CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

MER definitief.PDF

Adviescommissie Ruimte 14 januari 2021, gemeente OssBij agendapunt: BII Ontwerp bestemmingsplan en MER Herinrichting uiterwaarden Demen-Dieden28.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

11

een meer begroeid en gevarieerd landschap ontstaat. Zo ontstaan uiterwaarden met afwisselend grazige en kruidige begroeiing met spontane ruigten en struwelen en zelfs plaatselijk ooibos. Het landgebruik in het plangebied Demen-Dieden wordt anno 2019 gekenmerkt door het agrarisch gebruik. Door de relatief hoge ligging leent het buitendijks gebied zich voor het verbouwen van bieten en mais en is het nabij Demen als grasland in gebruik. De actuele natuurwaarden van de uiterwaarden zijn mede daardoor zeer beperkt. Alleen op de deels zandige, aangevulde oeverzones komen hier en daar enigszins soortenrijkere vegetaties (met soorten zoals kamgras en karwijvarkenskervel) voor. De uiterwaard is in de loop der tijd hoog opgeslibd en overstroomt in de huidige situatie nog maar heel zelden (eens per 10 jaar). Cultuurhistorische waarden worden gevormd door de oorspronkelijke rivier, de oude dijken, de veerweg en de bakenbomen. De bakenbomen zijn voor het grootste deel nog aanwezig. De rivieroever is met stenen versterkt. De dijk bij Demen-Dieden is bij een eerdere dijkverhoging voorzien van een tuimelkade, dit is een smalle hogere kade op de dijk langs het water. Langs de tuimelkade staat een (onderbroken) markante laanbeplanting, zowel één- als dubbelzijdig. Binnendijks tegen de dijk liggen een tweetal rabatbosjes.

Het dijktracé is licht slingerend, tot de scherpe bocht bij Dieden, die de oude Maasmeander markeert. Bij Demen ligt, haaks op de stroomrichting van de Maas, de veerweg (Demense Veerstraat) naar het fiets- en voetveer naar Batenburg. Deze veerpont vaart alleen in het toeristenseizoen. Aan weerszijden van de veerstoep liggen gegraven laagten met water, net achter de stenen rivieroever. Op enkele plaatsen is de verlaagde Lelyzone nog zichtbaar, maar door het intensief gebruik als akker, vaak niet meer te herkennen. Het plangebied Demen-Dieden start aan de oostzijde met de oude rivieroever, van toen de Batenburgse meander nog bestond. Aan de westzijde van het plangebied ligt het reeds in uitvoering zijnde project oeverzone Diedensche Uiterdijk. Ook hier wordt reliëfvolgend ontkleid. Op een hoog deel van dit project is een bos ontwikkeld en is een dassenburcht aanwezig (die wordt gehandhaafd). De kasteellocatie hier is thans een agrarisch bedrijf. Van de dijk bij de kasteellocatie naar dit bos ligt een (landbouwkundige) ontsluiting.

2.3

Autonome ontwikkeling

Wanneer er niets wordt aangepast aan de huidige situatie, zal agrarisch gebruik zich voortzetten en mogelijk verder intensiveren. Daarnaast wordt de dijk tussen Ravenstein en Lith versterkt zoals gepland om te voldoen aan de normen voor waterveiligheid. Door klimaatverandering worden daarnaast in de toekomst hogere rivierstanden verwacht in de winter. Hierdoor zal de uiterwaard naar verwachting verder opslibben en vaker overstromen, maar ook meer droge periodes kennen dan in de huidige situatie.

12

3

Ontwikkeling van onderzoeksvarianten

Dit hoofdstuk beschrijft hoe de onderzoeksfase is uitgevoerd en met welke randvoorwaarden het ontwerpproces is doorlopen. Hierin is een optimum gezocht tussen versterking van natuur, effecten op de rivier en waterstanden en kleiwinning. Vanuit de basisvariant zijn 3 onderzoeksvarianten beschreven en getoetst. Met deze varianten is geoptimaliseerd tot een voorkeursalternatief (VKA). Na toetsing van het VKA op kritische aspecten geotechniek en geohydrologie is het VKA geoptimaliseerd voor rivierkunde (dwarsstroming). 3.1

Beschrijving ontwerp

De basis van het ontwerp is het realiseren van natuurontwikkeling door een deel van de uiterwaard af te graven buiten de beschermingszone van de dijk. De vrijkomende klei wordt gewonnen voor de keramische industrie. Hierdoor ontstaat ter hoogte van Demen een brede meestromende ondiepe zandige oevergeul. Deze geul is tweezijdig aangetakt aan de rivier, met instroomdrempels onder stuwpeil. Tussen de geul en de Maas ontstaan zandige platen en eilanden daar waar de zandspiegel hoger ligt dan het stuwpeil. De geulen zijn zo vormgegeven dat er door het rivierwater steile buitenbochten en flauwe binnenbochten ontstaan. In de buitenbocht ontstaan steilranden, dit is gunstig voor bijvoorbeeld oeverzwaluwen. In de flauwe binnenbochten zijn de stroomsnelheden beperkt, waardoor zich hier oever- en watervegetaties ontwikkelen. Een zone van tenminste 75 meter uit de teen van de dijk blijft onvergraven, om de stabiliteit van de dijk niet aan te tasten. Ter plekke van de oeveraanvullingen worden de oude kribben (aangelegd rond 1854-1891) zo mogelijk ingepast in het ontwerp. Het zichtbaar maken van de oude kribben is deels ingegeven vanuit cultuurhistorie (zichtbaar maken oude rivier) en deels gebruikt voor de rivierkundige optimalisatie. De bakenbomen zijn van landschappelijke waarde en worden ingepast in het ontwerp. 3.2

Overzicht belangrijkste onderzoeksvragen en uitganspunten ontwerp

Ter onderbouwing van het ontwerp, de vergunningaanvragen en het milieueffectrapport (MER), is in de planfase een aantal gerichte onderzoeken uitgevoerd. Het eerste doel van die onderzoeken is om vast te stellen of de ontwerpen, doelen en ambities daadwerkelijk waargemaakt worden. Maar ook of er inderdaad een groot oppervlak robuuste, rijk gestructureerde riviernatuur met meerwaarde voor de omgeving (betere leefomgeving) én een bijdrage aan de veiligheid (lagere waterstanden, ruimte voor dijkversterking) wordt gerealiseerd. Daarnaast is onderzocht of negatieve effecten zijn vermeden, dan wel maximaal beperkt. Zoals eerdergenoemd in paragraaf 3.1 zijn, om deze vragen te beantwoorden, vier onderzoeksvarianten gebruikt waarbij is gezocht naar bandbreedten voor de parameters natuurwaarden met verschillende vegetatietypen en ontgraving, en de gevolgen daarvan op de waterstand en dwarstroming. Daarbij staan de volgende acht onderzoeksvragen (thema’s) centraal: 1. Wat zijn de effecten op de natuur?

13

2.

3.

4.

5.

6.

7. 8.

o kansen voor natuurontwikkeling o verlies actuele waarden o N-depositie op Natura 2000-gebieden Wat is de impact op historische waarden? o archeologie o cultuurhistorie o aardkunde Wat is de invloed op de robuustheid van de waterkering? o kans op piping o ruimte voor toekomstige versterking o beheerbaarheid o golfslag Wat zijn de effecten op de rivier? o hoogwaterstanden o scheepvaart o morfologie Wat is de invloed op de waterhuishouding binnendijks? o grondwaterstandsveranderingen o toename van kwel Wat is de impact op de leefomgeving? o woonkwaliteit o ontsluiten o landschapsbeeld Kan het beoogde grondverzet binnen het plangebied plaatsvinden? In welke mate zou er tijdens de uitvoering hinder op kunnen treden (geluid, stof, veiligheid)? En hoe is dit te voorkomen?

