CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Minima Effectrapportage 2022.PDF

Adviescommissie Sociaal Bestuurlijk 22 september 2022, gemeente OssBij agendapunt: Wijzigingen energietoeslag en antwoord op de motie verhogen inkomensgrens armoedebeleid naar 130 %14.674 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Minima-effectrapportage gemeente Oss 2022 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

23 juni 2022

Minima-effectrapportage gemeente Oss 2022

De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Nibud, 23 juni 2022 In opdracht van de gemeente Oss

Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor het publiek (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.

Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Oss. Met dit onderzoek wil de gemeente Oss inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, juni 2022

Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 2.7 Disclaimer: Inflatie en bestedingsruimte 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.4 Regeling Meedoen Is Belangrijk 3.2.5 Stichting Leergeld Maas en Leijgraaf 3.2.6 Jeugdfonds Sport en Cultuur 3.2.7 Energietoeslag 3.2.8 Bijzondere bijstand 3.2.9 Overige regelingen 3.2.10 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.2.11 De Osse aanpak 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Bestedingsruimte 4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 4.3 Armoedeval 4.4 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 5 Opschuiven inkomensgrens naar 130 procent 6 Conclusies en aanbevelingen 6.1 Conclusies 6.2 Aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen

1 Inleiding 1.1

Centrale vraag

Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Oss? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.

1.2

Kern minima-effectrapportage

Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.

1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Oss is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (12 en 16 jaar); e. Een ouder paar (AOW-gerechtig); f. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); g. Een paar met twee oudere kinderen (12 en 16 jaar).

1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Oss is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Naast de huidige situatie, wordt in beeld gebracht hoe de begrotingen eruit zien als de inkomensgrens van het minimabeleid wordt verruimd van 120 procent naar 130 procent.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval).

1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. Hierbij gaan we uit van de grenzen voor het passend toewijzen: aan de toewijzingsregels voor woningcorporaties is per 1 januari 2016 het passend toewijzen van sociale huurwoningen toegevoegd. De passendheidsnorm stelt dat elke corporatie aan minimaal 95 procent van de huishoudens die recht hebben op huurtoeslag een woning onder de aftoppingsgrens toe moet wijzen. Zo wordt voorkomen dat huishoudens met de laagste inkomens in een te dure woning terechtkomen. De aftoppingsgrens ligt voor 2022 op 633 euro voor huishoudens met één of twee personen en op 678 euro voor huishoudens van drie of meer personen.

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? In hoofdstuk 5 wordt bekeken wat de effecten zijn als de inkomensgrens van de minimaregelingen worden verschoven van 120 procent naar 130 procent. Ten slotte staan in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen van het rapport.

2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1

Inleiding

Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.

2.2

Inkomsten

In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimum inkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende alleenstaande ouders met jonge kinderen wordt in de begrotingen apart getoond als voorlopige aanslag. Het loon plus de voorlopige aanslag is gelijk aan het betreffende percentage van de bijstandsnorm. De kinderbijslag en het kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) komen hier nog bovenop. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Op welke manier de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2.

In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke regelingen.

2.3

Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie

De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket met een apart pakket voor sociale participatie. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven.

Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum.

2.4

Uitgavensoorten

In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten. Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven. Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding.

Huishoudelijke uitgaven. Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.

2.5

Voorwaarden aan de begrotingen

In de begrotingen wordt gerekend met minimale bedragen. Naast de cijfermatige kant moet daarom rekening worden gehouden met drie belangrijke voorwaarden. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven.

Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.

2.6

De begrotingen

Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.

2.7

Disclaimer: Inflatie en bestedingsruimte

Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie en (in mindere mate) voeding. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten. Energie De energieprijzen zijn gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, zoals vastgesteld door het CBS. Ook na januari zijn de prijzen nog flink gestegen. Echter, het CBS meet alleen de tarieven van nieuw afgesloten contracten. Die gelden niet voor mensen die hun energieprijs hebben vastgezet voor een bepaalde tijd. Niet iedereen krijgt dus (direct) met de hogere tarieven te maken. Daarnaast zijn de tarieven gebaseerd op een woning met energielabel C. Inwoners met een ongunstiger label zullen waarschijnlijk hogere kosten hebben dan zoals in de begrotingen opgenomen. De prijs die inwoners uiteindelijk betalen voor hun energie kan dus flink variëren en is afhankelijk van het energielabel van de woning en van de vraag of de bewoners recentelijk een nieuw contract hebben moeten afsluiten. Voeding Ook de prijzen van voeding in de begrotingen kunnen als “te laag” worden ervaren.

