedenkt. In de regel is het een klein percentage van de inwoners dat aanwezig is bij participatiebijeenkomsten. Maar is dat erg? Om alle belangen in invalshoeken in beeld te krijgen hoeft niet iedereen mee te doen. Een vraag die hier ook speelt: zijn mensen zelf verantwoordelijk voor hun deelname (en is het voldoende als de gemeente aan iedereen ruimte biedt om mee te doen)? Of moet de gemeente ervoor zorgen dat alle groepen in de samenleving meedoen? a.
Niet iedereen heeft er behoefte aan om te participeren. De gemeente moet altijd moeite doen om zoveel mogelijk mensen te bereiken, maar vervolgens is het aan de mensen zelf om te bepalen of ze een stem willen hebben. We beschouwen de stem van de deelnemers als de stem van de inwoners.
7
b.
De gemeente moet altijd alle mogelijke moeite doen om zo veel mogelijk mensen te betrekken en is er verantwoordelijk voor dat in ieder geval alle groepen vertegenwoordigd zijn.
Afweging: De keuze hierin heeft veel te maken met je visie op de rol van de overheid en de verantwoordelijkheid van de overheid versus die van de inwoner zelf. In optie a (wel of niet meedoen is een eigen verantwoordelijkheid van de inwoners) heb je altijd een werkbare situatie, immers je krijgt altijd een opbrengst waar je mee verder kunt. Wel is de kans groter dat één specifieke mening (en dat is dan vaak de stem van de tegenstanders) de boventoon voert. Overigens blijft de gemeente wel verplicht om alle belangen mee te wegen, ook van groepen die niet deelnemen aan participatieactiviteiten. Maar dat kan ook door bijvoorbeeld informatie van belangengroepen of uit onderzoeken mee te nemen, In optie b (gemeente moet ervoor zorgen dat alle stemmen gehoord worden) moet je bereid zijn om meer tijd (en geld) uit te trekken om te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging. En wanneer is het genoeg? Overigens hebben we ambtelijk de discussie gevoerd of optie b überhaupt wel mogelijk is. Met name of je de verantwoordelijkheid voor deelname door andere partijen volledig bij de gemeente kunt leggen. De vraag is wel: hoever gaan we om alle betrokkenen ook daadwerkelijk te betrekken? En hoeveel mag dat kosten? 7.
Welke verandering willen we zien als het gaat om participatie? Zijn we tevreden over hoe het nu gaat, en gaat het nu vooral om het afstemmen van de eisen van de Omgevingswet, of willen we participatie op een andere manier gaan ontwikkelen? Er gebeurt in Oss al veel op het gebied van participatie, en veel gaat goed. In de ambtelijke werkgroep hebben we wel geconstateerd dat er verschillen zijn. Dat komt omdat een gezamenlijke participatie visie en aanpak ontbreekt. Maar ook omdat iedereen het ‘erbij’ doet, en we op het gebied van participatie buiten wat we uit eigen ervaring geleerd hebben geen specifieke kennis in huis hebben. Bijvoorbeeld op het gebied van doelgroepen en communicatiemogelijkheden. De vraag is of het nodig is om een impuls te geven aan de doorontwikkeling van participatie. Wat is hier precies voor nodig? Wanneer er een vernieuwing in participatie aangebracht wordt vraagt dit om inzet, opleiding en ontwikkeling. Hiervoor zijn mensen nodig, bijvoorbeeld een participatiecoördinator die alles opzet. Maar mogelijk is het ook nodig dat er een participatieontwikkelgroep wordt opgezet. Deze ontwikkelgroep kan bestaan uit mensen van verschillende afdelingen (ambtenaren, college, raadsleden, samenleving).
8
a.
Inwoners worden al veel betrokken bij onze plannen en projecten. Conform de Omgevingswet gaan we dit beter in beeld brengen en waar nodig/vereist vooraf een participatieplan vaststellen.
b.
We willen een vernieuwing in participatie aanbrengen waarbij we inwoners meer invloed willen geven dan ze op dit moment hebben. Dat doen we door meer experimenten rond bewonersinitiatieven en rond meer zeggenschap bij lokale projecten (vgl. Dorpshart Geffen).
Afweging: Een antwoord op deze keuze is afhankelijk van hoe je aankijkt tegen de huidige praktijk. Die is uitgebreid en divers. In optie a (we handhaven de huidige praktijk) sluiten we aan bij die praktijk in al haar diversiteit. We (en ‘we’ zijn dan vaak college en organisatie) kiezen afhankelijk van de situatie welke participatie past en mogelijk is. Uiteraard zullen we in deze optie wel de eisen van de omgevingswet uitvoeren, dat wil zeggen vooraf besluiten welke participatie plaatsvindt en achteraf verantwoorden wat er is gebeurd. In optie b (vernieuwen) kiezen we voor een doorontwikkeling waarin ook meer eenduidigheid kan ontstaan in onze participatie. Daar is wel extra inzet voor nodig. 8. Willen we meer en vaker gebruik maken van digitale middelen? Corona heeft ons op vele fronten teruggeworpen op communicatie op afstand. Dit heeft grote gevolgen gehad voor participatie. We hebben niet echt een alternatief voor (soms grote) bijeenkomsten met inwoners om van gedachten te wisselen. Tegelijkertijd biedt de inzet van digitale middelen de mogelijkheid om nieuwe en andere groepen te bereiken, bijvoorbeeld jongeren of jonge gezinnen. Willen we inzetten op meer digitale participatie? a.