In de onderzoeksfase zijn deze vragen onderzocht, en daarmee is toegewerkt naar één voorkeursontwerp. Dit voorkeursontwerp is daarmee het resultaat van een optimale balans tussen de verschillende parameters. De optimalisatie naar een voorkeursontwerp is voornamelijk gebaseerd op de opgaven voor natuur en de effecten vanuit rivierkunde en dijkveiligheid. De uitgangspunten zijn, zoals opgenomen in het startdocument: - Primair doel is het realiseren van een aaneengesloten, gebiedsdekkend robuust, rijk gestructureerd en riviergebonden natuurgebied met een proportionele bijdrage aan hoogwaterveiligheid met meerwaarde voor de omgeving (toegankelijkheid, verrijking leefomgeving, bijdrage aan hoogwaterveiligheid, etc.). - Het moet mogelijk blijven om de uitvoering van het project in de oeverzone (oranje in figuur 1-2) en het overige plangebied (groen in figuur 1-2) los van elkaar te realiseren. - Het project moet een proportionele bijdrage realiseren aan de Kaderrichtlijn Water (KRW) door de aanleg van natuurvriendelijke oeverzones langs de Maas en het toevoegen van met de Maas verbonden ondiepe, deels meestromende en deels geïsoleerde, nevengeulen. - Het plangebied omvat de Maasuiterwaarden vanaf de rivieroever tot de teen van de waterkering. Het zomerbed, de dijk en het binnendijks gebied zijn géén onderdeel van het plangebied.

- Niet-vermarktbare vrijkomende specie (onder meer bovengrond, onbruikbare kleilagen en zand) wordt in principe binnen het gebied uitgewisseld. Er wordt in principe géén zand gewonnen; het zand blijft behouden voor het gebied. Uitwisseling tegen vermarktbare klei is mogelijk, doch

14

-

-

-

-

-

-

alleen daar waar dat bijdraagt aan de projectdoelen. Bijvoorbeeld door het afwerken van de bovenlaag met zand zodat een verschaalde bovengrond aanwezig is. Dit is een goede uitgangssituatie voor de ontwikkeling van riviernatuur. De werkzaamheden worden, in ieder geval voor wat betreft het NM-deel (groen in figuur 1-2), in pas met de afzetmogelijkheden van de klei uitgevoerd. Ontgraven terreindelen (per fase) worden na circa 3 jaar definitief opgeleverd naar tevredenheid van de opdrachtgever. De werkrichting is in principe van west naar oost. Reliëfvolgende ontkleiïng tot de onderliggende zandondergrond is het uitgangspunt. De zandspiegel wordt vergraven waar dat ecologisch gezien toegevoegde waarde heeft. Rivierverruiming is niet het primaire doel, maar het project beoogt wél een proportionele bijdrage te leveren aan de verruiming van de afvoercapaciteit van hoogwaterperiodes. Dijkverbetering is géén onderdeel van het project. Het project anticipeert waar mogelijk wel op de aanstaande dijkversterking (ruimte voor verbreding, voorlandverbetering, strategische voorraadvorming) mits dit de voortgang van het project niet beperkt en bij betreffende overheden hier interesse voor bestaat. Natuurmonumenten blijft terreinbeheerder van haar eigendom binnen het plangebied. Rijkswaterstaat blijft terreinbeheerder van haar eigendom binnen het plangebied.

Conform de natuurvisie MeerMaas van Natuurmonumenten is een integraal beheer en natuurgerichte seizoensbegrazing het uitgangspunt voor het beheer in de uiterwaard. Jaarrondbegrazing is in de toekomst mogelijk. Het gebied wordt vrij toegankelijk voor extensieve natuurgerichte recreatie (struinen, wandelen, vissen). Er worden slechts spaarzaam recreatieve voorzieningen aangelegd (toegangen, parkeervoorzieningen, informatieborden). Het gebied wordt niet toegankelijk voor ruiters (en menners) teneinde conflicten met de grazende dieren bij voorbaat te vermijden. De aan te leggen wateren worden niet toegankelijk voor gemotoriseerde watersport (dus wel voor kanoën e.d.). Voor de huidige bakenbomen hanteren we het huidige bakenbomenbeleid van Rijkswaterstaat; bakenbomen worden niet vervangen, omgevallen bomen worden afgevoerd dan wel vastgelegd. De Provincie Noord-Brabant heeft de bakenbomen ook opgenomen in haar Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Vooralsnog worden de bestaande bakenbomen in het ontwerp ingepast. Het toeristische fiets- en voetveer Demen-Batenburg blijft bestaan en wordt in overleg met de eigenaar/beheerder ingepast in het ontwerp conform de min of meer bestaande route. De uitvoering vindt gefaseerd plaats. De uitvoeringssnelheid wordt afgestemd op de jaarlijks beschikbare ruimte om de vrijkomende klei direct af te zetten.

De totale uitvoering neemt circa 7-10 jaar in beslag; een en ander is afhankelijk van de markt. Op enig moment zal niet meer dan circa 30% van het plangebied in uitvoering zijn.

De beoordeling van het voorkeursontwerp en de 3 varianten op de thema’s in de onderzoeksvragen is toegelicht in de effectenbeoordeling in hoofdstuk 0. Per thema beschrijven wij de huidige situatie en geven wij een inschatting van mogelijke effecten in zowel de aanleg- als de gebruiksfase.

3.3

Onderzoeksvarianten

In de ontwerpfase zijn varianten ontworpen, uitgewerkt en getoetst op effecten. Deze varianten zijn gebruikt om effecten op het gebied van rivierkunde en geohydrologie beter te kunnen bepalen. Reden hiervoor is dat er een afweging moet worden gemaakt tussen versterking van natuur, kleiwinning, en de effecten daarvan op de waterstand, grondwater en stroming voor de scheepvaart. Zo kan te veel afgraving zorgen voor dwarsstroming, en de ontwikkeling van (te veel) bos voor

15

opstuwing alsook blokkade van het zicht op de rivier en zicht op Batenburg voor omwonenden. Om tot een optimum van deze verschillende parameters te komen zijn daarom de vergelijkingsvarianten opgesteld. De effectbeschrijving en -beoordeling is deels uitgevoerd tijdens de het doorvoeren van optimalisaties.

3.4

Variant 0: Basisvariant

De basisvariant is de variant waaraan wordt geoptimaliseerd om tot een voorkeursontwerp te komen. Deze optimalisatie wordt gedaan door de uiterste waarden te onderzoeken voor verruwing en ontgraving door middel van de onderzoeksvarianten.

Figuur 3-1: verbeelding basisvariant (geulen: lichtblauw, verschillende kleuren groen = verschillende typen vegetatie: donkergroen = bos, groen= gras en struweel, lichtgroen = onvergraven geen wijzigingen)

16

3.5

Variant 1: Maximale ruwheid

Onderstaande afbeelding geeft de situatie weer die zal ontstaan als de natuur in de uiterwaard zeer sterk verruigt. Deze situatie wordt rivierkundig doorgerekend als een worst-case situatie omdat bij deze situatie naar verwachting de waterstandsdaling minimaal of zelfs negatief is.

Figuur 3-2: Verbeelding variant maximale verruwing

17

3.6

Variant 2: Maximale ontgraving

Bij deze variant wordt alle beschikbare klei in het gebied afgegraven, er wordt dus gekeken naar alle bruikbare klei. Roofgrond of andersoortige grond (onbruikbare klei en/of ophoogzand) wordt uitgewisseld tegen keramische klei en grover zand in de ondergrond. Deze vergelijkingsvariant beschrijft de maximaal denkbare afgraving.

Figuur 3-3: Verbeelding variant maximale ontgraving

3.7

Variant 3: Separate uitvoering

Situatie waarin de uitvoering van het werk op de respectievelijke eigendommen van Natuurmonumenten (de uiterwaard) en Rijkwaterstaat (de oeverstrook) als afzonderlijke werken worden aanbesteed en uitgevoerd (zie ook figuur 1-2). Dit is met de reden dat als de besluitvormingsprocessen niet gelijktijdig afgerond zijn er toch kan worden begonnen met een deel van de uitvoering. Beide deelprojecten zullen in dat geval andere uitvoeringstermijnen en een gescheiden grondbalans hebben. Deze separate uitvoering heeft mogelijk gevolgen tijdens de uitvoering (opleveringstermijnen, tijdelijke aansluiting, bereikbaarheid, andere grondstromen). Het eindbeeld verschilt omdat de vrijkomende grondstromen niet tussen de deelgebieden worden uitgewisseld en door verschillen in opleveringstermijnen (ontwikkelingstijd nieuwe vegetaties). Deze variant maakt die verschillen in het eindbeeld zichtbaar. De aanvraag voor procedures wordt dus integraal gedaan, maar de uitvoering kan separaat geschieden.