Dat komt omdat we bij de samenstelling van de voedingscijfers uitgaan van de prijzen van het CBS over een heel jaar, om zo de seizoenseffecten te dempen. Bij voeding zie je namelijk dat groente en fruit goedkoper zijn “in het seizoen”. Het maakt in de prijzen ook sterk uit of het een goed of een slecht oogstjaar is. En in die informatie zijn nog de lagere prijzen van vorig jaar verwerkt. Zouden we alleen uitgaan van de huidige voedingsprijzen, dan zullen die waarschijnlijk hoger uitkomen dan de bedragen zoals die nu in de begrotingen staan. Gedragsverandering Met de huidige stijging van de prijzen passen mensen hun gedrag aan. Ze zetten de thermostaat lager en trekken een extra trui aan of ze kopen vaker huismerken. Dergelijke gedragseffecten zien we nu (nog) niet terug in de begrotingen, maar deze zullen uiteindelijk een dempend effect hebben op het uitgavenpatroon en daarmee op de bedragen die in de begrotingen worden opgenomen.

3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.

3.1

Landelijk beleid

Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2022) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.888 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.494 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 4.260 euro per jaar Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.534 euro per jaar. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.726 euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 449 euro per jaar.

Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen (2022) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 31.998 euro of minder. Voor samenwonenden is deze grens 40.944 euro.

Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2022 bedraagt deze voor alleenstaanden 120.020 euro en voor paren 151.767 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 111 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 212 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 31.747 euro per persoon is strenger dan voor de zorgtoeslag. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur1 volledige huurtoeslag tot een huur van 442,46 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent van de huur tot 633,25 euro vergoed. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit tot een huur van 678,66 euro. Alleenstaanden of ouderen/ hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 763,47 euro vervolgens nog 40 procent vergoed. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.

De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,50 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 7,31 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Dit is afhankelijk van het aantal uur dat men werkt. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’.

____________________

Alleenstaande ouders met een verzamelinkomen tot 22.356 euro ontvangen het maximale kindgebonden budget. Voor paren met kinderen is de inkomensgrens in 2020 flink verhoogd, deze inkomensgrens ligt nu op 39.596 euro. Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren, omdat zij recht hebben op een extra vast bedrag van 273,75 euro per maand. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 329,56 euro. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 280,13 euro en 230,69 euro.

3.2

Lokaal minimabeleid

Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Oss voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. Deze regelingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Ook wordt aangegeven hoe het lokale minimabeleid is verwerkt in de begrotingen.

3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Oss kunnen huurders kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en de hondenbelasting. Het tarief van de afvalstoffenheffing is afhankelijk van de hoeveelheid afval die wordt aangeboden. We gaan ervan uit dat huishoudens met kinderen twaalf keer per jaar een container voor restafval van 140 liter aanbieden, voor huishoudens zonder kinderen rekenen we met zes containers van 140 liter. Voor gft-afval gaan we uit van twaalf ledigingen van 140 liter per jaar, ongeacht het aantal leden per huishouding (minder dan twaalf ledigingen restafval per jaar lijkt minder hygiënisch). Inwoners die de restafvalcontainer in 2022 16 keer of minder aan de straat zet, krijgen geld terug. Hoe minder vaak de restafvalcontainer geleegd wordt, hoe hoger het bedrag dat wordt teruggegeven. Bij het vaststellen van de kwijtschelding wordt getoetst aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor de eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies.

De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te

houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. In de gemeente Oss wordt van geen van beide mogelijkheden gebruik gemaakt. De gemeente Oss ligt in het gebied van Waterschap Aa en Maas. Bij dit waterschap is kwijtschelding mogelijk voor de waterzuiveringsheffing en de ingezetenenheffing. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De betalingscapaciteit (en daarmee de kwijtschelding) van de gemeentelijke heffingen en het waterschap wordt gezamenlijk berekend, over de aanslag van beide heffingen samen.

3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Om de financiële risico’s die samenhangen met een slechte gezondheid te beperken, biedt de gemeente Oss inwoners met een inkomen tot 120 procent van de geldende bijstandsnorm een collectieve zorgverzekering aan. Inwoners kunnen kiezen uit twee zorgverzekeraars, CZ en VGZ. Bij beide zorgverzekeraars kan gekozen worden uit twee pakketten. De gemeente betaalt mee aan de premie. De vergoeding bedraagt 20 euro per maand voor Gemeente Extra van CZ en voor Gemeente Compleet van VGZ. Daarnaast biedt CZ een pakket aan met een gespreide betalingsregeling voor het wettelijk eigen risico en kent VGZ een pakket waarbij het eigen risico is meeverzekerd. Voor deze pakketten bedraagt de vergoeding van de gemeente 40 euro per maand. In de begrotingen (zie bijlage 2) rekenen we met het meest uitgebreide pakket van VGZ omdat de meeste huishoudens in de gemeente Oss voor dit pakket hebben gekozen. Omdat het eigen risico meeverzekerd wordt, is er bij huishoudens met een inkomen tot 120 procent van de geldende bijstandsnorm geen bedrag opgenomen bij het eigen risico onder de reserveringsuitgaven. Bij de huishoudens met een hoger inkomen is wel een bedrag opgenomen dat huishoudens moeten reserveren om het eigen risico op te kunnen vangen. De kosten voor de zorgverzekering zijn opgenomen onder de post “zorgverzekering”.

