CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Meanderende Maas - Bijlage Ruimtelijk kwaliteitsbeeld.PDF

Adviescommissie Ruimte 9 februari 2023, gemeente OssBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Meanderende Maas 202217.708 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

• Geen beplanting toegestaan tot 10 m uit de buitenteen en 4 m uit de binnenteen van de dijk. • Buitendijkse beplanting in de dijkvoet zal bijna altijd moeten wijken voor de aanleg van stabiliteitsbermen buitenwaarts. Dit hoeft niet ter plaatse te worden gecompenseerd. • Indien mogelijk worden binnendijkse (rabat)bosjes gespaard, maar de dijkveiligheid staat voorop. • Middels beheer wordt gezorgd voor voldoende afstand tussen (ooi)bos en de dijk (dit wordt nader uitgewerkt in een beheerplan).

Bloemrijke grasmengsels op de dijk en de steunbermen

48

November 2022

deel II - 1. Dijk

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

Bloemrijke dijk. Bron: Waterschap Rivierenland

49

1.6 Beheer

dijk met tuimelkade

Beheer en onderhoud vormen een belangrijke component in het ruimtelijke beeld. Dit wordt nader uitgewerkt in een aparte beheervisie / beheer- en onderhoudsplan.

afrastering

afrastering

1.6.1 Beheerstroken • Het waterschap beheert de dijk, inclusief de steunbermen. • De gemeente beheert een groot deel van openbare weg en de binnentaluds van de tuimelkade. Dit wordt nog nader vastgelegd in een overeenkomst met het Waterschap. • Beheer van de buitendijkse gebieden naast de dijk door Natuurmonumenten en derden. • Goede afstemming van beheer is nodig bij de verschillende organisaties. • Vegetatie en beheer op de dijk is uniform en draagt bij aan een sterk continue ruimtelijk beeld. Beheerstreven is een bloemrijke dijk met een sterk ontwikkelde graszode (zie § 1.5) • De steunbermen kunnen benut worden als beheerstrook; de minimale maat van de steunberm is 4 meter. • Het onderhoudspad op de tuimelkade wordt eveneens als fietspad gebruikt. • WSAM heeft het voornemen om voor de beheerstrook onder de dijk een breedte van 5 meter aan te houden. Dit biedt kansen voor een smal wandelpaadje (gras) onderaan de dijk (zie afbeeelding pagina 51).

50

November 2022

deel II - 1. Dijk

maaiveld

steunberm met beheerstrook

eigendom/beheer waterschap

privaat eigendom/ beheer

privaat eigendom/ beheer

moderne gronddijk afrastering

maaiveld / pipingberm

privaat eigendom/ beheer

afrastering

steunberm met beheerstrook

steunberm met beheerstrook

eigendom/beheer waterschap

maaiveld

privaat eigendom/beheer

1.6.2 Rasters en hekwerken • De beheerstrook onderaan de dijk wordt begrensd door middel van een eenvoudige afrastering van houten weidepalen (bv kastanjehout) en draad; • Geen afrastering op de dijkkruin. • De afrastering volgt in een vloeiende beweging de dijk; bij verspringingen van het raster dient zoveel mogelijk toe worden aangesloten bij landschappelijke aanleidingen. Haakse hoeken dienen bij voorkeur voorkomen te worden.

x

Geen afrastering bovenop de dijk...

... maar onderaan de dijk

deel II - 1. Dijk

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

51

1.7 Monumenten op en langs de dijk Daar waar zich monumenten en/of beschermde stads- en dorpsgezichten langs en op de dijk bevinden is maatwerk vereist. Er dient een zorgvuldige inpassing plaats te vinden, waarbij behoud van de aanwezige (cultuurhistorische, belevings-) waarden voorop staat.

Monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten langs de dijk

52

November 2022

deel II - 1. Dijk

Monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten langs de dijk

deel II - 1. Dijk

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

53

2 Buitendijks gebied

De integrale aanpak heeft het mogelijk gemaakt te investeren in waterveiligheid en de kwaliteit van natuur en landschap, waardoor een ecologisch, economisch en sociaal vitaal gebied ontstaat. De karakteristieke dijk slingert langs een aantrekkelijk uiterwaardengebied, waar de meanders van de oude rivierloop zijn hersteld. Erlangs bevinden zich rietmoeras en ooibos, met doorzichten naar de Maas en de dorpen met hun kerktorens, molens en haventjes. Het gebied nodigt uit om te struinen en te varen. Met het oorspronkelijke (geomorfologisch) landschap als basis, is een groot aantrekkelijk natuurgebied ontwikkeld en is bovendien een grote bijdrage geleverd aan de vrijetijdseconomie, het woonklimaat en de ruimtelijke kwaliteit.

2.1

Basis-uitgangspunten

Een van de doelstellingen van het project Meanderende Maas is het vergroten van natuurwaarden door het realiseren van rivier- en moeraslandschap (Natuur Netwerk Brabant) en het verbeteren van de waterkwaliteit (Kader Richtlijn Water, KRW). Om deze waarden te kunnen realiseren, in samenhang met de bijdrage aan andere doelen als ruimtelijke kwaliteit en vrijetijdseconomie, worden eisen gesteld aan de aanleg en inrichting van het gebied. Deze eisen gelden voor de realisatie op de kortere termijn, maar ook bij zelfrealisatie van delen van het projectgebied verder in de toekomst. Vanuit provinciaal beleid (Natuur Netwerk Brabant) is er de opgave in het uiterwaardengebied een samenhangende landschappelijke eenheid van rivier- en moeraslandschap te realiseren. Dit bestaat uit stroomdalgrasland,

rietmoeras, ooibos en meanderbogen en heeft een laagdynamisch karakter. Een belangrijk uitgangspunt bij de inrichting van het gebied is dat het oorspronkelijke (geomorfologische) landschap de basis vormt en er recht wordt gedaan aan de historische structuren en waarden, bodem en ecologie, ruimtelijke kwaliteit en beleving. Voor het buitendijkse gebied gelden de volgende hoofduitgangspunten: • Realiseren van rivier- en moeraslandschap en KRW-waarden; • Herstel van de oude meanders en verlaging van de uiterwaarden met het oorspronkelijk geomorfologisch landschap als basis; • Balans houden tussen de oude Maasloop en de gekanaliseerde Maas; • Bijdragen aan recreatieve mogelijkheden, beleving, ruimtelijke kwaliteit.

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

55

56

November 2022

deel II - 2. Buitendijks gebied

2.1.1 Rivier- en moeraslandschap (Natuur Netwerk Brabant) Vanuit het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is er de ambitie om in het uiterwaardengebied rivier- en moeraslandschap te realiseren. Dit is een samenhangend geheel van: • stroomdalgrasland • rietmoeras • struweel • ooibos • open water (geulen en meanders) Kenmerkend is de overstromingsdynamiek en de natuurlijke begrazing. De bovenstaande natuurtypen open water en rietmoeras vergroten de waterkwaliteit en dragen tegelijk bij aan de doelstelling van KRW.

2.2 Inrichting van de geulen, meanders en waarden De kwaliteitseisen zijn nader beschreven voor hydrologie, (geo)morfologie, beheer en vegetatie en ruimtelijke kwaliteit. Hydrologische eisen We maken onderscheid in de (oorspronkelijke) meanders en de artificiële Lelygeulen. In het projectgebied zijn alle Lelygeulen straks gereed, maar is de realisatie van de meander van de Diedense Uiterdijk nog niet helemaal af. Meanders Diedensche Uiterdijk en de Waarden •

2.1.2 Kader Richtlijn Water (KRW) Het hoofddoel van KRW-maatregelen is in zijn algemeen samen te vatten als het behouden en verbeteren van de ecologische waterkwaliteit en aquatische natuurwaarden. Dit is in drie onderdelen uiteengelegd. • Verbetering van de waterkwaliteit: zowel in de rivier, als in zijwateren in de uiterwaarden zijn de maatregelen er op gericht de waterkwaliteit te verbeteren. • Optimaliseren van kansen voor KRW-doelen en KRW-maatlatsoorten en daardoor zo dicht mogelijk tegen een goede ecologische toestand komen, zowel chemisch-fysisch als ecologisch. • Aansluiten bij de eigenheid en kenmerken van het Bedijkte-Maassysteem. Vanuit het gestuwde karakter van dit riviertraject liggen hier belangrijke kansen voor laagdynamisch riviermoeras en waterplantrijke/visrijke wateren in de vorm van niet aangetakte boogmeanders en restgeulen.