18

3.8

Optimalisatieslagen ontwerp 3.8.1

Algemeen

Het ontwerp is geoptimaliseerd op de technische onderwerpen rivierkunde (optimale waterstandsdaling in combinatie met natuurwaarden) en geohydrologie (modelmatige aanpassingen en vergelijking maximale vergraving versus voorkeursontwerp). Het voorlopige ontwerp zoals dat in het startdocument en tijdens de informatiebijeenkomst in september 2017 is gepresenteerd, is daarnaast ook op enkele andere aspecten aangepast:  de bakenbomen zijn ingepast;  het fiets- en voetveer blijft op de huidige locatie;  de Lelyzone doet dienst als landschappelijk element en de steilrand heeft een ecologische waarde, maar zal tevens dienen als beheerpad en vormt een mogelijkheid om te wandelen en te struinen;  er komt een mindervaliden-route;  de geïsoleerde geul is bewust niet verbonden met de geulen in de Diedensche Uiterdijk omdat zich hier door de beperkte dynamiek een eigen waardevolle water- en oevervegetatie kan ontwikkelen.

3.8.2

Rivierkunde

In eerste instantie is voor rivierkunde gerekend met vier varianten zoals beschreven in hoofdstuk 3, dit om de bandbreedten te onderzoeken voor het uiteindelijke ontwerp, en daarmee ook aan welke parameters in het ontwerp ‘gedraaid’ kan worden om een maximale waterstanddaling te realiseren naast de natuurdoelen. De variantenstudie is uitgevoerd met model “Maas-beno_mknov15_5-v4” waarbij gebruik is gemaakt van een rekenrooster met een resolutie van circa 40 meter. Later is gebleken dat RWS-ZN voor de definitieve vergunningaanvraag eist dat gebruik wordt gemaakt van model “Maas-beno15_5-v4” met een rekenroosterresolutie van ongeveer 20 meter. Het verschil tussen deze twee modellen zit naast de resolutie van het rekenrooster in het feit dat in het eerstgenoemde model de Maaskades niet overstroombaar zijn, terwijl deze kades in het tweede model wel overstroombaar zijn. De volgende varianten zijn rivierkundig onderzocht: • • • •

Basisvariant: variant met geulen en vegetatieklasse 70/3010 (70% gras en akker, 30% bos); Maximaal vergraven: vergraving tot zandspiegel, vegetatie gras en akker. Maximaal verruwen: hetzelfde als de basisvariant, maar dan met vegetatie bos; Separate uitvoeringsvariant: basisvariant minus de RWS-strook met tijdelijke depots.

Uit de ontwerpslag is gebleken dat er in het basisontwerp geoptimaliseerd diende te worden met

10

Toelichting vegetatielegger. Rijkswaterstaat (versie oktober 2014). http://publicaties.minienm.nl/documenten/vegetatielegger-rijkswaterstaat

19

vegetatie en vergravingen om tot een plan te komen met significante waterstandsdaling. Deze optimalisatieslagen11 zijn: -

-

-

-

11 12

Eerste optimalisatieslag: Voor de eerste optimalisatieslag is het gehele gebied ingericht met de mengklasse 90/1012. In gebieden met deze mengklasse geldt een minimum van 80% gras en akker en maximaal 20% verruwing met riet en ruigte, bos en struweel. Daarnaast zijn er enkele vergravingen extra uitgevoerd. Parallel hieraan is een simulatie uitgevoerd waarbij het eiland in de Demense uiterwaard geen mengklasse 90/10 heeft maar bos. Dit met het oog op natuurontwikkeling en beheer. De vergravingen van deze twee zijn identiek. Dit gaf een significant effect, maar er wordt alsnog geen waterstandsdaling gerealiseerd. Wel blijkt ook dat het toevoegen van bos op het eiland in de Demense uiterwaard geen groot effect heeft. Zeker gezien het beheeraspect wordt ervoor gekozen het eiland te schematiseren als bos. Tweede optimalisatieslag: Omdat met gebruik van mengklasse 90/10 er geen waterstandsdaling wordt gerealiseerd, zijn twee nieuwe simulaties uitgevoerd waarbij alleen wordt gevarieerd in de vegetatie. De eerste variant betreft een niet realistische variant waarbij alle vegetatie gras en akker is. Dit om de bandbreedte van deze vergravingsvariant weer te geven. Daarnaast is er een variant gesimuleerd waarbij de zone in de Demense uiterwaard tussen de kering en de geul gras en akker is met het eiland bos. De Diedensche uiterwaard is geheel mengklasse 90/10.

De maximale waterstandsdaling is 14 centimeter wanneer beide uiterwaarden gras en akker worden. Dit is gezien de ambities en het doel van dit project niet realistisch. Het andere scenario met een gevarieerde vegetatie geeft een waterstandsdaling van ruim 4 centimeter tegenover een opstuwing van circa 3 centimeter. Het traject waarover daling ontstaat is veel groter dan het traject waarop opstuwing optreedt. Derde optimalisatieslag: In de derde optimalisatieslag is gezocht naar een inrichting en vegetatie die realistisch is (vanuit kleiwinning, natuur- en beheerdoelen) én die een duidelijke waterstandsdaling oplevert. De opstuwingspiek die wordt berekend wordt in deze derde optimalisatieslag ook zoveel mogelijk verkleind. Er zijn enkele aanpassingen in het ontwerp doorgevoerd: een geultje in de Demense uiterwaard overeenkomstig het ontwerp 2016 maar iets verschoven over buiten de dijkzone te blijven, twee doorsteken in de Diedensche uiterwaard zijn verder verdiept zodat de uiterwaarde meer water trekt. Ook is er een kade aangelegd op 8 m +NAP (tussen de uitstroom van de geul in de Diedensche uiterwaard en de instroom van de Diedensche Uiterdijk) om de terugstroom naar het zomerbed te verminderen. Zichtbaar is dat door de optimalisaties de waterstandsdaling toeneemt terwijl de opstuwingspiek lager wordt.

Vierde optimalisatieslag: De laatste optimalisatieslag leidt tot het voorkeursalternatief. Er is voor gekozen om in de uiterwaard Demen op het ontstane eiland bos te plaatsen, maar dit bos te stroomlijnen. Daarnaast wordt er voor de doorkijk naar Batenburg mengklasse 90/10 toegepast op de westelijke zijde van het eiland. Ook de oostelijke punt wordt voorzien van mengklasse 90/10. Dit is eveneens gedaan om de opstuwende werking van het eiland te verminderen. Verder is er in de uiterwaard een ondiepe geul op 4,5 m +NAP aangelegd nabij de instroom van de uiterwaard. Dit met het doel de watervoerende capaciteit te vergroten om op deze manier een groter waterstand dalend effect te bereiken. Om tegemoet te komen aan de wensen van Natuurmonumenten en om de stroomsnelheden langs de dijk te verlagen wordt er in de dijkzone een gestroomlijnde strook met mengklasse 90/10 aangelegd. Het gebied tussen beide uiterwaarden in wordt aangeduid met gras en akker. Dit met het doel de opstuwingspiek als Lievense, 12 november 2018. Rivierkundige rapportage. MER Demen-Dieden. Toelichting vegetatielegger. Rijkswaterstaat (versie oktober 2014). http://publicaties.minienm.nl/documenten/vegetatielegger-rijkswaterstaat

20

gevolg van de aanwezige flessenhals te verminderen. In de uiterwaard Dieden is de geul breder gemaakt waardoor er extra waterstanddaling wordt gerealiseerd, en de opstuwingspiek wat verlaagt. Daarnaast is een bredere uitstroom positief voor de dwarsstroming. Door deze wijziging is het verdiepen van de twee doorsteken (zoals eerder beschreven) niet meer nodig. Daarentegen worden deze nu aangeduid met gras en akker om toch de doorstroom naar het achterland te bevorderen. Dit wordt ook gedaan bij de aansluiting richting de Diedensche uiterdijk om zo de doorstroom te bevorderen. Op deze manier wordt er over een langere afstand meer water het achterland ingeleid en niet direct naar het zomerbed. Ook worden de kleine eilandjes, welke eerder aanwezig waren, verwijderd om extra wateroppervlakte te creëren. Alle optimalisatieslagen samengevat ziet dit er als volgt uit: Tabel 3-1: Samenvatting optimalisatieslagen Basisvariant