De bijdrage van de gemeente is in dit bedrag verrekend. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag (IIT) in de gemeente Oss is bedoeld voor huishoudens onder de AOW-gerechtigde leeftijd, die gedurende een periode van 36 maanden over een inkomen beschikken dat niet hoger is dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Voorwaarden om voor de IIT in aanmerking te komen zijn dat men geen vermogen heeft boven het wettelijk vrij te laten vermogen en dat er geen zicht op inkomensverbetering is. Daarbij wordt rekening gehouden met de eigen krachten en bekwaamheden en met de eigen inspanningen om het inkomen te verbeteren. De IIT bedraagt per 12 maanden: ➢ 433 euro voor alleenstaanden ➢ 555 euro alleenstaande ouders ➢ 618 euro voor (echt)paren

Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd.

3.2.4 Regeling Meedoen Is Belangrijk De gemeente Oss kent een regeling ter bevordering van deelname aan sociaal-culturele, recreatieve en sportieve activiteiten, de Regeling Meedoen is belangrijk. De regeling kent de volgende vergoedingen: ➢ ➢

Sociale en culturele activiteiten: 150 euro per persoon per jaar voor alle tot het gezin behorende gezinsleden. Schoolkosten: 50 euro per jaar voor schoolgaande kinderen van 4 tot en met 11 jaar, 300 euro per jaar voor schoolgaande kinderen van 12 tot en met 17 jaar en 400 euro voor schoolgaande kinderen in het jaar waarin de scholier vanuit basisonderwijs overstapt naar voortgezet onderwijs.

De regeling is bedoeld voor huishoudens in de gemeente Oss met een inkomen dat niet hoger is dan 120 procent van het wettelijk sociaal minimum. Het vermogen mag niet meer bedragen dan het wettelijk vrij te laten vermogen zoals opgenomen in de Participatiewet. In de begrotingen wordt de bijdrage voor sociale en culturele activiteiten verrekend met de post “sociale participatie”. De vergoeding voor schoolkosten wordt verrekend met de post “onderwijs” (in het basispakket).

3.2.5 Stichting Leergeld Maas en Leijgraaf Stichting Leergeld wil voorkomen dat kinderen die naar school gaan niet kunnen meedoen met het sociaal maatschappelijke leven op en rond school. Stichting Leergeld onderzoekt altijd of er andere regelingen zijn die financiële ondersteuning bieden. Pas als dat echt niet het geval is, biedt Stichting Leergeld een tegemoetkoming in de kosten. De maximale bijdrage per kind per jaar is 300 euro. In de praktijk blijkt echter dat lang niet alle aanvragers een bedrag van 300 euro ontvangen. In de begrotingen is de vergoeding verrekend met de post “onderwijs”. De bijdrage van Stichting Leergeld beschouwen we als aanvullend op de regeling “Meedoen Is Belangrijk”. Voor kinderen in het basisonderwijs is in de begrotingen een bedrag van 125 euro opgenomen. Naast de 50 euro vanuit de regeling “Meedoen is belangrijk”, rekenen we met een vergoeding van 75 euro vanuit de Stichting Leergeld. Voor kinderen die vanuit het basisonderwijs overstappen naar het voortgezet onderwijs is 114 euro voldoende om de onderwijskosten te dekken (naast de vergoeding van 400 euro vanuit “Meedoen Is Belangrijk”). De schoolkosten voor kinderen in de bovenbouw komen uit op 677 euro. Voor hen rekenen we met een vergoeding van 300 euro van de gemeente en 300 euro vanuit de Stichting Leergeld.

3.2.6 Jeugdfonds Sport en Cultuur Het Jeugdfonds Sport en Cultuur geeft kansen aan kinderen van 4 tot 18 jaar die opgroeien in een gezin waarin weinig geld is om lid te worden van een sportclub of een culturele vereniging. Huishoudens met een inkomen tot 120 procent van de bijstandsnorm komen in aanmerking voor deze regeling.

De vergoeding voor sport is maximaal 250 euro per kind per jaar. Voor cultuur wordt een bedrag van maximaal 450 euro per kind per jaar vergoed. Lidmaatschap van een vereniging valt onder sociale participatie (zie bijlage 1). De vergoeding wordt in de begrotingen met deze post verrekend. In de berekeningen is uitgegaan van de vergoeding per kind per jaar volgens de richtbedragen van het Nibud zoals die gelden voor het lidmaatschap van een vereniging. Dit komt neer op een bedrag van 12,50 euro per maand voor kinderen van 4 tot 12 jaar en 18,50 euro per maand voor kinderen van 12 tot 18 jaar. We gaan ervan uit dat deze kosten volledig vergoed worden door het Jeugdfonds Sport en Cultuur.