Voor het goede gesprek is het nodig om elkaar fysiek te ontmoeten. Digitale instrumenten zien we hooguit als aanvullend, bijvoorbeeld om inwoners van alle informatie te voorzien.
b.
We gaan naar een situatie waarin we 80% van de participatie digitaal doen. Bij participatie gaat het vaak om het ophalen van meningen en ideeën, en dat kan prima digitaal. Bovendien kun je daarmee veel grotere groepen bereiken.
Afweging: Uiteindelijk zal het altijd gaan om een mix van instrumenten. Maar we moeten daarin wel keuzes maken, immers geld en tijd zijn bepalen de grenzen van de participatie. Inzet van internet en digitale communicatie maken het mogelijk meer mensen te bereiken, maar maken gesprekken ook minder diepgaand. Meer digitale inzet vraagt ook nieuwe competenties. Of we die nu zelf ontwikkelen of
9
extern inhuren, we zullen bij de keuze voor meer digitaal rekening moeten houden met de kosten (of kiezen voor minder fysieke activiteiten). 9. Wat mag participatie kosten? Hoe smal of breed maak je de participatie? Participatie kan op verschillende manieren en in verschillende vormen. Wie betrek je allemaal bij de samenwerking, hoe meer mensen erbij betrokken worden, hoe meer tijd en geld het ook zal kosten. Wat hebben we er precies voor over? Hangt dit af van het project, en zo ja, bij welke projecten moet alles op alles gezet worden voor participatie en bij welke moeten we kritischer kijken naar de kosten? Is het mogelijk richtlijnen op te stellen voor de kosten en andere middelen per soort project? a.
Onze middelen zijn beperkt, dat betekent dat we ook bij participatie kritisch moeten zijn op de kosten. We wegen de kosten af tegen de meerwaarde die participatie heeft voor het project.
b.
Participatie is zo belangrijk, dat geld nooit een argument mag zijn om participatie te beperken. Als de middelen er niet zijn, wachten we met het project tot we de middelen hebben om ook de participatie goed vorm te geven.
Afweging: Participatie kost geld, daar is iedereen het over eens. Dat mag ook, want participatie is belangrijk. De vraag is hoever je daarin gaat. Is de benodigde investering een criterium dat we meewegen? Is minder participatie en overweging als het budget voor een project beperkt is? In optie a is dat het geval. In optie b kiezen we dan eerder voor een lager ambitieniveau dan voor besparen op participatie. 10. Houden we ook participatie over het participatiekader zelf? a.
We laten ook participatie over het participatiekader plaatsvinden. Dit is in lijn met de het belang dat we aan participatie hechten. Het is niet erg als het kader daardoor later wordt vastgesteld.
b.
Er vindt geen participatie voorafgaand aan de totstandkoming van het participatiekader plaats maar de nieuwe aanpak toetsen we bij de verschillende adviesorganen (adviesraad sociaal domein, dorps- en wijkraden) en kan zo nodig aangepast worden.
c.
Het participatiekader wordt door de raad vastgesteld en inwoners en andere betrokkenen kunnen later alleen op inhoud van projecten participeren. We evalueren de participatietrajecten en stellen zonodig het kader bij.
10
Afweging: Een positief antwoord (optie a) ligt voor de hand, immers participatie is belangrijk en dan moet je het ook doen als het om participatie zelf gaat. Maar je kunt ook anders redeneren. We bepalen als overheid zelf welke ruimte we geven, wat we loslaten en hoe we onze verhouding met inwoners en samenwerkingspartners zien. Dus de gemeente stelt het kader vast en geeft vervolgens binnen dat kader volop ruimte voor participatie (optie c). Een tweede argument voor deze optie is de mogelijkheid dat er weinig animo zal zijn om over dit onderwerp met de gemeente in gesprek te gaan. Een mogelijke tussenweg is dat we het kader wel bespreken met onze adviesorganen, zoals de wijk- en dorpsraden en de Adviesraad Sociaal Domein.
Wat is het vervolg? Na de discussie in de opiniecommissie gaat het college met de uitkomsten hiervan een voorstel doen voor het participatiekader.
Communicatie Wanneer er gekozen wordt voor participatie over het participatiekader zal er een traject opgezet gaan worden met inwoners en betrokken partijen. Er is nog niet bekend hoe en wanneer hierover gecommuniceerd gaat worden. Bijlagen -
Overzicht regels Omgevingswet rondom participatie Presentatie Twijnstra en Gudde (raadsvergadering 2 december 2021) Verslag raadsbijeenkomst maart 2019
11
Samenvatting De gemeenteraad wil mede naar aanleiding van de Omgevingswet participatiebeleid vaststellen. Ter voorbereiding bieden we een opinienota aan. De raad kan aan de hand van de keuzes in de opinienota richting geven aan het participatiebeleid. De keuzes gaan onder ander over de rol van de gemeente en de gemeenteraad, de intensiteit en kosten van participatie, al dan niet verdere doorontwikkeling en de mate van invloed.
12