Optimalisatie Basisvariant 90/10

Optimalisatie Basisvariant 90/10 en bos

Optimalisatie Basisvariant Gras en Akker

Optimalisatie Basisvariant Gras en Akker. Bos en 90/10

Optimalisatie Demen

Optimalisatie Dieden

Optimalisatie Demen en Dieden

Optimalisatie Demen en Dieden (voorkeursontwerp)

Max daling

-0,7

-0,5

-0,5

-14,4

-4,5

-4,9

-4,8

-5,1

-6,6

Max opstuwing

9,1

5,5

5,3

1,5

3,1

2,9

2,9

2,7

0,8

De minste opstuwing wordt dus bereikt na de optimalisatie van Demen en Dieden, waarbij nog steeds 6,6 cm waterstanddaling wordt gerealiseerd én natuurontwikkeling tot zijn recht komt. Vijfde optimalisatieslag Na de 4e optimalisatieslag is eerst geoptimaliseerd op de aspecten geotechniek en geohydrologie. Vervolgens zijn de 5e en 6e optimalisatieslagen op rivierkunde doorgevoerd. Op verzoek van de vergunningverlener (RWS) is nagegaan of het rivierkundig effect wordt beïnvloed door de vlonderbrug die onderdeel is van het ontwerp. Hoewel de brughoofden wel in het VKA zijn geschematiseerd was dit voor het brugdek niet het geval. Het meenemen van het brugdek resulteert in een kleine afname (circa 4 mm) van het MHW-effect. Door het toepassen van een rekenroosterresolutie van ongeveer 20 meter en het toevoegen van de vlonderbrug resteert een waterstandsdaling van circa 5 cm. In deze optimalisatieslag is ook de aansluiting met de Diedensche Uiterdijk verbeterd. Dit komt o.a. doordat de ontgravingscontour als grens is gebruikt in het VKA. Deze ligt niet gelijk aan de plangrens. De hoogten tussen plangrens en ontgravingsgrens die op de ontwerptekening staan zijn niet gelijk aan de referentiehoogte die in het rivierkundig model is gebruikt. Dit verschil is behoorlijk en leidt tot een groot hoogteverschil op de grens tussen de 2 gebieden.

Het rivierkundig model neemt dit hoogteverschil op als een kade. In werkelijkheid zullen de twee gebieden nagenoeg op elkaar aansluiten. Daarom is een flauw talud met een maximale hoogte van 5,5 m als grens in het ontwerp (en in het rivierkundig model) opgenomen. Dit is hoger dan stuwpeil maar geen kade. De hoogte sluit aan op de oeverwal die vanwege het RBK (dwarsstroming) wordt behouden en deels afbuigt in de

21

uiterwaard. Het verlagen van de overgang naar Diedensche Uiterdijk resulteert dus in een kleine toename (circa 1 mm) van de waterstandsdaling en een kleine afname van de opstuwingspiek. Zesde optimalisatieslag Uit de berekeningen van de vijfde optimalisatieslag volgde een hoge dwarsstroming. Deze hoge dwarsstroming is geen gevolg van de ontwerp-optimalisatie maar van een rekenkundige verwisseling in de gegevensinvoer die aan het licht is gekomen na het schematiseren van de vlonderbrug. Het ontwerp is daarom geoptimaliseerd op dwarsstroming. Gezien de ontwerpfase waarin het ontwerp al is geoptimaliseerd om te voldoen aan de overige rivierkundige aspecten én KRW is gezocht naar optimalisaties die het ontwerp zoveel mogelijk intact laten zodat de natuurambities en waterstandsdaling gerealiseerd kunnen worden. Er is getracht het ontwerp op verschillende manieren te optimaliseren door aanpassingen door te voeren op de hoogte van de oeverwal bij Demen en bij Dieden en het toevoegen van een drempel bij de instroomopeningen danwel het dichtzetten van de bovenstroomse aantakking zodat de geul bij Dieden alleen benedenstrooms is aangetakt. Uit de rivierkundige berekeningen bleek dat alleen de meest uitgebreide en ingrijpende aanpassingen tot een andere dwarsstroming leiden.

Omdat deze ingrepen tot gevolg hebben dat de KRW-waarden en waterstandsdaling niet meer haalbaar zijn, zijn deze ontwerpwijzigingen niet doorgevoerd in het voorkeursontwerp. Geen enkele optimalisatie leidt tot een oplossing waarbij de dwarsstromen binnen de gestelde grenzen van het RBK vallen. Het voorkeursontwerp is daarmee de meest optimale inrichting van het gebied. De beoordeling van de dwarsstroming wordt met bevoegd gezag afgestemd. 3.8.3

Geohydrologie

De geohydrologische analyse is uitgevoerd door Acacia Water met het Moria-model13. Het regionale grondwatermodel is lokaal verfijnd en aangepast voor de weerstand in de uiterwaard en het oppervlaktewatersysteem binnendijks van Demen en Dieden. In de omgeving van Demen en Dieden zijn weinig grondwaterstand- of stijghoogtemetingen beschikbaar. Het model is getoetst aan de beschikbare metingen. Het berekende grondwaterniveau en de dynamiek komen goed overeen. De diepte van de klei in de uiterwaard is in de planfase middels boringen gedetailleerd onderzocht. De weerstand van de klei is echter niet goed bekend. Om deze reden is eerst een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd middels stationaire effectberekeningen voor een bandbreedte van weerstandswaarden. Daarnaast zijn twee vergravingsvarianten doorgerekend, de basisvergraving (globaal representatief voor de uitwerking van het project) en de maximale vergraving, waarbij alle klei vergraven wordt.

13

Acacia Water, Natuurontwikkeling Demen-Dieden, geohydrologisch onderzoek ten behoeve van MER, definitief 29 januari 2019.

22

Uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat bij Dieden, de effecten van de maximale vergraving tweemaal zo groot zijn als de basisvariant. Bij de maximale vergraving wordt in deze uiterwaard ook veel meer vergraven. Voor Demen geldt dat het verschil in effect tussen de basis en maximale vergraving geringer is, ongeveer een toename van 20-30 %. In de basisvariant wordt namelijk al relatief veel klei verwijderd uit de uiterwaard. Het VKA is op basis van alle deelstudies geoptimaliseerd, maar komt globaal overeen met de basisvariant. Het VKA is niet-stationair doorgerekend, om zo de effecten onder gemiddelde, gemiddeld droge en natte omstandigheden en tijdens een T=10 hoogwatersituatie in kaart te kunnen brengen. De berekening is niet-stationair zodat het effect van een hoogwatergolf beter in beeld kan worden gebracht. Voor het VKA is uitgegaan van de worst-case inschatting van de weerstandswaarden (hoge weerstand in de uiterwaard en relatief lage weerstand in het binnendijkse gebied). Daarnaast is ervan uitgegaan dat de gebieden met open water in de uiterwaard na vergraving in goed contact blijven met de ondergrond. Uit de berekeningen volgt dat het voorkeursontwerp een realistische variant is die voldoet aan de geohydrologische randvoorwaarden. In de effectbeoordeling is dit verder uitgewerkt. 3.8.4

Advies kwaliteitsteam Provincie Noord-Brabant

In haar advies geeft het kwaliteitsteam multifunctionele ontgrondingen van de provincie NoordBrabant (d.d. 15-01-2019) een aantal aandachtspunten mee:  Vormgeving van de overgangszone tussen vergraven en onvergraven gebied: door de hogere zone aan de voet van de dijk naast de afgegraven uiterwaard kan de dijk heel massief gaan ogen. Dit kan voorkomen worden door aandacht te houden voor het scherpe (steile) profiel van de dijk en ervoor te zorgen dat de uiterwaard als geheel een eenheid blijft. De grens dient een vloeiende overgang te zijn.  Tijdens afgraven van de klei dienen eventueel zandlenzen voldoende beschermd te blijven met klei.  Aanbeveling is om de taluds niet te steil te maken en ook aandacht te geven aan het onderwaterreliëf ten behoeve van onderwatervegetatie en de filterende werking.  Het zou extra positief zijn als het infiltrerend vermogen van de bodem toeneemt.  Verder vraag het kwaliteitsteam aandacht voor synergie met de werkzaamheden van Rijkswaterstaat om de dijk te versterken. Het is aan te bevelen dat de werkzaamheden zoveel mogelijk samenvallen zodat de overlast in het gebied beperkt wordt. Bovenstaande aandachtspunten hebben niet geleid tot aanpassingen in het ontwerp. Wel zijn de aandachtspunten beter toegelicht. De doorsneden op de volgende pagina geven aan hoe het verloop van dijk naar rivier eruit komt te zien.