3.2.7 Energietoeslag De afgelopen maanden zijn de gemiddelde huishoudelijke kosten van energie sterk gestegen. Het is te verwachten dat de energieprijzen voorlopig hoog zullen blijven. Het kabinet heeft aangegeven dat de gevolgen voor huishoudens gedempt zullen gaan worden en wil gaat waarschijnlijk de btw op energie vanaf 1 juli dit jaar voor een halfjaar verlagen van 21 procent naar 9 procent. Voor huishoudens met een inkomen op of net boven het sociaal minimum kunnen gemeenten de eenmalige energietoeslag uitkeren. Voor het verstrekken van deze energietoeslag wordt gebruik gemaakt van het instrument “categoriale bijzondere bijstand”. De gemeente kan aan huishoudens die aan de voorwaarden voldoen een energietoeslag toekennen, zonder te controleren of de energiekosten van die inwoners daadwerkelijk sterk gestegen zijn en of die inwoners over voldoende middelen (vermogen) beschikken om de energierekening te kunnen betalen. De gemeente Oss volgt hierin de richtlijn van het Rijk en verstrekt aan ieder huishouden met een inkomen niet hoger dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm een eenmalige toeslag van 800 euro. In de begrotingen is deze toeslag verwerkt in de post “gas”.

3.2.8 Bijzondere bijstand De gemeente Oss verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Uitgangspunt hierbij is dat er geen draagkracht is bij een inkomen tot 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Van het meerinkomen wordt 50 procent als draagkracht aangemerkt. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie.

3.2.9 Overige regelingen Naast bovengenoemde regelingen, kent de gemeente Oss nog een aantal voorzieningen voor huishoudens met een laag inkomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om voorzieningen waarbij andere inkomensgrenzen worden gehanteerd of voorzieningen die niet in de basisbegrotingen zijn opgenomen en die dus ook niet verrekend kunnen worden. Deze regelingen nemen we niet mee in de begrotingen. Voor de volledigheid van dit rapport worden de regelingen hieronder wel besproken.

Zwemlessen Als onderdeel van de regeling Meedoen Is Belangrijk kunnen kinderen van 5 tot en met 11 jaar zwemlessen volgen. De kosten worden vergoed voor minimaal diploma A en maximaal diploma B of vergelijkbaar. De tegemoetkoming wordt in natura verstrekt door rechtstreekse betaling aan de gecontracteerde aanbieder van de zwemles. Omdat zwemlessen niet als kostenpost in de begrotingen zijn opgenomen, worden deze ook niet verrekend. Individuele studietoelage De individuele studietoeslag is een inkomensondersteunende maatregel bedoeld voor studenten en leerlingen, die door een medische beperking naast de studie niet structureel kunnen bijverdienen. Voor deze mensen is het moeilijk om een bijbaan te hebben naast hun studie of opleiding. Ook is de drempel om te lenen een stuk hoger dan studenten en leerlingen zonder arbeidshandicap, omdat de kans op een baan kleiner is. De hoogte van de individuele studietoeslag bedraagt in Oss 311 euro per maand. Deze regeling wordt niet meegenomen omdat het niet op één van de onderzochte huishoudens van toepassing is. Solidariteitsfonds Het Solidariteitsfonds Met Elkaar Oss is bedoeld voor mensen in geldnood die nergens meer terecht kunnen. Het fonds helpt mensen uit de gemeente Oss die al lang van een minimuminkomen moeten rondkomen en die geen buffer hebben om een acuut financieel probleem op te lossen.

Mensen die het beter hebben kunnen geld schenken aan het Solidariteitsfonds om hulp te bieden. De vrijwilligers van het Solidariteitsfonds kijken samen met de aanvrager wat voor hulp nodig is en wie die hulp kan geven. Bijvoorbeeld een nieuwe bril kopen, een gestolen fiets vervangen, reiskosten geven om naar een ziek familielid te gaan, geld geven om boodschappen te doen zodat de kinderen kunnen eten. Soms geeft het Solidariteitsfonds geld, soms een lening. De noodzaak van de ondersteuning en de hoogte van de vergoeding die wordt verstrekt is sterk afhankelijk van de individuele situatie van het huishouden en wordt daarom niet in dit onderzoek meegenomen. Het Solidariteitsfonds scholen Voortgezet Onderwijs via Stichting Leergeld biedt extra ondersteuning voor een device (laptop of ipad), huiswerkbegeleiding, buitenschoolse activiteiten of een buitenlandse reis. De Stichting Leergeld doet daarvoor de intake en de inkomenstoets. Leermiddelen of kosten voor de reis worden rechtstreeks aan de aanbieder uitbetaald, niet aan de ouders. Deze vergoedingen zijn niet meegenomen in de begrotingen, omdat de onderwijskosten in de begroting vrijwel geheel worden gecompenseerd door de regeling Meedoen is Belangrijk (3.2.4) en de Stichting Leergeld (3.2.5).

