CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

ontwerp-toelichting (definitief).PDF

Adviescommissie Ruimte 25 februari 2021, gemeente OssBij agendapunt: BI Ontwerp Herziening I Bestemmingsplan Noord-West-Oss-2013 (Brasem)21.031 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van het archeologisch landschap: “Maaskant”. 4.3.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Bescherming van de plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden en was verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Quick scan Wet natuurbescherming Ter voorbereiding op voorliggend bestemmingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van deze quickscan flora en fauna zijn vastgelegd in de rapportage van 14 december 2017 die bij deze toelichting hoort. Doel van dit onderzoek was in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ontwikkeling.

Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. In de rapportage van 14 december 2017 is het volgende geconcludeerd: “Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen niet noodzakelijk geacht. Met betrekking tot werkzaamheden dient wel het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen in dit geval goed mogelijk is. Overtredingen ten aanzien van broedvogels kunnen worden voorkomen door verwijdering van groen buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden of vooraf te controleren op de afwezigheid van broedgevallen. Verder dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. Met betrekking tot beschermde gebieden of houtopstanden worden geen bezwaren voorzien ten aanzien van de uitvoering van de voorgenomen plannen.”

Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 46 van 54 ontwerp datum

Voor een uitgebreide beschrijving van de bevindingen en conclusies wordt verwezen naar voornoemde rapportage die bij deze toelichting behoren. Vanwege een zorgvuldige voorbereiding is de quickscan in het najaar van 2020 geactualiseerd. Deze actualisatie is beschreven in de rapportage van 18 november 2020 die bij deze toelichting hoort. Op basis van de actualisatie dient voor aanvang van de groenverwijdering duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aanwezigheid van rust- en/of voorplantingsplaatsen van de bunzing, wezel en hermelijn. Gebiedsbescherming: Programma Aanpak Stikstof (PAS) en stikstofdepositie Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming.

Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling. Inmiddels is duidelijk dat afzonderlijk naar stikstofdepositie moet worden gekeken. En het juridisch kader voor en de omgang met stikstofdepositie is in ontwikkeling. In de uitgevoerde quick scan voor de ontwikkeling aan de Brasem is geconcludeerd dat vanwege de aard van de (kleinschalige) ingreep tezamen met de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden een toename van stikstofdepositie niet te verwachten is en dat vervolgonderzoek in het kader van Natura 2000-gebieden niet noodzakelijk wordt geacht. Deze bestemmingsplanherziening betreft de ontwikkeling van maximaal acht woonwagens op een locatie waar reeds twee woonwagens waren toegestaan. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op ongeveer 9 kilometer. De ontwikkeling aan de Brasem brengt geen of slechts zeer beperkt stikstofemissie mee, zowel in de realisatiefase (slechts plaatsen van woonwagens) als in de gebruiksfase (gasloze woonwagens).

Daarom is met relatieve zekerheid de conclusie op voorhand dat geen stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar zal plaats vinden op een Natura 2000-gebied vanwege deze ontwikkeling. Soortenbescherming Wet natuurbescherming Soortenbescherming kan relevant zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gebruikt meestal de volgende standaardoverweging: “De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet mag vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.” ECLI:RVS:NL:2020:221 Zoals hiervoor is beschreven, wordt naar aanleiding van de actualisatie van de quickscan aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van rust- en/of voorplantingsplaatsen van de bunzing, wezel en hermelijn. De resultaten van dit aanvullend onderzoek worden uiterlijk bij de definitieve planvaststelling beschreven. Het gaat hier om drie nationaal beschermde soorten onder artikel 3.10 Wnb.

Voor deze soorten is een belang in kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting voldoende om zo

Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 47 van 54 ontwerp datum

nodig een Wnb-ontheffing te kunnen verkrijgen. De ontwikkeling aan de Brasem valt hieronder. Bovendien is het mogelijk om maatregelen voor deze soorten te nemen als dat noodzakelijk blijkt (o.a. aanbieden vervangende verblijfplaatsen voor tijdens en na de werkzaamheden en rekening houden met de kwetsbare periode (maart-eind augustus) van deze soorten). Dit maakt het aannemelijk dat een ontheffing verkregen kan worden mocht dat nodig blijken. Het soortbeschermingsregime in de Wnb staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 4.4

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

4.5

Milieueffectrapportage (M.e.r.)