Onderstaand is toegelicht hoe met de aandachtspunten van het kwaliteitsteam rekening is gehouden. Zowel bij Demen als bij Dieden wordt een talud van 1:4 vanaf de onvergraven zone langs de dijk naar de verlaagde uiterwaard aangelegd. De breedte van deze zone is afgestemd met het waterschap en dient als reserveringsruimte voor de dijkversterking en tevens als barrière voor piping. Een versmalling van deze zone is, vanuit waterschap niet wenselijk, een verbreding dan wel verflauwing van talud maakt dat minder klei gewonnen kan worden, heeft effecten op rivierkunde (minder waterstandsdaling) en biedt minder ruimte voor vegetatie op voedselarme gronden.

23

De bescherming van de zandlenzen is tijdens het locatiebezoek van de Commissie m.e.r. (in het kader van de NRD Meanderende Maas en planontwikkeling Demen-Dieden) genoemd. In de aanlegfase zal hier aandacht voor zijn, de exacte ligging van de zandlenzen en de mate waarin ze worden geraakt is immers niet in beeld. Tijdens de uitvoering zijn er mogelijkheden om kleiige roofgrond (die vrijkomt door vergraving) uit te wisselen met zandlenzen. De milieuhygiënische bodemkwaliteit staat deze uitwisseling toe. Wel zal toestemming moeten zijn om in de overgangszone richting de dijk gronden uit te mogen wisselen. De taluds van de geïsoleerde geul bij Dieden geulen hebben 1 steile rand. Deze rand dient een natuurdoel als broedplaats voor oeverzwaluwen. De steilrand die nu in delen zichtbaar is in de weilanden (Lely-profiel) doet dienst als landschappelijk element en ook deze steilrand heeft een ecologische waarde, maar zal tevens dienen als beheerpad en vormt een mogelijkheid om te wandelen en te struinen. De waterdiepte is geoptimaliseerd vanuit rivierkunde en natuurdoelen en biedt ruimte voor diverse onderwatervegetatie. Door het afgraven van de kleiige roofgrond en (deels) de kleilaag hieronder zal het infiltrerend vermogen van de bodem op die plekken naar verwachting toenemen.

Dit blijkt ook uit de geohydrologische onderzoeken: in normale situaties (gemiddeld hoogwater en gemiddeld laagwater) is er sprake van extra wegzijging in de uiterwaard. Daarbij wordt wel opgemerkt dat in hoogwatersituaties een toename van kwel binnendijks is berekend. Door de grote verschillen in fasering en planning tussen Meanderende Maas en Demen-Dieden is op voorhand niet te bepalen of een gelijktijdige uitvoering mogelijk is. De overlast wordt zoveel mogelijk beperkt door voor de herinrichting van de uiterwaard alle aan- en afvoer via het water te laten plaatsvinden. Bovendien wordt het project gefaseerd uitgevoerd, waarbij de ontgraven terreindelen zo snel mogelijk worden afgewerkt en ook meteen worden opengesteld.

24

Figuur 3-4: Dwarsprofielen bij Demen en tussen Demen en Dieden

25

4

Voorkeursalternatief

Het voorkeursalternatief is het resultaat van diverse verkenningen, schetsstudies en gebiedsanalyses die sinds omstreeks 2000 zijn uitgevoerd naar de potentie voor natuurontwikkeling, de eigendomssituatie, de historie van het gebied, de bodemopbouw en de rivierkundige effecten. Na de publicatie van het Startdocument hebben verschillende overleggen met betrokken instanties, omwonenden en specialisten plaatsgevonden. Dit, in combinatie met de optimalisatieslagen zoals beschreven in hoofdstuk 3, heeft geleid tot het voorkeursalternatief. 4.1

De hoofdlijnen van het voorkeursontwerp

Figuur 4-1: Voorkeursontwerp

Kern van het project is een maaiveldverlaging middels aanleg van geulen in de uiterwaard tot op de onderliggende zandondergrond. Tussen de geulen vormt het verlaagde maaiveld de basis voor natuurontwikkeling er ontstaat een gevarieerde graskruidenvegetatie. Hier kunnen tal van dieren een natuurlijk leefgebied vinden en worden nieuwe ecosystemen gevormd. De geulen worden enerzijds gevormd door de zandondergrond. Anderzijds wordt rekening gehouden met een goede aansluiting op de hoofdstroom en rivieroever met bakenbomen. Bij het ontwerp van de geulen zijn de historische patronen leidend geweest. 4.1.1

Demense zijde van de uiterwaarden

Ter hoogte van Demen ontstaat na afgraven een brede, meestromende, ondiepe, zandige oevergeul. Deze geul is tweezijdig aangetakt aan de rivier, met instroomdrempels onder stuwpeil. Tussen de

26

geul en de Maas ontstaan zandige platen en eilanden daar waar de zandspiegel hoger ligt dan het stuwpeil. De geul wordt zo gegraven dat er door het rivierwater steile buitenbochten en flauwe binnenbochten ontstaan. In de buitenbocht ontstaan steilranden, dit is gunstig voor bijvoorbeeld oeverzwaluwen. In de flauwe binnenbochten zijn de stroomsnelheden beperkt, waardoor hier zich oever- en watervegetaties ontwikkelen. De veerweg naar het fiets- en voetveer behoudt zijn toegang in de vorm van een brede vlonder. Na ontkleien wordt de vlonder ondersteund door een landhoofd op een eilandje. Doordat de Demensche geul relatief breed is en de bestaande laagtes nabij de veerstoep in het ontwerp worden opgenomen, behoudt men vanaf de dijk en de bebouwing bij Demen de visuele relatie met Batenburg. Door het afgraven van de hoge uiterwaarden wordt de Maas naar verwachting in het hele traject beter zichtbaar, door de aanwezigheid van riviernatuur in elk geval beter beleefbaar. Op het eiland ten oosten van de veerstoep kan ooibosontwikkeling plaatsvinden. De mate van vegetatieverruiging, met struwelen en bos, is in het ontwerp is beperkt. Bomen en struweel beperken de waterstandsdaling. In principe wordt in het geheel plangebied, inclusief de dijkzone uitgegaan van spontane ontwikkeling struweel en bosontwikkeling op circa 20% van het oppervlak. Voor het beheer worden grote grazers ingezet.

Als de verruwing meer dan 20% beslaat worden cyclische ingrepen (bijv. maaien, snoeien en kappen) uitgevoerd. Het eiland in de Demense uiterwaard vormt hierop een uitzondering. Hier mag ontwikkeling van aaneengesloten ooibos plaatsvinden. Demen wordt begrensd door de oude Maasoever van de Batenburgse meander. Dit terrein wordt afgegraven en daarnaast wordt er een kleine geul gegraven als verwijzing naar het afwijkende deel van deze oude oever. Deze kleine geul is tevens het resultaat van de rivierkundige optimalisatie omdat de verdeling van uitstroom bij hoogwater door deze kleine geul wordt verbeterd. Tussen Demen en Dieden wordt geen klei gewonnen. De uiterwaard is hier zo smal dat verlagen binnen de dijkbeschermingszone zou vallen. Wel wordt hier voorzien in een pad berijdbaar door rolstoelgebruikers. Dit pad sluit aan op bestaande dijkafritten, zodat een ommetje ontstaat. 4.1.2

Diedense zijde van de uiterwaarden

Ten westen van Dieden worden twee geulen aangelegd, gescheiden door een hogere rug. De tussengelegen gronden zijn in deze uiterwaard slechts lokaal zandig. Het kleipakket is hier zo dik, dat door alles af te graven alleen water zou ontstaan. Om die reden blijft een deel van de klei achter. Gekozen is voor een geïsoleerde geul en een meestromende geul. De ligging en de breedte van de geulen zijn afgeleid van de historische situatie en zijn altijd smaller dan de Maas in de huidige vorm. Met verschillende geulen ontstaat een grote biodiversiteit en een evenwichtige bijdrage aan waterstandsdaling in de rivier. Dicht bij de dijk komt een nagenoeg permanent van de Maas geïsoleerde geul waar waterplanten zich kunnen ontwikkelen. De geïsoleerde geul ligt op de plaats waar op de historische kaart (Figuur 2-4) ook een geul is te zien. Er was vanouds een relatie tussen de geul en het kasteel. In de