•

•

Vanuit de kansen voor laagdynamische natuur wordt er zoveel mogelijk ingezet op relatief ondiepe, (semi-)stagnante geulen, die niet in permanente verbinding staan met de Maas. Er ontstaan daarmee nieuwe kansen voor een rijke waterplantenvegetatie en riet/moerasvegetatie, en daarmee ook voor limnofiele vis- en macrofaunagemeenschappen. Het niet-permanent aantakken van de geulen (loskoppelen van relatief vervuild Maaswater) is ook van belang voor een goede waterkwaliteit (o.a. minder turbiditeit, minder eutroof en chemisch belast Maaswater) en het optimaliseren van eventuele rivierkweleffecten. Beperkte overstroming vanuit de rivier is een voorwaarde voor laagdynamische wateren. Dit stelt eisen aan de drempelhoogte bij de inen uitstroomzijde van nieuw gegraven geulen. De drempelhoogte voor instroom van niet aangetakte meanderbogen en grote geulen buiten de Lelyzone correspondeert met een afvoer van minimaal 1500 m3/s (gem. ca. 2 d/j). Voor niet-aangetakte geulen in de Lelyzone is dit minimaal 1250 m3/s (gem. 4d/j) aan de benedenstroomse zijde, en minimaal 1400 m3/s aan de bovenstroomse zijde. Maximaal zitten deze drempels op een hoogte die correspondeert met een afvoer van 1800 m3/s (gem. 1x/3j).

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

57

•

•

Een hoge waterkwaliteit in de laagdynamische meandergeul wordt bereikt als deze vooral wordt gevoed door rivierkwel en slechts sporadisch (bij hoogwater) door Maaswater. Om het proces van rivierkwel te optimaliseren heeft het de voorkeur de instroomhoogtes aan beide zijden van de meanderboog zo hoog mogelijk te leggen (vanuit rivierkunde gezien). Door de lage overstromingsfrequentie ontstaat er daadwerkelijk isolatie van de meander en daardoor een echt laagdynamisch milieu. Rivierkwel is aan de orde bij stijgende rivierwaterstanden; hoe groter het peilverschil tussen de rivier en de meander, en hoe langer de periode van verhoogde rivierwaterstanden duurt, hoe groter de kweldruk. Meestal is het peilverschil heel klein, maar gemiddeld 8 dagen per jaar is het peil hoger dan 5,4m NAP en bedraagt het peilverschil dus meer dan een halve meter. De locaties van de instroomdrempels zijn de Rulstraat en de rand van de Lelyzone aan het bovenstroomse einde van de geul. Rivierkwel kan positief uitwerken op de waterkwaliteit en daarmee de ecologie van uiterwaardwateren. Waar mogelijk wordt rivierkwel gestimuleerd, met name in geulen waarbij de lokale grondwaterstand hoger staat dan in het binnendijkse gebied (dit is bijvoorbeeld westelijk van Haren het geval).

•

•

•

(Geo)morfologische eisen •

• Kwelwerking

58

November 2022

deel II - 2. Buitendijks gebied

Rivierkwel wordt onder meer gestimuleerd door zoveel mogelijk de zandige of (fijn-)grindige (doorlatende) lagen en kwelvensters aan te snijden bij de aanleg van de geulen en het uitgraven van boogmeanders (in plaats van slecht doorlatende kleilagen). Om de waterkwaliteit te optimaliseren is het cruciaal dat de belasting met meststoffen (N, P) en biociden vanuit de landbouw wordt geminimaliseerd. Daarom worden geulen en herstelde boogmeanders zoveel mogelijk afgekoppeld van landbouwwater. Riet en andere moerasplanten hebben doorgaans baat bij een gedempte dynamiek. Voor kieming en behoud van vitaal riet op lange termijn zijn incidentele momenten van droogval (bijvoorbeeld eens in de 5 a 10 jaar) van oevers in de zomerperiode echter gunstig. Daarom wordt, via natuurlijke droogval, actieve onderbemaling en zo mogelijk periodiek aangepast of variabel stuwpeil, de kieming van riet in de ondiepe oeverzones van geulen en meanders gestimuleerd.

Om goed aan te sluiten bij en respectvol om te gaan met de kenmerken van het Maassysteem, verdient het de voorkeur gebruik te maken van natuurlijke en reeds aanwezige (geul)structuren in het landschap. De hoogte van het maaiveld verschilt in het plangebied. Afhankelijk van de projectdoelen en de aldaar aanwezige bestaande waarden (natuur, landschap, cultuurhistorie, archeologie wordt er meer of minder grond afgegraven. Er wordt waar mogelijk naar gestreefd het reliëf te versterken waar dat kan. Dat geldt met name bij de Lelyzone en de oorspronkelijke kronkelwaarden. Plaatselijk kan ook grond uitgewisseld worden indien dit voor kostendekking en grondstromen noodzakelijk is. Voorwaarde is dat

de aardkundige waarden (zandondergronden) niet geroerd worden en archeologische locaties onvergraven blijven. Veldonderzoek heeft uitgewezen dat de aardkundige waarden (beddingzand) veelal diep in de ondergrond aanwezig is. Randvoorwaarde is ook dat er geen extra open water mag ontstaan, dus ook geen diepe zandplassen. Meanders • Het voorgaande is geconcretiseerd in niet-aangetakte meanderbogen (Diedensche Uiterdijk) met een breedte van 200 m inclusief rietzones, waarbij het open water varieert van 35 tot 60 m breed. In het bevaarbaar alternatief van de Waarden is de breedte ongever 130 m, inclusief rietzones. het bevaarbare deel is ongeveer 60 m breed. • Om het tempo van verlanding/ opslibbing van de Diedensche Uiterdijk zo laag mogelijk te leggen heeft het de voorkeur om de meander bij hoogwater via de benedenstroomse zijde te laten instromen. De bestaande minimale hoogte van de Rulstraat is 6,3 m +NAP. De bestaande duiker in de Rulstraat blijft in stand, uitgerust met een afsluitbare klep kan de duiker dan dienen als regulatiewerk om na hoogwater de uiterwaard (deels) te laten leegstromen. De drempelhoogte op de rand van de Lelyzone is 6,6 m +NAP en kan zo nodig ook worden uitgerust met een afsluitbare duiker. • De ecologie van het soort gestuwde systeem als de Maas met een zeer constant stuwpeil, heeft baat bij wateren van beperkte diepte. Dit is onder

•

•

meer van belang voor de ontwikkelingskansen voor water- en moerasplanten, en daarmee voor limnofiele vissen en macrofauna. De boogmeanders en grote geulen worden uitgegraven tot een maximale waterdiepte van 2,5 m+NAP (dus circa 2,4 m diep). De diepste delen van de geulen (klein in oppervlak) hebben een functie als refugium bij vorst of droogte. Grote delen van de geulen zijn ondieper omdat een diepte tussen 1,5 en 0 m meer natuurwaarde oplevert. Hierbij wordt, waar mogelijk, aangesloten op de lokale zanddieptes (van oude beddingstructuren). Als zich onder het zand klei bevindt, wordt niet tot aan de zand-kleigrens doorgegraven, maar blijft zo mogelijk minimaal een halve meter zand zitten (bijvoorbeeld als lokale ondiepte in de geul).

Geulen Lelyzones • In de Lelyzone, waar vrijwel geen oorspronkelijke of natuurlijke geulstructuren meer aanwezig zijn, wordt uitgegaan van ‘bedachte’ geulstructuren. Voor deze oevergeulen geldt dat daarbij gestreefd wordt naar logische en natuurlijk ogende riviergeulen. • De geulen in de Lelyzone hebben een variabele diepte. Deze wordt ingegeven door de betekenis voor de waterstandsdaling, de KRW-waarden en de functie als refugia. Daarom zijn er delen van 1,0 meter onder stuwpeil, maar ook delen tot circa 2,5 m onder stuwpeil. Lokaal dienen hier gemotiveerde keuzes in gemaakt te worden.

Ter illustratie: inrichtingsprincipe voor geulen en meanders

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

59

Reliëfvolgend ontgraven, met behoud of versterking van de geomorfologie, plasdras en verwijderen bouwvoor; opzoeken van de zandige lagen.