Witgoedregeling Inwoners die tenminste vijf jaar een inkomen hebben tot 120 procent van de toepasselijke bijstandsnorm, kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding van witgoed (een wasmachine, kookplaat, koelkast of televisie). De Nibudprijzen geven richting aan het maximum toe te kennen bedrag. Het exacte toe te kennen bedrag is maatwerk. Een vergoeding is mogelijk als één van de vier bovengenoemde apparaten kapot is en reparatie aantoonbaar alleen tegen hoge kosten kan.

Of iemand daadwerkelijk voor vergoeding in aanmerking komt is maatwerk. Feitelijk is het een vorm van bijzondere bijstand. Omdat dit afhangt van de persoonlijke situatie, nemen we de witgoedregeling niet mee in de begrotingen. Voedselbank en Kledingbank De Voedselbank verstrekt wekelijks voedselpakketten aan gezinnen met een laag besteedbaar inkomen. Bij de Kledingbank kunnen klanten één keer per drie maanden acht stuks kleding halen. De Kledingbank en Voedselbank hanteren hierbij eigen inkomensgrenzen. De huishoudens in dit onderzoek hebben een besteedbaar inkomen dat boven dit maximale grensbedrag ligt. Daarom is deze voorziening niet in de begrotingen doorberekend. Stichting Babyspullen De Stichting Babyspullen verstrekt twee keer een pakket, eenmaal tijdens de zwangerschap en eenmaal als de baby een half jaar oud is. De huishoudens in dit onderzoek komen, gezien de leeftijd van de kinderen, niet voor deze pakketten in aanmerking. Diversen Ten slotte kent de gemeente Oss een Ruilwinkel, Helpende Handen, Quiet Oss, Eten Over en nog meer initiatieven die spullen, kleding of voedsel inzamelen en verstrekken aan mensen met een laag inkomen. Veelal hanteren zij geen criteria of inkomenstoets.

3.2.10 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Voor deze eigen bijdrage is een tegemoetkoming mogelijk vanuit het participatiebudget van de gemeente als de aanvrager in een re-integratietraject zit. In deze rapportage wordt hier niet van uitgegaan. Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang voor het kind van drie jaar. Bij 110 procent van het minimum inkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering (die geen arbeidsmarktgericht traject volgt) hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen van 110 of 120 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven.

Dit is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag.

Voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, kent de gemeente Oss een tegemoetkoming. De hoogte van deze tegemoetkoming is het verschil tussen de gemeentelijk bepaalde kostprijs voor peuteropvang en de netto ouderbijdrage. De tegemoetkoming omvat maximaal 8 uur per week peuteropvang verdeeld over 2 dagdelen gedurende 40 weken per jaar. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.11 De Osse aanpak In de gemeente Oss is een specifieke manier van werken doorgevoerd, die verder gaat dan het checken op welke van alle bovengenoemde regelingen klanten recht hebben. De gemeente gaat met de klant om tafel zitten om vast te stellen wat zij daadwerkelijk nodig hebben om hun leven weer op de rit te krijgen, of te houden. Daarbij wordt aan klanten gevraagd actief mee te denken over hoe zij hun persoonlijke situatie kunnen verbeteren en welke stappen nodig zijn om dat voor elkaar te krijgen. De gemeente kan hen daarbij ondersteunen. Hoe dit gebeurt, is voor iedereen anders en daarom is dit niet in de begrotingen doorgerekend. Voor de volledigheid van deze rapportage is het wel goed om deze zogenoemde Osse aanpak te benoemen, juist omdat met een dergelijke maatwerkbenadering een (nog) betere aansluiting met de behoefte van de klant kan worden verwezenlijkt.

4 Resultaten 4.1

Saldo inkomsten min uitgaven

Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT). Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood.

Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 133 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, blijft er 44 euro per maand vrij te besteden over. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen.

4.2

Bestedingsruimte

4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Uit de tweede kolom (‘saldo na basispakket’) blijkt dat op alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen.

4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie Wanneer de bestedingen voor sociale participatie worden meegenomen zien we dat vrijwel alle huishoudtypes voldoende bestedingsruimte hebben om deze uitgaven te kunnen doen. Het paar met oudere kinderen heeft daarentegen wel met tekorten te maken. Dit huishouden kan op bijstandsniveau en op 130 procent van de norm de uitgaven voor sociale participatie niet bekostigen.

Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand a. Alleenstaande

100% € 110% € 120% € 130% €

saldo na basispakket 133 173 254 250

saldo na basispakket en participatie € 44 € 84 € 165 € 149

saldo na basispakket 349 369 463 457

saldo na basispakket en participatie € 259 € 279 € 373 € 355

saldo na basispakket 169 209 290 250

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie € 80 € 120 € 201 € 149

saldo na basispakket

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie

€ € € €

saldo na basispakket 465 491 569 503

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie € 320 € 346 € 424 € 308

€ € € €

saldo na basispakket 351 394 461 337

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie € 200 € 243 € 310 € 112

€ € € €

b. Alleenstaande oudere

100% € 110% € 120% € 130% €

c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 419 € 274 110% € 445 € 300 120% € 523 € 378 130% € 503 € 308 d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (12 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 305 € 154 110% € 347 € 196 120% € 415 € 264 130% € 337 € 112 e. Ouder paar saldo na basispakket 414 415 531 528

saldo na basispakket en participatie € 276 € 276 € 392 € 365

saldo na basispakket

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie

f. Paar met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na basispakket 100% € 282 110% € 360 120% € 414 130% € 340

saldo na basispakket en participatie € 88 € 165 € 220 € 83

€ € € €

saldo na basispakket 333 411 466 340

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie € 139 € 217 € 272 € 83

€ € € €

saldo na basispakket 239 317 372 163

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie € 39 € 117 € 172 € -124

100% € 110% € 120% € 130% €

g. Paar met 2 oudere kinderen (12 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 188 € -12 110% € 265 € 65 120% € 320 € 120 130% € 163 € -124

a. Alleenstaande Een alleenstaande heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. Op bijstandsniveau is er een bestedingsruimte van 44 euro per maand. Dit loopt op naar 165 euro bij een inkomen van 120 procent. Bij het inkomen op 130 procent van het toepasselijke minimum daalt de bestedingsruimte naar 149 euro. Op deze daling komen we in paragraaf 4.3 terug. b. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) Een alleenstaande vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd heeft meer bestedingsruimte dan een jongere alleenstaande. Zij hebben ruim voldoende saldo om naast het basispakket ook de sociale participatie te bekostigen. Dit komt omdat de AOW-uitkering en de bijstandsuitkering vanaf de AOW-leeftijd hoger zijn dan de bijstandsuitkering voor inwoners onder de AOW-leeftijd. c. Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met twee jongere kinderen houdt net als de alleenstaande oudere ruim voldoende bestedingsruimte over om bovenop het basispakket de uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te kunnen doen. Voor dit huishouden op bijstandsniveau blijft er een saldobedrag van 274 euro over. d.

Eenoudergezin met twee oudere kinderen (12 en 16 jaar) Ook het eenoudergezin met kinderen van 12 en 16 jaar kan zowel het basispakket als de kosten voor sociale participatie bekostigen. Dit huishoudtype houdt op bijstandsniveau 154 euro over op de begroting. Wel is de bestedingsruimte per maand lager dan die van het eenoudergezin met jonge kinderen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor voeding, vervoer en onderwijs voor oudere kinderen. De kosten voor onderwijs worden grotendeels gecompenseerd door de gemeentelijke minimaregelingen en aangevuld door Stichting Leergeld en Jeugdfonds Sport en Cultuur. Ook worden de hogere uitgaven van oudere kinderen enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget). e. Ouder paar (AOW-gerechtigd) Het oudere paar heeft op AOW-niveau een saldo van 276 euro. Dit bedrag is vergelijkbaar met de bestedingsruimte van een alleenstaande oudere. Het saldo loopt op naar 392 euro op 120 procent en daalt weer licht naar 365 euro op 130 procent van de geldende norm. f. Paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft bij geen van de onderzochte inkomensniveaus te maken met een tekort. Met alleen een bijstandsuitkering is er een bestedingsruimte van 88 euro per maand. Bij het inkomen op 120 procent van het toepasselijke minimum is dit 290 euro.

Bij een inkomen hoger dan 120 procent zien we lager bedrag beschikbaar. Hierover meer in paragraaf 4.3. Het paar met jonge kinderen houdt minder over dan het eenoudergezin met jonge kinderen. Dat komt doordat het totale inkomen (uitkering plus toeslagen) op bijstandsniveau bij paren slechts 12 procent hoger ligt dan bij eenoudergezinnen. Dit is niet voldoende om de extra kosten van de tweede volwassen te kunnen betalen.

g. Paar met twee oudere kinderen (12 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen kan op bijstandsniveau de maandbegroting niet rondkrijgen. Maandelijks komt dit huishouden 12 euro tekort. Vanaf 110 procent wordt het saldo positief. Bij het inkomen op 130 procent zien we weer een negatief saldo ontstaan. Ook voor dit huishouden geldt dat de hogere bijstandsnorm voor paren niet opweegt tegen de meerkosten van een extra volwassenen. Het eenoudergezin met oudere kinderen houdt daarom meer over. In vergelijking met het paar met jonge kinderen is de bestedingsruimte op alle onderzochte inkomensniveaus lager. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen aan onder meer onderwijs, voeding en kleiding. Ook de vergoedingen voor kinderen vanuit het minimabeleid (die in zijn totaliteit voor oudere kinderen hoger liggen dan voor jonge kinderen) kunnen dit niet compenseren.