27

ondergrond komen resten van de oorspronkelijke geul terug, die worden opgenomen in de nieuwe geul. Tussen de geïsoleerde geul en de rivier komt een kleine meestromende geul. Het tracé van deze geul is afgeleid van de historische situatie: hier lag vroeger een oude kade. Achter de vroegere kade is nog steeds een subtiele verlaging in het maaiveld te zien. Nabij de geïsoleerde geul is de Lelyzone in de huidige situatie plaatselijk nog redelijk zichtbaar. Dit is de aanleiding om nabij hectometerpaal 440 niet te graven tot er 1 m klei overblijft. Hierdoor blijft de Lelyzone als terreinsprong beter herkenbaar. Tegenover het voormalige kasteel vervalt het landbouwpad. Hier wordt de Lelylijn de nieuwe oever van de geïsoleerde geul, door de ontstane terreinsprong vormt zich hier een steilrand. Bovenop de steilrand is over een breedte van circa 40 meter de mogelijkheid om vanaf de dijk te wandelen in de richting van het in ontwikkeling zijnde bos. Het terrein ten zuiden van deze Lelylijn is aangewezen als uitwissellocatie. Dat betekent dat er, buiten een royale zone om het bos, tussen Lelyzone, dijkzone en de aanwezige Maasheg klei wordt gewonnen. Het maaiveld wordt na ontkleien aangevuld met gebiedseigen bovengrond in aansluiting op de bestaande laagte in de dijkzone. Ter plekke van de oeveraanvullingen worden de oude kribben (aangelegd rond 1854-1891) zo mogelijk blootgelegd.

De bakenbomen zijn van landschappelijke waarde en worden ingepast in het ontwerp. Dat betekent dat de bakenbomen dan op kleine verhogingen komen te staan, ruim om de stam en in stroomrichting ovaal, nadat het terrein om de bomen is verlaagd. Het ontwerp geeft de mogelijkheid om nieuwe bakenbomen tussen de bestaande bakenbomen op het verlaagde maaiveld in te planten. Recreanten zijn te gast in het gebied dat als natuurgebied wordt ingericht. Er zijn mogelijkheden om te wandelen of te struinen. 4.1.3

Terreinbeheer en eigendommen

Natuurmonumenten blijft terreinbeheerder van haar eigendom binnen het plangebied. Rijkswaterstaat blijft terreinbeheerder van haar eigendom binnen het plangebied. Conform de natuurvisie MeerMaas van Natuurmonumenten is een integraal beheer en natuurgerichte seizoensbegrazing het uitgangspunt voor het beheer. Jaarrondbegrazing is in de toekomst mogelijk.

28

5

Wettelijke kaders

Dit hoofdstuk beschrijft de wettelijke kaders die relevant zijn voor de planontwikkeling van het project Demen-Dieden. Naast de ontwerpuitgangspunten zoals beschreven in hoofdstuk 3 en 4 vormen de geldende wet- en regelgeving en beleid kaders voor de uitvoering van het plan. De belangrijkste zijn:  Ontgrondingenwet: Er is geen vergunning vereist voor ontgrondingen, wanneer deze niet groter zijn dan 2000 m2, en indien er niet dieper dan 3,00 m beneden maaiveld wordt ontgrond. Omdat er voor het project Demen-Dieden echter meer dan 2.000 m2 zal worden ontgrond, is een ontgrondingsvergunning noodzakelijk. Daarnaast is er meer dan 25 hectare ontgravingen voorzien, waardoor het project ook m.e.r.-plichtig is.  Wet ruimtelijke ordening: Het huidige bestemmingsplan “Buitengebied Oss 2010’ heeft deels de bestemming ‘agrarisch met waarden - landschap en natuur’ ter hoogte van Dieden, en deels de bestemming ‘natuur’ ter hoogte van Demen. Ten behoeve van de beoogde natuurontwikkeling wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is gekozen voor een gedetailleerde regeling, omdat in dit geval geen flexibiliteit is vereist.

Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de regel uit het overkoepelende en in voorbereiding zijnde (ontwerp)bestemmingsplan “Buitengebied Oss 2019”.  Waterwet: De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, waaronder de hoogwaterveiligheid (waterstanden). De Waterwet zorgt voor samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. In de Waterwet is tevens de verantwoording en zorg voor primaire en secundaire waterkeringen geregeld én de toetsing op kwel en piping (Keur) via het waterschap.  Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) regelt de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is één geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu.  Wet geluidhinder: Het doel van de Wet geluidhinder is het voorkomen of beperken van geluidhinder door wegverkeer, spoorwegen en industrie.  Wet natuurbescherming: De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Naast de soortbescherming (voorheen Flora- en faunawet), beschermt deze wet de (Europese) Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000-gebieden). Voor activiteiten die een significant negatief effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstelling van het gebied is een ontheffing nodig.

 Wet milieubeheer: Deze wet stelt allerlei regels om het milieu te beschermen door het in werking hebben van inrichtingen (waaronder kleiwinning). Deze wet regelt ook de m.e.r.-plicht.  Wet bodembescherming: De Wet bodembescherming stelt regels ter voorkoming van verontreiniging en sanering van de ontstane verontreiniging. Het Besluit bodemkwaliteit is eveneens opgesteld ter bescherming van de (water)bodem tegen verontreiniging. Regels worden gesteld aan het gebruik en herschikking van grond en/of baggerspecie.  Wet op archeologische monumentenzorg: De kern van deze wet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

29

De benodigde vergunningen worden via een zogenaamde gecoördineerde procedure aangevraagd, waarbij het bevoegd gezag (de provincie Noord-Brabant) de noodzakelijke besluiten (zowel ontwerp, als definitieve besluiten) verzamelt en in één keer ter visie legt. Dit wordt tezamen met het MER ingediend en ook het vaststellen van de waterbodemkwaliteitskaart vindt tegelijkertijd plaats. Het voordeel van een dergelijke gecoördineerde procedure is, dat er in één keer beroep kan worden ingediend tegen alle besluiten, in plaats van dat alle procedures apart worden behandeld en ter visie worden gelegd14.

14

Startdocument_Demen-Dieden_v5

30

6

Effectenbeoordeling

Het voorkeursontwerp wordt, samen met de varianten, beoordeeld op de verschillende milieuthema’s. Deze beoordeling vormt de onderbouwing voor de keuze van het definitieve ontwerp. 6.1

Beoordelingskader

Voor de beoordeling worden de effecten van het voorkeursontwerp en de onderzoeksvarianten beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Dit wordt gedaan in het beoordelingskader (tabel 6-1). Aan de hand hiervan wordt bepaald welk effect het plan heeft op de milieuthema’s. De huidige situatie inclusief autonome ontwikkeling wordt per definitie als neutraal beoordeeld. De effecten van de verschillende criteria worden beschreven op basis van zowel kwalitatieve als kwantitatieve beoordelingen. Voor de aspecten stikstofdepositie, piping en de thema’s rivierkunde en grondwater zijn ondersteunende effectberekeningen uitgevoerd (voor de voorkeursvariant). De vergelijkingsvarianten (maximale ruwheid, maximale ontgraving en separate uitvoering) zijn niet volledig meegenomen in deze effectbeoordeling. Deze varianten zijn gebruikt om de bandbreedte van het ontwerp te verkennen waarbij rivierkunde en geohydrologie leidend zijn geweest. Voor de volledigheid worden de vergelijkingsvarianten wel meegenomen in de boordelingstabellen. De ondersteunende onderzoeken hebben zich voornamelijk gericht op de voorkeursvariant. Het beoordelingskader geeft een beschrijving van de thema’s en aspecten die in de afweging worden gebruikt en laat zien of deze afweging kwantitatief of kwalitatief is.

Het beoordelingskader is overgenomen uit het Startdocument15 en aangepast aan de nieuwste inzichten (aardkundige waarden en landschap). Voor een toelichting op de thema’s en aspecten wordt verwezen naar dit document. De beoordeling is gedaan op een 5-punts schaal: ++ sterk positief: grote verbetering ten opzichte van huidige situatie + licht positief: verbetering ten opzichte van huidige situatie 0 neutraal: geen significante verandering ten opzichte van huidige situatie licht negatief: verslechtering ten opzichte van huidige situatie -sterk negatief: grote verslechtering ten opzichte van huidige situatie Niet elk aspect is ook voor de verschillende varianten beschouwd (omdat al bekend was dat het niet onderscheidend zal zijn). In de beoordelingstabellen is dit met een ‘x’ aangegeven.