60

November 2022

deel II - 2. Buitendijks gebied

Reliëfvolgend ontgraven met behoud of versterking van de geomorfologie, variatie in bodemdiepte, versterking van de kronkelwaard

•

•

Reliëfvolgend ontgraven met behoud of versterking van de geomorfologie, realisatie van ondiep water met natuurlijke oevers

•

•

De ecologie van de geulen is sterk gebaat bij variatie en habitatdiversiteit voor doelsoorten van de KRW, maar ook voor de bredere levensgemeenschap in de wateren. Daarom is in de geulen - op basis van de lokale geomorfologie - sprake van een afwisseling tussen ondiepe (0-0,50 m; bv. zandplaten, pointbars) en diepere delen (waaronder refugia). De ecologie en waterkwaliteit van de geulen en uiterwaardwateren is sterk gebaat bij aanleg in zandige (meer schrale) bodemtypen (en niet in ‘vette’ kleibodems). Het gaat dan bij voorkeur om grof en mineraal (niet-humeus) zand en soms fijngrindig materiaal. Dit zorgt voor een heldere waterlaag (minder turbiditeit), betere waterkwaliteit (bv. belasting met eutrofe stoffen) en voor betere kansen op het optreden van rivierkwel. Kenmerkende macrofaunasoorten profiteren, evenals verschillende inheemse vissoorten en vestigingskansen voor met name submerse waterplanten. Daarom worden bij het bepalen van de definitieve vergravingsdiepte van geulen (binnen bepaalde maximale dieptegrenzen, zie hiervoor) zoveel mogelijk de oude (bedding)zanden onder de aanwezige kleilagen opgezocht , voor zover de dijken daardoor niet negatief beïnvloed worden. Op basis hiervan kan op lokale en beperkte schaal afgeweken worden van genoemde maximumdieptes, zoals hiervoor genoemd (bv om een zandig (rivier)kwelscherm aan te snijden), het liefst niet meer dan 0,5m.

In sommige gebieden langs de Bedijkte Maas kan de zandlaag relatief diep zitten ten opzichte van het stuwpeil. In dat geval bestaat de kans dat geulen bij het opzoeken van het zand te diep worden. Als het zand te diep zit, wordt geprobeerd een laag aan te brengen van ongeveer 1 meter dik lokaal zand op de aanwezige klei (conform aanpak oevergeul Hemelrijkse Waard). Dit kan afgewisseld worden met hier en daar meer kleiige oevers. De gegraven geulen krijgen in de regel een flauw, natuurlijk ogend talud (> 1:20); lokaal kan beargumenteerd een steilere oever in een buitenbochtsituatie aangelegd worden.

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

61

•

In principe geen oevergeulen dicht op de rivier (in de oeverwal/ sedimentatiezone), bijvoorbeeld in de Lelyzone. Ga daarbij uit van een logische positionering richting de ‘Lelyrand’, zodat rivier en geul niet ‘samensmelten’ in het ruimtelijk beeld ; de Lelyzone dient herkenbaar te blijven, middels een steilrand (1:3) en een minder ruige vegetatie.

•

Ecologische eisen/ vegetatiebeheereisen •

Om het biotoop voor vissen en macrofauna te optimaliseren, is het van belang dat lokaal ooibos op de oevers van geulen aanwezig is. Dit zorgt voor meer variatie in beschaduwing, watertemperatuur, voedsellevering door bladval, structuurverbetering, inhangende wortels en dood hout. Bij beperkte hydraulische ruimte (zoals in de Lelyzone) kan variatie ontstaan middels individuele bomen of boomgroepen langs de oevergeulen.

Dood hout in de geulen, op logische plekken en natuurlijk ogend

62

November 2022

deel II - 2. Buitendijks gebied

•

Er wordt uitgegaan van spontane ontwikkeling van ooibos, zonder actieve aanplant. Hierdoor ontstaat natuurlijk bos met een soortensamenstelling en structuuropbouw die passen bij het betreffende landschap en standplaatscondities. Vanuit reeds aanwezige ecologische waarden en noodzakelijke compensatiemaatregelen zal lokaal wel actief vegetatie aangebracht worden, zoals inheemse vruchthoudende struiken en bomen, bijvoorbeeld ten behoeve van de Das. De ontwikkeling van rietmoeras zal sterk bijdragen aan een rijke ecologie in de oevers. Initiële vestiging van riet kan soms lastig verlopen, omdat dit afhankelijk is van bepaalde jaren met een specifiek waterstandsverloop en lokale zaadaanlevering vanuit bestaand rietland. De ontwikkeling van rietmoeras wordt gestimuleerd door actieve aanplant en bescherming tegen de vraat van herbivore watervogels en grote grazers door het tijdleijk plaatsing van rasters en linten.

Zandige oevers, schrale afwerking

•

•

Dood hout in een rivier of in zijwateren is van grote waarde als vestigingsplek voor hechtende macrofauna en beschutting voor vissen. In de grotere geulen en meanderbogen wordt daarom na aanleg dood hout aangebracht (dode bomen). Hiervoor is gezocht naar logische plekken en een natuurlijk ogend beeld, met een gemiddelde van circa 1 boom per 150 meter. Hydraulisch beheer: wanneer hoogwaterstandsnormen dwingen tot het terugzetten van het areaal ruwe vegetatie (bijvoorbeeld ooibos), gebeurt dit door het actief verwijderen (kappen, rooien of maaien) van de vegetatie op hydraulisch effectieve locaties (bijvoorbeeld bij uit-/instroomlocaties van geulen), en niet door opvoering van de begrazingsdruk of compartimentatie van begrazingsbeheer. Dit laatste kan leiden tot grootschalige overbegrazing en ecologische schade, zonder dat (hydraulisch) kritieke locaties daadwerkelijk aangepakt worden. Naast

Zachthoutooibos langs de geulen

hoogwaterstandsnormen kunnen ook gewenste zichtlijnen een aanleiding zijn voor het actief verwijderen van vegetatie. Eisen vanuit ruimtelijke kwaliteit Naast de kwaliteitseisen die voor het ecologisch functioneren van belang zijn, zijn in dit Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld ook ruimtelijk kwaliteitseisen geformuleerd voor het gebied als geheel, zodat er sprake is van een landschappelijk en ecologische logisch en samenhangend ontwerp. Het gaat dan onder meer om de volgende aspecten: • Geulen dienen in schaal en maatvoering te passen binnen de verhoudingen van bestaande geulen en geomorfologie en zijn (ruimschoots) ondergeschikt aan de dimensies van het zomerbed van de Maas. Het ontwerp zoals dat in het Projectplan Waterwet (2022) is vastgelegd strekt hierbij tot voorbeeld.

Plas-dras door reliëfvolgende maaiveldverlaging

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

63

• Op basis van archeo-landschappelijk onderzoek dienen onderliggende patronen, het aanwezige aardkundige reliëf in de ondergrond, via inrichting van het gebied zichtbaar te worden gemaakt in de bovengrond. • Geulen en meanders hebben een natuurlijk karakter. • Het is de ambitie ook droge delen van de kronkelwaarden te verlagen, om zo een veel betere uitgangssituatie voor natuur te realiseren. De voedselrijke, vaak sterk bemeste, bovenlaag wordt verwijderd. De droge (kronkelwaard)gronden worden reliëfvolgend ontgraven, zodanig dat de kronkelwaardenstructuur en andere geulstructuren intact blijven of lokaal versterkt worden. De ambitie is om de kronkelwaarden zoveel mogelijk als droge biotopen intact te laten, maar lokaal kan in laagtes het grondwater ondiep geraakt worden. Speciaal in de uiterwaard van het eiland De Waarden liggen door de aanwezigheid van een lage kade langs het kanaal kansen voor de ontwikkeling van een natte overstromingsvlakte. Dit is ook gunstig voor de ontwikkeling van KRW-waarden. • Hiermee samenhangend is het de ambitie om maximaal (in oppervlakte) de aanwezige verrijkte bouwvoor te verwijderen, daar waar wordt gegraven. Door het vervangen van de bouwvoor door een laag zand van vergelijkbare dikte wordt een zo schraal mogelijke uitgangssituatie gecreëerd.