4.3

Armoedeval

Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Oss doet dit zich tot en met een inkomensniveau van 120 procent bij geen van de onderzochte huishoudtypen voor. Op 130 procent van de norm zien we dit verschijnsel wel optreden: het eenoudergezin met twee oudere kinderen en paren met (jonge of oudere) kinderen houden bij een inkomen op 130 procent minder over dan op bijstandsniveau. Door het wegvallen van de minimaregelingen daalt het besteedbaar inkomen tot onder bijstandsniveau. Omdat huishoudens met oudere kinderen recht hebben op de hoogste compensatie vanuit het minimabeleid, leidt dat in deze gevallen tot een uitstroomval. Bij paren speelt bovendien mee dat landelijke toeslagen, te weten de huur- en de zorgtoeslag al afbouwen vanaf een inkomen van 120 procent; op 130 procent liggen deze toeslagen nog lager. Vandaar dat ook een paar met jonge kinderen met een uitstroomval te maken krijgt (in tegenstelling tot een eenoudergezin met jonge kinderen, waar alleen sprake is van een doorstroomval op 130 procent). Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In dit onderzoek zien we een doorstroomval bij alle onderzochte huishoudens op 130 procent.

Deze doorstroomval wordt veroorzaakt door het wegvallen van zowel de eenmalige energietoeslag van 800 euro als de gemeentelijke regelingen. De doorstroomval is voor huishoudens met oudere kinderen het grootst. Dit komt ook omdat de vergoedingen vanuit de gemeentelijke regelingen en Stichting Leergeld voor oudere kinderen hoger zijn dan voor jonge kinderen. Paren met oudere kinderen hebben op 130 procent met de grootste doorstroomval te maken. Bij dit inkomen is er ook een tekort te zien. Zoals hierboven al aangegeven, vallen bij paren niet alleen gemeentelijke vergoedingen weg, maar zijn ook enkele landelijke toeslagen (huurtoeslag en zorgtoeslag) lager.

De energietoeslag van 800 euro per jaar voor huishoudens met een laag inkomen is, voor zover nu bekend, eenmalig. Wanneer we deze toeslag niet meerekenen, wordt alleen een doorstroomval op 130 procent zichtbaar bij de huishoudens met kinderen. Alleenstaanden en paren zonder kinderen hebben, als er geen sprake zou zijn van een energietoeslag, wel een hoger saldo op 130 procent dan op 120 procent. Bovendien heeft het eenoudergezin met oudere kinderen en het paar met jonge kinderen dan niet meer te maken met een uitstroomval op 130 procent. Wel is nog een doorstroomval zichtbaar. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in het effect van het opschuiven van de inkomensgrens naar 130 procent.

4.4

Huishoudens met langdurig een laag inkomen

Huishoudens in de gemeente Oss, die gedurende drie jaar of langer een inkomen hebben gehad dat niet hoger is dan 120 procent van de bijstandsnorm, komen in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de toeslag varieert per huishoudtype (zie paragraaf 3.2.3). In tabel 1 staan in de laatste 2 kolommen de saldi van de inkomsten min de uitgaven uitgewerkt waarbij ook rekening is gehouden met de IIT. Als we kijken naar de bestedingsruimte inclusief de IIT zien we dat het tekort bij paren met twee oudere kinderen van 14 en 16 jaar op bijstandsniveau omslaat naar een positief saldo. Dit tekort wordt door de IIT dus volledig gecompenseerd. De IIT kan een nieuwe armoedeval veroorzaken: een huishouden met recht op IIT kan een hogere bestedingsruimte hebben dan een huishouden op een hoger inkomensniveau, zonder recht op IIT. In de gemeente Oss doet dit verschijnsel zich niet voor. Wel zien we dat de doorstroomval op 130 procent, die ook al zichtbaar is zonder IIT, groter wordt. Met andere woorden, de terugval in bestedingsruimte op 130 procent (ten opzichte van 120 procent) wordt groter als er ook recht op IIT is. Bij eenoudergezinnen met jonge kinderen zien we de doorstroomval veranderen in een uitstroomval: het saldo van dit huishouden met een inkomen op 130 procent van de toepasselijke norm is lager dan op bijstandsniveau inclusief IIT.

Overigens kan erover gediscussieerd worden in hoeverre er gesproken kan van een armoedeval als het saldo inclusief IIT vergeleken wordt met een hoger inkomensniveau waarin er geen recht op de IIT bestaat. De IIT is immers bedoeld voor huishoudens die langdurig op het minimum leven en zeer weinig kans hebben om hun inkomen te verhogen.