15

Startdocument MeerMaas project Planontwikkeling Demen-Dieden (september 2017). Kleiwinning als drager voor natuurontwikkeling en rivierverruiming. Tevens Notitie Reikwijdte en Detailniveau milieueffectenonderzoek.

31

Tabel 6-1: Beoordelingskader onderzoeken Thema

Aspect

Natuur

Natuurwaarde: bijdrage aan doelstellingen Kaderrichtlijn Water (KRW) en soortenbescherming uit NNN, NNB. Wet Natuurbescherming (soortenbescherming) Stikstofdepositie

Dijkstabiliteit

Voorkomen toename piping Ruimte voor dijkverhoging

Onderscheidend

x

x

Relevant vanuit omgeving

x

x

Beheerbaarheid dijk Rivierkunde

Grondwater

Historische waarden

Landschap

Leefomgeving

Bodem

Beoordelingswijze

x

Kwantitatief (toets)/ kwalitatief

x

Kwalitatief

x

Kwantitatief

x

Kwantitatief

x

Kwalitatief

x

Kwalitatief

Effecten op waterstanden

x

x

Kwantitatief

Effecten op dwarsstroming

(x)

x

Kwantitatief

Effecten op morfologie in de vaargeul Effecten op golfslag

(x)

x

Kwantitatief/ kwalitatief Kwantitatief

x

Kwalitatief

x

x

Kwantitatief

x

x

Kwantitatief

x

Kwalitatief

(x)

Grondwaterkwaliteit Grondwaterkwantiteit: grondwaterstanden Grondwaterkwantiteit: kwelflux Archeologie Cultuurhistorie

x

x

Aardkundige waarden

x

x

Kwalitatief x

Kwalitatief

Landschapsbeeld/ Ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) Woonkwaliteit

x

Kwalitatief

x

Kwalitatief

Ontsluiting

x

Kwalitatief

Bodemkwaliteit

x

Kwalitatief

x

Kwantitatief

Geluid

x

Kwantitatief

Luchtkwaliteit

x

Kwantitatief

x

Kwalitatief

Omvang grondverzet Hinder en veiligheid tijdens uitvoering

Relevant vanuit wetgeving

x

Externe veiligheid

x

Landschap en leefomgeving

x

Kwalitatief

32

6.2

Effecten op de natuur

Tabel 6-2: Beoordeling aspecten thema Natuur Thema

Aspect

Natuur

Natuurwaarde: bijdrage aan doelstellingen Kaderrichtlijn Water (KRW) en soortenbescherming uit NNN, NNB. Wet Natuurbescherming (soortenbescherming) Stikstofdepositie

Huidige situatie

Voorkeursontwerp

Maximale ruwheid

Maximale ontgraving

Separate uitvoering

0

++

++

0

+

0

0

0

0

0

0

+

x

x

x

Voor de effectonderzoeken op de natuur wordt gekeken naar de effecten van dit project op de ecologische ontwikkeling van de Maas en Maasuiterwaarden. Hierbij wordt gekeken naar de effecten op doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en bijbehorende oppervlaktewaterkwaliteit, de doelstellingen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natuurnetwerk Brabant (NNB) inclusief aanwezigheid van strikt beschermde soorten en de effecten op stikstofdepositie. Om vast te stellen dat het project niet leidt tot aantasting van soorten die via de Wet natuurbescherming zijn beschermd, is er onderzocht welke habitattypen en soorten momenteel in het gebied aanwezig zijn door middel van een quickscan16. Nadat de huidige natuurwaarden in beeld zijn gebracht, zijn ook de effecten van het plan geanalyseerd in een natuurtoets17. 6.2.1

Huidige natuurwaarden en autonome ontwikkeling

Natuurwaarden Omdat het gebied in de huidige situatie een (intensief) agrarisch gebruik kent, zijn de bestaande natuurwaarden relatief beperkt. Het plangebied heeft geen status als Natura 2000-gebied, het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op circa 7 kilometer ten noorden van het plangebied. Het plangebied valt wel binnen het NNN of Natuurnetwerk Brabant. Een groot deel bestaat uit nog om te vormen agrarisch gebied. Daarnaast zijn binnen de begrenzing van het plangebied de types N01.03 Rivier- en moeraslandschap, N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland aanwezig. Aanwezige beschermde soorten Vanuit de beschikbare verspreidingsgegevens (NDFF 2018) zijn, binnen de invloedssfeer van het plangebied, geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten. De beschermde das en bever zijn wel waargenomen binnen de invloedssfeer, alsook vleermuizen. Met behulp van e-DNA is aangetoond dat kamsalamander en grote modderkruiper niet in het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast is het voor de vogelsoorten boomvalk, buizerd, havik, kerkuil, 16 Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), 2018. Quickscan gebied Demen-Dieden. Data van quickscanhulp.nl, levering

26-10-2017 10:57:11 17 LievenseCSO. Natuurtoets Demen-Dieden (januari 2020).

33

ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en wespendief aannemelijk dat de bakenbomen aan de noordzijde en de rijbeplanting aan de zuidzijde dienen als nest- of rustplaatsen voor deze soorten. Omdat deze bomen niet worden gekapt is er geen sprake van een negatief effect. 6.2.2

Toetsingscriteria natuur

Een deel van de afweging voor natuur heeft al plaatsgevonden in het voortraject, zo zijn de uitgangspunten zoals beschreven in het startdocument meegenomen in vergelijkingsvarianten om een optimale afweging te kunnen maken tussen natuur, rivierkundige effecten en dijkveiligheid. De effectbeoordeling van dit voorkeursontwerp op thema natuur betreft alleen de volgende 3 criteria: 1. De bijdrage van het project aan de ecologische ontwikkeling van de Maas (voldoen aan KRWdoelen, NNN en Natuurnetwerk Brabant) 2. Beschermde soorten mogen geen schade ondervinden (Wet natuurbescherming) 3. Stikstofdepositie mag niet leiden tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000-gebieden.

6.2.3

Effectbeoordeling natuur

Natuurwaarden en ecologische ontwikkeling De huidige waarden zijn gezien het agrarische gebruik relatief laag. Wanneer het ontwerp gerealiseerd is zullen deze waarden hoger liggen. Daarnaast draagt het ontwerp bij aan de KRWdoelstellingen door het toevoegen van met de Maas verbonden ondiepe, deels meestromende en deels geïsoleerde, nevengeulen. Ook de mogelijke toepassing van rivierhout kan een duidelijke toegevoegde waarde hebben voor zowel biodiversiteit als biologische waterzuivering door kleine ongewervelden. KRW Het ontwerp levert een proportionele bijdrage (t.o.v. de totale lengte van 4,5 km van het plangebied) aan de KRW-doelen voor de Maas door realisatie van nevengeulen.

34

Tabel 6-3: Beoordelingsformulier (concept) KRW MIRT 3 Voortoets Waterlichaam

SGBP omschrijving IN10

Maatregel

Type maatregel

Plan

Realisatie

UITERWAARDVERLAGING Demen-Dieden (UVER)

Uiterwaardverlaging (zoveel mogelijk reliëfvolgend)

45,8 ha UVER (excl. geulen)

Bedijkte Maas NL91BM (R7)

IN11

Aanleg zandige oevergeul

1,1 km NTWE

Bedijkte Maas NL91BM (R7)

IN11

Tweezijdig aangetakte, meestromende NEVENGEUL Demense uiterwaard (NTWE) Aangetakte STRANG Demense uiterwaard (STEA)

verbreden watergang/systeem: aansluiten wetland of verlagen uiterwaard aanleg nevengeul/ herstel verbinding

aanleg nevengeul/ herstel verbinding

0,4 km STEA

Bedijkte Maas NL91BM (R7)

IN11

aanleg nevengeul/ herstel verbinding

Aanleg eenzijdig aangetakte strang/ nevengeul (stroomt mee bij hoogwater) Aanleg zandige oevergeul

Bedijkte Maas NL91BM (R7)

IN11

aanleg nevengeul/ herstel verbinding

Aanleg geïsoleerde strang/ plas

1,3 km STEA

Bedijkte Maas NL91BM (R7)

Tweezijdig aangetakte, meestromende NEVENGEUL Diedense uiterwaard (NTWE) Geïsoleerde STRANG Diedense uiterwaard (STEA)