Een uitzondering vormen de locaties waar niet wordt gegraven, maar waar spontane ontwikkeling van hardhoutooibos is voorzien. • Binnen de gestelde technische- een milieu-kwaliteitseisen is het mogelijk grondpakketten uit te wisselen; voorwaarde is een afwerking met schrale grond aan de oppervlakte. • De hoge gronden worden zoveel mogelijk behouden of hersteld, omdat ze schaars zijn in het Nederlandse rivierengebied en potenties kennen voor de ontwikkeling van ecologisch waardevol en zeldzaam hardhoutooibos en/of stroomdalflora. • De Lelyzone-steilrand blijft zo veel mogelijk zichtbaar in het terrein.

•

• • •

•

•

Op enkele cruciale plekken worden zichtlijnen vrijgehouden van vegetatie; dit zijn zichtlijnen richting de Maas en de stadjes langs en markante bebouwing langs de rivier, zoals kerktorens, molens, haventjes, dijkmagazijnen, kloosters et cetera. Drempels in geulen of tussen de rivier en de geulen worden subtiel en onopvallend aangelegd. Bos en struweel langs onvergraven delen, oude solitaire bomen en struwelen worden zoveel mogelijk behouden. Hoogwatervrije terreinen (ook hoogwatervluchtplaatsen voor dieren) worden zo onopvallend mogelijk in het landschap opgenomen. Er wordt gebruik gemaakt van bestaande hoogwatervrije en hoogwaterarme delen. Waar ophoging noodzakelijk is wordt de natuurlijke morfologie van de hoge delen gevolgd en versterkt, bijvoorbeeld door de hoogste delen van de kronkelwaarden subtiel en onopvallend op te hogen met relatief zandig (schraal) materiaal. Waar geen geschikte hoogwatervrije terreinen beschikbaar zijn, wordt zoveel mogelijk gewerkt met hoogwatervrije terreinen in de oksel van de winterdijk zodat grazers niet uit de uiterwaard hoeven te worden gehaald en de doorgaans korte hoogwaterpiek op de HVP kunnen doorbrengen.

Er worden geen kunstmatig-ogende ophogingen of gebiedsvreemde structuren toegepast, met uitzondering van enkele hoogwaterterpen voor bevers en dassen die door hun specifiek ligging en door beplanting met struweel zo veel mogelijk ingepast worden in het landschap.

Terugliggende of verlaagde drempel om ingang van oude meander te markeren en herkenbaar te maken (waar niet aangesloten). Bron: Ruimtelijk Kwaliteitskader, verkenning Ravenstein-Lith, Strootman Landschapsarchitecten, 2017. 64

November 2022

deel II - 2. Buitendijks gebied

2.3 • •

Zichtlijnen

Enkele belangrijke zichtlijnen moeten vrijgehouden worden van (opgaande) vegetatie; dit verdient aandacht bij de aanleg en het beheer. Dit wordt onder andere nader uitgewerkt in een beheerplan. Relevante zichtlijnen zijn de zichten op bebouwing en objecten als kerken, kloosters, molens, dijkmagazijnen, haventjes, stadsaanzichten en dergelijke. Maar ook het zicht op de Maas en de herstelde meanders is van belang.

Belangrijke zichtlijnen binnen het plangebied

Zicht op kerken, kloosters, molens, stads- en dorpsgezichten etc.

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

65

2.4

(Recreatieve) zonering

• Er wordt een zonering aangebracht met recreatief intensievere delen en recreatief-luwe delen. Voor een belangrijk deel is deze zonering landschappelijk- en natuurgestuurd door water en ruigte. Ook het wel of niet aanleggen van routes zorgt voor sturing. • Het fijnmazige routenetwerk bestaat uit een langeafstandsroute, struinpaden, rolstoelpad(en), fietspaden en vaarroutes • Met name de grotere kernen van de uiterwaardlobben zijn luw en daar zijn routes niet of beperkt aanwezig. • Er wordt aangesloten op bestaande routes, zoals in Demen-Dieden en Hemelrijkse Waard.

66

November 2022

deel II - 2. Buitendijks gebied

• Er wordt vooral ingezet op de landschaps- en natuurbeleving en extensieve recreatie. • De intensievere, recreatieve zones bevinden zich bij de dorpen en de hoofdingangen. • Eventuele routes worden op voldoende afstand van bekende bever- en dassenburchten aangelegd (minimaal 20-25m). • Tussen de hoofdingangen bij de kernen bevinden zich kleinere entrees. • Het verdient de aanbeveling om te onderzoeken of het recreatieve routenetwerk uitgebreid kan worden met binnendijkse routes, bijvoorbeeld langs agrarische percelen (klompenpaden).

2.5

Entrees tot het gebied

Om voor een eenduidig beeld te zorgen, heeft elke ingang naar de Maasuiterwaarden een gelijksoortig karakter. De verschillen zitten in de hoeveelheid en grootte van de elementen. Dit is afhankelijk van de toegang: een hoofdentree, ingang of kleine ingang.

Bij nevengebiedsentree zonder parkeerplaats klaphek •

terreinbordje Natuurmonumenten

Bij de ingangen en kleine ingangen kan het beeldmerk van Meanderende Maas als herkenbaar symbool of embleem worden toegevoegd (zie hoofdstuk 3).

De uitstraling van de voorzieningen, bebording en andere elementen is robuust en eenduidig, met overwegend materiaal van hout en metaal. De middelen zijn bovendien functioneel en passend in het landschap. Alle objecten in het terrein zijn ‘familie’ van elkaar. Bij een hoofdgebiedsentree • • • • • • •

parkeerplaats fietsenrek toegangspoort (tevens beheertoegang), herkenbaar en markant klaphekje uitgebreide informatievoorziening terreinbord Natuurmonumenten herkenbaar beeldmerk van Meanderende Maas in de vorm van een bord/ zuil/object; passend bij beeld- en vormentaal die reeds in het gebied aanwezig is.

Hoofdgebiedsentree (links); nevengebiedsentree zonder parkeerplaats (rechts)

Bij een nevengebiedsentree • • • •

kleine parkeerplaats en fietsenrek klaphekje A3-kastje met informatievoorziening terreinbord Natuurmonumenten Voorbeeld nevengebiedsentree met parkeerplaats

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

67

2.6

Routes en verblijf

Er worden verschillende routes, paden en verblijfsplekken onderscheiden in het buitendijkse gebied, zowel over land als over water: • • • • • •

Fietspad Beheerpad (ook voor struinen) Struinpad Rolstoelpad Vaarzone Strandje

2.6.2 Beheerpad • Wandelpad kan tevens dienst doen als beheerpad. • Gemaaid graspad; na enkele jaren maaibeheer is onderhoud en beheer nog nauwelijks nodig. • Een deel van het Maas-LangeAfstandsWandelpad (LAW) gaat over dit soort paden.

2.6.1 Fietspad • 3,5 meter breed (bij een tweezijdig fietspad). • Gietbeton in een lichte kleur; moet voldoen aan eisen die Rijkswaterstaat stelt aan buitendijkse paden en wegen, bijvoorbeeld betongranulaat 2-40 mm, aangereden met een shovel. Of asfalt in een vergelijkbare uitstraling. • Geen markering. • Reeds aanwezige wegen in de uiterwaarden maken deel uit van het fietsroutenetwerk (zoals de Maasakkerstraat en Rulstraat).

Fietspad in gietbeton

68

November 2022

Bredere graspaden, tevens beheerpad

deel II - 2. Buitendijks gebied

2.6.3 Struinroutes

2.6.4 Rolstoelpad (offroad)

• Graspaadje: in aanlegfase aangebracht, daarna sporadisch maaibeheer, waarna ze vanzelf in stand blijven door gebruik. • Kleine routeaanduidingen wijzen desgewenst op subtiele wijze hier en daar de weg. • Een deel van het Maas-LangeAfstandsWandelpad (LAW) gaat over dit soort paden.

• Onverhard rolstoelpad: Brede graspaden (wandelpad-beheerpad). • Binnen het projectgebied zijn Demen-Dieden en de Ossekamp hiervoor in beeld. • Startpunt op logische plekken, bij de dorpen of locaties waar de uitgifte van off-the-road-rolstoelen mogelijk is (bijvoorbeeld Kasteel Oijen of bij horecapunten). • Subtiele bewegwijzering met houten paaltjes met rolstoelsymbool bij entree. • Bij de op- en afgangen van de dijk voldoen aan voor rolstoel-geschikte hellingshoeken.