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 48 van 54 ontwerp datum

Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage opgenomen. Onderhavige ontwikkeling is stedelijk, maar niet in de zin van het m.e.r.-besluit. Uit jurisprudentie blijkt dat bij nieuwvestiging van 95 woningen (ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1640, r.o. 13.2) en 17.000 m2 (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, r.o. 20.3) aan volumineuze detailhandel de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk acht.

In onderhavige situatie gaat het om veel minder woningen dan 95 en is sprake van herontwikkeling in plaats van nieuwvestiging op maagdelijke grond. Binnen het plangebied blijven bestaande bestemmingen als zodanig ongewijzigd. Er worden slechts zes nieuwe standplaatsen toegevoegd op vrijwel dezelfde plaats als waar al woonwagenstandplaatsen zijn toegestaan. Vanwege deze ontwikkeling zijn echter geen (belangrijke) nieuwe of andere nadelige milieugevolgen te verwachten. Wel zijn elders in deze toelichting relevante milieuaspecten beschreven. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling hoeft echter niet plaats te vinden.

Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 49 van 54 ontwerp datum

Hoofdstuk 5 5.1

Toelichting op de regels

Algemeen

Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de algemene regels (artikel 3), de inhoudelijke bestemmingsplanregels (artikelen 4 en 5) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 6 en 7). Bij de regels horen op grond van het moederplan 2 bijlagen (milieuzoneringslijst en lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten). Voor de bijlagen en de regels die met voorliggende herziening niet worden gewijzigd, wordt kortheidshalve verwezen naar het moederplan. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels toegelicht. 5.2

Regels

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Verhouding van de partiële herziening tot het bestemmingsplan Noord-West-Oss - 2013 Dit artikel geeft aan op welke manier de herziening zich verhoudt tot het ‘moederplan’. Hoofdstuk 2: Algemene regels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog Een klein deel van het plangebied is nog niet eerder archeologisch onderzocht en/of verstoord. Het betreft een gebied van ongeveer 600 m2 aan de noordkant van het plangebied. Dit gebied heeft een hoge verwachtingswaarde. Voor deze gebieden geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Artikel 4: Anti-dubbeltelregel Dit betreft een standaard regel die in elk bestemmingsplan moet worden opgenomen.

Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 50 van 54 ontwerp datum

Hoofdstuk 3: Aanpassing van de regels Artikel 5: Aanpassing van de regels voor woonwagenstandplaatsen in artikel 24 Dit hoofdstuk geeft de inhoudelijke aanpassingen van de regels voor woonwagenstandplaatsen. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 24.1: Voor woonwagenstandplaatsen is het mogelijk gemaakt om activiteiten uit te oefenen volgens de ‘lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten’. Ook op dit punt is zo veel mogelijk aangesloten bij de mogelijkheden van overige woonbestemmingen. Artikel 24.2: De bouwregels sluiten qua maximaal toegestane oppervlakte van een woonwagen aan bij de planontwikkeling van BrabantWonen. Voor de maximaal toegestane bebouwde oppervlakte per standplaats voor de woonwagen en bijgebouwen gezamenlijk wordt aangesloten bij de regels voor reguliere (vrijstaande) woningen. Daarom is niet langer een afzonderlijke (absolute) maximale gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per standplaats voorgeschreven. Dit verbetert de uniformiteit van de planregels voor woonbestemmingen. Hoewel dat geen doel op zich is van deze planherziening draagt het gehanteerde bebouwingspercentage indirect bij aan de brandveiligheid doordat er per saldo minder bebouwingsmogelijkheden zijn dan voorheen. Brandveiligheid is overigens geregeld in het Bouwbesluit 2012.

Artikel 24.4: De mogelijkheden om af te wijken van de gebruiksregels voor aan huis gebonden activiteiten sluiten zo veel mogelijk aan bij de afwijkingsmogelijkheden voor reguliere (vrijstaande) woningen. Voor zover bepaalde afwijkingsmogelijkheden bij woonwagenstandplaatsen niet gelden en wel bij reguliere (vrijstaande) woningen zijn dergelijke mogelijkheden bij woonwagens met name qua maatvoering ruimtelijk niet passend of wenselijk. Artikel 6: Aanpassing van de bouwregels voor parkeervoorzieningen Hiermee wordt aangesloten bij het actuele parkeerbeleid en eventuele aanpassingen daarvan. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 7: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 8: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 51 van 54 ontwerp datum

Hoofdstuk 6 6.1

Handhaving

Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 6.2

Professionele handhaving en handhavingsprogramma

De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.

Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 52 van 54 ontwerp datum

6.3

Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht

De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.

Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.

Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.

Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 53 van 54 ontwerp datum

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een bestemmingsplan (alsook een herziening) dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Op grond van de Grondexploitatiewet die per 1 juli 2008 in werking is getreden, worden overheden verplicht kosten te verhalen indien er sprake is van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijk ordening. In hoofdstuk 3 is aangegeven dat kostenverhaal in dit geval niet speelt omdat de gemeente zelf initiatiefnemer is. Ter verdere toelichting nog het volgende. De herontwikkeling van woonwagenlocatie Brasem is een ontwikkeling in opdracht van de gemeente Oss. Voor dit project heeft de raad krediet beschikbaar gesteld. Dit maakt voldoende aannemelijk dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering zal komen, waarmee de economische uitvoerbaarheid afdoende is aangetoond. Ten behoeve van het voorliggend plan wordt door de gemeente met BrabantWonen een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin alle relevante financiële (zoals wettelijk voorgeschreven plankostenverhaal) en overige afspraken zijn vastgelegd. De gemeente blijft eigenaar van de grond en geeft de gronden onder standplaatsen in gebruik bij BrabantWonen. De gemeente Oss blijft ook eigenaar van de openbare ruimte en zorgt voor het beheer van de openbare ruimte.

Daarmee wordt het kostenverhaal voor het voorliggende plan op een adequate wijze anderszins verzekerd in de zin van bovengenoemde bepaling uit de Wro, zodat van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien. Op basis van de vorenstaande overwegingen is de behoefte aan en de financiële haalbaarheid van de ontwikkeling van de beoogde maatschappelijke voorziening voldoende aangetoond. De economische uitvoerbaarheid van het voorliggende bouwplan is daarmee afdoende aannemelijk gemaakt. Voorts kan worden vastgesteld dat de gemeente zelf initiatiefnemer is en over de exploitatie van de locatie met BrabantWonen contractuele afspraken heeft gemaakt zodat het wettelijk voorgeschreven plankostenverhaal anderszins verzekerd is. De gemeenteraad kan afzien van de vaststelling van een exploitatieplan.

Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 54 van 54 ontwerp datum

Hoofdstuk 8 8.1

Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak

Voorafgaand aan (ontwerp)bestemmingsplan In 2017, 2018 en 2020 zijn omwonendenbijeenkomst georganiseerd om de omgeving van de locatie te betrekken bij de planvorming. Het doel van de bijeenkomsten was om te komen tot een vernieuwde locatie waar zowel woonwagenbewoners als buurtbewoners tevreden mee kunnen zijn. Parallel aan deze bijeenkomsten is steeds gelijktijdig de vertegenwoordiging van de woonwagenbewoners en de wijkraad geïnformeerd en geconsulteerd over de plannen. Tijdens de eerste bijeenkomst in oktober 2017 is uitgelegd wat het nieuwe woonwagenbeleid betekent voor de locatie aan de Brasem. Omwonenden konden laten weten welke zorgen er speelden en suggesties aandragen om de locatie zo goed mogelijk te ontwikkelen. In januari 2018 is het ontwerpinrichtingsplan voor de locatie gepresenteerd met een toelichting hoe de opmerkingen waren verwerkt. Omwonden konden wederom reageren op dit ontwerp. Daarna is het lange tijd stil geweest. Dat had verschillende oorzaken. Woningcorporatie BrabantWonen gaat de standplaatsen inrichten en de woonwagens verhuren. Dat is niet eerder gedaan in Oss. Gemeente en woningcorporatie hebben dat zorgvuldig voorbereid. Ook was er extra budget nodig voor het inrichtingsplan. Verder hadden het caravanprotest aan de Brasem, de media-aandacht voor de laatste bewoner en Operatie Alfa invloed op de voortgang.

In augustus 2020 zijn omwonenden geïnformeerd over de stand van zaken en is het opnieuw het inrichtingsplan voor woonwagenlocatie Brasem gepresenteerd. De bijeenkomst was georganiseerd samen met woningcorporatie BrabantWonen. Zienswijzen naar aanleiding van het ontwerp-bestemmingsplan PM 8.2

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn bij brief van PM de in dat artikel genoemde instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorontwerp-bestemmingsplan. Het eindverslag van dit vooroverleg is als bijlage opgenomen bij deze toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=c90d1ba9-7d66-4236-a85b-d9e791ad297f