0,7 km NTWE

De einddatum voor de 3e tranche KRW is 2027. De ontwikkeling bij Demen-Dieden zal 7 tot 10 jaar in beslag nemen. Dat betekent dat niet de gehele ontwikkeling binnen de KRW-deadline gereed zal zijn. In de huidige situatie en autonome ontwikkeling zijn er geen KRW-maatregelen gepland of uitgevoerd. Daarmee draagt dit project dus positief bij aan de KRW-doelstellingen. Biodiversiteit, kansen voor natuurontwikkeling In de huidige situatie dient het plangebied voornamelijk voor agrarisch gebruik. Daarmee ondersteunt of versterkt de biodiversiteit niet. Hoewel er ganzen in het gebied foerageren zijn deze niet specifiek beschermd omdat de provincie het plangebied niet heeft aangewezen als ganzengebied. In de eindsituatie wordt een toename van biodiversiteit voorzien. Het blootleggen van de zandondergrond bij Demen geeft ruimte aan stroomdalflora met soorten als kruisdistel, rodeogentroost en wilde marjolein. De zandige plekken zijn gunstig voor bijen en wespen. Op voedselrijkere grond, waar nog klei aanwezig blijft, zal deels ruigte ontstaan en op het eiland bij Demen is ontwikkeling van zachthoutooibos toegestaan (Figuur 6-1).

35

Grasvegetatie op zandondergrond

Ruigte op voedselrijkere grond

Zachthoutooibos op voedselrijkere grond

Figuur 6-1: Verbeelding natuurtypen

De ondiepe (en snel opwarmende) geulen zijn geschikt als paaiplaats voor vissen. De stagnante situatie in de geïsoleerde geul is geschikt voor de ontwikkeling van water- en oevervegetaties. Dat deze ontwikkeling ook daadwerkelijk verwacht mag worden blijkt uit de rijke natuur die in de Middelwaard is ontstaan (zie kader). De effecten op biodiversiteit worden daarom als sterk positief beoordeeld. De vergelijkingsvarianten leiden tot een iets andere, kwalitatieve, beoordeling. Voorbeeld Middelwaard In de Middelwaard heeft een soortgelijke ontwikkeling plaatsgevonden. In de periode 1998-2000 is hier een eenzijdig aangetakte nevengeul aangelegd. In slechts enkele jaren keerden hier bijzondere (en voor de Bedijkte Maas zeldzame) stroomdalsoorten terug, zoals rode ogentroost, wilde marjolein, fraai duizendguldenkruid, kattendoorn en kamgras. Meer bloeiende flora betekent ook een groter nectaraanbod. Van het grote nectaraanbod profiteren o.a. wilde bijen (waaronder hommels), zweefvliegen en dagvlinders zoals de distelvlinder, landkaartje en andere algemene vlindersoorten. Na inrichting van de Middelwaard heeft het tot 2012 geduurd tot de eerste beversporen gevonden werden. De bever komt met enige regelmaat foerageren in het gebied. De afwissing tussen open grazige delen en wilgenbos rond de geul zorgt voor een grote verscheidenheid op een kleine oppervlakte.

Hoewel de laatste inventarisatie van broodvogels inmiddels alweer zes jaar geleden is uitgevoerd, is wel duidelijk dat grasmus, roodborsttapuit en bosrietzanger hebben geprofiteerd evenals ganzen en eenden.

KATTENDOORN

POELRUIT

MARJOLEIN

36

De maximale verruwing biedt meer kansen voor natuur, de maximale ontgraving laat weinig tot geen ruimte voor (drogere) natuurwaarden. Beschermde soorten Uit de uitgevoerde verkenning blijkt dat de voorgenomen maatregelen mogelijk (negatieve) effecten hebben op een selectie van beschermde soorten. Tabel 6-4 geeft een opsomming van de te verwachten effecten op beschermde soorten als gevolg van uitvoering van het voorkeursalternatief. Tabel 6-4: Overzicht van (potentiele) effecten op beschermde soorten Zoogdieren Bever

Mogelijk effect Kans op tijdelijke verstoring van verblijfplaatsen en leefgebied

Nader onderzoek

Ontheffing

Nee

Geen ontheffing nodig

Das

Kans op tijdelijke verstoring van leefgebied

Nee

Geen ontheffing nodig

Marterachtigen

Kans op tijdelijke verstoring van leefgebied

Nee

Geen ontheffing nodig

Vliegroutes en foerageergebied

Geen negatieve gevolgen

Nee

Geen ontheffing nodig

Verblijfplaatsen in bomen

Geen negatieve gevolgen

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing mogelijk

Nee

Geen ontheffing nodig

Vleermuizen

Amfibieën Kamsalamander

Kans op aantasting leefgebied en verblijfplaatsen

Vissen Grote modderkruiper

Kans op aantasting leefgebied en verblijfplaatsen

Broedvogels Algemeen beschermd Jaarrond beschermd

Aantasting van verblijfplaatsen in het broedseizoen niet toegestaan Geen negatieve gevolgen

Uit de natuurtoets is naar voren gekomen dat het plangebied in potentie geschikt leefgebied is voor grote modderkruiper en kamsalamander. Vermoedelijk gaan deze soorten zich na afronding vestigen en zijn dus ambassadeurs van dit soort projecten. Door te werken volgens het protocol ‘ Zorgvuldig Winnen’ zullen deze soorten ook tijdens de werkzaamheden geen schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling en/of werkzaamheden op de locatie. Toch is in twee poelen met behulp van e-DNA onderzocht of deze soorten daadwerkelijk aanwezig zijn. Op basis van de uitkomsten van het eDNA onderzoek is gebleken dat er geen DNA sporen zijn aangetroffen van de grote modderkruiper en de kamsalamander. Daarom kan worden geconcludeerd dat beide poelen op dit moment nog geen onderdeel uitmaken van het leefgebied van grote modderkruiper en kamsalamander18. Binnen het plangebied is geen noemenswaardige begroeiing aanwezig, waardoor het gebied niet van belang is als foerageergebied van de bever. Net buiten het plangebied is wel een burcht aanwezig, waardoor tijdens de aanlegfase tijdelijk sprake kan zijn van negatieve effecten. In de eindsituatie

18

Lievense, 17M007013_ECO NO grote modderkruiper en kamsalamander_v1

37

vormt het gebied juist geschikt leefgebied voor de bever. De ontwikkeling leidt daarmee tot een sterke uitbreiding en verbetering van het leefgebied van de bever. De vergelijkingsvarianten zijn niet onderscheidend in mogelijke aantasting van soorten. Wel is de toename van leefgebied voor de bever minder waarschijnlijk in de variant maximale ontgraving. Stikstofdepositie In de referentiesituatie is er sprake van agrarisch landgebruik. In totaal is er sprake van 109,3 hectare landbouwgrond die door het plan uit productie wordt genomen. De stikstofdepositie door toepassing van mest op deze grond wordt beschouwd als de referentiesituatie19. Uitgaande van kleigronden met grasland, teelt van aardappelen en mais, is de totale stikstofdepositie 3.594 kg NH3/jaar. De netto stikstofdepositie van de uitvoering van het plan is berekend door de jaarlijkse depositie vanuit de landbouwgronden af te trekken van de berekende stikstofdepositie als gevolg van de planuitvoering20. De netto depositie is opnieuw berekend en laat een totale afname van de stikstofdepositie zien. Door het verdwijnen van landbouwgronden daalt de netto stikstofdepositie. Overal buiten het plangebied, ter hoogte van de stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000-gebieden, neemt de stikstofdepositie als gevolg van de totale planvorming ook af in de orde grootte van 0,1 tot 1 mol N/ha/jaar.

Significant negatieve effecten door stikstofdepositie door uitvoering van het plan zijn daarmee uitgesloten. Uiteindelijk ontstaat er een aaneengesloten riviergebonden natuurgebied waar geen stikstof meer wordt uitgestoten en waar CO2 wordt vastgelegd. De vergelijkingsvarianten zijn niet separaat beoordeeld op stikstofdepositie. Uit de totaalbeoordeling (depositie onder de drempelwaarde) blijkt dat een separate beoordeling op stikstofdepositie niet tot een andere eindconclusie per variant zal leiden. 6.2.4

Leemten in kennis en vervolgonderzoek natuur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=60185800-e83b-4467-a193-b79755124ad5