Smalle struinpaadjes

Offroad rolstoelen

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

69

2.6.5

Varen

Waar de meander wordt aangesloten op de rivier is ruimte voor extensieve waterrecreatie (varen met sloepjes, kanoën, fluisterboten en dergelijke). • Het vaargedeelte maakt deel uit van het natuurlijke, ruimtelijke beeld van de herstelde meander; het heeft een natuurlijk karakter en natuurwaarden. • Vaarzone geschikt voor kleine bootjes als sloepjes en dergelijke. • Doorvaarthoogte bij de bruggen is maximaal 1.50 m. • Vaarwegbreedte (bodem) is ca. 18 meter; maar variatie is gewenst. • Flauwe en natuurlijkogende oevers; geen beschoeiing. • Realiseren van ondiepere (niet bevaarbare) oeverzones. • Aanbrengen van natuurlijke maatregelen in de vorm van dood hout (klinkhout) en slikplaten om golfslag te beperken (ook stapstenen kunnen deze rol vervullen). • Tussen de natuurzones (KRW) en de vaarzone ligt een voldoende hoge drempel om te voorkomen dat Maaswater de natuurzones instroomt. • Op enkele locaties nabij de kernen en transferia aanlegsteigers en opstapplekken realiseren voor kortverblijf. • Natuurlijke maatregel om snelvaart te ontmoedigen is het strategisch positioneren van dood hout in de vaarzone (tevens ecologische waarde).

Sloepvaren en kanoën

Ter illustratie: een mogelijk profiel voor de bevaarbare zone (links) binnen de meander, naast de KRW-zone (rechts)

70

November 2022

deel II - 2. Buitendijks gebied

2.6.6 Strandje Bij Megen, langs de uit te graven meander, is ruimte voor een kleinschalig strandje, met een kleine zonneweides. • Aansluiten op parkeervoorziening voor Megen en Diedense Uiterdijk. • Flauw talud en zandige oever. • Geen extra faciliteiten en voorzieningen. • Zwemgedeelte gescheiden van de vaarzone middels een boeienlijn.

Extensieve zonneweide langs de meanders op enkele plekken

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

71

2.7

Bakenbomen

De bakenbomen zijn van grote cultuurhistorische waarde als ruimtelijke structuur en verbeelding van de kanalisatie van de Maas. Behoud en herstel van de herkenbaarheid van de bakenbomenstructuur is dan ook het uitgangspunt. Binnen het project is het de doelstelling om tot de aanplant van een nieuwe generatie bomen te komen. Op plaatsen waar het maaiveld verlaagd wordt, worden bestaande bomen en planten verwijderd en nieuwe bomen aangeplant. Op plaatsen waar maaiveld onveranderd blijft en oeverbeschoeiing intact, worden nieuwe bomen tussen de bestaande bakenbomen geplant. In het Definitief Ontwerp is er een concrete invulling gegeven aan de vervangingsstrategie van de bakenbomen. Op basis van 4 scenario’s zijn er bestendige groeiplaatsen gedefinieerd: • Groeiplek opheffen. Dit scenario speelt op locaties waar de huidige of toekomstige groeiplek geen bestendige groeiplaats is vanwege instabiele oevers of een toekomstige in-/uitstroom van een geul. De vervangingsstrategie op deze locaties is om de boom te kappen of te laten afsterven. Er komt op deze locatie geen nieuwe bakenboom terug. Dit scenario geldt voor de bakenbomen ter plaatse van de aantakking van meander De Waarden, de aantakking van de aangetakte KRW geul in de Ossekamp en bij de benedenstroomse drempel van geul Maasbommel. • Groeiplek behouden.

Dit scenario speelt op locaties waar in de huidige situatie sprake is van een stabiele oever met oeverbescherming. De vervangingsstrategie, ongeacht of er verlaging van maaiveld plaats vindt of niet, is om de nieuwe bakenboom tussen de bestaande bomen aan te planten. Dit scenario geldt voor de Lelyzone Ossekamp, langs Maasbommel

72

November 2022

deel II - 2. Buitendijks gebied

Oost en langs Lelyzone DU deel A, Lelyzone Megen en Lelyzone De Waarden bovenstrooms van de veerstoep. • Groeiplek behouden op een nieuwe plek. Dit scenario speelt op locaties met een natuur(vriende)lijke oever waar oeverbescherming (deels) verwijderd is. De vervangingsstrategie is hier om, ongeacht of er verlaging van maaiveld plaats vindt of niet, om de nieuwe bakenboom tussen de bestaande bomen aan te planten buiten de erosielimietlijn. Dit scenario geldt bij Maasbommel West en bij Lelyzone De Waarden, benedenstrooms van de veerstoep. a) Bij Maasbommel West is de oeverbescherming verwijderd tot 1 m onder stuwpeil. De erosielimietlijn van deze NVO ligt 18 m uit de oeverlijn. b) Bij Lelyzone de Waarden op deel benedenstrooms van de veerstoep is de oeverbescherming verwijderd tot stuwpeil. De erosielimietlijn van deze NVO ligt 10 m uit de oeverlijn van de Maas. • Groeiplek behouden met oeverbescherming. In dit scenario blijft de huidige groeiplaats behouden. De nieuwe bakenboom wordt tussen de bestaande bomen aangeplant. Om te zorgen dat de nieuwe groeiplek een bestendige plek is dient er oeverbescherming rond om de nieuwe groeiplek te worden aangebracht. Dit scenario geldt bij drempel Appeltern en de bakenbomen bij de monding Burg. Delenkanaal.

Voor het planten van de nieuwe bomen geldt nog het volgende: • Bij voorkeur staan de nieuwe bakenbomen zoveel mogelijk met elkaar in één rechte vloeiende lijn parallel aan de oever (vanwege uniformiteit); • De afstand tussen de oeverlijn en de groeiplek is min. 7 m en max. 17 m; • Bij voorkeur is er niet veel onderscheid tussen de standplaats van bomen

langs een met steen beklede oever of een natuur(vriende)lijke oever; • De nieuwe groeiplek ligt zoveel mogelijk tussen de bestaande bomen in. Op deze wijze kunnen huidige bakenbomen nog tijdelijk blijven staan; • De onderlinge afstand tussen de nieuwe bakenbomen is zoveel mogelijk gelijk. Dit is ca 85-95 m; • Lege groeiplekken worden weer opgevuld, zodat de nieuwe lijn volledig is. Hiermee ontstaat een nieuwe lijn met bakenbomen met een steeds gelijke afstand tussen de nieuwe bomen. Voor de natuur(vriende)lijke oevers (scenario 3) ligt de nieuwe groeiplek overal 15 m uit de oeverlijn. De nieuwe groeiplek ligt tussen de bestaande groeiplekken in. Voor de steenbestorte oevers (scenario 2) ligt de nieuwe groeiplek overal 10 m uit de huidige oeverlijn. De nieuwe groeiplek ligt

1. Groeiplek opheffen: bakenbomen verdwijnen

2. Groeiplek behouden: nieuwe bakenbomen op bestaande plek op verlaagd maaiveld

tussen de bestaande groeiplekken in. Hiermee is de nieuwe standplaats beter bestendig tegen oevererosie of toekomstige aanleg van NVO’s. De overige eisen aan de nieuw te planten bakenbomen zijn: • De aan te planten bomen zijn van de soort inheemse zwarte populier (Populus nigra) en dienen genetisch gecertifieerd plantmateriaal te zijn; • De aan te planten bomen dienen beschermd te zijn tegen bevervraat of vraat door vee; • De aan te planten bomen dienen, bv middels een radarreflector, zichtbaar te zijn op de scheepsradar, in geval van rooien van de huidige bakenboom. • De bakenbomen zijn beeldbepalende elementen in het landschap. In de uitvoering wordt er bij voorkeur een fasering gekozen waarbij gestreefd wordt naar het tijdelijk in stand houden van de huidige bakenbomen op tenminste één oever.

3. Groeiplek verplaatsen: nieuwe bakenbomen naar achteren geplaatst op nieuwe lijn zonder oeverbescherming

3. Groeiplek behouden met oeverbescherming: nieuwe bakenbomen op bestaande plek op verlaagd maaiveld met oeverbescherming

Vier scenario’s voor nieuwe bakenbomen

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

73

Voor de natuur(vriende)lijke oevers (scenario 3) ligt de nieuwe groeiplek overal 15 m uit de oeverlijn. Bij verlaagd maaiveld wordt de bestaande boom verwijderd.