5 Opschuiven inkomensgrens naar 130 procent De minimaregelingen in de gemeente Oss lopen tot 120 procent van de geldende bijstandsnorm. De gemeente heeft het Nibud gevraagd te onderzoeken wat het effect op de begrotingen is als deze inkomensgrens wordt verschoven van 120 procent naar 130 procent. In tabel 2 zijn de resultaten van deze verschuiving opgenomen. Ook wordt in beeld gebracht wat dit betekent voor huishoudens met een inkomen daarboven, op 140 procent. In het vorige hoofdstuk zijn de saldi van de begrotingen gepresenteerd in de huidige situatie, met een inkomensgrens van het minimabeleid tot 120 procent (zie tabel 1). Hieruit bleek dat alleen het paar met twee oudere kinderen een tekort heeft, zowel bij een inkomen op bijstandsniveau als bij een inkomen op 130 procent van de norm. Voor het overige zijn geen tekorten zichtbaar. Daarnaast werd bij alle onderzochte huishoudtypen een doorstroomval zichtbaar bij een inkomen op 130 procent, wanneer geen recht meer bestaat op de minimaregelingen. Bij een verschuiving van de inkomensgrens nemen de saldi op 130 procent toe. Dit is vooral relevant voor het paar met oudere kinderen, waarvan het tekort van 124 euro omslaat naar een positief saldo van 110 euro. Bij de overige huishoudens lag het saldo al op minimaal 84 euro en is de inkomensondersteuning dus minder hard nodig.

En ander gevolg van het verschuiven van de inkomensgrens is dat de doorstroomval op 130 procent alleen nog maar zichtbaar is bij paren met (jonge of oudere) kinderen. Deze doorstroomval wordt veroorzaakt door lagere landelijke toeslagen en het wegvallen van het recht op de energietoeslag. Bij enkele huishoudens zien we wel een doorstroomval op 140 procent ontstaan, te weten bij het eenoudergezin met oudere kinderen en bij de paren met kinderen. Dit zijn de huishoudens die de meeste ondersteuning vanuit het minimabeleid ontvangen. Dat niet alle onderzochte huishoudens te maken krijgen met een doorstroomval op 140 procent komt doordat de energietoeslag (omgerekend naar een maandbedrag van 67 euro) wel is vast gezet op een inkomensgrens van 120 procent, omdat deze eenmalig is. Wanneer de 130 procentgrens voor alle regelingen zou gelden, zou ook bij de overige huishoudtypen een doorstroomval op 140 procent zichtbaar worden. Als ook de IIT in de analyse wordt betrokken, wordt bij alle huishoudtypen een doorstroomval op 140 procent zichtbaar. Bij paren met kinderen zelfs een uitstroomval. Al met al lijkt het verhogen van de inkomensgrens van het minimabeleid niet de meest voor de hand liggende keuze, aangezien de meeste huishoudens geen tekort hebben bij een inkomen van 130 procent van de norm.

Beter kan de gemeente specifiek inzetten op de ondersteuning van paren met (oudere) kinderen. Dit huishouden heeft een tekort op bijstandsniveau én op het moment dat geen recht meer bestaat op de minimaregelingen van de gemeente. In de huidige situatie is dat bij een inkomensniveau boven 120 procent; als de regelingen door zouden lopen tot 130 procent, ontstaat er een tekort op 140 procent van de norm.

Tabel 2. Saldo inkomsten min uitgaven bij een inkomensgrens van 130 procent a. Alleenstaande

100% € 110% € 120% € 130% € 140% €

saldo na basispakket 133 173 254 278 324

saldo na basispakket en participatie € 44 € 84 € 165 € 188 € 222

saldo na basispakket 349 369 463 484 519

saldo na basispakket en participatie € 259 € 279 € 373 € 395 € 417

saldo na basispakket 169 209 290 314 324

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie € 80 € 120 € 201 € 224 € 222

saldo na basispakket

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie

€ € € € €

saldo na basispakket 465 491 569 586 612

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie € 320 € 346 € 424 € 441 € 417

€ € € € €

saldo na basispakket 351 394 461 503 446

inclusief IIT saldo na basispakket en participatie € 200 € 243 € 310 € 352 € 221

€ € € € €

b. Alleenstaande oudere

100% € 110% € 120% € 130% € 140% €

c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 419 € 274 110% € 445 € 300 120% € 523 € 378 130% € 540 € 395 140% € 612 € 417 d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (12 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 305 € 154 110% € 347 € 196 120% € 415 € 264 130% € 457 € 306 140% € 446 € 221 e. Ouder paar saldo na basispakket 414 415 531 583 621

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=26ca0293-5bbd-403e-8050-b62bf912a7ce