74

November 2022

deel II - 2. Buitendijks gebied

Voor de steenbestorte oevers (scenario 2) ligt de nieuwe groeiplek overal 10 m uit de huidige oeverlijn. De nieuwe groeiplek ligt tussen de bestaande groeiplekken in.

2.8 •

•

• • •

•

Beheer

In het buitendijkse gebied zo min mogelijk permanente rasters en hekwerken, vanwege landschappelijke redenen, kostenbesparing (denk aan schade tijdens hoogwater en het feit dat rasters dan als vuilvang fungeren) en omdat rasters tijdens stijgende waterstanden een gevaar vormen voor zwemmende grote grazers. Zo groot mogelijke aaneengesloten begrazingseenheden, zonder tussenrasters. Uitzondering hierop kunnen lokale rietmoerassen/ rietbegroeiingen en -stroken langs geulen zijn, met name in de beginfase van de ontwikkeling, omdat deze erg gevoelig kunnen zijn voor (over) begrazing. Dat geldt ook voor tijdelijke afrastering rondom aanplant van hoogwaterterpen voor bevers en kunstburcht van dassen. Permanente afrastering (paal en draad) vooral aan de randen van het buitendijkse gebied: onderzijde van de dijk. Geen fysieke scheiding tussen de Lelyzone en de rest van het gebied. (Kleine) wegen en paden worden zoveel mogelijk opgenomen in de begrazingseenheid en niet uitgerasterd, door gebruik te maken van veeroosters en andere voorzieningen. Binnen 10 m vanaf de dijk mag zich geen (ooi)bos gaan vormen.

In de Beheervisie en het Beheerdocument wordt dit aspect nader uitgewerkt en worden nadere afspraken gemaakt tussen partners/eigenaren. Ten aanzien van het beheer en onderhoud van de nieuwe bakenbomen geldt dat vanuit het Regioproces Bedijkte Maas Rijk en Regio nauw samenwerken. Onder leiding van de provincie Noord-Brabant worden met de gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat afspraken gemaakt over het toekomstig beheer van de gehele bakenbomenstructuur van Boxmeer tot Geertruidenberg. Specifiek voor Meanderende Maas worden afspraken gemaakt voor het tijdelijke beheer van de nieuw aan te planten bomen totdat de definitieve afspraak voor de gehele bakenbomenstructuur in werking treedt.

deel II - 2. Buitendijks gebied

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

75

76

November 2022

3 Bijzondere elementen en objecten De dijkverbetering en gebiedsontwikkeling moeten leiden tot een aantrekkelijk en herkenbaar gebied. De bijzondere plekken en objecten dragen in belangrijke mate bij aan dat beeld, met de dijken, rivier en uiterwaarden als ruggengraat. Elementen en objecten als vogelkijkhutten, bebording, hekken bij entrees, bruggetjes en dergelijke versterken de herkenbaarheid van het gebied Meanderende Maas door hun vormgeving.

De recreatieve voorzieningen, objecten en elementen dragen bij aan de natuurbeleving, ruimtelijke kwaliteit, vrijetijdseconomie en herkenbaarheid van het gebied. De objecten zijn qua vormgeving en uitstraling: strak, sober, robuust en herkenbaar. De objecten vormen een familie van elkaar qua materiaal en/of kleurgebruik, maar variatie is mogelijk (ook hier: eenheid in verscheidenheid). Onder de bijzondere objecten en elementen vallen bijvoorbeeld uitkijktorens, vogelkijkhutten, aanlegsteigers, een trekpontje, toegangspoorten, meubilair, bebording en bewegwijzering.

3.1 Beeldmerk • Een herkenbaar beeldmerk draagt bij aan de herkenbaarheid van het gebied Meanderende Maas (zie voorbeeld). • De uitstraling is ingetogen en robuust. • Het beeldmerk kan worden toegevoegd op objecten als borden en toegangspoorten.

Een beeldmerk of logo op borden, hekwerken, objecten etc. kan voor eenduidigheid en herkenbaarheid van de Meanderende Maas zorgen bijvoorbeeld uitgestanst in staal of gefreesd in hout

deel II - 3. Bijzondere elementen en objecten

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

77

3.2 Bewegwijzering en bebording • Eenduidige en herkenbare vormgeving; de uitstraling is stoer en robuust, uitgevoerd in natuurlijke kleuren en/of materialen. • Er wordt aangesloten op de beeld- en vormentaal van de andere objecten en elementen (ze vormen een familie). • Wildgroei van borden dient vermeden te worden. • Er is een herkenbaar beeldmerk opgenomen. • De transferia zijn logische plekken voor een meer manifeste aanduiding; nabij de kleinere entrees kunnen aanduidingen subtieler. • Op centrale punten / bij poorten worden routesuggesties door uiterwaarden gegeven, verder bewegwijzering en borden in de uiterwaarden zoveel mogelijk beperken. Routeaanduidingen in het gebied zijn subtiel; een eenvoudig paaltje met kleine markering volstaat. • Langs uitgezette routes is er ruimte voor thematische informatievoorziening, passend binnen de geldende beeld- en vormentaal.

Herkenbare informatievoorziening, eenduidige vormgeving en materialen

78

November 2022

deel II - 3. Bijzondere elementen en objecten

Voorbeeld van meer manifeste borden bij hoofdingangen / transferia

Voorbeeld van subtiele route-aanduiding en beeldmerk nabij ingangen (links) en in de uiterwaarden (rechts)

3.3 Uitzichtpunten en vogelkijkhutten • • • • •

• •

Een iconisch object, passend binnen beeld- en vormentaal van Meanderende Maas. Uitstraling: robuust en stoer (hout en/of (corten)staal. Locatie bepaald door aanwezigheid van fraai uitzicht over het gebied, de gewenste recreatieve zonering en/of de kansrijkheid om vogels te spotten. Goed bereikbaar op een logische plek langs routes. Vandalismebestendig en runderproof bij plaatsing in begrazingsgebied. Uitzichtpunten verschillen onderling qua hoogte, functie en vormgeving; ze zijn wel familie van elkaar, maar zijn niet identiek. Een goed voorbeeld hiervan zijn de uitkijkpunten van de Markerwadden. De functie van een uitzichtpunt kunnen meerledig zijn: als schuilhut, fotografiepunt, vogelkijkhut, verblijfsplek. Er wordt een architect betrokken bij de vormgeving en uitwerking.

Voorbeelden van uitzichtpunten en vogelkijkhutten

deel II - 3. Bijzondere elementen en objecten

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

79

3.4 Dijktrappen

3.5 Aanlegsteigers

• Middels dijktrappen worden de dijk en de, aan weerszijden ervan gelegen, gebieden met elkaar verbonden. • Ze worden gepositioneerd op knooppunten van routes in de nabijheid van de woonkernen. • Dijktrappen worden langs het gehele dijktraject eenduidig vormgegeven; passend binnen een ruimere beeld- en vormentaal voor terreininrichting, meubilair en bebording in het gebied van Meanderende Maas. Er kan daarbij in materiaal onderscheid gemaakt worden tussen primaire dijktrappen (cortenstaal) (bijvoorbeeld bij Ravenstein) en secundaire dijktrappen (beton). • Ze zijn ondergeschikt aan de dijk en maken deel uit van de dijkvorm. • Aandacht voor beheer en onderhoud (geen open ruimtes onder de traptreden bijvoorbeeld).

•

Betonnen dijktrap, verzonken op opliggend (rechts)

80

November 2022

deel II - 3. Bijzondere elementen en objecten

•

Langs de vaarzones in de meanders worden enkele kleine aanlegplekken gerealiseerd, bedoeld voor kortverblijf (overnachting niet toegestaan). De aanlegplekken zijn eenvoudig, met een terughoudende vormgeving, bij voorkeur uitgevoerd in verduurzaamd inlands hout.

Eenvoudige aanlegplek

3.6 Toegangspoorten

3.7 Meubilair

• Alle toegangen zijn qua materiaal en/of kleurgebruik familie van elkaar. • De kleinere toegangspoortjes voor publiek zijn eenvoudig vormgegeven, in hout of staal. • Beheertoegangen en grotere poorten bij hoofdingangen zijn eenduidig vormgegeven, aansluitend op de beeld- en vormentaal van de kleinere toegangspoortjes. Ze dragen bij aan de herkenbaarheid van Meanderende Maas door het beeldmerk toe te voegen.

• Meubilair wordt eenduidig vormgegeven; de uitstraling is stoer en robuust, uitgevoerd in natuurlijke kleuren en/of materialen. • Zitmeubilair staat op logische plekken langs routes en op markante plekken: waar iets te zien is (natuur, de rivier, bijzondere bebouwing) en/of op knooppunten van routes. • Aanknopingspunt voor materiaal is het hergebruik van te kappen (baken)bomen uit het gebied door het te verwerken in straatmeubilair of vlonderpaden bijvoorbeeld. Er zijn goede mogelijkheden dit hout te verduurzamen.

Kleinere, eenvoudige toegangspoort

Toegangspoort met beeldmerk bij de hoofdentrees (transferia)

Eenduidig meubilair

deel II - 3. Bijzondere elementen en objecten

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

81

3.8 Bruggen, vlonders, stapstenen en voordes Brug ten behoeve van voetgangers De vlonderbrug vormt een vaste oversteekplek; het is een eenvoudige en elegante constructie. Voor een voetgangersbrug geldt dat deze een lage opstaande rand heeft; zo dicht mogelijk bij het water; rekening houdend met kano-routes. Een fietsersbrug is breder, om elkaar veilig te kunnen passeren, maar heeft eveneens een zo laag mogelijke rand. Voor alle objecten geldt een eenduidige vormgeving. Voetgangersbrug

Brug ten behoeve van beheer De betonnen brug is vooral bedoeld voor beheer en vee; het is een eenvoudige en slanke constructie, zonder leuning; de brug is geschikt voor vee en zwaar(der) beheermaterieel.

Brug t.b.v. beheer en vee

Voorbeeld vlonderpad

82

November 2022

deel II - 3. Bijzondere elementen en objecten

Stapstenen Om kleinere geulen te passeren kunnen stapstenen ingezet worden, als voortzetting van de steengestorte oevers. Bij eenzijdig aangetakte kleine geulen dienen de stapstenen tevens (in enige mate) als golfbreker. Voorde Een voorde is een doorwaardbare plaats. De voorde kan ingezet worden als uitstroomdrempel en als toegang naar eilanden (voor beheerders) en is een voortzetting van de lijn van de stortstenen-oevers. Voor de struinende recreant is het een avontuurlijke route. De voorde moet geschikt zijn als beheerroute en voldoende stabiel zijn. Uitspoelen van verharding mag niet voorkomen. Voor de uitvoering wordt gebiedseigen materiaal gebruikt. Trekpontje Tot slot kunnen geulen ook overgestoken worden middels een eenvoudig trekpontje; dit is een leuke attractie.

Voorbeelden van strapstenen, een voorde en trekpontje

deel II - 3. Bijzondere elementen en objecten

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

83

4 Bijzondere plekken In het gebied van Meanderende Maas slingeren de dijk en de rivier door het landschap. Erlangs bevinden zich de historische stadjes en plekken met een cultuurhistorische betekenis. Samen met de dijkverbetering en gebiedsontwikkeling ontstaan kansen om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren en de cultuurhistorie weer zichtbaar te maken. Dit draagt positief bij aan de aantrekkelijkheid en kracht van het gebied. Plekken als het waterfront van Ravenstein, het oude haventje van Megen en Huis te Dieden geven het gebied van Meanderende Maas allure. 4.1

Ravenstein

Ravenstein is een van de hoogtepunten in het parelsnoer van vestingsteden en andere authentieke plekjes langs de Maas. Met de dijkversterking ontstaan kansen om het karakter van de oude stad te versterken, de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren en de vrijetijdseconomie te stimuleren. Uitgangspunten zijn: • Versterken van het contrast tussen binnen-buiten. • Toepassing van een damwand. • Aansluiten bij het historische karakter van het stadje. • Zoveel mogelijk behouden van cultuurhistorische en archeologische waarden, waaronder de bomen op de dijk. • Toevoegen van verblijfskwaliteit. • Versterken van de relatie tussen stad en rivier door middel van aantrekkelijke routes en zichtlijnen.

Verschillende dijkvormen langs Ravenstein die reageren op de omgeving, met een

kade tussen de rondelen, geflankeerd door tuimeldijken

deel II - 4. Bijzondere plekken

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

85

kademuur

mv ca. +11,6 m mv ca. +8,0 m

geen fietspad, maar voetpad op de tuimelkade ter hoogte van Ravenstein

wegbreedte stoepbreedte 4,5 - 6,0 m ca. 2,4 m

bermbreedte ca. 10,0 m

Versterken van het stadsbeeld middels een kade met mogelijk kansen in de toekomst om het water dichtbij de stad te brengen

Toevoegen van verblijfskwaliteit in de openbare ruimte, die recht doet aan het historische stadje Ravenstein.

Deze beelden geven de ambitie weer voor het gewenste kwaliteitsniveau

Kademuur met lager gelegen kade op grondlichaam

De nieuwe vestingmuur is ale eigentijdse toevoeging herkenbaar; dit kan door middel van materiaal, structuur, richting, kleur en begroeiing

86

November 2022

deel II - 4. Bijzondere plekken

• Er is een afwisseling tussen moderne gronddijk, dijk met tuimelkade en kademuur: de kademuur bevindt zich tussen de rondelen en deze worden geflankeerd door de tuimeldijken. • De kademuur is een herkenbare en zichtbaar nieuwe toevoeging, in samenhang met de rondelen en omgeving vormgegeven. • De kademuur is ondergeschikt aan en vormt een contrast met de gemetselde rondelen; dit contrast kan gevonden worden in materiaal, kleur, structuur, richting. • De rivier moet beleefbaar blijven vanaf maaiveld.

• Op de tuimelkade wordt een voetpad gerealiseerd; in afwijking op de overige tuimeldijken in het projectgebied ligt hier geen fietspad. • Fietsers en auto’s delen de rijbaan. • De inrichting van de openbare ruimte op de kade kan zowel een groen als een meer stedelijk karakter hebben. • De inrichting, beeld- en vormentaal is passend bij het stadje, maar is wel onderscheidend als nieuwe toevoeging en als verbeelding van een nieuwe tijdslaag; een (te) historiserend beeld is niet wenselijk. • Het gewenste toekomstbeeld is een herstelde strang langs de kade. • De hiernaast staande beelden geven het gewenste kwaliteitsniveau weer.

Dijktypologien Ravenstein

deel II - 4. Bijzondere plekken

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

87

4.2

88

Oude haven bij Megen

4.3 Erf Maasakker

De oude haven ten westen van Megen wordt weer herkenbaar gemaakt. Hiertoe zijn verschillende opties (al dan niet gecombineerd): • Een maaiveldverlaging ter plaatse van de haven met steilranden rondom. • Een dun laagje water. • Een afwijkende vegetatie ten opzichte van de omgeving: kaal en strakgemaaid tegenover meet ruigte rondom; een open ruimte in het (ooi) bos of juist een bloemrijke vegetatie om de plek te markeren. • Markering van de plek met een bijzonder object, bijvoorbeeld een uitzichtpunt, bankje en/of informatievoorziening.

De Maasakker (met het gelijknamige erf) is het gebied ten oosten van Megen dat voor de kanalisatie van de Maas Gelders grondgebied was. Er liggen kansen het voormalige erf Maasakker weer zichtbaar te maken bij de inrichting van de uiterwaarden als hogere plek in het landschap en/of als open plek in het (ooi)bos. De plek kan gemarkeerd worden met bijvoorbeeld een schuilhut, zitplek en/of informatiebord. Het verdient de aanbeveling te onderzoeken of de plek tevens benut kan worden als hoogwatervluchtplaats voor vee en wild.

Locatie oude haven van Megen op historische kaart

Locatie erf Maasakker op historische kaart

November 2022

deel II - 4. Bijzondere plekken

4.4 Huis te Dieden

4.5 Sluisje Diedensche Uiterdijk

Het voormalig Huis te Dieden kan aangegrepen worden als belangrijke toegang tot het gebied met kansen voor bijvoorbeeld horeca en als informatiepunt. In de dijkversterking dient nadrukkelijk rekening gehouden te worden met deze plek door de dijk op een goede manier in te passen, met het oog op behoud en versterking van cultuurhistorische waarden. Het toestaan van beplanting op steunbermen versterkt het ensemble. Dit wordt nader uitgewerkt in de D.O-fase.

In de zuidelijke punt van de Diedensche Uiterdijk lag een inlaatsluisje, onderdeel van de Zuiderwaterlinie. Mogelijk bevinden zich hiervan nog restanten in de dijk. Er ligt een kans deze plek te markeren.

Locatie Huis te Dieden op historische kaart

Locatie sluis op historische kaart

deel II - 4. Bijzondere plekken

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

89

4.6 Megen kloostermuur

4.7 Kasteel Oijen

Het behouden van de kloostermuur bij Megen staat voorop. Er wordt gezorgd voor een stabiele oplossing. Tegelijk ontstaan er met de dijkverbetering kansen om de kloostermuur vrij te graven. Aandachtspunt bij de afweging of afgraven gewenst is, zijn de bomen voor de muur; deze zullen moeten wijken.

Kasteel Oijen kan aangegrepen worden als belangrijke entree naar het gebied van Meanderende Maas; er is parkeerruimte en er liggen kansen als start van routes. Ontwikkelingen zoals de realisatie van een nieuwe brug, eventuele toevoeging van andere voorzieningen en visualisatie van het voormalig kasteel dienen aan te sluiten op de beeld- en vormentaal van Meanderende Maas en recht te doen aan de historische betekenis van de plek. De uitstraling is sober en robuust.

kloostermuur

nieuw huid

e pro

fiel

ig p

rofie

l

Profiel kloostermuur bij Megen

Impressie van een houten brug bij Kasteel Oijen

90

November 2022

deel II - 4. Bijzondere plekken

deel II - 4. Bijzondere plekken

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

91

92

November 2022

5 Kwaliteitsborging en doorwerking Dit Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld biedt een duidelijk kader voor de inrichting van de dijk en buitendijkse gebieden en bewaakt daarmee de continuïteit die nodig is om de gewenste kwaliteit te bereiken. Dit is van groot belang, omdat de uitvoering van de werkzaamheden vele jaren in beslag zal nemen en er steeds verschillende instanties en mensen bij betrokken zullen zijn. Het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld is derhalve een stabiel toetsingsinstrument voor de uitwerking van het ontwerp en de uitvoering van werkzaamheden. Tegelijkertijd fungeert het ook als inspiratiebron voor betrokkenen bij het project. 5.1

Toetsingskader en juridische status

Het is belangrijk om voor de planontwikkeling onderscheid te maken tussen het planologische borgen van beeldkwaliteit en de contractuele borging van het beeldkwaliteitsplan inrichting de aannemer. Het project Meanderende Maas zal de onderdelen van het plan vastleggen in onder meer een projectplan Waterwet rivierverruiming en KRW en in een projectplan Waterwet dijkversterking. Deze projectplannen vallen respectievelijk onder verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (rivier) en onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Waterschap Aa en Maas en Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant (dijk). Bij de totstandkoming van het ontwerp welke met de projectplannen wordt vastgelegd zijn de aanwijzingen uit het beeldkwaliteitsplan gevolgd. Ruimtelijke relevante elementen (situering

van bouwwerken, toestaan van functies, en dergelijke) zijn direct verankerd. Kwalitatieve elementen gelden als leidraad voor de regels. Op die manier krijgt de inhoud van het beeldkwaliteitsplan een juridische status in de vorm van de projectplannen met functies, situering, regels voor werken et cetera. Voor onderdelen die door ‘derden’ (zelfrealisatie) worden ontwikkeld, is aan Brabantse zijde een belangrijke rol weggelegd voor de Gemeente Oss. Een verzoek tot wijziging bestemmingsplan/omgevingsplan en/of aanvraag omgevingsvergunning dient door de Gemeente getoetst te worden aan de inhoud van het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld.

deel II - 5. Kwaliteitsborging en doorwerking

Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas

93

Met deze werkwijze verplichten de partners van de Meanderende Maas zichzelf aan de inhoud van dit Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld en vormt het een (juridisch) uitgangspunt voor de werkzaamheden van de aannemer en voor plannen van grondeigenaren om op basis van zogenoemde zelfrealisatie een deelgebied te ontwikkelen. Naast de planologische borging van het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld, maakt het document ook onderdeel uit van het contract dat wordt gesloten met de aannemer, die verantwoordelijk is voor de verdere uitwerking van ontwerp en de uitvoering van de werkzaamheden. Het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld krijgt zijn beslag in ontwerpproducten, waaraan concrete eisen zijn gesteld en de aannemer stelt in zijn organisatie een sleutelfunctionaris Ruimtelijke Kwaliteit aan als aanspreekpunt en counterpart voor de projectorganisatie. Het Adviesteam Omgevingskwaliteit van de Gemeente Oss (voorheen CRK) wordt bij de vaststelling en uitwerking van de plannen als onafhankelijk toetsend kwaliteitsteam betrokken. Eventueel kan het Adviesteam voor dit doel worden aangevuld met externe adviseurs, waarbij ook een relatie kan worden gelegd met Gelderse collega’s. De betrokkenheid van het Adviesteam Omgevingskwaliteit is contractueel geborgd, waarbij de momenten waarop het Adviesteam in elk geval wordt geraadpleegd het VO en DO zijn.

De kwaliteitstoetsing aan Gelderse zijde is nog onderwerp van gesprek, hierbij kan ondersteuning van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit worden ingeroepen. Plandelen van het gebied kunnen worden uitgevoerd op basis van het zelfrealisatiebeginsel. Hier is de betreffende eigenaar van de percelen verantwoordelijk voor de initiatie, ontwikkeling en uitvoering van de werkzaamheden. Deze plandelen kunnen worden vastgelegd via

94

November 2022

deel II - 5. Kwaliteitsborging en doorwerking

wijzigingsplannen of omgevingsvergunningen. Bij dergelijke verzoeken aan Burgemeesters en wethouder van de gemeente Oss, wordt de toepassing van het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld als voorwaarde betrokken in de afweging om al dan niet een vergunning te kunnen verlenen. Het Adviesteam Omgevingskwaliteit zal voor de onderdelen in zelfrealisatie door de gemeente Oss bij de vaststelling en uitwerking van de plannen als onafhankelijk toetsend kwaliteitsteam worden betrokken; zij zullen een plan toetsen aan het Ruimtelijk kwaliteitsbeeld. Eventueel kan het Adviesteam voor dit doel worden aangevuld met externe adviseurs. Een deel van het buitendijkse gebied heeft momenteel al de bestemming natuur. Hier is een binnenplanse wijziging strikt genomen niet noodzakelijk. Om hier het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld ook juridisch aan te verbinden is een speciale aanwijzing nodig. Tot slot heeft het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld ook een betekenis voor ontwikkelingen die buiten de strikte grenzen van de bovenstaande gebiedsontwikkeling vallen. Het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld wil graag een bijdrage leveren aan een benadering van de lange adem: gelet op het grote belang van dit gebied kan niet volstaan worden met één of enkele momenten in de ruimtelijke ordeningsketen, waarop ruimtelijke kwaliteit in de afweging wordt meegenomen.

Het is van belang om voortdurend te blijven schakelen tussen de ruimtelijke kwaliteits-ambities, zoals hier geformuleerd, en de uiteindelijke uitvoeringsprojecten. Voor de lange termijn, wanneer Rijk en Provincie niet meer bij de planvorming zijn betrokken, is het van belang dat de gemeente ruimtelijke opgaven blijft erkennen als opgaven van ruimtelijke kwaliteit.

Voor de lange termijn is er geen sprake van strikte kaders of vormgevingsprincipes. Het gaat dan meer om streefbeelden die een wenselijke ontwikkelingsrichting vanuit ruimtelijke kwaliteit in beeld brengen (het wenkend perspectief), zodat in de geest van het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld gehandeld kan worden. Samen met het Ruimtelijk Kwaliteitskader, dat in het eerste deel van dit Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld is samengevat, geeft het voorliggende Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld richting om de verantwoordelijkheid van de overheden voor ruimtelijke kwaliteit te borgen en tegelijkertijd ook voldoende vrijheid laten. Vanwege de lange doorlooptijd van het project Meanderende Maas kunnen nu niet alle toekomstige initiatieven worden voorzien. Bovendien moet er binnen de vastgelegde kaders óók ruimte zijn voor innovatie bij de realisatie van de maatregelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=e49e1d10-8a86-41ca-b48a-f18a482aa1b7